Sinds lang gaat mijn voorkeur voor schepen uit naar visserschepen. Reeds als 10-12 jarige aan zee droomde ik ervan zo’n vissersboot in model te bouwen. Toen waren dat nog tamelijk primitieve schepen vergeleken met de huidige krachtpatsers die de zee leeg vissen. Van “bokken” om de netten te trekken was nog geen sprake, galgen aan één of beide zijden van het schip waren gebruikelijk. Toch zou het nog jaren duren voor ik een eerste (klein) statisch model van het type “IJslandvaarder” (zo ongeveer als de Amandine, nu in Oostende op de kaai te bewonderen) zou bouwen. Gebrek aan kennis en centjes waren de voornaamste oorzaak. Veel later kwam er dan een varende vissersboot de Maggie M, een bouwdoos van Model Slipway, bij.
Later groeide ook de belangstelling voor (zee-) reddingsboten. Dat resulteerde uiteindelijk in de Bernard Van Leer, een hoogzee reddingsboot, volledig naar plan gemaakt (spantenbouw). Een type reddingsvaartuig dat gebruikt werd in Nederland maar ondertussen vervangen is door nieuwere types.
De Duitse reddingsboten zijn vrij bekend door de modellen van Robbe en Graupner (of is het slechts één van beiden?). Maar ik leerde het Britse RNLI (Royal National Lifeboat Institution) en hun vele boottypes kennen. Eén ervan, het Waveney-type bestaat al lang als bouwdoos bij Billing Boats, zij het gewoonlijk in een uitvoering van de Amerikaanse kustwacht. Mijn eerste interesse ging uit naar zowat de grootste klasse, de ARUNs. Tamelijk gedrongen schepen (gezien hun lengte/breedte verhouding) en met een typische hoge bovenbouw. Maar alvorens daar aan te beginnen diende er documentatie verzameld te worden. Daar was ik nog naarstig mee bezig toen de Model Slipway met een model van een kleiner type, de TRENT, uitkwam. De gedachten om van plan te bouwen werden opgeborgen en daar ik ook goede ervaringen had met de Maggie M besloot ik tot aanschaf van de bouwdoos.
Ondertussen is die aanschaf al een dik jaar geleden gedaan (het Britse pond was toen gelukkig nog minder duur), maar daar de Maggie M nog niet af was is de Trent nog wat blijven staan. Ondertussen, zij het met enkele onderbrekingen, vordert de bouw toch gestaag. Ik moet bekennen dat ik geen regelmatige bouwer ben maar met “vlagen” werk. Tussen twee “vlagen” kunnen weken, soms maanden, voorbijgaan. De draad dan terug opnemen is niet altijd simpel.
Voordeel van een bouwdoos als deze is dat de romp klaar is en dus onmiddellijk met de inbouw van motoren, schroefassen en roeren (van alles 2 stuks) kan begonnen worden.
De te boren gaten voor roeren en assen zijn in de rompvorm aangegeven. Dat is weeral gemakkelijk, zij het dat ik door slechte ervaringen geleerd heb dat je dit nooit klakkeloos mag aannemen. Dus eerst nameten en dan beginnen boren. Ook eerst met een kleine boor starten en dan vergroten als alles goed is. De schroefassen worden ondersteund door steunen. Ook de uitsparingen waar die moeten komen zijn aangegeven. Die assteunen zijn ook in witmetaal en naar mijn gevoel redelijk zwaar. Ik heb ze toch maar geplaatst en beschouw ze als wat extra ballast. De roeren en roerassen zijn echter ook in dit metaal en voor de roerassen is dit toch te zwak. Voorlopig dienen ze om verder te werken, op termijn zal ik ze waarschijnlijk door kunststof roeren met messing assen vervangen.
Zaak is de schroefassen tussen de rompopeningen en de steunen niet te laten wringen. Bij één as was dit het geval maar gelukkig bemerkte ik dit nog voor het definitief vastlijmen. Reeds een kleine wringing doet de as in de koker stroef lopen.
Vastlijmen kan echter pas als de motoren geplaatst en uitgelijnd zijn met de assen. Bij dit model komen de motorassen recht in het verlengde van de schroefassen en dienen dus schuin geplaatst te worden.
Nu vind ik dat het plaatsen van motoren in modellen een apart artikel verdient. Als er mensen zijn die me hun ervaringen willen vertellen (en de resultaten laten fotograferen) dan begin ik er wel eens aan.
Op aanraden van de verkoper van de bouwdoos heb ik voor de motoren
Speed 500 types van Graupner genomen. De motoren worden gemonteerd in een reductie
unit (2,3/1) met getande riemoverbrenging. Deze units worden normaal voor elektrisch
aangedreven vliegtuigen gebruikt maar kunnen dus ook voor modelschepen dienen.
Om de zo gemonteerde motoren gemakkelijk in de boot te monteren worden de units eerst op plaatjes hout gevezen (zie foto) zodat de “vleugeltjes” wat breder worden en gemakkelijker op de motorsteunen kunnen gevezen worden.
Dan wordt het geheel met de schroefassen gekoppeld.
En nu kan het meten, uitzagen, passen en schuren van de steunblokjes beginnen. De romp heeft schuine vlakken, de motoren staan schuin, het is dus zaak blokjes te zagen die er juist onder passen. Alvorens dit lukt en tegelijkertijd er voor gezorgd wordt dat de uitlijning goed is, zodat de assen zonder speling draaien, gaan er wel een aantal blokjes richting open haard!
Zodra alles past worden de blokjes met 2-componenten lijm vastgezet. Pas wanneer dit goed droog is wordt nagegaan of de schroefassen zonder speling lopen en dan worden die samen met de steunen in de romp vastgelijmd.
Nu volgt het plaatsen van de roerassen wat weinig problemen oplevert. Nu zijn zowat alle delen, waarvoor gaten in de romp dienen gemaakt te worden, geplaatst (behalve dan de stabilisatie trims achteraan maar die zal ik later plaatsen daar ze mij in dit stadium van de bouw te kwetsbaar lijken). Wel kan nu een eerste controle op de waterdichtheid gedaan worden. Zolang de dekken niet zijn aangebracht is bijwerken eenvoudiger.
De romp in glasvezel met epoxy is het enige grote stuk dat klaar uit de doos komt. Voor het overige zijn er acht grote platen styreen, een plaat doorzichtig plastiek voor de ramen, 2 platen geëtste messing delen, een hoeveelheid messing draden en buisjes aluminium van 3mm Ø (voor de relingen), een uitgebreide bouwbeschrijving (weliswaar alleen in het Engels) en vele tekeningen waaronder 2 op ware grootte (een boven- en een zijaanzicht).
De styreenplaten zijn ofwel gestanst (voor grote delen zoals dekken en cabine delen) ofwel bedrukt. De gestanste delen laten zich zeer gemakkelijk verwijderen. Eerst voorzichtig met het breekmes over de aflijningen en dan uit- of afbreken. De bedrukte delen moeten uitgezaagd of gesneden worden. Ervaring leert weer dat dit uitsnijden met een zekere marge moet gebeuren daar de opdruk niet altijd nauwkeurig is. Een wijs modelbouwer (waarschijnlijk al lang dood) zei ooit “iets er afsnijden is gemakkelijker dan er aansnijden!”.
De geëtste delen dienen voor zaken als de ventilatie roosters, steunen voor de glazen windschermen van de open brug, instrumentenpanelen en vele kleine details. Samen met de witmetalen delen kunnen er dan enorm veel details aangebracht worden. Misschien wel wat te veel voor een boot waar men dikwijls mee wil varen.
Na inbouw van motoren etc. is het tijd
om de dekken aan te brengen. Moest ik hier de bouwbeschrijving letterlijk volgen
dan kom ik op hetzelfde euvel als bij de Maggie-M, namelijk dat er teveel dek
wordt vastgelijmd zodat vitale delen moeilijk of niet meer bereikbaar zijn.
De Trent heeft dan wel een zeer grote kajuit zodat motoren en batterijen goed
bereikbaar zijn, maar als men het achterdek vastlijmt wordt het een hels karwei
om later aan de roerassen te werken. Dus hier wordt de methode “Simon” toegepast,
nl. langs de binnenkant van de romp een rand aanbrengen waar het dek kan op
rusten. Ik heb dit niet met houten maar met bijgeleverde styreen latten gedaan.
Maar in plaats van het dek dan vast te schroeven ben ik van plan het met siliconen
pasta vast te lijmen zodat het, bij nodig, terug kan losgemaakt worden. Wat
hier het resultaat van zal zijn zie ik dan wel alhoewel ik denk dat andere leden
dit procédé ook al toepassen voor luiken en zo.
Voor dagelijks onderhoud worden twee luiken in het achterdek nog eens apart afneembaar gemaakt.
Volgende stap is het bouwen van de cabine. De opbouw van dit model is een heel werk, wat begrijpelijk is daar deze het grootste deel van het dek beslaat. De cabine bestaat uit ontelbare styreen onderdelen. Hier is het zaak de bouwbeschrijving stap voor stap te volgen of je komt er niet uit. Maar dan ook weer niet te letterlijk om zonodig delen bereikbaar te houden voor de laatste afwerking.
Her geheel zit wel vernuftig in elkaar maar om alles juist te laten passen zijn er af en toe wel vulstukken nodig. De cabine structuur vormt uiteindelijk een stevige doos met dubbele wand die juist past over de opstaande randen die de opening in het dek aflijnen. Op die manier wordt water indringing ook tegengegaan.
Ook slim is dat er via sommige hogergeplaatste ventilatieroosters (messing) verse lucht in het motorcompartiment kan geraken. Dus eigenlijk zoals het in werkelijkheid ook gebeurt.
De foto’s tonen in hoeverre de boot nu klaar is. De cabine begint vorm
te krijgen maar de “flybridge” moet er nog opkomen. Er is dus nog heel wat te
doen maar hierover later meer als ik terug een paar “bouwvlagen” achter de rug
heb.
Om zo mogelijk in het begin van het seizoen al eens met de Trent te water te gaan ben ik begonnen met het afwerken van de romp. Dit wil zeggen schilderen! Een karweitje dat ik wel graag doe maar dat toch veel tijd in beslag neemt.
Het onderwaterschip dient in een nogal fel rood gedaan te worden. Voor de kenners: Humbrol 19, dat dan nog een glanzende verf is ook. Het deel boven de waterlijn wordt donker blauw. Ik wil echter eerst de volledige romp rood spuiten daar er op de blauwe zijkanten rode biezen moeten komen. Die kan ik dan afplakken wanneer ik met het blauw voor de zijkanten begin.
Spuiten met een spuitbus gaat eenvoudiger dan met de air-brush, dus (op aanraden van Hubert) naar Mano om autoverf te kopen. Daar is rood in alle gradaties te vinden. Ik moest op het oog kiezen en nam dan uiteindelijk Motip nr.41400, vraag me niet voor welke type wagen die eigenlijk bedoeld is. Goedkoop is zo’n spuitbus niet, bij de 500 BEF (voor de liefhebbers, er is nog heel wat verf in de bus en voor een pint kan die wel ter beschikking gesteld worden).
Spuiten gaat snel maar de voorbereiding is wat anders. Dat moet in de garage gebeuren met de poort half open om niet te veel van de spuitdampen binnen te krijgen, en dat rond Nieuwjaar!
Waar later de stootbanden moeten gelijmd worden komt best geen verf, dus: afplakken! Dat hoeft niet zo secuur te worden gedaan daar de stootbanden tamelijk breed zijn en de verf er dus iets mag onder zitten. Op de waterlijn moet echter een witte band van zo’n 5 mm komen. De romp is wit, dus afplakken met “masking tape” van Pactra (gekocht bij Albatros). Deze tape is wel ¼”, dus ongeveer 6,3 mm, breed maar voldoet toch. Dat is werkelijk goed spul. Goed aandrukken en er komt geen druppel verf onder.
En dan maar spuiten. Zoals gewoonlijk de eerste maal veel te veel willen doen – altijd maar denken dat het vanaf de eerste maal dekkend moet zijn - met als gevolg een groot aantal schitterende “zakkers”. Komaan dus, schuren en herbeginnen. Nu was ik geleerd en spoot dan ook met mate hoewel altijd de neiging blijft bestaan om meerdere malen over eenzelfde plaats te gaan. De verf droogt echter zo snel dat reeds na enkele uren een volgende laag kan gespoten worden. Op die manier kunnen op één dag (of weekend) gemakkelijk 4 à 5 lagen gespoten worden zodat een goede dekking verkregen wordt.
Nu moest al de tape verwijderd worden wat voor mij een nieuwe ervaring was. Vroeger verfde ik met de borstel en dan verwijderde ik de tape zodra de verf iets droog was (gewoonlijk een heel geklieder). Wachten tot de verf volledig droog is alvorens de tape te verwijderen heeft soms tot gevolg dat de verf “breekt” en afschilfert. Nu echter was de verf reeds volledig droog, maar toch had ik geen problemen. Dit waarschijnlijk omdat de spuitlaag veel dunner is dan een geborstelde laag.
De volgende laag, de blauwe (Humbrol nr.15), ga ik met de air-brush spuiten omdat ik die verf nog in huis heb. Het is reeds lang geleden dat ik de air-brush gebruikt heb. Mijn eerste ervaringen waren niet zo denderend maar dat zal wel eerder aan mijzelf dan aan het materiaal liggen. Om te oefenen ga ik toch eerst op wat rommel proberen en wel met acryl verf dan kan alles met water gereinigd worden, dat is minder erg dan white spirit e.d. Dat wordt iets voor een komend rustig weekend.
En dit is het voorlopige einde van de werkzaamheden. Het verdere verloop komt later (vraag is hoeveel later?) wel aan bod en het resultaat zal dan ook wel eens in Hofstade op het water te zien zijn.
Rom.