luchtoorlog
Start Omhoog eerste slag om Ieper tweede slag om Ieper slag om Mesen derde slag bij Ieper lenteoffensief eindoffensief Hooge Hill 60 Sint Elooi ondergrondse oorlog

educatieve site over de eerste wereldoorlog aan de Ieperboog ( en de IJzer )

In de luchtoorlog hebben twee technologieŽn een geweldige evolutie doorgemaakt: het luchtschip en het vliegtuig. Toch zal naar het einde van de oorlog het vliegtuig het luchtschip volledig verdringen. Het luchtschip was vooral een Duits wapen (overwegend Zeppelins) die voor verkenning over zee en (nachtelijke) bombardementen werd ingezet. De Britten gebruikten het luchtschip vooral, bizar genoeg, tegen onderzeeŽrs. Maar door hun grotere wenbaarheid, hun hogere snelheid en hun toenemend draagvermogen en natuurlijk het feit dat ze minder kwetsbaar waren verdrongen de vliegtuigen het luchtschip volledig. Het vliegtuig zou in latere oorlogen uitgroeien als het wapen bij uitstek...

Aanvankelijk werden de luchtschepen ingezet als frontwapen maar simpel geweervuur kon een luchtschip al uitschakelen. Nadien  werd ze alleen nog ingezet tijdens (bijna) maanloze nachten als bombardementswapen. Tot haar eerste wapenfeiten behoren het afgooien van enkele bommen boven Luik en later, Antwerpen.  Toen de luchtschepen met (nog) krachtiger motoren konden uitgerust worden gebruikten de Duitsers ze  om in eskader, Britse steden te bombarderen. De ene actie was succesvoller dan de andere. De luchtschepen konden steeds hoger vliegen waardoor afweergeschut en "jachtvliegtuigen" er niet bij konden. Maar ook vliegtuigen konden steeds hoger klimmen. Een paar reusachtige Zeppelins - die tot 85 km/u konden vliegen en meer dan 4.000 kilo bommen kon meenemen -  werden zo op een spectaculaire manier uit de lucht geschoten met apocalyptische beelden tot gevolg die de bemanningen van andere luchtschepen deed op de vlucht slaan. De Zeppelins werden meer en meer vervangen door voor die tijd reusachtige bombardementsvliegtuigen.
Daarnaast beschikten alle strijdende partijen over "waarnemingsballonnen" die, vastgehouden door een kabel, in het onmiddellijke achterland (met zicht op de vijandelijke linies) werden opgehangen. Ze hingen daar zeer kwetsbaar en werden veelvuldig door de tegenpartij beschoten. Ze waren vooral het mikpunt van vijandelijke vliegtuigen. Daarom stond er veel luchtafweer rond die ballonnen, terwijl ook vliegtuigen de "wacht hielden". Als er dan toch zo een ballon werd in brand geschoten  - door de enorme gasontploffing was dit voor het aanvallende vliegtuig ook niet zonder gevaar -  kon de waarnemer zich eventueel redden door via de bevestigingskabel af te dalen.
Soms werden die ballonnen ook in grote aantallen opgehangen als luchtversperring. Er werden "netten" aangehangen waarin  vijandelijk vliegtuigen "verstrengeld" dreigden te raken.

 

Het vliegtuig was in 1914 een vrij recente uitvinding die geacht werd alleen voor verkenningsopdrachten geschikt te zijn. Hoewel in een aantal plaatselijke conflicten het vliegtuig zijn militaire waarde in meerdere opzichten al had bewezen, kon het vliegtuig nog niet echt een markante plaats in het wapenarsenaal innemen. 
Aanvankelijk hadden de piloten alleen een handwapen bij om zich bij noodlandingen in vijandelijk gebied te kunnen verdedigen. Later kwam het tot confrontaties in de lucht waarbij door  begeleiders met  geweren naar elkaar werd geschoten. Nog later werd mitrailleurs geÔnstalleerd wat de vuurkracht natuurlijk aanzienlijk verhoogde. Aanvankelijk gooide men zowaar met stalen pijlen uit maar weldra ook met wat leek op "gesteelde" handgranaten voorzien van vinnen zodat ze mooi op "hun kop" (met schokbuis) terechtkwamen. Nadien werden carboniet-bommen van 5 tot 10 kilo afgegooid. Meer kon men vooralsnog niet meenemen maar toen sterkere motoren ingebouwd werden, was het mogelijk met, bijvoorbeeld 150 pk, een bommenlast van 100 kilo tot 3.000 meter hoogte te klimmen. Deze hoogte werd als veilig beschouwd voor het luchtafweergeschut dat uiteraard ook (meer) ontwikkeld werd.
Op het eind van de oorlog konden "jachtvliegtuigen" al meer dan 200 km per uur vliegen en  de lichte verkenningsvliegtuigen tot 9.000 meter stijgen. Bombardementsvliegtuigen konden een bommenlast van 1.000 kilo meevoeren, tien keer zoveel als in 1915 en hadden een actieradius van 1350 kilometer.Zowel Duitsland, als Frankrijk en Groot-BrittanniŽ bouwden tijdens de oorlog om en bij de 50.000 toestellen. Op het einde van de oorlog konden een aantal Duitse vliegeniers reeds beschikken over een valscherm.
Reeds in 1914 konden de Britten vliegtuigen uitrusten met rudimentaire zendapparatuur waarmee morsetekens konden verzonden worden (de Duitsers volgen pas in 1915) wat het vliegtuig als verkenningswapen en vuurgeleider voor artillerie enorm in waarde deed stijgen. Vanaf 1917 konden ook auditieve berichten verstuurd worden. Alleen waren de weeromstandigheden en de daarmee samenhangende zichtbaarheid, vaak de grote "spelbreker".
Nog in 1914 doet ook het watervliegtuig zijn intrede. Ondermeer in Zeebrugge worden dat soort vliegtuigen gestationeerd met het doel Engeland te bespieden of te bombarderen. Een aantal van die watervliegtuigen zullen ook torpedo's meevoeren en zullen er in slagen vrachtschepen te kelderen. 

 

                                            

Een opzienbarende technische evolutie werd door de Nederlandse vliegtuigontwerper Fokker (van de latere vliegtuigfabriek) ingezet die de Duitsers een systeem leverde waardoor vanaf juni 1915 tussen de roterende schroeven van de motor kon gevuurd worden. Echt nieuw was dit wel niet: de Franse vliegenier Roland Garros (naar wie later dat tennistoernooi werd naar genoemd) had hieromtrent al 'n meer artisanale methode op punt gesteld. Maar Fokker ontwikkelde een "industrieel" ontwerp en dat gaf de Duitsers een tijdelijk overwicht in de lucht. Uiteraard zullen de Geallieerden na verloop van tijd, dat ontwerp kunnen kopiŽren.  De tijd brak aan van de "azen" waarbij spectaculaire man-tegen-man luchtgevechten werden geleverd en succesvolle piloten hun aantal overwinningen optelden. Piloten werden, naargelang de verbeeldingswereld de ridders of cowboys van de lucht genoemd en allerlei rare kwasten bleken de lucht soms bijzonder succesvol te zijn dat ze zich vedetteallures konden aanmeten waar menig naoorlogse film werd over gedraaid.
De Duitsers zullen met hun vernuftige ontwerpen meestal een (tijdelijk) overwicht in de lucht hebben. Het ging dan om snelheid, wenbaarheid, klimvermogen en hoogte waarin ze de geallieerden (korte tijd)  konden in overtroeven. Wel konden die daartentegen meer vliegtuigen de lucht insturen wat zeker op het einde van de oorlog een doorslaggevende rol zou spelen.
 

                          

Achter de Ieperboog lagen langs weerzijden tientallen vliegveldjes van waaruit piloten opstegen om elkaar partij te geven. In deze streek opereerde roemruchte azen als Guynemer die neergeschoten werd boven Poelkapelle (en er een standbeeld kreeg) en Von Richthoven (de rode baron) die vanuit het vliegveld van Marke opereerde. Aan Duitse kant waren in West-Vlaanderen in de laatste oorlogsjaren 25 vliegvelden en nog enkele andere lagen in Oost-Vlaanderen.  Aan geallieerde kant lagen die vliegvelden in Noord-Frankrijk met uitzondering van het vliegveld van Abele.

Toch waren, naar mate de oorlog verder evolueerde, die luchtgevechten geen "individuele sport"  want er werd meer en meer gevlogen in eskaders waarbij wederzijdse dekking heel belangrijk was. Ook het tactisch gebruik van het vliegtuig nam toe. Jachtvliegtuigen kregen de taak om verkenningsvliegtuigen (die bvb fotografische apparatuur bij hadden) of bombardementsvliegtuigen of toestellen die grondaanvallen uitvoerden, te beschermen. In het luchtruim kwam het tot heuse tactische opstellingen met in de lagere regionen vliegtuigen met allerlei technische opdrachten met daarboven de jachteskaders om hen te beschermen tegen aanvallers. Vanaf 1917 hadden er goed gecoŲrdineerde aanvallen plaats waarbij vliegtuigen grondtroepen ondersteunden en mitrailleur - en mortierstellingen bestookten, een techniek die in de tweede wereldoorlog uiteraard nog massaler en verfijnder werd toegepast. De Duitse gecombineerde lucht - grondaanval op de noordelijke oever van de IJzermonding in juli 1917, waar de Britten net een bruggenhoofd van de Fransen hadden overgenomen, en later in April 1918, de aanval op de Kemmelberg waarbij de Duitsers 80 vliegtuigen inzette, waren "succesvolle" voorbeelden .    

Vanaf 1917 zullen de Duitsers zware bombardementsvliegtuigen (de zogenaamde Gotha's) en voor die tijd reusachtige vier of vijf motorige "Riesenflugzeug" -deze laatste konden bommen van 1.000 kilo droppen - inzetten om Londen bij klaarlichte dag te bombarderen. Aanvankelijk hadden de Britten geen antwoord op de dreiging van deze voorlopers van de vliegende forten die een meerkoppige bemanning hadden en zichzelf aanvankelijk feilloos kon beschermen tegen de Britse jachtvliegtuigen. Maar na verloop van tijd keerden de krijgskansen. Er werden eskaders van het front gehaald om Zuid-Engeland te beschermen en ook de bedrevenheid van de Britse jagers nam toe.
Op hun beurt gingen de Britten Duitse steden bombarderen maar de resultaten waren mager en de verliezen hoog. Wellicht dat na verloop van tijd ook dit ging veranderen maar het einde van de oorlog bevroor een verdere evolutie.Hoe dan ook, de Britten hadden plannen om, mocht de oorlog geduurd hebben tot in 1919, Berlijn aan te vallen met 1000 vliegtuigen. Deze lugubere plannen dan maar uitgesteld tot de jaren 40 toen Duitse bombardementen op Britse steden tien tot honderdvoudig werden "vergeld".

literatuur:  Bernard Deneckere schreef "Luchtoorlog boven West-Vlaanderen 1914-1918" dat een verhelderend beeld geeft van de materie. Frans Descamps maakte over hetzelfde onderwerp een "thema-nummer"  ( tweede kwartaal 2004 ) van Schrapnel, het ledenblad van de "Western Front Association"  www.wfa.be.tf/