tanks
Start Omhoog eerste slag om Ieper tweede slag om Ieper slag om Mesen derde slag bij Ieper lenteoffensief eindoffensief Hooge Hill 60 Sint Elooi ondergrondse oorlog

educatieve site over de eerste wereldoorlog aan de Ieperboog ( en de IJzer )

Het maken van mobiele, gepantserde miniforten die tanks eigenlijk  zijn was een wensdroom die legerexperten al lang voor de eerste wereldoorlog koesterden en sinds de wijdverbreide productie van staal en de technologie van de wielaandrijving realiseerbaar werd geacht.  Rond half september 1916 verschenen ze aan Britse kant voor het eerst op het slagveld  aan de Somme. De eerste  exemplaren wogen 14 ton, later het dubbele. Aanvankelijk konden die tanks 6 km per uur halen, nadien 8 km. Ze waren bewapend met 4 machinegeweren en  sommigen met twee 5,7 cm kanonnen. In 1917  beschikten de Britten, bij het begin van  de derde slag bij Ieper, over 216 van die stalen  monsters. In 1918  kon de tank al als een "volwassen" geworden  wapen beschouwd worden dat aan de "lopende band" werd geproduceerd.

"tank" betekent in het engels "waterreservoir" en was de "codenaam" waarmee dit wapen uiteraard in het geheim in Groot-BrittanniŽ ontwikkeld werd.  Die naam voor dit pantserwagen bleef een eigen leven lijden. Een andere uitleg waarom dit wapen "tank" werd genoemd was om hun verhoudingsgewijs enorme brandstoftank (en ook watertank) die ze in zich droegen.
Het was voor de bemanning zeer oncomfortabel  om lange tijd in zo een tank "opgesloten" te worden. De binnentemperatuur kon zeer hoog oplopen en eens in brand geschoten nam de evacuatie te veel tijd in beslag waardoor de bemanning meestal verkoolde.
Tanks die uitgerust waren met kannonen werden als "mannelijk" aanzien. Exemplaren met alleen machinegeweren werden "vrouwtjes" genoemd.

Het inzetten van die tanks was bij Ieper geen onverdeeld succes. Door de drassige ondergrond konden die tuigen bij (aanhoudend) regenweer alleen vooruit komen over verharde grond, dus de bestaande wegen. Dat wisten de Duitsers ook en onder de voornaamste wegen (de Meenseweg, de weg van Zillebeke naar Zandvoorde, de weg van Ieper naar Zonnebeke o.a.) werden ladingen tot ontploffing gebracht die enorme kuilen veroorzaakten waar de tanks niet doorheen konden.

Toch heeft de hulp van tanks menig plaatselijk gevecht beslecht. Hoewel hun beperkende "bedrijfszekerheid" hun het meest parten speelden was de eigenlijke inzet van het tankwapen dikwijls heel doelmatig. Vooral de exemplaren die reeds uitgerust waren met kannonen  zaaiden dood en verderf.

De Duitsers hadden zich terdege op de komst van de tanks voorbereid. Ze beschikten ondermeer over gepantserde geschutstorens, waarin anti-tank geschut was opgesteld. Ook bijzonder gestaalde munitie kon de bepantsering doorboren. Op hun beurt brachten de Geallieerden verbetering aan hun pantserplaten... 

Op de tankbemanning hadden de infanteristen het bepaald niet begrepen. Bemanningen van tanks werden door de Duitsers als baarlijke duivels beschouwd en bij gevangenneming  vaak geexecuteerd.

In 1918 waren de tanks een slagveldbepalend wapen geworden. Bij Cambrai werd met het tankwapen een klinkende overwinning behaald. Het was een beetje het zelfde verhaal als met de chloorgasaanval bij Ieper. Had in dit geval de Britse legerleiding erin geloofd, dan kon een massale doorbraak bewerkstelligd worden. Voor de eerste keer werd een grote concentratie tanks (400) op dezelfde plek ingezet en het resultaat was verbluffend. Allen waren er geen afdoende planning gemaakt om de initiŽle doorbaak die het tankwapen had geforceerd uit te buiten. Het zijn trouwens de Duitsers die er in aanloop van de tweede wereldoorlog het meeste lering hebben uit getrokken hoe het tankwapen optimaal kon aangewend worden.
In het laatste twee oorlogsjaren produceerden de Britten telkens ongeveer 1.300 exemplaren, maar werden daarin ruimschoots overtroffen door de Fransen die er in 1918 alleen al 4.000 produceerden, weliswaar kleinere exemplaren maar precies daarom wendbaarder. De Duitsers zijn nooit verder geraakt dan 20 exemplaren. Het waren dan wel mastodonten van drie meter hoog met  18 tot 26 bemanningsleden. Toch reden ze bijna de helft sneller dan de geallieerde tanks (tot 12 km per uur) ondanks hun tweemaal zwaardere bepantsering (3cm). Er werden zelfs twee exemplaren ontworpen die 150 ton wogen maar niet meer operationeel geraakten. Militair was het Duitse pantserwapen niet meer dan een curiositeit. De Duitsers bedienden zich wel van Britse buitgemaakte tanks...

Een degelijke technische beschrijving van Britse tanks kun je lezen in "Shrapnel", jaargang 2000 nr 1 http://www.wfa.be.tf/