De loopgraven zijn het symbool geworden
van de eerste wereldoorlog. Waar het aanvankelijk zeer tijdelijke en erg
rudimentaire schuilputten waren die door "verbindingsgangen" aaneengegraven waren, werden het, eens het front was vastgelopen, sterk
uitgebouwde loopgravenstelsels. Later toen de kracht, en de
intensiteit van de artilleriebeschietingen toenam en vooral de Duitsers
talloze bunkers bouwden, nam het belang van het loopgravenstelsel af, als te
kwetsbaar geworden. Men ging schuilen in de gebetoneerde versterkingen of
verwijderden zich verder weg van de frontlijn, om als de ergste
beschietingen achter de rug waren, zonodig op de tegenaanval te "spelen".Dit
was althans de tactiek van de Duitsers die tot het voorjaar van 1918 vooral
defensief dachten.
Ook het massaal inzetten van mitrailleurs maakt het vormen van een
aaneengesloten lijn minder noodzakelijk. Met het inrichten, op geregelde
afstanden, van mitrailleurnesten", al dan niet in egelstelling, kon men een
relatief breed gebied bestrijken. Bovendien was de bodem tegen dan zodanig
bezaaid met obusputten dat een aaneengesloten loopgravenstelsel nauwelijks
realiseerbaar was. De Duitsers hadden op het einde van de oorlog
bovendien
nog nauwelijks genoeg manschappen om een volledige "lijn" te bezetten
maar ze
slaagden er toch in tot de laatste dagen een "aaneengesloten" front" te
bewaren dankzij die mitrailleurs.
Op deze pagina willen we het hebben zoals de "loopgraven" in de
zogenaamde
"stabilisatieperiode": vanaf de winter 1914/15 tot de zomer van
1917: |
Voor de eigenlijke loopgraven lag het niemandsland of in
het engels "no man's land". Vanwaar dit nederlandstalig woord vandaan
komt is dus duidelijk. Dit "land" lag tussen de strijdende partijen in, op
minimum 50 meter (uitzonderlijk minder) maar meestal wel enkele hondenden
meter uit elkaar en soms nog meer. Voor de eigenlijke loopgraven werden
allerlei versperringen opgeworden, hoofdzakelijk een of ander prikkeldraad
constructie. Naargelang de plaatselijke mogelijkheden werden die inventief
met allerlei tuig aangevuld maar naarmate de oorlog vorderde werd dit
planmatiger aangepakt.
Anderzijds werden heelwat( "technieken" bedacht om de opstakels
zoveel mogelijk "op te ruimen". Het "afvuren" met een
soort raket van grijphaken om de prikkeldraad "op te rollen" was
daar een van...
|
|
Daarachter lag dan de
eigenlijke gevechtsloopgraaf. Vooraan, naar de vijand toe, vertrokken vanuit
die loopgraaf op geregelde plaatsen zogenaamde "sappen" in de
richting van de vijand. Die werden uitgedolven naar een plek die opportuun leek om
een waarnemingspost uit te bouwen. Het roemruchtste voorbeeld
van wat aanvankelijk een sappe was en later als een opmerkelijke versterking
werd uitgebouwd, was de "Dodengang" bij Diksmuide. Maar meestal
waren sappen relatief korte greppels die de "luistervinken" enige
bescherming bood op weg van en naar hun "post". |
|
|
Ook de
verbindingsloopgraven waren zigzag aangelegd maar minder hoekig dan de
gevechtsloopgraaf, dit om snel op en af te kunnen gaan. In de
zijkanten van die verbindingsloopgraven werden de latrines geplaatst. Als ze
tenminste zorgvuldig en planmatig waren uitgebouwd wat niet altijd het
geval was. |
Daarachter lag dan de
ondersteuningsloopgraaf of de tweede lijn. Hier hielden zich de manschappen
op, wiens aanwezigheid in de rustige periodes, niet noodzakelijk waren in de eerste linie. Ook
stonden hier in de regel de mitrailleurs opgesteld als kostbare voorwerpen
die best niet in handen vielen van de vijand die de gevechtloopgraaf
regelmatig bezocht tijdens de zogenaamde "raids": goed geplande
overvallen en de eerste linie die meestal niet zo sterk bemand was (en
naarmate de oorlog vorderde steeds minder bemand werd omdat men meer en
meer de verdediging in de diepte ging uitbouwen). |
|
Verbindingsloopgraven
liepen tenslotte tot aan de reserveloopgraaf, ook wel
rustloopgraaf (derde lijn) genoemd. Hier gebeurden de meer logistieke activiteiten
als het verdelen en opwarmen van voedsel en drank. De eigenlijke veldkeukens
stonden uiteraard nog meer achteraan. Via naderingsloopgraven werd dus
bij bevoorrading en aflos eerst die derde lijn bereikt.
Het spreekt vanzelf dat dit hier een "ideaalmodel" geschetst is. Omstandigheden
beslisten er soms anders over en beschietingen brachten veel werk aan de
winkel. In de regel waren de Duitse loopgraven beter uitgebouwd dan die van
de Geallieerden. Vooral de Fransen hebben maar heel langzaam een efficiënt
loopgravensysteem leren uitbouwen. Tijdens de tweede slag om Ieper zal hen
dat in de omgeving van Boezinge zuur opbreken.
|
|
Op propagandafoto's,
vooral Duitse, ziet men hoe die loopgraven er kraaknat of minstens
ordentelijk bijlagen, met versterkte wanden en allerlei, soms ingenieuze
voorzieningen. Natuurlijk was de realiteit soms anders: door de beschietingen,
de weersomstandigen en de bodemgesteldheid. In Frankrijk liepen de
loopgraven overwegend door kalkgrond of andere stenige bodem; in Vlaanderen
was dit leem waarin het grondwater soms tot net onder de oppervlakte kwam.
Met loopvlodders (duckboards) en
zogenaamde "A-frames" die op de bodem van de loopgraaf "gelegd" werden kon
men enigszins de voeten droog houden. Maar niet zelden stonden de soldaten
tot de knieën in de modderbrij waardoor velen "trenchfoots" kregen:
afschuwelijk opgezwollen voeten waarmee men militair niet langer
"bruikbaar" was.
Verder werden de loopgraven "gebruikvriendelijk" gemaakt door de wanden te
bekleden met onder andere zandzakjes of houten vlechtingen, voorzien van
schietgaten die gemaakt werden in een schildplaat of achter wegklapbare
panelen. Soms werden die loopgraven over korte afstand permanent
bedekt met golfplaten of tijdelijk met tentzeil (tegen de regen). De
inventiviteit van de frontsoldaat was in principe onbeperkt.
In waterzieke gronden konden nauwelijks loopgraven gedolven worden en die
werden dan maar bovengronds aangelegd achter muren van zandzakjes.
Waterpompen waren natuurlijk ook een onmisbare hulp. |
|
|
Maar
niet alleen de omgevingselementen werden verstevigd. De Duitsers die haast
in alles het inventiefst waren gebruiken zelfs "middeleeuws"
aandoende harnassen (die kunnen beschouwd worden als de voorlopers van de
kogelvrije vesten) waarmee ze de "wacht" optrokken (om aan te
vallen waren die te zwaar). Onlangs werd in de omgeving van Boezinge (door
de amateur-archeologen “ De Diggers”) een eveneens middeleeuws
aandoende helm gevonden waarmee scherpschutters zich enigszins konden
bloot geven omdat de staallegering van de helmen bestand was tegen (de
meeste) kogelinslagen. Trouwens: op ongeveer het zelfde tijdstip werden
geweren gevonden met een periscoop die toelieten om boven de borstweringen
te richten zonder dat de schutter zich moest blootgeven…
meer van dit alles in
Schrapnel
nr 4 jaargang 2004
|

Gaandeweg is men dat
loopgravenstelsel gaan verstevigen, eerst met wat men in de omgeving
aantrof, later met ijzerstaven, dikwijls trein of tramrails die ingegoten
werden in beton, die splintervrij of zelfs bomvrij werden beschouwd
naargelang de constructie en diepte onder de grond. Nadien werden planmatig bunkers gebouwd; gevechtsbunkers
van waaruit men de vijand kon beschieten, of verblijfbunkers die enkel dienden
als schuilplaats. Nog meer naar achteren
werden commando-, waarnemings- en sanitaire bunkers opgetrokken, uiteraard
gecamoufleerd (ondermeer opgetrokken in restanten van hoeven) en
bedekt met een dikke laag aarde. Bunkers waren in principe gebouwd om een
inslag van een 21 cm granaat te kunnen weerstaan.
Een zwak punt van die bunkers (die meestal geconstrueerd moesten worden binnen het
schietveld van de vijand) was de fundering. Een inslag naast de bunker kon
hem doen kantelen waardoor de nauwe ingang versperd geraakte waardoor niet
zelden die bunker een levend graf werd. |
|
De Britten noemden de Duitse bunkers in soldatentaal
ook
"pillboxes" en het type bunkers die enkel schuilplaatsen waren
(dus zonder schietgaten),
werden "blind
pillboxes" genoemd. Kleine bunkers werden dan weer "pepperboxes"
genoemd. De Duitsers heette bunkers een "manschaften eisenbeton unterstände", afgekort "MEBU"
als het ging over "verblijfbunkers" en dit in tegenstelling tot de "gefechtunterstande".
Fransen hadden het
over een "abri" of eventueel "abri blindé". Vlamingen verbasterden van
dit alles tot "pilledoze" of "u(o)nderstand" of "geblindeerden abri".
(Verwar "unterstände" niet met "minierte unterstände"
-voor de Britten "deep dug-outs" . Dit waren grote schuil ,verzorg en
slaapplaatsen die diep onder de grond werden ingericht. zie
ondergrondse oorlog .
De Britse bunkers werden "shelters" genoemd (eigenlijk louter schuilplaatsen omdat de geallieerden louter offensief
dachten en nooit stevige verdedigingslinies hebben uitgebouwd al kwam daar
vanaf het najaar 1917 verandering in). |
De Duitsers hadden voor de bunkers twee bouwtypes: een in gegoten beton en
een uit
betonnen blokken (blockhäuser) die ter plaatse opgebouwd werden. Van de
bunkers die de Britten door artilleriebeschietingen konden vernietigen
was 80 tot 90% "blockhäuser". Van de 34 bunkers die de Britten bij hun
opmars in juni 1917 bij Mesen aantroffen in een bepaalde sector waren er 9
ernstig beschadigd of vernietigd. 8 daarvan waren van het "blokken" type.
Uiteraard zat je veiliger in
een bunker dan er buiten. Nochtans was binnen de bunker die veiligheid
betrekkelijk. Tegen directe inslagen waren de bunkers meestal bestand (zeker
het "gegoten" type) maar soms kantelden die betonnen gewrochten door de
impact van de beschietingen die net naast de bunkers terecht kwam. Soms
drong ook de schokgolf doorheen sleuven of ingangen, waartegen het
menselijk lichaam niet bestand was...
|
|
De
Duitsers zijn vanaf halverwege 1915 systematisch beginnen hun
verdedigingslinie's "betonneren". Ze groeiden uit tot
echt"bunkerlinie's" of "stellungen" die op een zekere
afstand achter elkaar werden aangelegd. Toen de Britten in 1917 een groot
offensief ontketenden ( de derde slag bij Ieper ) waren zij verrast door de
omvang van die verdegingswerken. Veel van die bunkers waren immers goed
gecamoufleerd.
De Duitsers hadden in 1917 volgende "stellungen"(hauptwiederstandlinien)
uitgebouwd:
 |
de Hindenburgslinie: die de eigenlijke frontlinie was. |
 |
de Albrechtstellung: lag ongeveer één kilometer achter de
frontlinie. Ze liep net westelijk van Bikschote, Pilkem, Sint-Juliaan naar
de Frezenberg, verder langs de Nonnenbossen, doorheen het
"Herenthagedomein" en dan naar Gasthuisbossen (Shrewbury Forest). Deze
eerste twee versterkte linies leverden de Britten, met uitzondering rond
die "Nonnenbossen" geen onoverkomelijke
problemen op. |
 |
de Wilhelmstellung:
naargelang de plaats, een halve tot enkele kilometers achter de Albrechtlinie. Ze liep
langs de Sint Jansbeek, dan oostelijk van Langemark via "Hill 35"
westelijk van Zonnebeke naar de westelijke rand van het Polygoonbos en
dwarste
verder de Meenseweg ter hoogte van de Polygoonstraat en de
Everzwijnstraat, boog westelijk af naar de oostelijke oever van de
Bassevillebeek tot de westrand van de hoogten van Zandvoorde. Met de
aanval van
20 september 1917 werd deze "stellung" op bepaalde plaatsen
doorbroken al was dit eigenlijk ook al zeer tijdelijk gebeurd (enkele
uren) op 31 juli 1917 in de omgeving van Sint Juliaan. |
 |
de Flandern1-stellung: lag ongeveer twee kilometer achter de Wilhelmstellung. Ze lag westelijk van
de zogenaamde West-Vlaamse heuvellijn, een tot twee kilometer
westelijk van de dorpen
Staden, Westrozebeke, Passendale, Beselare tot Nieuw Kruiseike
(kruispunt Meenseweg of Meniroad met de weg Beselare-Wervik). Met de aanval van
26 september 1917 werd, bij Polygoonbos, deze stellung
doorbroken. Met de volgende grootscheepse aanval op 4 oktober 1917
werd de in Zonnebeke deze "stellung" over een ruime afstand doorbroken. |
 |
de Flandern2-stellung: werd tijdens derde slag bij Ieper
aangelegd omdat de andere linies doorbroken of dreigden doorbroken te
worden. Ze takte af van de Flandern1-stellung in Passendale en liep naar
de wijk Ter hand (Geluwe).
Vooral de
"Wilhelmstellung" was stevig uitgebouwd, de
Flandern1-stellung nog in volle uitbouw, de Flandern2 in opbouw en er
was ook sprake van een Flandern3.Naast deze
"Hauptwiederstandslinien" werd elke geografische of
bouwkundige (voornamelijk hoeven) opportuniteiten aangewend en
uitgebouwd als "weerstandsnest".
|
|
Er werden ook dwarslinies uitgebouwd: de zogenaamde "riegels" (grendels). Zo
was er de
Werkenriegel,
Klerkenriegel
die beiden refereren naar de
gelijknamige dorpen; de
Waldriegel die in
zich uitsplitste in drie secundaire riegels die allen door Houthustbos liep.
Als deze riegels waren aangelegd om de geallieerde plannen te verhinderen om via het binnenland,
de Duitsers uit de kusthavens te verdrijven.
Daarnaast was er nog de Mittelriegel
(liep parallel met de langgerekte hoogte van
Graventafel en maakte zo een schuine verbinding tussen de Wilhelmstellung en
de Flandern1 stellung)
die een doorbraak moest voorkomen naar Passendale
en de
Gheluveltriegel
en de
Ten Brielenriegel. Deze laatste riegels kwamen tot stand op zuidhellingen (met zicht over de
Leievlakte) om zonodig, de meer zuidelijke doorbraak,
bekend als de
slag om
Mesen
zo
nodig naar het noorden toe, in te dijken.
Uiteraard waren naast die "bunkerlinies" tussenin heel wat
plaatsen als versterkte plaatsen uitgebouwd
(tussenstellingen)
waar dit om geografische redenen opportuun was of omdat er reeds een
constructie aanwezig was. Die constructies waren heel dikwijls hoeves,
waarin min of meer gecamoufleerd, bunkers werden ingebouwd. Daarom staan het
op de militaire kaarten vol "farms". Bijzonder berucht waren
"Bellewaarde farm" , "Gallipoli farm", "Schuler
farm", "Mouse trap farm" enz... |
|

Die linies waren
een aaneenschakeling van bunkers
die in "damier"-vorm stonden waardoor ze elkaars omgeving
dekten. In tegenstelling tot wat algemeen werd aangenomen werden de
meeste bunkers gebouwd om de soldaten enkel te beschermen tegen artillerie
beschietingen. De ruimte was in de hoogte erg beperkt (rond 1m20). Eens
die beschietingen ophielden moesten de soldaten naar buiten en werden de
mitrailleurs opgesteld o.a op het dak van de bunker om de te verwachten aanval
af te slaan.

|
Ingang
van de Deep dug-out die aangetroffen werd in "Yorkschire
Trench" (Boezinge) door de amateur-archeologen " De
Diggers". Een schuilplaats zeven meter onder de grond bood
evenveel "bescherming" als één meter dik beton bij een
inslag van een 20 cm granaat. Betonnen bunkers waren bovendien van binnen erg
gevoelig aan schokgolven die vaak dodelijk waren. Véél
meer daarover in het schittterend naslagwerk "Tunnels en mijnen
1914-1918" met duidelijke ilustraties:
www.beneathflandersfields.be |
De
Britten hebben uiteraard ook "verbunkerd" maar in veel mindere mate.
Vooral langs de Ieperboog was dat knap lastig omdat zij daar omwille
van de voor hen ongunstige frontbuiging onder intenser vuur kwamen
te liggen dan elders. Doordat de Duitsers bovendien
"hoogtedominantie" over hen hadden, met als gevolg directe
vuurbegeleiding
*
werd elk verdedigingswerk van enige omvang
stevig beschoten. Daarom verkozen de Britten massaal ondergronds te
gaan om minstens "splintervrij" (bestand tgen allerlei
(fragmentaties en schrapnels) en zo mogelijk
"bomvrij" (directe inslagen) te kunnen schuilen.
Hierbij speelden de
zogenaamde olifantsecties een belangrijke
rol. Het waren gegolfde, stalen platen die in een halve cirkel
gebogen waren en dus op zichzelf al enige bescherming boden en
bovendien relatief gemakkelijk tot in de frontlinies kon getransporteerd
worden. Die platen werden dan enigszins
ingegraven en dan overdekt met ijzerprofielen en allerlei materialen
die in de omgeving
aanwezig waren. Die constructies waren minstens
"splintervrij".
Later werden in toenemende mate de zogenaamde "Deep
Dug-outs" een tiental meter onder de grond uitgedolven (bij
voorkeur onder een bestrate weg omwille van de extra bescherming) met
meerder ingangen en vaak verbonden met andere "Deep
Dug-outs" zodat heuse netwerken ontstonden die honderden
manschappen kon herbergen. Die constructies werden als
"bomvrij" beschouwd.
Vooral na de derde
slag bij Ieper werden in het veroverde gebied talrijke
"Deep Dug-outs" uitgegraven omdat het gebied zo verwoest
was dat een andere vorm van bescherming nauwelijks uit te werken
was. Ironie van het verhaal is na het Lenteoffensief
van de Duitsers
dit gebied volledig ontruimd werd en dat vele van die constructies
de Duitsers van pas kwam, temeer veel "Deep dug-outs"
achter de oude frontlijn van voor augustus 1917 ontmanteld waren om
het hout te recupereren waaraan toen een te kort was.* vuurbegeleiding of artilleriewaarneming was natuurlijk het
efficiëntst als de waarnemers een zeer goed overzicht hadden en een rechtstreekse
verbinding hadden met de batterijen. Een
waarnemer in de vuurlijn van op een
hoogte kon continu die vuurbegeleiding
het best verzekeren. Allerlei communicatie technieken (vooral vanuit
vliegtuigen en het bepalen van coordinaten) die in het verder
verloop de
oorlog ontwikkeld en toegepast werden vervingen die directe
waarneming meer en meer. |
Tegen dat de oorlog
in 1918 op zijn einde liep en het Duits leger duidelijk in het defensief was
gedrongen waren nieuwe "bunkerlinies" uitgebouwd. Ze hadden eveneens imposante
namen als de "Frankenstellung", "Preussenstellung", "Bayernstellung" en
andermaal een "Flandernstellung" (niet
verwarren met de Flandernstellungen uit 1917) die dan nog dubbel
uitgebouwd was in "Flandern ein" und "zwei". Vanaf
Ledegem was "Flandern zwei" dan nog eens, althans op papier
verbonden met de "Wotanstellung" (ook al versie "zwei")
die doorliep op Franse bodem en reikte tot de beruchte
"Siegfriedstellung" (voor de Britten de Hindenburgline). Alleen de
"Flandern zwei" bracht
enig soelaas. Van Brugge tot de Schelde liep dan nog de
"Hermannstellung", en een dwarsstelling: de "Roeselare
riegel" die langs de noordkant van het Mandelkanaal liep. De Duitsers hielden ook nog verderop een
"Antwerpen-Maas stellung" achter de hand, maar die
versterkingen waren meer uitgebouwd in de hoofden van de Duitse stafofficieren dan
op het terrein.
De oorlogsomstandigheden waren zodanig geëvolueerd dat de
gebetoneerde versterkingen alleen nog maar voor wat oponthoud zorgden en veel slachtoffers onder de aanvallers, maar niet meer
van die militaire betekenis hadden van in 1917. Uiteraard was
in 1918, naast de
zwakke uitbouw, de ondermaatse bezetting van die bunkers van even
doorslaggevend belang. Het blijft bovendien de vraag in hoeverre de dicht
bij de frontlijn gelegen "stellungen"
("Franken","Preussen" en "Bayern") eerder op
papier bestonden dan dat ze op het terrein iets wezenlijks
voorstelden... |
|