OORSPRONG EN EVOLUTIE BELGISCH TREKPAARD

Vanaf het quartair tijdperk

Reeds in het quartair tijdperk leefden er paarden in onze streken. Het ging hier om primitieve stekelharige dieren van 1,40 m schofthoogte. Aanvankelijk werden ze als wild gejaagd, later bereden tijdens de oorlogen van de Germaanse volksstammen. Na verloop van tijd werden er meerdere rassen gefokt: kleine rustieke paarden in de Ardennen en zwaardere in het centrum en het noorden. Tijdens de Romeinse overheersing werden vele Belgische paarden, hoofdzakelijk Ardense, opgeëist voor de remonte van het leger van het Romeinse keizerrijk.
Nero schafte hier zijn vier favoriete merries voor zijn strijdwagen aan.
In 732 te Poitiers maakte Karel met de Hamer een einde aan de invasie van de Arabieren. Bij deze historische veldslag werden oosterse Berberhengsten door de Franken gevangen genomen en gekruist met inheemse merries. Nog oosterse invloed kwam van hengsten door kruisvaarders meegebracht van hun tochten.

Tijdens de Middeleeuwen

Tijdens de middeleeuwen werd het zware strijdros gezocht door de ridders. Ze hadden een grote waarde voor de adel, maar verdwenen van het slagveld rond het midden van de 14e eeuw door de opkomst van de artillerie. Om de massale verwoestingen door het buskruit te vermijden, werden lichtere, snellere paarden ingezet, die soepeler en handiger bewogen. Hiervoor werd er beroep gedaan op Arabische hengsten. Zo evolueerde het oude strijdpaard naar een trekpaard. Onder het bewind van de Bourgondiërs, de Spanjaarden, de Oostenrijkers en de Fransen werden Andalousische en Napolitaanse hengsten gebruikt, waardoor het inheemse paard van de Nederlanden uiteindelijk een vermenging van diverse rassen inhield. Men zocht lange tijd naar een paard met twee functies: tegelijkertijd geschikt voor het zadel en het gespan.

Geboorte van een prestigieuze fokkerij in België

De fokkerij van een echt Belgisch raspaard dateerde uit het begin van de 17e eeuw. In het jaar 1615 namelijk werden de postkoetsen in gebruik genomen. Die hadden zeer energieke en sterke paarden nodig voor hun lange reizen met zware koetsen. Bijna tweehonderd jaar lang waren deze diligencediensten van de Nederlanden de beste van het Europese vasteland.
Rond 1770 creëerde Karel van Lotharingen de hengstendepots in St-Niklaas, Gent en Aalst teneinde het type trekpaard te verbeteren naar het meer gevraagde landbouwpaard. Daarom importeerde hij Holstein, Berbers, Normandische, Napolitaanse, Spaanse, Arabische en Engelse hengsten. De resultaten waren echter zeer ontgoochelend en ze werden reeds tien jaar later opgedoekt, met uitzondering van Aalst waar een twintigtal shires ingevoerd werden van de Engelse fokker Bakewell, waaronder de bekende Beautifull, met zwart haarkleed en lange witte beenbeharing. Deze paarden bleken excellente fokhengsten en werden mede de verre voorouders van het Belgisch trekpaard. Naast de overheid waren er ook enkele privé initiatieven om de fokkerij van het trekpaard te verbeteren. Zo loofde het stadsbestuur van Brugge in 1775 premies uit voor de beste zware paarden, gefokt door particulieren. Het waren echter steeds paarden van vreemde origine die geprimeerd werden.

Aan de vooravond van onze onafhankelijkheid

Onder het Franse bewind en het eerste rijk van Napoleon sinds 1796 werden er massa's paarden gebruikt voor de ruiterij en artillerie. Napoleon creëerde daarom in 1806 de keizerlijke stoeterijen, zoals het depot van Tervuren dat 65 hengsten van diverse rassen gestald had: Engelse en Arabische volbloeden, Normandiers, Percherons, Boulonnais, Shires en zelfs Oekraïniers. Maar tijdens de Hollandse periode van 1814-1830 werd de fokkerij niet meer aangemoedigd. Integendeel, enkel volbloeden, luxe tuigpaarden en zadelpaarden vonden genade. Het trekpaard werd beschouwd als een vulgair dier dat geen enkele aandacht verdiende.
En zo bezat het pas onafhankelijk België in 1830 haast geen kwaliteitspaarden. Onmiddellijk werden er overheidsmaatregelen genomen om de nationale fokkerij te stimuleren. Ze voerde een verplichte hengstenkeuring in en spendeerde een enorm bedrag van 30.000 F in goud. Deze politiek wierp al snel zijn vruchten af en kort daarna werden uitstekende jonge paarden op de akkers gezien.
De aanleg van de ijzeren weg in 1835 vormde opnieuw een bedreiging want de postkoetsen verloren aan belang. Maar de landbouw zorgde voor de onverwachte heropleving door zijn vraag naar sterke paarden voor de akkerbouw. Deze sector lag aan de basis van het internationale succes van ons Belgisch trekpaard. In 1864 werd de stoeterij van Tervuren, ondertussen in Gembloux, definitief gesloten.
Deze datum betekende ook het einde van eeuwen kruisingen. Vanaf dan werd het Belgisch trekpaard gefokt voor zichzelf en verbeterd door zichzelf.
Door ministerieel besluit van 6 april 1854 werd een commissie opgericht, belast met de verbetering van dit paardenras. Er werden in alle provincies premies toegekend aan de beste fokhengsten. Luik gaf zijn akkoord pas in 1877. Maar het was ook in Luik dat in 1879 de maatschappij van Belgische fokkers werd opgericht, die aan de basis lag van de nationale maatschappij van het Belgisch trekpaard.
En dat was meteen ook het begin van de glorieperiode in onze fokkerij. Het Belgisch trekpaard genoot snel een wereldwijde reputatie. De uitvoer nam een forse groei naar de Verenigde Staten, Duitsland, ItaliŽ, Rusland, Oostenrijk, Frankrijk...

De glorieperiode tussen WO I en II

De eerste wereldoorlog betekende een zware beproeving voor de fokkers. De Duitsers eisten de beste paarden op, zowel voor hun militie als voor hun fokkerij. In totaal werden 110.138 paarden meegenomen. Na de bevrijding werd de paardenstapel echter snel hersteld en begon de hoogtijd voor dit paard dat als beste van de wereld werd beschouwd. Jaarlijks werden er 15.000 veulens geregistreerd.
België telde toen zo'n 250.000 ingeschreven trekpaarden. Elk jaar werden er ongeveer 30.000 hengsten en merries uitgevoerd naar Frankrijk, Nederland, Italië, Zweden, Denemarken, de Oostlanden, de Verenigde Staten, Argentië, Chili e.a.
De handel bloeide en de fokkerij vierde hoogtij. Dit paard werd zelfs het grootste exportproduct van ons land en zorgde voor een florissante economie. Vooral in de havens en voor het drukke transport in de grote steden werd zijn kracht erg gewaardeerd. In de landbouw kon de zware handenarbeid verlicht worden door machines in te schakelen aangedreven door middel van het trekpaard. Men kan gerust stellen dat het Belgisch trekpaard mede aan de basis lag van de welvaart in onze streken. Maar zal dit edele dier, de levensgezel van zovele arbeiders, de opkomende motorische drijfkracht en zijn ondergang kunnen tegenhouden?

Een onverbiddelijke strijd

Het Belgisch trekpaard is zonder twijfel de sterkste levende motor die er bestaat. In stap levert het dagelijks een rendement van 2 miljoen à 3,5 miljoen kilogrammeter. De natiepaarden van de Antwerpse haven en deze van de grote verhuisfirma Vandergooten te Brussel trokken zonder moeite vrachten van vijf ton de ganse dag door. Het is vroegrijp, makkelijk op te fokken en met een relatief lange levensduur.
Maar helaas, kort na de tweede wereldoorlog ging de motorische paardenkracht een onverbiddelijke en ongelijke strijd aan met de trekpaardenkracht, waarbij deze zonder hoop werd verslagen. Het trekpaardenbestand slonk zienderogen om vandaag nog amper ekele duizenden stuks te tellen, Brabanders en Ardenners samen. De grote agrarische bedrijven werden gemoderniseerd met tractoren, mede gestimuleerd door het plan Marshall. De kleine en middelgrote hoeven verdwenen gestaag, wat een drastische inkrimping van het trekpaardeneffectief tot gevolg had.
Gelukkig is de voorliefde en de passie voor ons prachtige trekpaard niet dood. De Koninklijke Maatschappij Het Belgisch Trekpaard telt nu een 1.250 leden en registreert rond de 800 veulens. De nationale prijskamp op de Heizel kent steeds een groot succes.

De fokkers van vandaag

Het grootste deel van de trekpaardenfokkerij vandaag is het werk van landbouwers en landbouwerszonen. Zij zijn nog opgegroeid tussen het trekpaard en hebben die liefde van kleinsaf meegekregen. Naar schatting worden nog 400 trekpaarden gebruikt in de bosbouw, waar zij in samenwerking met de machine een belangrijke factor in het productierendement vormen. Enkele landbouwers op hoge leeftijd doen nog licht werk met hun trekpaard.
Het is echter bemoedigend dat er een hernieuwde belangstelling ontstaat voor het trekpaard in de vrijetijdsbesteding. Vele jonge mensen, waarvan sommigen zelfs niet uit de agrarische wereld komen, houden één of meerdere merries voor het plezier en nemen nu de fakkel over van de oudere fokkers. Regelmatig hebben er transacties plaats tussen België en Nederland en kopen Duitse en Zwitserse brouwerijen nog geregeld jonge hengsten met lange staart.

Maar het Belgisch trekpaard wordt vandaag de dag vooral gehouden uit liefde en voor de ontspanning. Het aangespannen rijden in familieverband is enorm plezierig. Daarnaast worden talrijke initiatieven op stapel gezet om de fokkerij van dit levende Belgisch erfgoed te promoten.

Tekst: Pierre Wolfs en Lutgarde De Greeff ~ Copyright 2000