|
In de
luchtoorlog hebben twee technologieën een geweldige evolutie doorgemaakt:
het luchtschip en het vliegtuig. Toch zal naar het einde van de oorlog het
vliegtuig het luchtschip volledig verdringen. Het luchtschip was vooral een
Duits wapen (overwegend Zeppelins) die voor verkenning over zee en
(nachtelijke) bombardementen werd ingezet. De Britten gebruikten het
luchtschip vooral, bizar genoeg, tegen onderzeeërs. Maar door hun grotere
wenbaarheid, hun hogere snelheid en hun toenemend draagvermogen en
natuurlijk het feit dat ze minder kwetsbaar waren verdrongen de vliegtuigen
het luchtschip volledig. Het vliegtuig zou in latere oorlogen uitgroeien als
het wapen bij uitstek... |
|

Aanvankelijk werden de
luchtschepen ingezet als frontwapen maar simpel geweervuur kon
een luchtschip al uitschakelen. Nadien werd ze alleen nog ingezet tijdens
(bijna) maanloze nachten als bombardementswapen. Tot haar eerste wapenfeiten
behoren het afgooien van enkele bommen boven Luik en later, Antwerpen.
Toen de luchtschepen met
(nog) krachtiger motoren konden uitgerust worden gebruikten de Duitsers ze
om in eskader, Britse steden te bombarderen. De ene actie was succesvoller dan de
andere. De luchtschepen konden steeds hoger vliegen waardoor afweergeschut
en "jachtvliegtuigen" er niet bij konden. Maar ook vliegtuigen konden steeds
hoger klimmen. Een paar reusachtige Zeppelins - die tot 85 km/u konden
vliegen en meer dan 4.000 kilo bommen kon meenemen - werden zo op een spectaculaire
manier uit de lucht geschoten met apocalyptische beelden tot gevolg die de
bemanningen van andere luchtschepen deed op de vlucht slaan. De Zeppelins
werden meer en meer vervangen door voor die tijd reusachtige
bombardementsvliegtuigen.
Daarnaast beschikten alle strijdende partijen over "waarnemingsballonnen"
die, vastgehouden door een kabel, in het onmiddellijke achterland (met zicht
op de vijandelijke linies) werden opgehangen. Ze hingen daar zeer kwetsbaar
en werden veelvuldig door de tegenpartij beschoten. Ze waren vooral het
mikpunt van vijandelijke vliegtuigen. Daarom stond er veel luchtafweer rond
die ballonnen, terwijl ook vliegtuigen de "wacht hielden". Als er dan toch
zo een ballon werd in brand geschoten - door de enorme
gasontploffing was dit voor het aanvallende vliegtuig ook niet zonder gevaar
- kon de waarnemer zich eventueel
redden door via de bevestigingskabel af te dalen.
Soms werden die ballonnen ook in grote aantallen opgehangen als
luchtversperring. Er werden "netten"
aangehangen waarin vijandelijk vliegtuigen "verstrengeld"
dreigden te raken.

|
  |
|

Het vliegtuig was in
1914 een vrij recente uitvinding die geacht werd alleen voor
verkenningsopdrachten geschikt te zijn. Hoewel in een aantal plaatselijke
conflicten het vliegtuig zijn militaire waarde in meerdere opzichten al had
bewezen, kon het vliegtuig nog niet echt een markante plaats in het
wapenarsenaal innemen.
Aanvankelijk hadden de piloten alleen een handwapen bij om zich bij
noodlandingen in vijandelijk gebied te kunnen verdedigen. Later kwam het tot
confrontaties in de lucht waarbij door begeleiders met geweren
naar elkaar werd geschoten. Nog later werd mitrailleurs geïnstalleerd wat de vuurkracht natuurlijk aanzienlijk
verhoogde. Aanvankelijk gooide men zowaar met stalen pijlen uit maar weldra ook met wat
leek op "gesteelde" handgranaten voorzien van vinnen zodat ze mooi op "hun kop" (met
schokbuis)
terechtkwamen. Nadien werden carboniet-bommen van 5 tot 10 kilo afgegooid.
Meer kon men vooralsnog niet meenemen maar toen sterkere motoren ingebouwd
werden, was het mogelijk met, bijvoorbeeld 150 pk, een bommenlast van 100
kilo tot 3.000 meter hoogte te klimmen. Deze hoogte werd als veilig beschouwd voor het luchtafweergeschut
dat uiteraard ook (meer) ontwikkeld werd.
Op het eind van de oorlog konden "jachtvliegtuigen" al meer dan 200
km per
uur vliegen en de lichte verkenningsvliegtuigen tot 9.000 meter stijgen.
Bombardementsvliegtuigen konden een bommenlast van 1.000 kilo meevoeren,
tien keer zoveel als in 1915 en hadden een actieradius van 1350 kilometer.Zowel
Duitsland, als Frankrijk en Groot-Brittannië bouwden tijdens de oorlog om en
bij de 50.000 toestellen. Op het einde van de oorlog konden een aantal
Duitse vliegeniers reeds beschikken over een valscherm.
Reeds in 1914 konden de Britten vliegtuigen uitrusten met rudimentaire zendapparatuur
waarmee morsetekens konden verzonden worden (de Duitsers volgen pas in 1915) wat het vliegtuig als verkenningswapen en
vuurgeleider voor artillerie enorm in waarde deed stijgen. Vanaf 1917 konden
ook auditieve berichten verstuurd worden. Alleen waren de
weeromstandigheden en de daarmee samenhangende zichtbaarheid, vaak de grote "spelbreker".
Nog in 1914 doet ook het watervliegtuig zijn intrede. Ondermeer in Zeebrugge
worden dat soort vliegtuigen gestationeerd met het doel Engeland te
bespieden of te bombarderen. Een aantal van die watervliegtuigen zullen ook
torpedo's meevoeren en zullen er in slagen vrachtschepen te kelderen.
|
|
 |
|
Een opzienbarende
technische evolutie werd door de Nederlandse vliegtuigontwerper Fokker (van
de latere vliegtuigfabriek) ingezet die de Duitsers een systeem leverde waardoor
vanaf juni 1915
tussen de roterende schroeven van de motor kon gevuurd worden. Echt nieuw
was dit wel niet: de Franse vliegenier Roland Garros (naar wie later dat
tennistoernooi werd naar genoemd) had hieromtrent al 'n meer artisanale
methode op punt gesteld. Maar Fokker ontwikkelde een "industrieel" ontwerp
en dat gaf de
Duitsers een tijdelijk overwicht in de lucht. Uiteraard zullen de
Geallieerden na verloop
van tijd, dat ontwerp kunnen kopiëren. De tijd brak aan van de "azen" waarbij
spectaculaire man-tegen-man luchtgevechten werden geleverd en succesvolle
piloten hun aantal overwinningen optelden. Piloten werden, naargelang de
verbeeldingswereld de ridders of cowboys van de lucht genoemd en allerlei
rare kwasten bleken de lucht soms bijzonder succesvol te zijn dat ze zich
vedetteallures konden aanmeten waar menig naoorlogse film werd over
gedraaid.
De Duitsers zullen met hun vernuftige ontwerpen meestal een (tijdelijk) overwicht in de lucht
hebben. Het ging dan om snelheid, wenbaarheid, klimvermogen en hoogte waarin ze
de geallieerden (korte tijd) konden in overtroeven. Wel konden die
daartentegen meer vliegtuigen de lucht insturen wat zeker op het einde van de oorlog een
doorslaggevende rol zou spelen. |
|
|
Achter de Ieperboog lagen langs weerzijden
tientallen vliegveldjes van waaruit piloten opstegen om elkaar partij te
geven. In deze streek opereerde roemruchte azen als Guynemer die
neergeschoten werd boven Poelkapelle (en er een standbeeld kreeg) en Von
Richthoven (de rode baron) die vanuit het vliegveld van Marke opereerde. Aan
Duitse kant waren in West-Vlaanderen in de laatste oorlogsjaren 25
vliegvelden en nog enkele andere lagen in Oost-Vlaanderen. Aan geallieerde kant lagen die
vliegvelden in Noord-Frankrijk met
uitzondering van het vliegveld van Abele.
|
 |
|
Toch waren, naar mate de oorlog verder evolueerde, die
luchtgevechten geen "individuele sport" want er werd meer en meer
gevlogen in eskaders waarbij wederzijdse dekking heel belangrijk was. Ook
het tactisch gebruik van het vliegtuig nam toe. Jachtvliegtuigen kregen de
taak om verkenningsvliegtuigen (die bvb fotografische apparatuur bij hadden)
of bombardementsvliegtuigen of toestellen die grondaanvallen uitvoerden, te
beschermen. In het luchtruim kwam het tot heuse tactische opstellingen met
in de lagere regionen vliegtuigen met allerlei technische opdrachten met
daarboven de jachteskaders om hen te beschermen tegen aanvallers. Vanaf 1917
hadden er goed gecoördineerde aanvallen plaats waarbij vliegtuigen
grondtroepen ondersteunden en mitrailleur - en mortierstellingen bestookten,
een techniek die in de tweede wereldoorlog uiteraard nog massaler en
verfijnder werd toegepast. De Duitse
gecombineerde lucht - grondaanval op de noordelijke oever van de
IJzermonding in juli 1917, waar de Britten net een bruggenhoofd van de
Fransen hadden overgenomen, en later in April 1918, de aanval op de
Kemmelberg waarbij de Duitsers 80 vliegtuigen inzette, waren "succesvolle" voorbeelden .
|
|
 |
|
Vanaf 1917 zullen de
Duitsers zware bombardementsvliegtuigen (de zogenaamde Gotha's) en voor die
tijd reusachtige vier of vijf motorige "Riesenflugzeug" -deze laatste konden
bommen van 1.000 kilo droppen - inzetten om Londen bij klaarlichte dag te
bombarderen. Aanvankelijk hadden de Britten geen antwoord op de dreiging van
deze voorlopers van de vliegende forten die een meerkoppige bemanning hadden en
zichzelf aanvankelijk feilloos kon beschermen tegen de Britse
jachtvliegtuigen. Maar na verloop van tijd keerden de krijgskansen. Er
werden eskaders van het front gehaald om Zuid-Engeland te beschermen en ook de
bedrevenheid van de Britse jagers nam toe.
Op hun beurt gingen de Britten Duitse steden bombarderen maar de resultaten
waren mager en de verliezen hoog. Wellicht dat na verloop van tijd ook dit
ging veranderen maar het einde van de oorlog bevroor een verdere evolutie.Hoe
dan ook, de Britten hadden plannen om, mocht de oorlog geduurd hebben tot in
1919, Berlijn aan te vallen met 1000 vliegtuigen. Deze lugubere plannen dan
maar uitgesteld tot de jaren 40 toen Duitse bombardementen op Britse steden
tien tot honderdvoudig werden "vergeld". |
|
literatuur:
Bernard Deneckere schreef "Luchtoorlog
boven West-Vlaanderen 1914-1918" dat een verhelderend beeld geeft van de
materie. Frans Descamps maakte over hetzelfde onderwerp een "thema-nummer"
( tweede kwartaal 2004 ) van Schrapnel, het ledenblad van de "Western Front
Association"
www.wfa.be.tf/ |
|