~
poëzieselectie 2000-2002 ~
jij behekst me
sluipend en ik verstijf
en telkens weer
je handen verwennen
m’n warme lijk, maar
ik wil je niet kussen
je draden je draait ze
rond me, ik draal, maar
ik wil je niet
kussen
vind me
neem me mee
neem me naakt
verzuip je in me
zuig m’n gif
laat me leven
vaar me thuis
en wurg me
leg me en
wurg m’n angsten
Mocht ik doodgaan plots
wie zal me dan vinden
begraven in gedichten
woorden witte regels
foto’s boeken beelden
dromen en muziek
wie zal me voelen
mijn zuchten horen
mijn adem waaien weten
wie vindt me nu
vervlogen ieder ogenblik
wie vindt me? u?
en wie, wie vind ik?
de regen valt in Venezia
niet als elders
de calle’s leiden naar nieuwe
oude paden naar kanalen naar
een stille stedenzang
en de nederige nacht
hier is alles met elkaar gehuwd
zo worden zielen verzegeld
in de adem van het snijdende water
schone dingen zijn eilanden steeds
oeverloos kan men zich
als de tranen van ver gekomen
in deze thuis verdrinken
VLUCHTELING
stad in de stad
stemmen overal
stappen afgemeten
is het hier dat jij aankomt
elke dag opnieuw
start van een losser bestaan
15 februari 2002
(Zuidstation Brussel)
Wie ben ik
Wie zijn mijn vrienden
Wat is mijn doel
Een brok verlangen
wat zintuigen, een snuif
rationeel raderwerk
‘n bruine rietstengel
een klontje liefde
een zuchtje een pluimpje
een muizenhartje
een onsamenhangende brok
nutteloze passie in een steen
adversum van de wolken
aan C.
je loopt op de toppen van m’n vingers
je speelt als een katje met de pianosnaren van m’n brein
je woont in m’n netvlies
je berijdt m’n selectief geheugen
je bent de zon op m’n vale huid
je spreekt me blind je eet m’n tijd
en je zit heel ver van tussen m’n benen
schrijnend
glijdt
de tijd
langsmij
leven is verlangen
maar kon je
van dorst niet doodgaan?
geketend
wil ik
bandenloos
losbandig
me verliezen
kan liefde deze loser redden?
ten offer van conventies
verdrinkt mijn dorst
en ik mis weer de deur
naar die veilige dimensie
|