van  loopgraven naar bunkers
Start Omhoog eerste slag om Ieper tweede slag om Ieper slag om Mesen derde slag bij Ieper lenteoffensief eindoffensief Hooge Hill 60 Sint Elooi ondergrondse oorlog

educatieve site over de eerste wereldoorlog aan de Ieperboog ( en de IJzer )

De loopgraven zijn het symbool geworden van de eerste wereldoorlog. Waar het aanvankelijk zeer tijdelijke en erg rudimentaire schuilputten waren die door "verbindingsgangen" aaneengegraven waren, werden het, eens het front was vastgelopen, sterk uitgebouwde loopgravenstelsels. Later toen de kracht, en de intensiteit van de artilleriebeschietingen toenam en vooral de Duitsers talloze bunkers bouwden, nam het belang van het loopgravenstelsel af, als te kwetsbaar geworden. Men ging schuilen in de gebetoneerde versterkingen of verwijderden zich verder weg  van de frontlijn, om als de ergste beschietingen achter de rug waren, zonodig op de tegenaanval te "spelen".Dit was althans de tactiek van de Duitsers die tot het voorjaar van 1918 vooral defensief dachten.
Ook het massaal inzetten van mitrailleurs maakt het vormen van een aaneengesloten lijn minder noodzakelijk. Met het inrichten, op geregelde afstanden, van mitrailleurnesten", al dan niet in egelstelling, kon men een relatief breed gebied bestrijken. Bovendien was de bodem tegen dan zodanig bezaaid met obusputten dat een aaneengesloten loopgravenstelsel nauwelijks realiseerbaar was.  De Duitsers hadden op het einde van de oorlog bovendien nog nauwelijks genoeg manschappen om een volledige "lijn" te bezetten maar ze slaagden er toch in tot de laatste dagen een "aaneengesloten" front" te bewaren dankzij die mitrailleurs.
         
Op deze pagina willen we het hebben zoals de "loopgraven" in de zogenaamde "stabilisatieperiode": vanaf de winter 1914/15 tot de zomer van 1917:

Voor de eigenlijke loopgraven lag het niemandsland of in het engels "no man's land". Vanwaar dit nederlandstalig woord vandaan komt is dus duidelijk. Dit "land" lag tussen de strijdende partijen in, op minimum 50 meter (uitzonderlijk minder) maar meestal wel enkele hondenden meter uit elkaar en soms nog meer. Voor de eigenlijke loopgraven werden allerlei versperringen opgeworden, hoofdzakelijk een of ander prikkeldraad constructie. Naargelang de plaatselijke mogelijkheden werden die inventief met allerlei tuig aangevuld maar naarmate de oorlog vorderde werd dit planmatiger aangepakt.
Anderzijds werden heelwat( "technieken" bedacht om de opstakels zoveel mogelijk "op te ruimen". Het "afvuren" met een soort raket van grijphaken om de prikkeldraad "op te rollen" was daar een van...

 

Daarachter lag dan de eigenlijke gevechtsloopgraaf. Vooraan, naar de vijand toe, vertrokken vanuit die loopgraaf op geregelde plaatsen zogenaamde "sappen" in de richting van de vijand. Die werden uitgedolven naar een plek die opportuun leek om een waarnemingspost uit te bouwen. Het roemruchtste  voorbeeld van wat aanvankelijk een sappe was en later als  een opmerkelijke versterking werd uitgebouwd, was de "Dodengang" bij Diksmuide. Maar meestal waren sappen relatief korte greppels die de "luistervinken" enige bescherming bood op weg van en naar hun "post".

Ook de verbindingsloopgraven waren  zigzag aangelegd maar minder hoekig dan de gevechtsloopgraaf, dit om snel op en af te kunnen gaan.  In de zijkanten van die verbindingsloopgraven werden de latrines geplaatst. Als ze tenminste zorgvuldig en planmatig waren uitgebouwd wat niet altijd het geval was. 

Daarachter lag dan de ondersteuningsloopgraaf of de tweede lijn. Hier hielden zich de manschappen op, wiens aanwezigheid in de rustige periodes, niet noodzakelijk waren in de eerste linie. Ook stonden hier in de regel de mitrailleurs opgesteld als kostbare voorwerpen die best niet in handen vielen van de vijand die de gevechtloopgraaf regelmatig bezocht tijdens de zogenaamde "raids": goed geplande overvallen en de eerste linie die meestal niet zo sterk bemand was (en naarmate de oorlog vorderde steeds minder bemand werd omdat men meer en meer de verdediging in de diepte ging uitbouwen).

 Verbindingsloopgraven liepen tenslotte tot aan de reserveloopgraaf, ook wel  rustloopgraaf (derde lijn) genoemd. Hier gebeurden de meer logistieke activiteiten als het verdelen en opwarmen van voedsel en drank. De eigenlijke veldkeukens stonden uiteraard  nog meer achteraan. Via naderingsloopgraven werd dus bij bevoorrading en aflos eerst die derde lijn bereikt.
Het spreekt vanzelf dat dit hier een "ideaalmodel" geschetst is. Omstandigheden beslisten er soms anders over en beschietingen brachten veel werk aan de winkel. In de regel waren de Duitse loopgraven beter uitgebouwd dan die van de Geallieerden. Vooral de Fransen hebben  maar heel langzaam een efficiënt loopgravensysteem leren uitbouwen. Tijdens de tweede slag om Ieper zal hen dat in de omgeving van Boezinge zuur opbreken.

Op propagandafoto's, vooral Duitse, ziet men hoe die loopgraven er kraaknat of minstens ordentelijk bijlagen, met versterkte wanden en allerlei, soms ingenieuze voorzieningen. Natuurlijk was de realiteit soms anders: door de  beschietingen, de weersomstandigen en de bodemgesteldheid. In Frankrijk liepen de loopgraven overwegend door kalkgrond of andere stenige bodem; in Vlaanderen was dit leem waarin het grondwater soms tot net onder de oppervlakte kwam. Met loopvlodders (duckboards) en zogenaamde "A-frames" die op de bodem van de loopgraaf "gelegd" werden kon men enigszins de voeten droog houden. Maar niet zelden stonden de soldaten tot de knieën in de modderbrij waardoor velen "trenchfoots" kregen: afschuwelijk opgezwollen voeten waarmee men militair niet langer "bruikbaar" was.
Verder werden de loopgraven "gebruikvriendelijk" gemaakt door de wanden te bekleden met onder andere zandzakjes of houten vlechtingen, voorzien van schietgaten die gemaakt werden in een schildplaat of achter wegklapbare  panelen. Soms werden die loopgraven over korte afstand permanent  bedekt met golfplaten of tijdelijk met tentzeil (tegen de regen). De inventiviteit van de frontsoldaat was in principe onbeperkt.
In waterzieke gronden konden nauwelijks loopgraven gedolven worden en die werden dan maar bovengronds aangelegd achter muren van zandzakjes. Waterpompen waren natuurlijk ook een onmisbare hulp.

 

Maar niet alleen de omgevingselementen werden verstevigd. De Duitsers die haast in alles het inventiefst waren gebruiken zelfs "middeleeuws" aandoende harnassen (die kunnen beschouwd worden als de voorlopers van de kogelvrije vesten) waarmee ze de "wacht" optrokken (om aan te vallen waren die te zwaar). Onlangs werd in de omgeving van Boezinge (door de amateur-archeologen “ De Diggers”) een eveneens middeleeuws aandoende helm gevonden waarmee scherpschutters zich enigszins konden bloot geven omdat de staallegering van de helmen bestand was tegen (de meeste) kogelinslagen. Trouwens: op ongeveer het zelfde tijdstip werden geweren gevonden met een periscoop die toelieten om boven de borstweringen te richten zonder dat de schutter zich moest blootgeven…

meer van dit alles in Schrapnel nr 4 jaargang 2004

 

Gaandeweg is men dat loopgravenstelsel gaan verstevigen, eerst met wat men in de omgeving aantrof, later met ijzerstaven, dikwijls trein of tramrails die ingegoten werden in beton, die splintervrij of zelfs bomvrij werden beschouwd naargelang de constructie en diepte onder de grond. Nadien werden planmatig bunkers gebouwd; gevechtsbunkers van waaruit men de vijand kon beschieten, of verblijfbunkers die enkel dienden als schuilplaats. Nog meer naar achteren werden commando-, waarnemings- en sanitaire bunkers opgetrokken, uiteraard gecamoufleerd (ondermeer opgetrokken in restanten van hoeven)  en bedekt met een dikke laag aarde. Bunkers waren in principe gebouwd om een inslag van een 21 cm granaat te kunnen weerstaan. Een zwak punt van die bunkers (die meestal geconstrueerd moesten worden binnen het schietveld van de vijand) was de fundering. Een inslag naast de bunker kon hem doen kantelen waardoor de nauwe ingang versperd geraakte waardoor niet zelden die bunker een levend graf werd.

De Britten noemden de Duitse bunkers in soldatentaal ook "pillboxes" en het type bunkers die enkel schuilplaatsen waren (dus zonder schietgaten), werden "blind pillboxes" genoemd. Kleine bunkers werden dan weer "pepperboxes" genoemd.  De Duitsers heette  bunkers  een "manschaften eisenbeton unterstände", afgekort "MEBU" als het ging over "verblijfbunkers" en dit in tegenstelling tot de "gefechtunterstande". 
Fransen hadden het over een "abri" of eventueel "abri blindé". Vlamingen verbasterden van  dit alles tot  "pilledoze" of "u(o)nderstand" of "geblindeerden abri".
(Verwar "unterstände" niet met "minierte unterstände" -voor de Britten "deep dug-outs" . Dit waren grote schuil ,verzorg en slaapplaatsen die diep onder de grond werden ingericht. zie ondergrondse oorlog .
De Britse bunkers werden "shelters" genoemd (eigenlijk louter  schuilplaatsen omdat de geallieerden louter offensief dachten en nooit stevige verdedigingslinies hebben uitgebouwd al kwam daar vanaf het najaar 1917 verandering in)

De Duitsers hadden voor de bunkers twee bouwtypes: een in gegoten beton en een uit betonnen blokken (blockhäuser) die ter plaatse opgebouwd werden. Van de bunkers die de Britten door artilleriebeschietingen  konden vernietigen was 80 tot 90%  "blockhäuser". Van de 34 bunkers die de Britten bij hun opmars in juni 1917 bij Mesen aantroffen in een bepaalde sector waren er 9 ernstig beschadigd of vernietigd. 8 daarvan waren van het "blokken" type.

Uiteraard zat je veiliger in een bunker dan er buiten. Nochtans was binnen de bunker die veiligheid betrekkelijk. Tegen directe inslagen waren de bunkers meestal bestand (zeker het "gegoten" type) maar soms kantelden die betonnen gewrochten door de impact van de beschietingen die net naast de bunkers terecht kwam. Soms drong ook de schokgolf doorheen sleuven of ingangen, waartegen het menselijk lichaam niet bestand was...

De Duitsers zijn vanaf halverwege 1915 systematisch beginnen hun verdedigingslinie's "betonneren". Ze groeiden uit tot echt"bunkerlinie's" of "stellungen" die op een zekere afstand achter elkaar werden aangelegd. Toen de Britten in 1917 een groot offensief ontketenden ( de derde slag bij Ieper ) waren zij verrast door de omvang van die verdegingswerken. Veel van die bunkers waren immers goed gecamoufleerd.


De Duitsers hadden in 1917 volgende "stellungen"(hauptwiederstandlinien) uitgebouwd:

 

de Hindenburgslinie: die de eigenlijke frontlinie was.

de Albrechtstellung: lag ongeveer één kilometer achter de frontlinie. Ze liep net westelijk van Bikschote, Pilkem, Sint-Juliaan naar de Frezenberg, verder langs de Nonnenbossen, doorheen het "Herenthagedomein" en dan naar Gasthuisbossen (Shrewbury Forest). Deze eerste twee versterkte linies leverden de Britten, met uitzondering rond die "Nonnenbossen" geen onoverkomelijke problemen op.

de Wilhelmstellung: naargelang de plaats, een halve tot enkele kilometers achter de Albrechtlinie. Ze liep langs de Sint Jansbeek, dan oostelijk van Langemark via "Hill 35" westelijk van Zonnebeke naar de westelijke rand van het Polygoonbos en dwarste verder de Meenseweg ter hoogte van de Polygoonstraat en de Everzwijnstraat, boog westelijk af naar de oostelijke oever van de Bassevillebeek tot de westrand van de hoogten van Zandvoorde. Met de aanval van 20 september 1917 werd deze "stellung" op bepaalde plaatsen doorbroken al was dit eigenlijk ook al zeer tijdelijk gebeurd (enkele uren) op 31 juli 1917 in de omgeving van Sint Juliaan.

de Flandern1-stellung: lag ongeveer twee kilometer achter de Wilhelmstellung. Ze lag westelijk van de zogenaamde West-Vlaamse heuvellijn,  een tot twee kilometer westelijk van de dorpen Staden,  Westrozebeke, Passendale, Beselare tot Nieuw Kruiseike (kruispunt Meenseweg of Meniroad met de weg Beselare-Wervik). Met de  aanval van 26 september 1917 werd, bij Polygoonbos, deze stellung doorbroken. Met de volgende grootscheepse aanval op  4 oktober 1917 werd de in Zonnebeke deze "stellung" over een ruime afstand doorbroken.

de Flandern2-stellung: werd tijdens derde slag bij Ieper aangelegd omdat de andere linies doorbroken of dreigden doorbroken te worden. Ze takte af van de Flandern1-stellung in Passendale en liep naar de wijk Ter hand (Geluwe).

Vooral de "Wilhelmstellung" was stevig uitgebouwd, de Flandern1-stellung nog in volle uitbouw, de Flandern2 in opbouw en er was ook sprake van een Flandern3.Naast deze "Hauptwiederstandslinien" werd elke geografische of bouwkundige (voornamelijk hoeven) opportuniteiten aangewend en uitgebouwd als "weerstandsnest".

Er werden ook dwarslinies uitgebouwd: de zogenaamde "riegels" (grendels). Zo was er de Werkenriegel, Klerkenriegel die beiden refereren naar de gelijknamige dorpen; de Waldriegel die in zich uitsplitste in drie secundaire riegels die allen door Houthustbos liep. Als deze riegels waren aangelegd om de geallieerde plannen te verhinderen om via het binnenland, de Duitsers uit de kusthavens te verdrijven.
Daarnaast was er nog de Mittelriegel (liep parallel met de langgerekte hoogte van Graventafel en maakte zo een schuine verbinding tussen de Wilhelmstellung en de Flandern1 stellung) die een doorbraak moest voorkomen naar Passendale en de
 Gheluveltriegel en de Ten Brielenriegel. Deze laatste riegels kwamen tot stand op zuidhellingen (met zicht over de Leievlakte) om zonodig, de meer zuidelijke doorbraak,
bekend als de slag om Mesen zo nodig naar het noorden toe, in te dijken.
Uiteraard waren naast die "bunkerlinies" tussenin heel wat plaatsen als versterkte plaatsen uitgebouwd (tussenstellingen) waar dit om geografische redenen opportuun was of omdat er reeds een constructie aanwezig was. Die constructies waren heel dikwijls hoeves, waarin min of meer gecamoufleerd, bunkers werden ingebouwd. Daarom staan het op de militaire kaarten vol "farms". Bijzonder berucht waren "Bellewaarde farm" , "Gallipoli farm", "Schuler farm", "Mouse trap farm" enz...

Die linies waren een aaneenschakeling van bunkers die in "damier"-vorm stonden waardoor ze  elkaars omgeving dekten.  In tegenstelling tot wat algemeen werd aangenomen werden de meeste bunkers gebouwd om de soldaten enkel te beschermen tegen artillerie beschietingen. De ruimte was in de hoogte erg beperkt (rond 1m20).  Eens die beschietingen ophielden moesten de soldaten naar buiten en werden de mitrailleurs opgesteld o.a op het dak van de bunker om de te verwachten aanval af te slaan.

Ingang van de Deep dug-out die aangetroffen werd in "Yorkschire Trench" (Boezinge) door de amateur-archeologen " De Diggers". Een schuilplaats zeven meter onder de grond bood evenveel "bescherming" als één meter dik beton bij een inslag van een 20 cm granaat. Betonnen bunkers waren bovendien van binnen erg gevoelig aan schokgolven die vaak dodelijk waren.

Véél meer daarover in het schittterend naslagwerk "Tunnels en mijnen 1914-1918" met duidelijke ilustraties:      www.beneathflandersfields.be 

De Britten hebben uiteraard ook "verbunkerd" maar in veel mindere mate. Vooral langs de Ieperboog was dat knap lastig omdat zij daar omwille van de voor hen ongunstige frontbuiging onder intenser vuur kwamen te liggen dan elders. Doordat de Duitsers bovendien "hoogtedominantie" over hen hadden, met als gevolg directe vuurbegeleiding * werd elk verdedigingswerk van enige omvang stevig beschoten. Daarom verkozen de Britten massaal ondergronds te gaan om minstens "splintervrij" (bestand tgen allerlei (fragmentaties en schrapnels) en zo mogelijk "bomvrij" (directe inslagen) te kunnen schuilen. 
Hierbij speelden de zogenaamde olifantsecties een belangrijke rol. Het waren gegolfde, stalen platen  die in een halve cirkel gebogen waren en dus op zichzelf al enige bescherming boden en bovendien relatief gemakkelijk tot in de frontlinies kon getransporteerd worden. Die platen werden dan enigszins ingegraven en dan overdekt met ijzerprofielen en allerlei materialen die in de omgeving aanwezig waren. Die constructies waren minstens "splintervrij".
Later werden in toenemende mate de zogenaamde "Deep Dug-outs" een tiental meter onder de grond uitgedolven (bij voorkeur onder een bestrate weg omwille van de extra bescherming) met meerder ingangen en vaak verbonden met andere "Deep Dug-outs" zodat heuse netwerken ontstonden die honderden manschappen kon herbergen. Die constructies werden als "bomvrij" beschouwd.
Vooral na de derde slag bij Ieper werden in het veroverde gebied talrijke "Deep Dug-outs" uitgegraven omdat het gebied zo verwoest was dat een andere vorm van bescherming nauwelijks uit te werken was. Ironie van het verhaal is na het Lenteoffensief van de Duitsers dit gebied volledig ontruimd werd en dat vele van die constructies de Duitsers van pas kwam, temeer veel "Deep dug-outs" achter de oude frontlijn van voor augustus 1917 ontmanteld waren om het hout te recupereren waaraan toen een te kort was.

* vuurbegeleiding of artilleriewaarneming was natuurlijk het efficiëntst als de waarnemers een zeer goed overzicht hadden en een rechtstreekse verbinding hadden met de batterijen. Een waarnemer in de vuurlijn van op een hoogte kon continu die vuurbegeleiding het best verzekeren. Allerlei communicatie technieken (vooral vanuit vliegtuigen en het bepalen van coordinaten) die in het verder verloop de oorlog ontwikkeld en toegepast werden vervingen die directe waarneming  meer en meer. 

Tegen dat de oorlog in 1918 op zijn einde liep en het Duits leger duidelijk in het defensief was gedrongen waren nieuwe "bunkerlinies" uitgebouwd. Ze hadden eveneens imposante namen als de "Frankenstellung", "Preussenstellung", "Bayernstellung" en andermaal een   "Flandernstellung" (niet verwarren met de Flandernstellungen uit 1917) die dan nog dubbel uitgebouwd was in "Flandern ein" und "zwei". Vanaf Ledegem was "Flandern zwei" dan nog eens, althans op papier verbonden met de "Wotanstellung" (ook al versie "zwei") die doorliep op Franse bodem en reikte tot de beruchte "Siegfriedstellung" (voor de Britten de Hindenburgline). Alleen de "Flandern zwei" bracht enig soelaas. Van Brugge tot de Schelde liep dan nog de "Hermannstellung",  en een dwarsstelling: de "Roeselare riegel" die langs de noordkant van het Mandelkanaal liep. De Duitsers hielden ook nog verderop een "Antwerpen-Maas stellung" achter de hand, maar die versterkingen waren meer uitgebouwd in de hoofden van de Duitse stafofficieren dan op het terrein.

  
De oorlogsomstandigheden waren zodanig geëvolueerd dat de gebetoneerde versterkingen alleen nog maar voor wat oponthoud zorgden en veel slachtoffers onder de aanvallers, maar niet meer van die  militaire betekenis hadden van in 1917. Uiteraard was in 1918,  naast de zwakke uitbouw, de ondermaatse bezetting  van die bunkers van even doorslaggevend belang. Het blijft bovendien de vraag in hoeverre de dicht bij de frontlijn gelegen "stellungen" ("Franken","Preussen" en "Bayern") eerder op papier bestonden dan dat ze op het terrein iets wezenlijks voorstelden...