slag om Mesen
Start eerste slag om Ieper tweede slag om Ieper slag om Mesen derde slag bij Ieper lenteoffensief eindoffensief Hooge Hill 60 Sint Elooi bovengrondse oorlog ondergrondse oorlog

educatieve site over de eerste wereldoorlog aan de Ieperboog ( en de IJzer )

gerelateerde pagina's:                             ondergrondse oorlog                                  kraters (locaties) 

De Britten hadden reeds in 1916 plannen om, ten zuiden van Ieper,  de zogenaamde "Wijtschaeteboog" recht te trekken. Het werd zelfs als een voorwaarde beschouwd om hun grootsere plannen te kunnen uitvoeren, namelijk uitbreken vanuit de eigenlijke Ieperboog, via een brede zwenking door het binnenland, de Belgische havens in te nemen samen met een landingsoperatie. De vooruitgeschoven stellingen van de Duitsers bij Mesen, zo dicht bij hun aanvoerroute vanuit Hazebrouck via Poperinge naar Ieper was een te grote bedreiging. Maar halverwege 1916, vroegen de Fransen de Britten om hulp.  Om de belegering van Verdun te verzachten, wilden ze de Duitsers aanvallen vanuit een andere plaats. En waar konden beide bondgenoten  de Duitsers gezamenlijk belagen: alleen daar waar hun beide linies samen kwamen: aan de Somme. Toen het er naar uit zag dat die slag langer zou duren en meer divisies zou vasthouden dan gepland werd het offensief in Vlaanderen uitgesteld tot 1917.   
Intussen werden de Duitse "stellungen" in Vlaanderen verder uitgebouwd in de diepte en bovendien stevig gebetoneerd. Het aanvalswerk van de Britten zou alleen maar zwaarder en veeleisender door worden
...


Britten kijken naar een maquette waar ze binnenkort slag zullen moeten leveren. Alles was inderdaad tot de puntjes voorbereid.

Doordat de Britten reeds heel wat expertise had opgedaan in het ondermijnen werkten ze een plan uit om de eerste Duitse linie, met vijftig mijnen, over een afstand van een tiental kilometer, simultaan op te blazen. Uiteindelijk werden het er maar negentien mijnen maar het effect was er niet veel minder om. Op 7 juni 1917 om 4u.10 plaatselijke tijd, veroorzaakte het bijna gelijktijdig  ontsteken van die mijnen  zo een ravage en zo een overweldigend psychologisch effect dat die eerste linie moeiteloos genomen werd. Ook al omdat die explosies werd gevolgd door een enorme artilleriebeschieting was de weerstand van de Duitsers aanvankelijk relatief zwak. Ook de achterliggende ruïnes van Mesen en Wijtschate werden vrij gemakkelijk veroverd. De haast tot een burcht uitgebouwde Croonaertbossen, iets ten noorden van Wijtschate-dorp, werden nauwelijks nog verdedigd.De Duitsers hadden niet alleen hun frontlinie moeten opgeven maar ook hun achterliggende "Höhelinie".
Nog noordelijker in het aanvalsgebied weken de Duitsers terug uit de omgeving van Sint Elooi en het zogenaamde "White chateau".
Na  enkele uren strijd konden de Britten reeds denken aan de consolidatie van het veroverd gebied maar de zo gevreesde Duitse tegenaanvallen bleven uit. In de namiddag, weer precies om 4u.10  vielen verse Britse troepen  de de zogenaamde Oosttaverne-linie aan. Hier verliep de strijd chaotisch met ondermeer beschietingen door de Britse artillerie van eigen (Australische) troepen. De Oosttaverne-linie werd gedeeltelijk ingenomen en voor een deel (ten oosten van Mesen) ook weer ontruimd maar de Duitsers, ook al in opperste verwarring, wisten daar geen voordeel uit te halen. Uiteindelijk verkozen de Duitsers zich enkele dagen later volledig terug te trekken op de Waasten-linie waardoor de Britten voor zich opeens een erg breed niemandsland kregen. In dat niemandsland zouden ze pas op 31 juli (eerste dag van de derde slag bij Iepergunstiger posities innemen die een beter zicht gaven op de Duitse linies.
De Britten hielden het nieuw veroverde gebied bezet tot het voorjaar 1918. Op 10 april heroverden de Duitsers met hun lenteoffensief het hele gebied op één dag  Ook vanuit het zuiden (van over de Leie) rukten ze verder op.  Wulvergem en Nieuwkerke en Voormezele vielen voor het eerst in Duitse handen. Later zou ook de Kemmelberg veroverd worden. Het offensief viel stil voor Loker, de Scherpenberg en de "vijver" van Dikkebus.

Deze kaart toont het resultaat aan de terreinwinst van de slag om Mesen. Op 31 juli 1917 zullen, op de eerste dag van de derde slag bij Ieper, de linies nog iets opschuiven waardoor ondermeer ook de dorpskern van Hollebeke door de Britten wordt bezet.

Na de slag aan de Somme hadden de Duitsers er voor geopteerd in Picardië, in hun "achterland", een nieuw verdelgingstelsel uit te bouwen: de zogenaamde "Siegfriedstellung"  (voor de Britten de "Hindenburgline") naar het concept van Kolonel von Lossberg. De verdedigingslijnen werden gelegd achter de top van een helling (Hinterhangstellungen), dus buiten het zicht van de artilleriewaarnemers op de grond*. Ook voor wat betreft de Mesenboog heeft von Lossberg geopperd om de linies achteruit te schuiven achter de heuvelkam (waarop de weg Mesen-Wijtschate loopt). Dat zou betekend hebben dat de zowel de frontlijn als de Höhelinie ( eigenlijk een "Vorhangstellung") zou opgegeven worden en de hele westelijke helling enkel nog "Vorpostenfeld" zijn. Maar dat vonden de plaatselijke commandanten te gortig. Bovendien liet de leiding van de "mineure" geen echte alarmkreet horen over het risico verbonden aan het ondergravingswerk van de Britten (later zal hieromtrent nog een ferme woordenstrijd gevoerd worden hoe expliciet een al dan niet gegeven  "waarschuwing" van de "mineure" wel was geweest) maar vooral de artilleristen waren ervan overtuigd dat ze elk artillerieduel zouden winnen en vervolgens een grootscheepse aanval zouden kunnen "stuk" schieten. 
De Duitsers bleven vrij massaal  op de westhellingen van Mesen en Wijtschate aanwezig, in het volle zicht van de Britten van op de Kemmelberg en Hill 63 (bij Ploegsteertbos) en ondanks de mijnen die zeker geen complete verrassing waren. 
In hoeverre de discussie binnen de Duitse legerleiding hieromtrent is doorgedrongen tot de troepen te velde is onduidelijk. Feit is dat na het oorverdovend spektakel als gevolg van die mijnontploffingen (en uiteraard ook van voorafgaande en daaropvolgende, zware artilleriebeschietingen) er verrassend weinig weerstand werd geboden vanuit de frontlinie die op sommige plaatsen (b.v. Bayerwald) gewoon ontruimd werd. Verrassender is dat wel dat de Höhelinie  nog voor de middag door de Britten werd ingenomen en in de namiddag werd zelfs hier en daar doorgedrongen in de "Sehnenlinie" (Oosttaverneline voor de Britten) 
Dit kan enkel verklaard worden door de falende inzet van de "eingreifdivisionen". De bevelvoerende generaal werd hieromtrent trouwens de laan uit gestuurd.
Tijdens de daaropvolgende derde slag bij Ieper zal de eerste Duitse linie zwak bezet zijn en rond Boezinge zelfs volledig ontruimd worden met bovendien een veel meer accurate inzet van  die divisies, getraind voor de tegenaanval. Met  aanvankelijk (de eerste 50 dagen) veel succes werd aldus een "verdediging in de diepte" gevoerd.

* Later zal een betere  luchtobservatie en het "verfijnd" schieten volgens coördinaten op plan dit "euvel" grotendeels te niet doen.Meer technische uitleg vindt men in Schrapnel, in het vierde nummer van jaargang 1997, het ledenblad van WFA 

 

 

Wijtschaeteboog: naast de veel grotere Ieperboog waarin het front een instulping maakt in het door de Duitsers sinds eind 1914 veroverd gebied was de Mesenboog een instulping in het door de Britten verdedigd gebied. Daarin hielden de Duitsers de "hoogten" van Mesen en Wijtschate terwijl de Britten vastgepind lagen in de westelijk gelegen valleien. 

Belgische havens: de Duitsers hielden sinds oktober1914 de havens van Oostende en Zeebrugge bezet  die ze nadien gebruikten voor hun onderzeeërs waarmee ze de Britten veel schade toebrachten. Het veroveren van die havens was voor de Britten een prioriteit die pas op het einde van de oorlog werd gerealiseerd.
Later is gebleken dat het belang van de Belgische havens voor de Duitse onderzeeërs minder groot was dan gedacht. Overigens, toen de Britse schepen in konvooien begon te varen, vergezeld van torpedojagers daalden de verliezen (in vracht) van 25% tot 1%.

Belegering van Verdun: werd zowat de meest spraakmakende veldslag van de eerste wereldoorlog dat voor de Fransen uitgroeide tot een nationaal symbool zonder voorgaande. Het is nochtans bij de Duitsers nooit de bedoeling geweest  daar een beslissende doorbraak te forceren, wel om er de Fransen toe te verleiden deze historische plaats met hand en tand te verdedigen waardoor het Franse leger zou "leegbloeden". Wat ook min of meer zo uitkwam en wat voor de Duitsers een meesterlijke zet kon blijken. Was het niet dat naast de verschrikkelijk hoge Franse verliezen, de Duitse verliezen niet zoveel minder hoog waren.
Wie daar meer wil over weten lees "Op weg naar Verdun" van jan Ousby (isbn 90-414-0662-x), uitgeverij Anthos

gelijktijdig: nu ja, wat is gelijktijdig? Een mijn ( bij "Petit Bois") explodeerde tien seconden later en de grote mijn  onder de voormalige Spanbroekmolen (of Pool of Peace - wie heeft in godsnaam die naam bedacht -) ontplofte 15 seconden later. Daardoor werden een aantal Britten die reeds oprukten gedood door brokstukken. De meest zuidelijk gelegen mijnen ontploften dan weer iets te vroeg...

ruines van Mesen en Wijtschate: waren ingewerkt in het verdedigingstelsel van wat de Duitsers de "Höhe-linie", noemden. Dit was hun  tweede liniecomplex, die grotendeels iets westelijk ( dus in het zicht van de Britten) van de hoofdweg Mesen - Wijtschate liep en in de diepte stevig uitgebouwd was. De frontlinie én tweede Duitse linie werd door de Britten overschreden in de morgen van 7 juni. De ruines van Wijtschate werden vrij vlot ingenomen, in Mesen boden de Duitsers meer weerwerk maar tegen de middag waren de ze ook daar uit de ruïnes verdreven.

Croonaertbossen: deze naam geven we gemakshalve aan alle bospartijen ten noorden van Wijtschate dorp. Onlangs werd daarin de gerestaureerde site "Bayernwald" geopend.  Er kunnen  loopgraven, bunkers en schachten bezichtigd worden.
(zie ook bij "Literatuur")

Oosttaverne-line: Voor de Duitsers was dit de "Sehnenlinie" (boogpees-linie) omdat ze als het ware de uiteinden van  de Mesenboog verbond. Britten noemden deze linie de  "Oosttaverneline" naar het gelijknamig gehucht op de weg van Waasten naar Ieper. 

Waasten-linie: lag nog een paar kilometer oostwaarts, dichtbij Houtem en de spoorlijn Komen naar Ieper. Het was blijkbaar voor de Duitsers snel een uitgemaakte zaak dat dit voortaan hun eerste linie zou worden. De Duitsers hadden het over de "Nachhutstellung".

gunstiger posities: zo werd ondermeer de dorpskern van Hollebeke bezet.

 

In verband met die simultane mijnontploffing wordt (de theorie) geopperd dat de Britten daarmee in de eerste plaats de bedoeling hadden een aardbeving te veroorzaken die bij de Duitsers een zodanige paniek zou veroorzaken dat ze hun eerste lijnen massaal zouden ontruimen en zo gedesoriënteerd zouden zijn dat ze ook de tweede en derde lijn niet of nauwelijks zouden verdedigen. Feit is dat ze daar wonderwel in geslaagd zijn. Of dit een "vrome wens" was die nadien "voorspelling" werd laten  wij in het midden.

Het is zelfs een half wonder dat er uiteindelijk zoveel mijnen konden tot ontploffing gebracht worden. Minstens vier mijnen konder maar de laatste dagen, soms uren bedrijfsklaar gemaakt worden. De grootste vrees van vooral de Tunnelers was bovendien dat de Duitsers op een bepaald moment hun eerste linie die hier en daar ondergraven was zouden verlaten zodat al dat graafwerk vergeefse moeite zou geweest zijn. De Duitsers hadden in elk geval  haast  al hun zwaarder geschut dat nog op de westelijke helling stond  verplaast....

 

 

Literatuur:

 

Over de gebeurtenissen in het zuidelijk deel van het Ieperfront is minder gepubliceerd dan over het noordelijk deel. Daarom dat een uit het engels vertaald boekje "De Heuvelrug van Mesen" (isbn 90-5868-007-x)duidelijk een lacune aanvult. Bovendien is het een bijzonder knap boekje, althans het beste uit die reeks "slagveld België". Hoewel niet lijvig omvat het de gehele geschiedenis van de oorlogsfeiten van oktober 1914 tot september 1918. Een aanrader.

 

 

 

"Bayernwald" is een gespecialiseerd werkje van plaatselijke vorsers dat vooral gericht is op de archeologische overblijfselen van de oorlog die   ruimschoots aanwezig zijn in het Bayernwald.
Wie  nog goeie tanden heeft om zich in de teksten vast te bijten en een bovendien goeie maag om ze dan nog te verteren zal aan dit boek een stevige kluif hebben. In elk geval hebben de samenstellers van dit boek geen medelijden gevoeld voor de Jan Modaallezer die hiermee verwittigd is. Voor de rest niets dan lof voor dit boek.