|
7 juni 1917:
was wellicht de meest succesvolle dag voor de Britten in
de eerste wereldoorlog. 19 mijnen werden bijna gelijktijdig tot ontploffing
gebracht en veroorzaakten, naast de directe schade, een ongelooflijke paniek in
de Duitse linies. In de Franse stad Rijsel (op ongeveer 25
kilometer) werd gedacht aan een aardbeving en zelfs in Londen had met de
explosies kunnen "waarnemen"
Het werd natuurlijk geen gezondheidswandeling voor de oprukkende Britten – de Duitse
artilleriestellingen, uiteraard een stuk achter de eerste linies opgesteld, was natuurlijk niet mee opgeblazen – maar men kon
al bij al vlot terrein winnen en consolideren en in de statische loopgravenoorlog
die 1914-1918 toen al een hele tijd was, bracht dit de Britse legerleiding in
extase. Uiteindelijk zal er maximaal 7 kilometer terreinwist geboekt worden. Dit "succes" heeft er ongetwijfeld het besluit
gunstig beïnvloed tot het aanvangen van de
derde slag van Ieper. Een
indirect resultaat was dat de Duitsers, gealarmeerd door de Britse
troepenconcentraties van de nakende aanval, (31 juli 1917) aan het noordelijke
deel van de Ieperboog (rond Boezinge) alvast hun eerste linies ontruimden omdat ze, weliswaar onterecht, dachten dat ze ook daar ondermijnd waren…Op
andere plaatsen werden, tegen beter weten in, defensieve mijnen opgeblazen om
een ondergronds offensief zoveel mogelijk te dwarsbomen. Vergeefse moeite...
want de Briten hadden al hun werkkracht en kennis geconcentreerd rond Mesen.
|
locaties:
Aan het Westelijk front plaatsten alleen al de Britten 3.000 mijnen en
groeven 160 kilometer galerijen. in de Belgische bodem werden mijnen geplaatst van Ploegsteertbos tot aan
en iets over de spoorweg Ieper-Roeselare.
De 19 mijnen (aanvankelijk wou men 50 mijnen plaatsen) die op 7 juni tot
ontploffing werden gebracht waren het orgelpunt van deze manier van oorlogsvoeren. Daarmee was de ondergrondse
mijnenoorlog in Vlaanderen uitgestreden. De Duitsers bouwden hun
verdediging (nog meer) uit in de diepte met zwak bezette eerste linies wat het
ondermijnen militair gezien, niet meer interessant maakte.
Opmerkelijke krater(verhalen) zijn: |
|
SPANBROEKMOLEN
(Wijtschate): werkelijk het magnum opus van de
mijnenoorlog. Oorlog levert alleen lelijkheid op, maar er zijn uitzonderingen en
daar is de Spanbroekmolenkrater een voorbeeld van: een perfect rond meertje
omringd door een egale berm van enkele meters. De natuur heeft de rest gedaan …
Vroeger stond op de
"spanbroekhoogte" een imposante molen. Nu ligt er een even imposante krater |
 |
|
ONTARIO FARM (naast de weg Mesen-Wulvergem ) door de complexe
bodemgesteld is het ondergraven een echt huzarenstukje die ten andere maar klaar
komt op 6 juni 1917, net op tijd om te kunnen meedoen aan het grote spektakel de
dag nadien. Maar de explosie veroorzaakte geen krater. Er werd kleverig zand
opgespoten en er was een soort moeras ontstaan . Hoe dan ook : de Duitse "stellungen" waren "verzwunden". |
DOUVE FARM (weg Mesen-Ploegsteert): de enige
ondergraving die de Duitsers hebben kunnen dwarsbomen. Door het plaatsen van een
defensieve mijn kunnen ze de Britse galerijen over langere afstand doen instorten en
het moeilijk te beheersen grondwater deed de rest. Het was ook de enige Britse
"ondergraving" in een vallei. de reeds aangebrachte lading ligt er
nog steeds onder de na de oorlog opnieuw opgetrokken boerderij.
|
KRUISSTRAAT (landelijke weg Wulvergem-Wijtschate): de enige
plaats waar een reeks (3 kraters) in een rechte lijn tot ontploffing
werden gebracht waardoor het Duitse loopgravenstelsel in de diepte werd opgeblazen. De
Britten waren aanvankelijk van plan de tweede en derde explosie synchroon met de
oprukkende infanterie uit te voeren maar de vrees dat daarbij meer zou kunnen
mislopen dan goed voor ze was, heeft hen van dit plan doen afzien. |
|
MAEDELSTEDE FARM (naast de weg Wijtschate-Kemmel): is in zoverre
merkwaardig dat de helft van de lip van de krater werd verwijderd wat precies
het nog overblijvende deel accentueert…
|
|
PETIT BOIS:
verwijst naar een bosje dat westwaarts en ook lager lag (ligt) van de Wijtschaatse
heuvelkam. Van eind 1914 tot 7 juni 1917 bevond zich daar de
eerste Duitse linie die door twee mijnexplosies werd opgeblazen. De
galerij naar de mijnkamer onder "Petit Bois" werd ten dele gegraven met
een type machine waarmee men ook het Londense Metro net gerealiseerd had, maar dat bleek
in Vlaanderen geen succes. Trouwens die machine
steekt nog altijd ergens onder de grond. Ook werd die galerij op een
bepaald ogenblik door de Duitsers opgeblazen waardoor een aantal Britse
"ondergravers" vast kwamen te zitten. Strijdmakkers hebben hen na dagen
kunnen
uitgraven maar slechts één man was nog in leven.
Dit feit wordt
"geromantiseerd" beschreven door Willy Spillebeen in "de
Heuvel" |
BAYERWALD:
(voor de Britten "Bois Quarante")
is
een perceel van de (niet
aaneengesloten)
Croonaertbossen. Aanvankelijk hadden de Britten
"explosieve" plannen om komaf te maken met
de hoger gelegen posities van de Duitsers in die bossen. Al dan niet in een zatte bui werd
ooit een ondermijningsplan ontwikkeld om rond de 240.000 kilo springstof
te plaatsen
onder zowel het Bayerwald als het veel omvangrijker en nog hoger gelegen
Hessenwald ("Grand Bois" voor de Britten).
De plannen werden afgezwakt tot drie bescheiden ladingen,
samen nog geen 30.000 kilo, die
geplaatst werden rond een nabijgelegen hoeve (met de merkwaardige naam "Hollandse schuur")
.
De Duitsers hadden nochthans een sterk vermoeden dat "Bayerwald"
werd ondergraven omdat zij veel
opgedolven aarde achter de recht tegenoverliggende Britse linies konden waarnemen. Die aarde was echter afkomstig van een
zogenaamde "subway",
een brede onderaardse gang, "Chicory Lane" genoemd, die de militairen toeliet veilig de eerste
linies te bereiken en ook toegang gaf tot onderaardse schuilplaatsen.
Het zal dus initieel de bedoeling om verder te graven tot onder de
Duitse stellingen maar men verkoos uiteindelijk dat
niet te doen en de
tegenstander bij de neus te nemen want die was gealarmeerd door opgegraven klei
die immers niet kon verborgen kon blijven. De Britten hadden in de mot dat de Duitsers
zoveel moeite deden om hen ondergronds te dwarsbomen zo danig dat
Bayerwald het beste uitgebouwde "tegenmijnennetwerk" had
van de hele Mesenboog. Zij lieten dus de Duiters ondergonds wroeten
en werkten verder in alle rust hun subway af maar ook niet meer dan
dat...
Ironisch is bovendien dat uitgerekend in Bayerwald op die fameuse
zevende juni 1917, de Duitse linies daar het snelst verlaten
werden. Gerust zijn de Duitsers er niet in elk geval nooit geweest
omtrent die ondergraving.
Hierop anticiperend hadden de Duitsers meerdere schachten gegraven die hen
toelieten onder het oppervlakte luisterposten te installeren om de (vermeende) Britse graafwerken
te kunnen op sporen (en vervolgens op
te blazen). Ze haddenen hiervoor trouwens op geringe diepte (tien meter)
meerdere defensieve mijnen
laten ontploffen maar dit kon hen niet gerust stellen omdat ze vermoeden
dat de Britten mogelijks dieper aan het graven waren,en dit gealarmeerd door wat er in 1916 op een andere locatie (zie
Sint
Elooi) was gebeurd hebben ze vervolgens ook diepere "tegenschachten"
uitgedolven om het plaatsen van
dieptemijnen te
dwarsbomen.
Het enige merkbare effect, naast het preventieve, van dat alles was dat de Duitsers de kraters die de defensieve mijnen hadden geslagen
in een stevig uitgebouwde bovengronds verdedigingstelsel konden ingewerken
en waarvan de bodem tevens een vertrekbasis waren voor het graven van
enkele van de diepere
schachten (meer dan 20 meter diep).
Als je een" kranige lezer" bent
met wat "omgevingskennis", dan kun je het hele verhaal
"puren" uit "Bayerwald",
een uitgave van ABAF: Association For
Battlefield Archeology in Flanders. Maar "tussendoorlectuur"
is het niet. Er wordt zwierig met details gegooid en de conclusies
worden nogal cryptisch verwoord.

"Bayerwald" is een
bosperceel van de Croonaertbossen die noordwaarts liggen van Wijtschate,
langs de weg naar
Poperinge en een
zijweg naar Voormezele. De Fransen, die deze sector in 1914 bemanden,
vonden de Vlaamse benaming onuitspreekbaar en gaven
aan elke markant plek een nieuwe naam , net zoals trouwens ook de
Britten en de Duitsers deden. Het grootste bosperceel, dat oostelijk lag van "Bayerwald"
(of
op zijn Frans "Bois Quarante"), werd "Grand Bois"
genoemd terwijl de Duitsers het als "Hessenwald" aanduiden, andermaal refererend naar een landstreek in
Duitsland.
Zo hadden de Fransen het ook nog over "Bois Confluent" ,
waar twee beekjes samenkwamen en over "Bois Carré" omwille van zijn vorm. De
Duitse namen hiervoor waren respectievelijk "Nasenwald"
en "Eckwald". De Britten hebben, eerder uitzonderlijk, de
Franse
benamingen voor deze bospercelen overgenomen.
Aan de Croonaert stond ook nog een kasteeltje dat door
de strijdende partijen respectievelijk "Red chateau" en "Rotes haus" werd
genoemd. De fundamenten zijn nu nog waarneembaar. Iets verder richting
Wijtschate lag een imposant gebouw: het "Hospice", een weeshuis dat
binnen de Duitse stellingen lag en door de Britten goed waarneembaar
was. Nu is daar een gemeentelijk sportcomplex.
|
De weg van
Voormezele naar Wijtschate liep (loopt op een oostelijke helling) door "Hessenwald" of
"Grand Bois" en is thans geasfalteerd. Verder (beneden de westelijke helling) ligt het
meer bekende "Petit Bois"
omwille van de twee mijnexplosies op 7 juni 1917 aan het begin van
de slag om Mesen.
|
|

Niet alleen in Bayerwald hebben de Britten
hun ondergrondse "plannen" niet kunnen uitvoeren, nog andere
"projecten" bleven in de steiger of werden noodgedwongen maar
gedeeltelijk uitgevoerd. Een ander groots opgezet plan om
"Eickhof" (bij Sint Elooi) met vier krachtige ladingen op te
blazen liep af met een sisser. De uitgraving werd "machinaal"
aangepakt maar al spoedig bleek dit, net als bij "Petit Bois"
geen "succes". Er was ook niet meer voldoende tijd om
"artisinaal" verder af te werken...
Bij "Peckham" (omgeving "Spanbroekmolen") waren er
plannen om drie ladingen te plaatsen. Uiteindelijk werden er maar twee
geplaatst, een ging verloren en een werd op 7 juni tot ontploffing
gebracht. Ook bij "Spanbroekmolen" werd nog gepoogd een tweede
lading te plaatsen maar ook dat mislukte.
Andere "projecten" kwamen maar op het nippertje
"bedrijfsklaar" soms na reparatie nadat de Duitsers leidingen
hadden kunnen beschadigen. Dit was het geval bij
"Spanbroekmolen" , "Ontariofarm",
"Mandelstede" en "Factory Farm". Deze laatste, gelegen
in de nabijheid van Ploegsteertbos kon na een beschadiging, pas om 2h50
"gerepareerd" worden: 20 minuten voordat 19 mijnen die 7de juni
explodeerden.
Een andere opmerkelijk gegeven zijn de vier mijnen die gelegd werden onder
"Birdcage" ( vogelkooi) aan de oostrand van het Ploegsteertbos.
Eens goed en wel geplaatst werden ze die 7de juni niet tot ontploffing
gebracht om tactische redenen maar in "reserve" gehouden
om een eventuele flankaanval vanuit de zuidelijk gelegen Leievallei te
counteren die er niet gekomen is... Die mijnen zijn daar maar blijven
liggen door God en klein Pierke vergeten tot, in 1955 tijdens een hevig
onweer, er één werd ontstoken en een immense krater slag in een stuk
akkerland. De springstof ligt er namelijk verpakt een rubberen zakken
zodat letterlijk, het kruid zeer lang droog kon gehouden worden. Maar we
zijn intussn toch weeral 50 jaar verder...

|
|