|
Op 21 december 1914 brengen de
Duitsers de eerste mijnen tot ontploffing op een met Vlaamse bodemstructuur
vergelijkbare locatie (omgeving van Bethune).Vanaf begin 1915 tot 7de juni 1917 zal onder de Vlaamse bodem ten
zuiden Ieper een ondergrondse oorlog woedden die weeral door de Duitsers werd ingezet maar
door de de Britten geperfectioneerd … |
|
Terminologie: meer
nog dan de bovengrondse oorlog is de ondergrondse een technische, haast
industriële activiteit waarvan de huidige sporen als pure archeologische
overblijfselen kunnen beschouwd worden. De ondergronds opererende
manschappen waren nauwelijks soldaten in de klassieke zin van het woord maar
eerder technici. Overigens waren fysieke confrontaties tussen de partijen
onder de grond een zeldzaamheid. Men probeerde wel elkaars positie te
bepalen maar men kreeg elkaar hoogst zelden te zien.
Omwille van het "industrieel" karakter van deze wijze van oorlog voeren is het wenselijk een
aantal termen nader te omschrijven: |
Geologie:
kalkgrond* was
in principe ideaal om tunnels in te graven. Maar de complexe bodemstructuur rond Ieper was pas een
echte
uitdaging. Vereenvoudigd gesteld heb je in die streek eerst een oppervlaktelaag
van zanderige klei. Daarin werden de ondiepe mijnen gegraven. Daaronder ligt een
waterhoudende zandlaag (het zogenaamde Paniseliaans zand) en bovenop een
harde kleilaag ( Yperiaanse klei genoemd) waarin de Britten
diepe mijnen ingroeven. Cruciaal
daarbij was vaak het zogenaamde "running sand" (lopend zand) dat net boven
op die harde kleilaag lag en sterk waterverzadigd was wat de doorgang erg
belemmerde. Het was de verdienste van de Britten dat ze dit probleem beter
onder controle kregen al waren ze bevoordeeld tegenover de Duitsers, ook
al omdat
ze meestal vanuit lager gelegen gebieden konden "vertrekken". Was
het bezit van hoger gelegen terrein in de "bovengrondse"
oorlogsvoering een voordeel, voor de "ondergrondse" strijd werd
het een nadeel. *kalkgrond
had ook vele nadelen: een heel belangrijke was dat er weliswaar
gemakkelijk uitgehouwen kon worden maar dat dit allesbehalve geruisloos
verliep wat geheimhouding, de absolute vereiste voor
"succesvol" ondermijnen, zo goed als onmogelijk maakte. Grootschalige, verrassende en daarom slagveldbeslissende
ondermijningsacties zoals rond Mesen zijn hebben in kalkbodems niet plaats
gehad. |
Schachten:
zijn een schuine (=sleepschacht) tot verticale
(=zinkschacht) toegang tot het ondergronds gangenstelsel. Vooral voor het
plaatsen van
defensieve mijnen
door de "belegerden"
(bijna altijd de Duitsers) die meestal op een heuvel lagen, moesten
eerst diepe schachten gegraven worden om op dezelfde niveau te komen van de
"belagers" (bijna altijd de Britten) die veelal konden beginnen graven
vanuit lager gelegen gebied. Toen de Britten in een later stadium van de oorlog
diepe
mijnen plaatste moesten ook zij eerst "schachten",
zij in mindere mate.
Op schetsen ziet men soms schachten die op een bepaalde diepte
'verschuiven": er zit namelijk een horizontaal stuk tussen. Dit kwam om dat
men dacht reeds voldoende diep te zijn om verder horizontaal te kunnen
graven in de Ypersiaanse klei,
richting vijand.
Maar doordat de scheidingslijn tussen de waterhoudende zandlaag en die
blauwe klei niet altijd parallel liep met de bodemlijn, gebeurde het dat men
weer ongewild in de waterhoudende zandlaag terecht kwam. Heel dikwijls was
precies daar de bodem heel onstabiel ("running sand" zie hierboven)
wat uiteraard voor extra problemen zorgde. Dit kon opgelost worden door de
schachten ten dele te betoneren en/of werden stalen ringen
geplaatst. |
|
Galerijen:
of tunnels, werden min of meer horizontaal gegraven. De Britten hadden daar zelfs een vernuftig systeem voor: het zogenaamde "clay kicking" waardoor ze
verrassend snel vorderden. Er werd ook gebruik gemaakt van een soort "machines" waarmee ondermeer de tunnels van de Londense metro gegraven werd. De Vlaamse klei bleek echter (te) weerbarstig, het experiment was niet echt een
succes. Zo een machine zit nog altijd ergens in de grond tussen Kemmel en Wijtschate… |
|
Springstofkamer:
bevond zich aan het uiteinde van de galerijen. Het moeten in sommige gevallen enorme ruimten zijn geweest als men bedenkt dat daar tot 40.000 kilo
explosieven werd ingestouwd. |
|
"Clay kicking":
(vrij te vertalen als ""kleiklieven") een door de Britten toegepaste werkmethode waarbij de graver, gezeten-gelegen op een schuin aangebrachte
houten ruggesteun , met de benen vooruit, klei lostrapt. Britten pasten die manier van werken
al toe in de
burgerlijke mijnbouw en de eerste ondergravers waren in het burgerleven "clay-kickers". Hun methode leverde niet alleen snel en
efficiënt werk op, het kon ook vrij geluidloos worden uitgevoerd wat gezien de alsmaar meer verfijnde
"afluisterapparatuur",
zeer te duchten was. |
Offensieve mijnen:
werden geplaatst om de
"vijand" op te blazen. Ze werden krachtiger en steeds dieper
geplaatst. Er werden mijnen geplaatst van aan de oostrand van Ploegsteertbos
tot de omgeving van de "Verlorenhoek" op de weg van Zonnebeke naar
Ieper. |
|
Defensieve mijnen:
werden geplaatst met de bedoeling het
gangenstelsel van de ondergravende tegenstander te beschadigen of ter
vernietigen zodat een explosie onder de stellingen kon vermeden worden. Zo
mogelijk kon ook een voortijdige explosie veroorzaakt worden van de reeds
door de belagers geplaatste springlading (natuurlijk pas nadat men zelf de
ondermijnde plek had verlaten). De defensieve mijnen
waren minder krachtig dan de offensieve maar sloegen ook een krater.
De kraters die aantal
defensieve mijnen (in het niemandsland maar ook binnen de eigen linies)
sloegen, werden bijna altijd uitgebouwd tot defensieve stellingen. Zo
boden immers, drooggepompt, meer en diepere bescherming dan
loopgraven. In de wanden werden hollen gegraven en met allerlei materialen
verstevigd. |
Camoufletmijnen: kleine springlading die zodra men de aanwezigheid van "ondergravers" vermoedde, aangebracht werd in een boorgat die vertrok vanuit een krater of loopgraaf
of gangenstelsel. De explosiekracht was zijdelinks gericht waarbij aan de
oppervlakte alleen een rookontwikkeling was te zien. Hierbij werd
gebruik gemaakt van "aardboren" waarmee men tientallen meter ver en diep kon boren, waarna
op het uiteinde een cilindervormige bus vol springstof werd aangebracht. Het
was een "chirurgische" ingreep waarbij het er op aan kwam geen
of maar geringe schade aan te richten aan de eigen galerijen. |
|
Springstof:
was hoofdzakelijk Ammonal: op basis van
ammoniumnitraat wat een verbinding is van stikstof, waterstof en zuurstof
waaraan zo een 20% trinitrotolueen, afgekort TNT werd toegevoegd en ongeveer
evenveel aluminiumpoeder, dit laatste om de temperatuur van de gasuitstoot
op te drijven waardoor er een enorme opwaartse explosiedruk ontstond. Soms
werd daar nog schietkatoen ofwel Blastine aan toegevoegd. Dit mengsel gaf
het meest explosieve resultaat in het ondergronds ontploffingswerk. De
gebruikte hoeveelheden varieerden van een paar tientallen kilo, eind 1914, begin 1915 tot 43.000 kilo op 7 juni 1917 (in St-Elooi). |
|
Krater:
bovengronds resultaat van een zware ondergrondse explosie die inderdaad gelijkt op een vulkaankrater en afwijkt
van een grote zogenaamde "obusput" omdat een krater
"lippen" heeft.
Een explosieve inslag van obus (Frans woord maar algemeen gangbaar in het
Nederlands voor granaat) "schept" de aarde uit terwijl een
krachtige ondergrondse
explosie ze gedeeltelijk wegdrukt, vandaar het ontstaan van die "lippen".
Een krater kon vaak uitstekend ingericht worden als defensieve stelling. In
de krater wanden konden, zonder al te veel moeite, allerlei onderkomens
ingericht. Uiteraard moest die krater constant droog gepompt worden. |
|
Afluisterapparatuur:
aanvankelijk had men alleen zeer rudimentaire
"middelen" om de vijandige "ondergravers" (beter)te kunnen horen in hun
werkzaamheden. Later kon men gebruik maken van een "geofoon": een soort stethoscoop met twee microfoons
die men in een bepaalde stand plaatste waardoor men de graafwerken van de tegenstander
beter kon lokaliseren. Globaal nam door gebruik van de geofoon het "waarnemingsveld" met
een vierde toe in leemgrond tot de helft in de "blauwe klei".
Uiteraard werd er ook aan misleiding gedaan,
bijvoorbeeld met een mechanisme dat graafwerkgeluiden nabootste. Vooral de harde
blauwe kleilagen waren goede geleiders van geluiden in zoverre dat men op
zijn sokken of in zachte gummilaarzen moest werken om de stapgeluiden te
dempen De
mijnenoorlog was technisch een complexe bedrijvigheid. Ventilatie
enerzijds, anderzijds het gevaar van c.o.gas na explosies vereisten de
juiste apparatuur van die problemen te beheersen. Maar men leerde al
doende en uiteraard waren evaringen, techniek en materiaal die al gebruik
werden in de burgerlijke mijnkunde een grote hulp. |
|
Speciale eenheden:
uiteraard was dit alles specialistenwerk uitgevoerd door "Tunnellers", hoofdzakelijk Britten maar ook Canadezen, Australiërs en Nieuw-Zeelanders. De Duitse "collega’s" heetten de "mineure". |
|
Wie en waar?
De Duitsers, inventief als ze waren op alle
terrein, zijn met die ondergrondse oorlog begonnen. Ze brachten in het Franse
Noorden maar spoedig ook op Sint Elooi, hun eerste offensieve mijn tot ontploffing nog voor de jaarwende
1914-15. Tussen de later berucht geworden hoogten 60 en 62 (Zillebeke) maakten ook op 20
februari 1915, de Britten voor het eerst kennis met die nieuwe "strijdmethode". Op 27 maart
blazen de Duitsers de fel begeerde stelling "The Mound" ( St-Elooi ) op en
verdrijven er de Britten. Nadien zijn die Britten aan zet en zullen die
strijdmethode "verfijnen" wat zal resulteren in de grootste ondergrondse oorlogsoperatie
aller tijden: letterlijk uitgebarsten op 7 juni
1917. |
|
Ondiepe mijnen: aanvankelijk werden de
galerijen dicht onder de
aardoppervlakte gegraven . Maar naarmate de ondergrondse oorlog vorderde en de
graaftechnieken werden verbeterd maar ook de opsporingstechnieken werden
verfijnd moest men letterlijk de diepte in. |
|
Diepte mijnen:
werden enkel door de Britten en hun bondgenoten in de
Yperiaanse klei gelegd op minimaal 15 meter en maximaal 38
meter onder het aardoppervlak. Op dit niveau werden de Duitsers duidelijk
verschalkt en lag het gelijktijdig ontploffen van 19 diepe mijnen aan de
basis van het Britse succes in de slag om Mesen. |
|
Andere soorten "mijnen":
uitgebreide "mijnenvelden" waren in de eerste wereldoorlog nog een onbekend
fenomeen. Wel waren er zogenaamde "floddermijnen" (die werd
ontstoken) of "tredmijnen" (die geactiveerd werden door er op te
"treden") maar het plaatsen was omslachtig en werden daarom nog niet veel
aangewend .
Ook werden voor hun aftocht door de Duitsers op het eind van de oorlog hier
en daar tijdbommen geplaatst. Twee van die tuigen werden na de
wapenstilstand in Kortrijk door Duitse officieren onschadelijk gemaakt maar
onder andere in het Brusselse Noordstation, zou dergelijk tuig nog dood en
vernieling veroorzaken een hele tijd na het einde van de gevechten. "Booby
traps" waarbij het slachtoffer door een handeling zelf een explosie activeert werden er toen wel
al in elkaar geknutseld. |
"Deep dug-outs", "Minierte Unterstände", "Subways"
en "Tunnelbau": eens de "bewegingsoorlog" onmiskenbaar overgegaan was in een "loopgravenoorlog" beginnen beide partijen zich zo goed mogelijk te beschermen. Deze nieuwe situatie was de Duitsers vlugger duidelijk dan de
Geallieerden. Met ijzerprofielen en beton worden versterkingen uitgebouwd. Naarmate de oorlog vordert kruipt men ook dieper in de grond. Onderaardse wegen:"tunnelbau"
(D)en "subway"(Br) worden uitgegraven en "minierte unterstande"
(D) of "Deep
dug-outs"(Br) ingericht: grote ondergrondse schuilplaatsen voor
tientallen tot honderden soldaten. Dit alles om de manschappen die naar
de linies begeven te beschermen of hen toe te laten zo dicht mogelijk tegen
de gevechtszone in alle veiligheid te laten uitrusten. De Britten zullen
tussen eind 1917 en april 1918 een uitgebreid net aan ondergrondse constructies bouwen
volgens een soort prefabsysteem waarbij alles op maat en in de juiste
hoeveelheden in een "bouwpakket" werd afgelegerd om vervolgens na
de nodige graafwerken in de grond te
plaatsen.
Zie ook "Deep Dug-outs"
Via
www.beneathflandersfields.be
kom je meer te
weten over een recente uitgave: "Tunnels en mijnen 1914-18".
Uitzonderlijk is dit werk over deze onderwerpen ook voor de leek vrij
toegankelijk, en bovendien met zorg vertaald uit het engels. Sterk
aanbevolen.
|
|