Gecontesteerd Koloniaal Erfgoed

Stage KMMA - Davy Verbeke (Ugent) 2010-2011

Inhoudstafel

Mémoire est, en tout cas, devenu le terme le plus englobant: une catégorie métahistorique, théologique parfois. On a prétendu faire mémoire de tout et, dans le duel entre la mémoire et l'histoire, on a rapidement donné l'avantage à la première, portée par ce personnage, devenu central dans notre espace public : le témoin. On s'est interrogé sur l'oubli, on a fait valoir et invoqué le « devoir de mémoire » et commencé, parfois aussi, à stigmatiser des abus de la mémoire ou du patrimoine.

Hartog, François. Régimes d'historicité. Présentisme et expériences du temps. Paris: Seuill, 2003, p. 17.

Inleiding

België vormt een specifieke situatie wanneer men kijkt naar de aanwezigheid van het koloniale verleden in de publieke ruimte vandaag; de Congolese cultuur is niet prominent aanwezig in België, Belgische Congolezen ervaren geen speciale positie ten opzichte van andere gemigreerde bevolkingsgroepen en bekleden relatief weinig 'hoge' publieke posities. Voor vele Belgen vandaag is er geen directe voeling met het Belgisch koloniaal verleden in de publieke ruimte en lijkt het alsof het belang van het Belgische koloniale verleden langzaamaan verdwijnt. Niettemin blijft dit verleden actueel. De polemieken die o.a. op televisie en in kranten naar aanleiding van de vijftigjarige onafhankelijkheid van Belgisch Congo ontstonden, illustreren het feit dat er nog discussie bestaat over het koloniale onderwerp. Er bestaat evenzeer een groeiende tendens, in lijn met de erfgoedhype, om het koloniaal verleden te herinneren en het 'geheugen' aan dat verleden in stand te houden.

Ondanks het feit dat er voor de meeste Belgen geen directe band met het Belgisch-Congolees verleden bestaat, is het wel in de vorm van materiële relicten in de publieke ruimte aanwezig. De instelling waarvoor ik dit onderzoek verricht, het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, is zelf een instituut dat een koloniale oorsprong heeft en als dusdanig een koloniaal monument is. Het museum heeft zich echter in het laatste decennium inhoudelijk en vormelijk geheroriënteerd om een wetenschappelijk instituut te zijn dat zijn plaats heeft in de huidige postkoloniale wereld. Het heeft zichzelf als het ware gerenoveerd en 'gedekoloniseerd'. In de institutionele studie die ik voor mijn stage heb gedaan, heb ik deze inhoudelijke renovatie dan ook deels bestudeerd. Net als koloniale standbeelden stond het KMMA in zijn koloniale vorm vaak ter discussie. Betekenisvol is dat een van de meest aangevoerde kritieken op het museum de aanwezigheid van bepaalde 'choquerende' standbeelden betreft.

Het is vooral het ontbreken van een echte consensus rond dergelijke standbeelden die opvalt: deze onenigheid is het onderwerp van mijn werk, zij het dan wel in de publieke ruimte en niet in het Tervuren museum. Deze aard van polemiek heeft zowel internationale als nationale voorlopers. Buiten België werden standbeelden van Hitler, Lenin en Stalin neergehaald. In 2011 werd in Frankrijk de laatste straatnaam die verwees naar maarschalk Pétain verwijderd, met als opzet 'het verleden te vergeten.' In Leuven weerklonk de eis om het maarschalk Fochplein van naam te veranderen (Foch was Frans bevelhebber in WO I bij de slag van de Marne). Het standbeeld van Jacques de Dixmude op de markt van Diksmuide werd al vanaf de jaren '30 door Vlaamsgezinden gecontesteerd omdat hij als Waals officier weigerde Vlaams te spreken. Vandaag is het echter ook door zijn rol in Congo dat hij ter discussie staat. In Brussel kwam er in 1977 in de kathedraal van Sint-Michiel en Sint-Goedele een bronzen plaat die waarschuwde voor de anti-semitische glasramen, schilderijen en wandtapijten die getuigden van de hostieschennis begaan in de 14de eeuw door een aantal joden die hiervoor ter dood veroordeeld werden. De Joodse gemeenschap wilde die relicten volledig zien verdwijnen, maar er werd dus geopteerd om ze te behouden voor hun kunsthistorische waarde en om de herinneringen aan dit verleden als een waarschuwing voor de toekomst te beschouwen. Deze elementen weerklinken vandaag ook bij koloniaal erfgoed. De specifieke koloniale erfgoedsituatie in België is het waard van naderbij onderzocht te worden. Recente projecten hieromtrent is uiteraard deze site waarin dit onderzoek kadert, of het project voor duurzaam Belgisch-Congolees koloniaal erfgoed.

Koloniale standbeelden zijn al aanwezig in de publieke ruimte vanaf de eerste helft van de 20e eeuw, maar die aanwezigheid wordt pas relatief recent in vraag gesteld. Aanleidingen hiervoor waren boeken zoals 'Rood Rubber' van Daniël Vangroenweghe uit 1985, 'King Leopold's Ghost' van Adam Hochschild uit 1998 of reportages zoals 'White King, Red Rubber, Black Death' uit 2003 (Nederlandstalige herwerking) van Peter Bate. Protesten tegen koloniaal erfgoed kwamen echt goed op gang vanaf eind jaren '90 en ontstonden vooral na de publicatie van deze informatiebronnen. Er wordt door activisten vaak geopperd dat de historiografie bepaalde elementen van het Leopoldiaans verleden ontmaskerd heeft en dat deze kennis nu ook omgezet moet worden in concrete daden. Hoewel vele elementen van het rubberregime in Congo al voor de jaren '90 geweten waren, is het vooral de verspreiding van die kennis via boeken en televisie die de huidige aandacht voor koloniaal erfgoed opwekt. Maar tegelijk kan de vraag gesteld worden in hoeverre deze maatschappelijke evolutie ook deel uitmaakt van een bredere beweging die omschreven kan worden als de 'wil om te herinneren' en om de nabijheid van het verleden te bewerkstelligen. De media en (vooral populaire) publicaties spelen alzo een grote rol in de historische perceptie voor een groot deel van de bevolking. Blijkbaar vormden deze de aanleiding om de perceptie van koloniaal erfgoed bij te stellen. Die betekenisverschuiving moet dus eerst en vooral gekaderd worden in een bredere verschuiving van de 'correcte' visie op de geschiedenis én het belang van een correcte voorstelling ervan. Een ander fenomeen dat in de academische wereld getheoretiseerd werd zijn de lieux de mémoire van Pierre Nora voor Franse 'herinneringsplaatsen.' Hierbij wordt het groeiende belang van 'herinnering' in de publieke ruimte en de directe nabijheid van de geschiedenis via publiek erfgoed geanalyseerd.

Zo zwol grosweg vanaf vooral de jaren '90 de kritiek op het regime van Leopold II in zijn Kongo Vrijstaat meer en meer aan. Koloniale actoren werden figuurlijk van hun voetstuk gehaald. De vraag is of dit ook in werkelijkheid moet gebeuren. Er volgde in België meer en meer kritiek op de monumentale aanwezigheid van die Belgische vorst en zijn koloniale periode. Deze monumenten waren dus niet louter plaatsen van herinnering, maar werden plaatsen van conflicterende herinnering. Bepaalde stemmen willen de verheerlijkende aanwezigheid van Leopold II doen verdwijnen of toch tenminste enige duiding geven. Ik focus op standbeelden, herdenkingsplaten en straatnamen die getuigen van die Leopoldiaanse periode. Ik dien op te merken dat mijn focus ligt op relicten die een vrij directe band met het koloniaal verleden representeren omdat het ook vooral deze monumenten zijn die verzet oproepen. Zo valt het monument voor Auguste Beernaert in Oostende die Leopold II staatssteun verleende voor zijn koloniaal project of het standbeeld van Albert Thys in Brussel die rubberproducent in Kongo Vrijstaat was, buiten dit bestek. Ook komen Rwanda of Burundi, mandaatgebieden van België sinds 1923, niet aan bod door mijn focus op Leopoldiaans Congo. Aan de hand van verschillende casussen uit Vlaanderen, Brussel en Wallonië geef ik een thematische bespreking van de kwestie, waarbij enkele gevallen dieper uitgespit zijn en bijgevolg ruimer aan bod komen. De spelers bij deze polemieken zijn activisten, gemeentebesturen die eerder weigerachtig en liever het status quo bewaren, ex-kolonialen die zich laten gelden, opiniemakers in kranten, vorsers, erfgoedcellen, het onderwijs tot zelfs de rechtbank toe. Ik laat aan de hand van o.a. interviews activisten aan het woord die gekant zijn tegen de huidige vorm waarin koloniale relicten aanwezig zijn in de publieke ruimte. Hun acties zijn vooraleerst een statement in het heden. Ze contesteren het verleden en willen op een of andere manier de herinnering aan dat verleden veranderen of corrigeren. Net zoals de BBC reportage 'White King, Red Rubber, Black Death' het beeld gebruikt van Leopold II die als het ware postuum terechtstaat, zo kan de contestatie van koloniaal 'Leopoldiaans' erfgoed op eenzelfde manier geïnterpreteerd worden. Welke agenda's staan de activisten voor? Welke politieke en ideologische standpunten liggen ten grondslag aan hun acties? Wat willen ze concreet bereiken? Ik peil echter ook naar de visie van tegenstanders van een aanpassing of 'correctie' van koloniale monumenten. Met hun argumenten en reacties op contestatieacties tracht ik een volledig beeld van de problematiek te geven en tegelijkertijd ook op de complexiteit van de zaak te wijzen. Ik focus vooral op de situatie in Vlaanderen, maar ook Brussel en Wallonië komen deels aan bod. Wat hierbij opvalt is dat het enkel in Franstalig België – en dus niet in Vlaanderen- is dat Congolezen deelnemen aan contestaties. Als Wouter Van Bellingen, de eerste zwarte schepen in Vlaanderen, zijn stem in de discussie laat horen wordt er voornamelijk gefocust op het feit dat hij "zwart" is. Een teken aan de wand dat Vlaanderen een specifieke casus in België is ten opzichte van Brussel en Wallonië. Door mijn focus op Vlaanderen heb ik bijgevolg geen Congolezen geïnterviewd over 'hun' herinnering aan de koloniale periode omdat hun stem slechts weinig te horen is in de 'Belgische' discussies. Het lijkt er op dat de Congolese mening tot op vandaag slechts op de achtergrond gehoord wordt, of mag worden. De Congolees lijkt slechts een passieve producent van 'ruis' gebleven te zijn.

Het meest bekende
voorbeeld van gecontesteerd
koloniaal erfgoed is Dank der
Congolezen
op de dijk in
Oostende.
© Michael Meeuwis

Aan de hand van de contestatie van bepaalde monumenten die blijk geven van een concrete materiële aanwezigheid van het koloniaal verleden, geef ik dus ook ruimte aan het meer algemeen immaterieel denken over dat verleden in dit werk. De discussies rond koloniaal erfgoed zijn immers onlosmakelijk verbonden met meer algemene discussies over het koloniaal verleden. Mijn methode bestaat er in om de visie van actoren pro- en contra te bepalen - in relatie met de ideologische visies op het koloniaal verleden - en zo een eventuele fundering te vinden voor een doordacht samengaan van heden en verleden. Hoe men standbeelden benadert, heeft belang omdat deze relicten voor vele Belgen vandaag vaak het enige concrete zijn dat ze zich nog kunnen voorstellen bij het kolonialisme. Koloniale standbeelden bieden de mogelijkheid om correct geïnterpreteerd en historisch gekaderd te worden en bieden dus aan het ruime publiek tegelijkertijd de mogelijkheid om het koloniale verleden te plaatsen. Met dit werk bied ik een studie die een dieper inzicht geeft in de verschillende factoren, belangen, motieven en bezwaren (zowel pro- als contra) die spelen bij de contestatie van koloniaal erfgoed. Er bestaat vandaag geen consensus over of uniforme benadering van koloniaal erfgoed, en het blijft de vraag of de verschillende standpunten te verenigen zijn. Ik hoop echter basis te bieden voor een nuchtere omgang met het koloniaal erfgoed dat het verleden correct kan plaatsen met het oog op de publieke historische functie die standbeelden vervullen. De hoofdvraag lijkt te zijn in welke mate koloniaal erfgoed bestaansrecht heeft en op welke manier het kan en mag aanwezig zijn in de publieke ruimte. En misschien zijn de acties rond deze koloniale standbeelden wel één van de weinige vormen waardoor een discussie rond het Belgisch koloniaal verleden op gang wordt getrokken, aangezien zo'n debat met breed opzet vooral uitblinkt door haar quasi afwezigheid in België. De besluiten van de Lumumbacommissie uit 2002 illustreren vooral de ambiguïteit van de omgang met het (post)koloniaal verleden in België.

Ik gebruik een tiental casussen waarvan ik enkele uitgebreider heb uitgespit. Ik beoog dus zeker geen volledig overzicht van alle koloniale relicten, maar tracht een thematische analyse te voorzien. Dit werk gaat over koloniaal erfgoed in België, maar de problematiek duikt ook vandaag in Congo zelf op. Een replica van het Brusselse Troonplein ruiterstandbeeld van Leopold II werd in 1928 in Leopoldstad opgetrokken, verdween na 1960, maar werd in 2005 opnieuw geïnstalleerd. Na 24u was het echter alweer gesloopt. Het is illustratief voor het feit dat men in Congo, net als in België, ook geen blijf weet met hoe nu precies om te gaan met koloniaal erfgoed.

In het kader van het groeiende belang van erfgoed en de 'historische herinnering' die hieraan vasthangt, analyseert dit werk – met een focus op de specifieke Vlaamse situatie- welke tegenstrijdige opinies en herinneringen een consensus voorlopig in de weg staan. Centraal hierbij staat de toename van de identificatie – of toegeschreven identificatie - met het verleden en met wat het verleden symboliseert. Neutraal kan deze polemiek immers nooit zijn aangezien er altijd wel een 'persoonlijke' component vervat zit in de motivaties pro- en contra, hetzij als ideologische stellinginname of als vereenzelviging met bepaalde symbolen.

[Naar boven]

1. Koloniaal Erfgoed

1.1. Voorbeelden Koloniaal erfgoed

1.1.1. Blankenberge: Lippens en De Bruyne (Zeedijk)

1.1.2. Oostende: Ruiterstandbeeld Leopold II (Zeedijk)

1.1.3. Diksmuide: Jacques de Dixmude (Markt) (+ Generaal Baron Jacquesstraat)

1.1.4. Gent : Borstbeeld Leopold II + Congoster (Zuidpark)

1.1.5. Ekeren: Standbeeld Leopold II (Markt)

1.1.6. Sint-Niklaas: Leopold II-laan (dichtbij Stationsplein)

1.1.7. Halle: Leopold II monument (Stadspark)

1.1.8. Brussel: Ruiterstandbeeld Leopold II (Troonplein)

1.1.9. Brussel: Kongomonument (Jubelpark/Parc du Cinquantenaire)

1.1.10. Luik: Gedenkplaat gestorven Luikenaars (stadhuis) => Mémoires Coloniales (°2008)

[Naar boven]

1.2. Ontstaan, functie en financiering

Standbeelden kenden een boom op het einde van de 19de en 1ste helft van de 20e eeuw. De meeste standbeelden of gedenktekens aan de kolonisatie tijdens de Kongo Vrijstaat periode werden echter pas na de dood van Leopold II in 1908 opgericht als promotie voor de vorst, het koloniale project én voor de Belgische natie.

De Belgische publieke opinie was relatief gedesinteresseerd in de kolonie Congo, zowel tijdens de periode van Kongo Vrijstaat (1885-1908) als tijdens de periode van Belgisch Congo (1908-1960). Het Afrikaanse dorp in Tervuren dat tijdens de Wereldtentoonstelling van 1897 werd opgezet, is een voorbeeld van Leopold II om de aandacht op zijn koloniale project te vestigen. Volgens Lucas Catherine, auteur van het boek 'Wandelen naar Kongo. Langs koloniaal erfgoed in Brussel en België' uit 2006, zijn standbeelden sinds 1830 een manier om een bepaalde Belgische ideologie en identiteit door te drukken. 'Met de kolonisatie vervulden koloniale standbeelden dezelfde functie. Dit valt te vergelijken met de glasramen uit de Gotiek die in de tijd van de vele ongeletterden de visualisering van de Bijbel waren.' Deze visualisering kwam tot uiting in de figuur van Leopold II als symbool voor België in de tijd van het symbolisme in de beeldhouwkunst. In deze optiek ligt de nadruk niet enkel op individuele verheerlijking, maar fungeren koloniale standbeelden ook als meer algemene, nationale propaganda. Zowel de Belgische Staat, de koningen zelf, Belgische bedrijven die actief waren in Congo of koloniale verenigingen hadden dus duidelijke belangen bij het oprichten van diverse koloniale standbeelden en stonden in voor de financiering ervan. Het ruiterstandbeeld op het Troonplein werd bijvoorbeeld gefinancierd via nationale inschrijving waarbij iedere Belg voor minimum 1 frank kon bijdragen. Koning Albert I schonk 100.000 Belgische frank en het brons werd gratis geschonken door de Union Minière du Haut-Katanga.

[Naar boven]

2. Contestatie Koloniaal Erfgoed

2.1. Contestaties als eye-openers

De acties waarmee de standbeelden, gedenktekens of straatnamen worden gecontesteerd getuigen vaak van een ludieke of artistieke inslag. Ze brengen het koloniale verleden op een eigenzinnige manier onder de aandacht waarbij het ludieke de ernst openbaart. Het koloniaal verleden is door bepaalde standbeelden soms op een heel directe manier aanwezig in het dagelijkse leven van vele mensen, maar dit belet niet dat men er vaak met gesloten ogen aan voorbij wandelt. Activisten vragen op een heel directe manier, door o.a. het gebruik van sterke beeldtaal, aandacht voor het koloniaal verleden om de mensen als het ware te dwingen de ogen echt te openen.

Wellicht de meest bekende historie in België is die van Oostende en de afgehakte Congolese hand van het standbeeld 'Dank der Congolezen' door de anonieme groepering De Stoete Ostendenoare. Er werd zelfs een gerechtelijke procedure opgestart tegen onbekenden en Piet Wittevrongel en journalist Douglas De Coninck werden even in verdenking gesteld. (http://cas1.elis.ugent.be/avrug/erfgoed/sikitiko/sikitiko.htm#media)

De afgehakte hand, met het aangebrachte opschrift 'Sikitiko' (betekent 'spijt betuigen' in het Swahili), werd later aan de Congolese gemeenschap in de Brusselse Matongewijk geschonken als symbolische geste. Raf De Boever, die als activist actief is, schreef een factionroman genaamd 'De hand van de Koning' waarin die afgehakte hand een rol speelt. Er bestaat ook een filmpje rond de hele historie van de hand van Pieter De Vos (http://www.youtube.com/watch?v=AYqwg1aR3nA).

Het belangrijkste lijkt te zijn dat er debat op gang werd gebracht. In Diksmuide staken actievoerders 3000 overlijdensberichten van Jacques in de brievenbus van de inwoners. Ook kreeg de baron in het verleden al blauwe verf over zich, werd er een rubberen 'autobandkrans' bij zijn standbeeld neergelegd, een wc-bril rond zijn hand gehangen en werd zijn standbeeld bij openbaar opbod verkocht in een fictieve veiling. In Ekeren werd het standbeeld van Leopold II op de Markt in 2006 voorzien van een ketting rond de nek om te wijzen op de slavernij die onder het Leopold regime heerste. De tweede aanpassing aan het standbeeld van Leopold II was het tijdelijk aanbrengen van de zin (in het Lingala) 'Po na bana ya Congo' op de sokkel wat zoveel betekent als verontschuldigingen van de vorst zijn voor zijn daden in Congo. Schrijver Théophile de Giraud beklom in 2008 het ruiterstandbeeld van Leopold II op het Troonplein en beschilderde het met rode verf als symbool voor het bloed van de Congolezen (http://www.youtube.com/watch?v=QgVCIlCc2vM).

Theaterprojecten zoals 'Heldendood voor de beschaving' van Chokri Ben Chikha of het Collectif Manifestement (Youtube-link), getuigen ook van de artistieke inslag op de problematiek.

[Naar boven]

2.2. O tempora, o mores: een gedateerd verleden

Het ruiterstandbeeld van Leopold II nabij het
koninklijk paleis in Brussel werd met rode verf
overgoten door kunstenaar de Giraud.

Verschillende oplossingen voor een 'aanpassing' van koloniaal erfgoed worden voorgesteld door de activisten. Centraal hierbij is de stelling dat de standbeelden met hun aanwezigheid of in hun huidige vorm, een anachronisme zijn. De geformuleerde oplossingen willen dit op verschillende manieren aanpakken. De oplossingen verschillen in populariteit en variëren ook qua doordachtheid van omgang met koloniaal erfgoed. Gemeenschappelijk is dat ze de 'schandvlekken' willen 'oppoetsen'. Er ontstaat vaak een ware symbolenstrijd bij de polemieken en het is dus niet enkel de aanwezigheid van het relict an sich dat van tel is. Zo vindt er in het Zuidpark in Gent een jazzgebeuren plaats en werd het als een tikkeltje bizar bestempeld dat een feest van de in oorsprong 'black music' net in een park plaatsvindt waar Leopold II staat.

2.2.1. "Weg met dat schroot"

Bij standbeelden komt de eis om het te laten verdwijnen relatief weinig voor en het zijn vooral straatnamen (die onder de noemer immaterieel erfgoed geklasseerd worden) die dit lot zouden moeten ondergaan in vele gemeentes in België. Bij straatnamen wordt er veelal voorgesteld de straatnaam te veranderen naar een ander, meer 'eerbaar' persoon. Wouter van Bellingen stelde voor om de Leopold II-laan te hernoemen naar Maurits Coppieters, politicus en voormalig voorzitter van 11.11.11. en voorstander van een Marshallplan voor Afrika. Of men met het vervangen van Leopoldiaanse verwijzingen door niet-koloniale historische figuren het koloniale verleden doet verdwijnen uit de publieke ruimte, laat ik voorlopig nog in het midden. De rechtszaak die de vzw Internationaal Recht Zonder Grenzen in 2008 aanspande tegen de Stad Gent had ditzelfde doel: 'Dat er in Halle in 2009 een bordje gekomen is en dat de afgekapte hand in Oostende niet hersteld werd is echter wel een stap in de goede richting voor ons,' vertelt Dirk Hoebeek, bestuurder en advocaat van IRZOG. Op internet zijn er verschillende facebookgroepen te vinden die dezelfde eis naar voren schuiven en het bewijs leveren dat de problematiek wel degelijk discussie oproept via verschillende media. (Algemeen , Ekeren)

2.2.2. "Naar het museum ermee"

In de raadszaal van het stadhuis in Sint-Niklaas hangt een portret
van Leopold II. Volgens Wouter Van Bellingen vormt die aanwezigheid,
in tegenstelling tot een straatnaam, echter geen probleem.

Voor Piet Wittevrongel van Dwars hoeft het standbeeld van Lippens en De Bruyne zeker niet te verdwijnen, maar hij wijst wel op het feit dat standbeelden van wel Hitler weggehaald zijn en nu in een museum te bekijken zijn, mét duiding. In Tienen zag Robert Van Der Stappen (Vlaams Belang) het standbeeld van Leopold II in de Raadszaal van het stadhuis liever verdwijnen naar het plaatselijk museum. Daar diende het volgens hem geduid te worden met een infobord. Bij deze voorstellen is het belangrijk dat de relicten verdwijnen uit de publieke ruimte, maar het lijkt vooral prioritair dat er uitleg bij de standbeelden komt.

2.2.3. "Plaats er een tekstbordje bij"

Het standbeeld van Lippens en De Bruyne op de zeedijk in
Blankenberge.
© Michael Meeuwis

Een derde optie bestaat in het aanbrengen van een plakkaat met historische info om kritiek op het kolonialisme een plaats te geven bij het standbeeld. In Halle kwam er in 2009 een 'verwittigingsplakkaat' bij het beeld van Leopold II. Hierop is met een kritische noot te lezen dat er heel wat Congolezen gestorven zijn onder het economische bewind van Leopold II in Congo. Halle is met dit bordje quasi een unicum in België. In Blankenberge komt er in 2011 wellicht duidingsbordje bij het standbeeld van Lippens en De Bruyne. De richtlijn van de burgemeester was dat 'het een verduidelijkende tekst moet zijn, door historici opgesteld en niet beledigend.' Als ik de leden van AMI-FP-VRIEND van West-Vlaanderen met dit feit confronteer, vallen ze uit de lucht. Anne Haeck, voorzitter van de sectie West-Vlaanderen, had weet van een vorig voorstel dat voor hen echt beledigend was. 'Als het niet beledigend is voor ons, dan hebben wij geen bezwaar tegen een bordje.' Het besluit om zo'n infopaneel te plaatsen is nog niet vaak genomen, omwille van de vele belangen en gevoeligheden die telkens meespelen bij zulke lokale debatten. Een beschermd monument mag wettelijk gezien alvast aangepast worden met een bordje. Catherine begrijpt niet dat je geen commentaar zou mogen geven met info die we nu weten. 'Mensen moeten nu eenmaal 'geholpen' worden als ze aan een monument passeren. Je hebt in Brussel zo veel verklarende plakkaatjes. Waarom zou dat voor Congo niet mogen?'

2.2.4. "Richt een tegenmonument op"

Een vierde veelvoorkomend fenomeen bestaat erin dat men een straat of gebouw een Congolese betekenis wil geven. De meest populaire figuur is telkens Patrice Lumumba. Deze wordt dus gezien als het ultieme symbool voor de Congolezen in de strijd tegen de kolonisatie – verbonden met zijn martelaarsrol. De herdenkingen en acties die Mémoires Coloniales organiseert op 17 januari 2011 (de vijftigste verjaardag van zijn dood) getuigen van diezelfde symboliek. In Blankenberge stelde raadslid Catrysse ook de Roger Casementstraat (van het kritische Casement rapport tegen Leopold II) voor. In 2010 bood Enca Caen zijn kunstwerk 'Sikitiko- Ketens der Hebzucht' dat een afgehakte Congolese hand voorstelde aan de stad Blankenberge aan als monumentale tegenhanger van het standbeeld van Lippens en De Bruyne. Volgens de kunstenaar kon het kunstwerk symbool staan voor de door de Belgen geroofde rijkdom en verantwoordelijkheid voor verminkte en vermoorde Congolezen. De schenking werd echter geweigerd. Ook Mémoires Coloniales pleit voor het oprichten van nieuwe monumenten voor bijvoorbeeld de Congolese soldaten die gestorven zijn tijdens de Wereldoorlogen.

2.2.5. "Eigen je het standbeeld zelf toe"

In Blankenberge gaan stemmen op om de homobeweging uit te nodigen bij de jaarlijkse herdenking en hen een krans te laten neerleggen het standbeeld van Lippens en De Bruyne. 'Het standbeeld is immers nu al de verzamelplaats voor Blankenbergse homo's,' aldus Wittevrongel. In Oostende werd na 2004 de afgekapte hand van het standbeeld niet hersteld. Toenmalig schepen van Ontwikkelingssamenwerking Tom Germonpré (sp.a) besloot dat het beeld in zijn nieuwe toestand 'beter de historische werkelijkheid' weerspiegelde. Het standbeeld mocht dus gewoon blijven staan, zonder nadere verklaring, maar het bevatte nu wel een ironische iconografische aanpassing en werd op die manier opgeëist door anti-koloniale stemmen.

Standbeelden zijn echter niet louter een symbolische aangelegenheid. Zo werd in 2005 het ruiterstandbeeld van Leopold II op het Troonplein te Brussel deels gerenoveerd voor 17.283 euro netto in afwachting van de volledige renovatie die zou volgen. De wet gebiedt dat beschermde monumenten moeten worden onderhouden.

In die zin heeft het bekladden van een beschermd monument het gevolg dat het standbeeld geld kost aan de gemeenschap om het opnieuw 'op te blinken'. Iets wat toch niet echt de bedoeling van de activisten kan zijn.

[Naar boven]

2.3. Motieven

2.3.1. De rechten van de geschiedenis

Aan de basis van de contestatie van koloniaal erfgoed liggen verschillende motieven. Vaak duikt de abstracte zin 'de geschiedenis heeft haar rechten' op. Dit impliceert zoals al eerder vermeld de veronderstelling dat het verleden vandaag 'correct' ontdekt is en onderworpen kan worden aan een absoluut moreel oordeel in het heden. Zo kan er gesproken worden in termen van 'historische misdaden' in plaats van 'historische feiten.' Dit veronderstelt tegelijk ook een bepaalde 'zin' van de geschiedenis waarbij afwijkingen van hedendaagse denkbeelden in het verleden aberraties vormen in de loop van de geschiedenis en bijgevolg veroordeeld moeten worden door de huidige kennis. Dit hangt samen met een soort transhistorisch humanisme waarbij de onderdrukten een stem krijgen zodat ze uit de krochten van het verleden zich kunnen laten horen. Vergelijkingen van Leopold II met andere historische figuren die afkeuring ondervinden bij het gros van de bevolking, moeten het argument staven dat de wantoestanden van Leopold II uit het verleden diezelfde afkeer moeten oproepen. Het contesteren van koloniaal erfgoed kan ook deels als een 'persoonlijk' statement gezien worden, aangezien een persoon er zijn ideologische mening kan door uiten.

Het tegengestelde argument dat je die periode ook 'in zijn historische context' moet zien, staat qua visie op de geschiedenis lijnrecht tegenover de stelling dat 'de geschiedenis haar rechten heeft.' Dit kan getypeerd worden als historisme waarbij het verleden enkel beschreven moet worden en hierbij afstand moet genomen worden van iedere vorm van oordeel. Historische ontwikkelingen zijn het gevolg van de onpersoonlijke loop van de geschiedenis en de deelnemers ervan zijn slechts 'producten' van hun tijd.

2.3.1.1. Historische 'correctheid'
Marjan Dewulf tracht op een zo objectief mogelijke
manier licht te werpen op het reilen en zeilen van
Baron Jacques in Congo.

'De waarheid heeft zijn rechten', stelt Wittevrongel. 'Lippens en de Bruyne voorstellen alsof ze 'gestorven zijn in de strijd tegen de slavernij' is geschiedvervalsing. Ze hielpen de zwarten niet uit humanitaire overwegingen, maar uit eigenbelang. Ze konden het namelijk niet meer hebben dat de beste werkers voor de rubberplantages aan de slavenhandelaars verdwenen en ze wilden de ivoorhandel controleren.' Hij wijst er verder op dat de geschiedenis vaak geschreven wordt door de overwinnaars. Dit getuigt van dat verlangen om de geschiedenis from below ook aan bod te laten komen. Dewulf tracht, hoewel ze op vraag van de actievoerders een biografie van Jacques schreef op basis van archiefmateriaal, zo veel mogelijk als onafhankelijk onderzoekster duidelijkheid te brengen over de figuur van Jules Jacques. Ze wil de daden van Jacques zeker niet vergoelijken of verdedigen, maar in de biografie van Jules Jacques waar ze momenteel nog aan werkt, tracht ze het beeld te geven van de figuur Jacques in een historische periode, zonder voortdurend de nadruk te willen leggen op zijn misdaden. 'Ik zie hem eerder als deel van een systeem. Jacques heeft bloed aan zijn handen, maar je mag het verhaal niet uit zijn context halen. Zo schets ik ook de koloniale ervaring in een economisch koloniaal systeem en hoe hij hierdoor verandert.' Uit haar onderzoek blijkt namelijk dat zijn macht- en geweldmisbruik ook deels voortkomt door externe druk van zijn oversten en dat dit zijn oorspronkelijke afkeer van het gebruik van geweld volledig tenietdeed. Om maar te zeggen dat een historisch narratief nooit volledig zwart-wit kan zijn en dat praten in extreme termen van absoluut kwaad zonder historische contextualisering evenveel zoden aan de dijk zet als de absolute verheerlijking van de figuur van Leopold II en zijn koloniale trawanten.

2.3.1.2. Universeel en vooral tijdloos humanitarisme

Interessant is dat het humanitaire argument van vele activisten zich richt op symbolen uit het verleden. De daden van Leopold II worden postuum veroordeeld en de relicten hiervan geïnstrumentaliseerd als symbolische getuigenissen van menselijk onrecht. Retrospectieve ethische evaluaties van periodes uit het verleden zijn altijd complex. Het argument om 'iets in zijn context te beschouwen' opent echter de weg voor het relativeren van daden in relatie met de historische periode waarin ze plaatsvonden. Roger Catrysse betoogde in de gemeenteraad van Blankenberge dat het inderdaad moeilijk is om een moreel oordeel uit te spreken over gebeurtenissen uit een ver verleden. 'Wij mogen de middeleeuwen of de negentiende eeuw niet beoordelen met de morele normen van de eenentwintigste eeuw. De conventie van Génève of de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens bestonden toen nog niet. De doodstraf werd in brede kring als legitiem beschouwd. Sociale ongelijkheid en koloniale structuren werden als vanzelfsprekend aanvaard. Maar in de discussie over Leopold II stelt dat probleem zicht niet: zelfs naar de normen van zijn eigen tijd werd hij als een moordenaar, een beul, een uitbuiter en een roofbaron beschouwd.' Danny Decaestecker van Linx+, een organisatie die staat voor 'internationale sociale solidariteit en pacifisme', nam aanstoot aan het feit dat Generaal Jacques beloond wordt voor zijn misdaden tegen de menselijkheid met een standbeeld. Hij besluit met: 'Dit lijkt mij geen kwestie meer van politieke cultuur maar gewoon van medemenselijkheid. Waar komt dat eeuwige zwijgen toch vandaan?'

In de doelstellingen van de vzw Internationaal Recht Zonder Grenzen lezen we dan weer dat 'het ondersteunen, handhaven en verder ontwikkelen van de internationale rechtsorde, zoals opgebouwd door het huidige en toekomstige internationaal recht' centraal staat in de lijn van Hugo Grotius, de grondlegger van het internationaal recht. De aanklacht tegen de Stad Gent betoogde dat onder het Leopoldiaans regime 'ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht (moord, uitroeiing, slavernij, deportatie, gevangenneming, martelen) zich op grote schaal in Congo hebben voorgedaan' en dat 'het oprichten of in stand houden van een verheerlijkend standbeeld van Leopold II in de huidige tijd van globalisering en toegenomen gevoeligheid voor internationale misdrijven niet langer past.' Het collectief Mémoires Coloniales legt ook de nadruk op het feit dat de misdaden uit het verleden impliceren dat daar in het heden een compensatie ten opzichte van Congo moet tegenover staan. (http://www.lalibre.be/)

2.3.1.3. Leopold II, de Belgische Hitler, Stalin, Mao…?
Borstbeeld van Leopold II in het Gentse Zuidpark.

De vergelijking met historische figuren zoals Hitler, Stalin of Pol Pot of terminologie zoals Goelag, Holocaust of genocide duikt vaak op. De monumentale aanwezigheid van deze figuren werd in hun respectieve landen al met de grond gelijk gemaakt. Pauline Imbach, lid van Mémoires Coloniales, merkt op dat je Leopold II niet gewoon kunt gelijk stellen met een figuur als Hitler. Ze stelt wel vast dat het 'historische werk' bij die laatste wel al gebeurd is en doelt hiermee op het feit dat het naziregime al ruim bestudeerd én bekritiseerd is. In tegenstelling tot de situatie rond Leopold II. Dirk Hoebeek van IRZOG merkt op dat hun vzw de term Holocaust niet gebruikt omdat er, ondanks de misdaden tegen de menselijkheid, juridisch niet gesproken kan worden over een genocide. Wel werd in de rechtszaak tegen de Stad Gent gewezen op het feit dat standbeelden van Hitler of Himmler in huidig Duitsland geen bestaansrecht meer hebben en dat na 1989 standbeelden van communistische figuren ook verdwenen zijn. Hiernaast wijst IRZOG op de 'Wet op het Historisch Geheugen' in Spanje uit 2007 die de verwijdering van fascistische symbolen of beelden van generaal Franco en zijn medewerkers uit de openbare ruimte gebiedt. Hierbij dient de overheidssteun voor symbolen of publieke monumenten van die periode ingetrokken te worden. Er dient wel opgemerkt dat deze wet van toepassing is om te zorgen voor het morele herstel van de slachtoffers en het herstel van hun persoonlijke en familiale herinneringen. De Congo Vrijstaat periode heeft vandaag geen rechtstreekse betrokkenen of slachtoffers meer.

2.3.2. De instrumentalisering van de geschiedenis

Naast het contesteren van een bepaalde aanwezigheid en voorstelling van de geschiedenis 'om de geschiedenis' zelf, kunnen koloniale symbolen ook een nevengeschikt doel dienen. Dat contestaties niet enkel 'contestaties om het verleden op zich' zijn, wordt duidelijk indien de Belgische nationale symboliek van koloniale standbeelden in acht wordt genomen. Het betwisten van een symbool van België kan namelijk indirect de functie vervullen om kritiek te leveren op de Belgische constellatie. Zo speelt naast de bekommernis om een verleden, ook het heden een rol bij bepaalde contestaties. Ditzelfde fenomeen vinden we ook bij de vaststelling dat de contestatie van koloniaal erfgoed op lokaal niveau hevige debatten kan uitlokken tussen verschillende politieke partijen en dus ook als een middel tot profilering kan worden gebruikt. Het koloniale verleden mag dan wel in de meeste gevallen werkelijk het onderwerp van de debatten zijn, er mag echter niet uit het oog verloren worden dat het koloniale verleden meerdere betekenislagen heeft en dat een bepaalde betekenis ook aangesproken kan worden als instrument van een ander debat.

2.3.2.1. Anti-royalisme en/of Vlaamsgezindheid
Enkele leden van de West-Vlaamse sectie van AMI-FP-VRIEND, een
oud-koloniale vereniging. Op de voorgrond Dirk Claeys,
en v.l.n.r. Albert De Soete, Myriam Ruysschaert, Gonda Kyndt,
Anne Haeck, Achille Verhée en Etienne Fiorine.

Het kunstwerk 'Sikitiko – Ketens der Hebzucht' was volgens de maker Enca Caen ook een aanklacht tegen de monarchie en de Belgische staat. 'We zijn 2010. Hoog tijd voor België om haar historische verantwoordelijkheid te erkennen met excuses,' verwoordt hij het. Zowel in Blankenberge als in Gent horen we uit de mond van tegenstanders van koloniale gedenktekens dat het betreurenswaardig is dat 'de meeste politici, ook de socialisten, niet eens de moeite nemen om het debat […] aan te gaan' of ' … wetende dat het indertijd de Belgische Werkliedenpartij was die als eerste politiek de koning heeft aangevallen en nu doet de sp.a alsof hun neus bloedt.' Ook De Stoete Ostendenoare kan bezwaarlijk koningsgezind genoemd worden. Hun groepering is naar eigen zeggen anarchistisch geïnspireerd en hun naam verwijst naar een links maandblad uit de jaren '70 en '80. Een lid van Stoeten Ostendenaere liet weten dat ze 'een lange neus willen maken naar de met het vorstenhuis meeheulende autoriteiten.' Claeys van AMI-FP-VRIEND verdenkt vele activisten er ook van er een anti-Belgische agenda op na te houden. 'Wij zijn unitaristen en heel Belgisch gezind. Er zijn er echter heel veel in België die het anders zien en die België om zeep willen helpen.'

2.3.2.2. Lokale politiek

De neerslagen van de debatten omtrent gecontesteerd koloniaal erfgoed in de gemeenteraad getuigen (in hoeverre mijn indruk correct is) van een nogal bitse sfeer. Voor Diksmuide bevestigt Dewulf dat naast de acties op zich, het politieke element op lokaal vlak ook zeker meespeelt. 'De hele problematiek was deels ook een politieke zaak van sp.a versus CD&V geworden.' De Culturele Centrale van Diksmuide is een organisatie verbonden met de socialistische vakbond ABVV. Actievoerder Danny Decaestecker van Linx+ zetelde als sp.a gemeenteraadslid. Jan Colaert (gemeenteraadslid voor Hela, profileert zich als N-VA) vroeg in 2009 aan Vlaams minister Bourgeois ook om het standbeeld van de markt weg te halen, maar dit omwille van de anti-Vlaamse rol in Wereldoorlog I. Decaestecker was misnoegd omdat Colaert 'zijn' dossier nu plots wegkaapte en dit op basis deed van info die hij van een Linx+ medewerker had verkregen. Colaert verdedigde zich door te stellen dat hij ook al tien jaar met het dossier bezig was en dat er in het verleden ook al sprake was om het beeld aan te passen. Dat het partijpolitieke op die manier soms het inhoudelijke debat opslorpt, is duidelijk. 'Maar dit neemt niet weg dat bepaalde activisten het onderwerp wel degelijk volledig los van het partijpolitieke zien,' vult Dewulf aan.

[Naar boven]

2.4. Tegenkanting tegen aanpassingen

2.4.1. Ongeldige claims

Het verzet om toe te geven aan claims tegen koloniaal erfgoed in zijn huidige vorm en dus de wil om een status quo te behouden zijn vooraleerst gebaseerd op heel directe argumenten. Vaak spelen de moeilijkheden en de moeite die een aanpassing vergen een voldoende drempel om eisen af te wijzen. Ook het vrij steriele argument dat er juridisch niets aan de hand is, komt voor. Meer inhoudelijke weerleggingen van de claims halen het selectieve karakter aan van de gerichtheid op het koloniale verleden en stellen dat dan ieder verleden praktisch in vraag kan worden gesteld. Maar de gelaagdheid van een standbeeld van Leopold II wordt ook gebruikt. De inhoudelijke betekenissen die verschillende gedenktekens in zich dragen moeten dus in beschouwing genomen worden bij de basis waarop men het kan betwisten. De historische figuur wordt als het ware ontdubbeld en de nadruk wordt gelegd op andere verwezenlijkingen waarvoor hij wél geroemd kan worden.

2.4.1.1. Praktische bezwaren

Bij het veranderen van straatnaamborden zijn het vooral de kosten en praktische drempels van een naamsverandering zoals adreswijzigingen, naamkaartjes, reclamedrukwerken, straatnaamborden zelf, stadsplannen, toeristische info etc. die worden opgegooid. Van Bellingen vindt het argument dat een straatnaamswijziging geld kost alvast heel subjectief. 'In 2005 is een deel van de Leopold II-laan Stationsplein geworden en toen hebben ze voor veertig zaken en het station wel de naamsverandering doorgevoerd en heeft er niemand naar gepiept.' Daniel Termont, sp.a burgemeester van Gent, weigert om een verklarend bordje bij het standbeeld van Leopold II in het Zuidpark te plaatsen. 'Ik heb over deze kwestie historici geraadpleegd en die vertelden me dat het onmogelijk is om een beknopte tekst te schrijven waarover consensus kan komen.' Meningsverschillen tussen verschillende belangengroepen lijken hier dus het struikelblok. Hiernaast wijst Termont, ook nog op de mogelijke kettingreactie dat het aanbrengen van een bordje kan veroorzaken. Marc Reynebau argumenteert zo dat als men eist dat koloniale straatnamen verdwijnen, men ook diegene die Leopold III of Cyriel Verschaeve vermelden of het standbeeld van Godfried van Bouillon, elk met hun controversiële verledens, moeten weren.

2.4.1.2. Juridische bezwaren

Bij het proces dat de vzw IRZOG aangespannen heeft tegen de Stad Gent is het volgens Dirk Hoebeek van IRZOG interessant dat de rechtbank in het vonnis uitgesproken in mei 2010 impliciet vaststelt dat de misdaden van Leopold II In Congo niet worden betwist. Het vonnis vermeldt echter o.a. dat de Stad Gent 'wetende en niet betwistende dat vandaag bekend is van welke ernstige misdaden diens regime in Congo wordt beticht' handelt zoals iedere 'normaal redelijk zorgvuldige overheid' zou doen in deze situatie. De Stad Gent kan in principe initiatieven nemen om een bordje aan te brengen, maar niet handelen is evenwel niet strafbaar of juridisch onwettig. De Stad Gent is met andere woorden vrij om te handelen hoe ze wil in deze zaak. IRZOG gaat wel in beroep tegen de uitspraak.

2.4.1.3. Inhoudelijke bezwaren
Lucas Catherine is auteur van Wandelen naar Kongo.
Het boekje is een wandelgids met uitleg over koloniaal
erfgoed in België.

IRZOG koos om een rechtszaak aan te spannen tegen de Stad Gent omdat het standbeeld daar het 'meest provocatief' was. 'Het standbeeld in Gent verwijst niet naar Leopold II als vorst van België, als weldoener van de vissers in Oostende, als ontwikkelaar van het kusttoerisme of als aanlegger van de stad Brussel.' Er werd hier dus wel degelijk een inhoudelijk gemotiveerde keuze voor het specifieke beeldhouwwerk gemaakt. In Blankenberge werd er gewezen op de specifieke verwezenlijkingen van de vorst voor Blankenberge zoals de realisatie van de 1ste Pier en Patrick Janssens, sp.a. burgemeester van Antwerpen haalde aan dat 'niet iedereen dezelfde link legt tussen het standbeeld in Ekeren en de wandaden van Leopold II.' Van Bellingen maakt zelf ook het onderscheid tussen een straatnaambord dat volgens hem een persoonlijk eerbetoon is en een portret van Leopold II in de trouwzaal waar hij louter in zijn functie van vorst van België afgebeeld wordt. Een argument dat ook wordt aangevoerd is dat Leopold II ook vele goede zaken voor België heeft verricht en dat hij in die hoedanigheid ook kan worden geprezen. Standbeelden van Leopold II die geen directe band hebben met het kolonialisme hebben, moeten in deze optiek onveranderd blijven. De advocaat van de Stad Gent leverde kritiek op de logica van IRZOG om het borstbeeld van Leopold II neer te halen op de volgende manier: 'Ook het justitiepaleis werd onder auspiciën van Leopold II gebouwd. Misschien kan [IRZOG] zich hierna inzetten voor de afbraak ervan.'Hiermee wijst de advocaat van de Stad Gent in zijn optiek op de onredelijkheid van de eis om zaken die verbonden kunnen worden aan een controversieel verleden te betwisten. Claeys benadrukt dat België veel van zijn rijkdom aan Leopold II en de kolonialen te danken heeft. Hij ontkent niet dat er eigenbelang met de koloniale onderneming gemoeid was en wijst er op dat iedereen in België hiervan profiteert, dus ook de mensen die vandaag kritiek hebben op het kolonialisme. Catherine beseft dat hij als Brusselaar inderdaad dagelijks profiteert van de vele infrastructuurwerken en verwezenlijkingen die er gekomen zijn op initiatief van Leopold II en gefinancierd zijn met Congogeld. Op de vraag of dit dan betekent dat je je hiervoor schuldig kunt voelen, antwoordt hij gedecideerd: 'Schuldig voel ik me niet, maar ik wil me er wel bewust van zijn.' Het beeld van Jacques de Dixmude is eveneens een apart geval omdat het zowel naar zijn Congolese als Wereldoorlog I periode verwijst. De sociaal-culturele waarde van het beeld dat bij de bescherming ervan in 2009 meespeelde, verwijst naar dat trauma van WO I. Het wordt alvast duidelijk dat vele standbeelden meerdere betekenissen herbergen en soms helemaal niet verwijzen naar het koloniale verleden en dat de complexiteit hierdoor vergroot wordt.

2.4.2. Persoonlijke en nationale identificatie (cfr. infra 4.4.)

Een tweede categorie van weerstand tegen claims om koloniaal erfgoed aan te passen, zijn onder te brengen onder de al voorheen genoemde identificatiemechanismen. Zowel op persoonlijk (oud-kolonialen) als politiek niveau (het behoud van België) worden aanvallen op koloniale relicten gezien als aanvallen op de symboliek waar ze voor staan en de personen die onderdeel zijn geweest van 'de kolonisatie.' Opvallend hierbij is dat de Leopoldiaanse periode tot 1908 en de Belgische periode tot 1960 als één overkoepelend geheel worden samengevoegd. Koloniale standbeelden dragen voor de Belgische natie nog altijd een symbolische betekenis. De achteruitgang van het belang van de natiestaat in de huidige geglobaliseerde wereld gaat gepaard met een verminderend belang van nationale symboliek of van het nationale geheugen. Kritiek op het kolonialisme wordt vaak opgevat als kritiek op België als natie. De moeilijkheden die een vorser ondervindt om toegang te krijgen tot bepaalde koloniale archieven (hetzij door niet-toegankelijkheid, hetzij door slechte inventarisatie) houdt hier wellicht ook verband mee. Bij deze twee soorten identificatie prevaleren (op gelijkaardige wijze zoals anti-royalistische motivaties een rol spelen bij contestaties) de gevoeligheden in het heden en de communautaire toekomst van België op wat er in het verleden gebeurd is.

2.4.3. Oud-koloniale bezwaren

AMI-FP-VRIEND huldigt in heel België verschillende koloniale standbeelden. De sectie West-Vlaanderen eert ieder jaar 'de heldendood van Lippens en De Bruyne en herdenkt de burgerlijke en militaire slachtoffers van operaties in Afrika.' Claeys legt uit dat er een grote symboliek gepaard gaat bij dergelijke herdenkingsplechtigheden. Zo symboliseert het beeld kameraadschap, solidariteit en offers brengen, waarden die voor Claeys langzaam verloren gaan. 'Wij zorgen ervoor dat ons verleden niet verloren gaat. Er zijn veel mensen die naar ginder gegaan zijn uit idealisme. Als enkele personen een bordje bij zo'n standbeeld willen plaatsen, moeten ze iedereen, dus ook ons, aan het woord laten.' Albert De Soete vindt dat er ook altijd te veel nadruk wordt gelegd op Leopold II. Op de vraag of er volgens hen duiding mag gegeven worden over het Leopoldiaans regime klinkt het: 'Waarom moet dat daar opstaan? Waarom zetten ze er dan ook niet bij dat wij gedurende zoveel jaren hospitalen en scholen gebouwd hebben? Ze belichten altijd sterk de periode van Leopold II, maar over de rest zwijgen ze.' Volgens hem is het best als je standbeelden gewoon laat zoals ze zijn. Mirjam Ruysschaert vindt dat een bordje met een korte uitleg ook geen soelaas zal bieden. 'Mensen zullen met twee zinnen toch ook niet weten waarover het gaat?' Een apart geval is de familie (kinderen en kleinkinderen) van Jacques de Dixmude zelf. In een brief uit 1991 aan de burgemeester van Diksmuide pleitten zij voor het integrale behoud van het standbeeld. Om hun positie te ondersteunen wijzen ze er op dat baron Jules Jacques de Dixmude een 'nationale held is en onbetwist als dusdanig erkend wordt' en hij 'geen enkele onmenselijke actie, wreedheid of misdrijf' ten opzichte van Congolezen begaan heeft. Het huidig onderzoek naar Jacques weerlegt deze claims alvast. Imbach van Mémoires Coloniales stelt dat ze bij overleg met oud-kolonialen altijd benadrukt dat ze geen oordeel velt over hun persoonlijke daden in de kolonie, maar kritiek levert op een overkoepelend onderdrukkend systeem: de kolonisatie.

2.4.4. Royalistische of Belgicistische bezwaren

Piet Wittevrongel
ijvert in Blankenberge
voor een correctie
van het standbeeld
van Lippens
en De Bruyne
© Blankenberge-online.

Bij de herwerkte uitzending van de 'White King, Red Rubber, Black Death' in België , waarin vooral Vlaamse historici aan het woord kwamen, reageerden bepaalde Franstalige kranten afkeurend op de inhoud omdat 'het hier om een Vlaamse samenzwering zou gaan om via Leopold II het koningshuis te treffen en zo het unitaire België te ondergraven,' aldus Catrysse. Het is duidelijk dat kritiek op de Leopoldiaanse periode een gevoelige snaar kan raken omdat het soms gezien wordt als het kritiek op het koningshuis tout court. Het aan de gemeente Blankenberge aangeboden kunstwerk 'Sikitiko – Ketens der Hebzucht' werd geweigerd door de gemeenteraad op basis van de anti-royalistische motivatie van de kunstenaar aangezien 'een gemeentebestuur nog altijd deel uitmaakt van de Belgische Staat en Monarchie.' Een brief van de Koninklijke Belgische Unie voor de Overzeese Landen uit 2005 en geadresseerd aan de voorzitter van de Cercle Royal des Anciens Officiers des Campagnes d'Afrique pleitte om de hand van 'Dank der Congolezen' te herstellen. Het idee werd hierin geopperd om de koning zelf in te schakelen 'omdat het nu eenmaal gaat over zijn achter-grootoom'. Ook AMI-FP-VRIEND profileert zichzelf als een tweetalige, vaderlandslievende en Belgisch gezinde vereniging. In Diksmuide veroordeelden 'De Vrienden van het O.L. Vrouwehoekje te Oud-Stuivekenskerke' de acties van Linx+ met de stelling dat 'de symboliek van ons vaderland, België en zijn bevolking', aangevallen werd en beledigend zijn voor iedereen die gehecht is aan 'alles wat de vaderlandsliefde verzinnebeeldt.' Met een gelijkaardige argumentatie wijst de 'Groepering Vaderlandsche Verenigingen van Diksmuide' op het feit dat op die manier symbolen bespot, beschimpt, beledigd en belasterd worden.

'Het koningshuis heeft altijd gezien dat Congo een soort symbolisch Belgisch 'cement' was die de Belgische identiteit mee vorm gaf,' vertelt Catherine. Maar er speelt ook een financieel aspect mee omdat het Koningshuis veel rijkdom van Leopold II via de Koninklijke Schenking gekregen heeft en ook de grootste aandeelhouder van de Société Générale en de Union Minière du Haut-Katanga was. 'Men vreest dus dat als je de rijkdom van Leopold II in vraag stelt, je ook het vergaarde fortuin van het koningshuis zult betrekken.' Zelf verklaart Catherine een belgicist te zijn, maar dat betekent voor hem niet dat je niet aan Congo mag raken. Het motto 'raak aan Congo en je raakt aan België' gaat voor hem niet op.

[Naar boven]

3. Functies van koloniale relicten

Om koloniale gedenktekens volledig weg te halen, lijkt er niet heel veel animo te bestaan en dit komt omdat koloniaal erfgoed uiteenlopende functies vervult. Een eerste, vaak over het hoofd geziene, waarde is het artistieke element. Standbeelden zijn naast voorstellingen van het verleden immers ook 'kunstobjecten'. Ten tweede duiken vergelijkingen met een hedendaagse Beeldenstorm op omdat er geargumenteerd kan worden dat een monument uit het verleden een vorm van 'erfgoed' is die het verleden in zich draagt en bijgevolg er een getuigenis van aflegt. Hierop verder bouwend wordt het censureren van de publieke ruimte na datum als contraproductief bestempeld omdat het verleden, eens uit het zicht, bijgevolg uit de hoofden dreigt te verdwijnen. Het –al dan niet fraaie- verleden 'moet' herinnerd worden en monumentale getuigenissen van het verleden kunnen hiertoe de aanzet zijn omdat ze als publieke inktvlekken getuigen van een zwarte bladzijde uit de geschiedenis. De vraag of hier een 'schuld' voor het verleden mee gepaard gaat duikt ook op. Tenslotte bezitten historische relicten ook een zekere pedagogische functie. De eis om een verklarend paneel bij een standbeeld te zetten impliceert dat er een onbenut potentieel verscholen zit achter de vele 'nietszeggende' standbeelden die België rijk is.

3.1. Monumenten als getuigen van het verleden

3.1.1. Monumenten als kunstobjecten?

Het Kongomonument in het Brusselse Jubelpark
beeldt het 'beschavingswerk' van de Belgen in Congo heel expliciet uit.

Bij de aankoop van het standbeeld van Jacques de Dixmude in 1930 werd het 'kunstkarakter' benadrukt. Bij de bescherming van het beeld in 2009 primeerde de artistieke en sociaal-culturele waarde boven de historische betekenis. Bart Castelein meldde in zijn bezwaarschrift tegen de bescherming aan de burgemeester en schepenen dat 'de wandaden ontegensprekelijk zwaarder doorwegen dan de artistieke waarde van een standbeeld uit de duizend.' Het tiental bezwaarschriften tegen de bescherming werd niet in rekening gebracht omdat de bescherming niet gebaseerd was op de historische waarde van het beeld. Dewulf maakte naar aanleiding hiervan als kunsthistorica een analyse van het beeld. Voor haar is het beeld artistiek van beperkte waarde omdat het niet bijster origineel is als één van de vele werken in een lange reeks van dezelfde type standbeelden. 'Het was alsof ze zich, door het historische aspect bij het beschermingsvoorstel weg te laten, hadden ingedekt tegen eventuele latere kritiek. Het is op zijn minst vreemd te noemen dat de historische betekenis van een koloniaal en officier in Wereldoorlog I van geen tel zou zijn.' Catheline Metdepenninghen is erfgoedconsulente Bouwkundig Erfgoed van het agentschap Ruimte en Erfgoed van de provincie West-Vlaanderendat betrokken was bij de bescherming. 'De beoordeling van het beeld gebeurde binnen de categorie "oorlogsgedenktekens" en dus is originaliteit gewoonweg geen criterium. Een herkenbare en traditionele vormentaal zijn hier kwaliteiten en geen tekorten.'

Imbach van Mémoires Coloniales beseft dat standbeelden ook een artistieke waarde kunnen hebben maar besluit op poëtische wijze: 'De schoonheid van een standbeeld hangt af van ieders persoonlijke appreciatie, maar de geschiedenis ervan belangt ons allemaal aan.'

3.1.2. Monumenten als materiële relicten van het verleden?

Bij het 'herwerken' van standbeelden of gedenktekens stellen sommige personen zich vragen. Wim Chielens stelde in een column: 'Monumenten, standbeelden en straatnamen scheppen ook een tijdsbeeld van de periode waarin ze zijn ontstaan.' De cultuurraad in Blankenberge haalde hetzelfde aan: 'De meeste straatnamen verwijzen nu eenmaal naar feiten of figuren uit het verleden en deze personen of figuren blijven hoe dan ook deel uitmaken van onze geschiedenis, zij het in positieve of negatieve zin.' Ook voor Dewulf lijkt het niet aangewezen het standbeeld van Jacques te verwijderen omdat dit gewoon het wissen van slechte zaken uit het verleden zou zijn. Reynebeau schreef in zijn reactie op Van Bellingen: 'Achter dat verlangen om straatnaamborden - en eventueel, bij uitbreiding, monumenten en gedenktekens - aan te passen aan hedendaagse gevoeligheden en overtuigingen, schuilt een verlangen om het verleden op een politiek-correcte manier te herschrijven. Dat getuigt van een voorbeeldig revisionisme, het voortdurend heroverwegen van wat er in het verleden is gebeurd. Maar niet alleen is het moeilijk om daarbij consequent te blijven, altijd dreigt ook het gevaar van goedkoop en opportunistisch moralisme, zoals nu in Sint-Niklaas het geval lijkt te zijn."

3.1.3. Monumenten als 'devoirs de mémoire'

Catherine merkt in dat verband op dat Belgen soms Congo trachten te vergeten, maar dat dit nooit de bedoeling mag zijn. Deze redenering maakt dus een opening naar wat we een 'devoir de mémoire' kunnen noemen. In de verdediging van de Stad Gent in de rechtszaak aangespannen door IRZOG wordt er geargumenteerd dat de Stad Gent verwerpt wat Leopold II heeft gedaan, maar dat zijn borstbeeld bijdraagt aan het besef van en de herinnering aan het Belgisch koloniaal verleden. Uit de mond van Diksmuids schepen Bossu klonk dat 'Jacques - hoe erg het leed van de Vlamingen in de Eerste Wereldoorlog en dat van de Congolezen in het kwadraat ook is - geschiedenis, deel is van ons aller soortenlast.' Dirk Pieters, burgemeester van Halle, waar sinds 2009 een kritisch infobord op het monument voor Leopold II prijkt, wijst eveneens op het feit dat koloniale monumenten een periode van het verleden materialiseren. 'We wilden het standbeeld niet wegmoffelen omdat het mensen kan blijven herinneren, als een historische getuigenis, van wat eens mogelijk was in een bepaalde tijdsgeest, aan het feit dat er ooit een maatschappelijk draagvlak bestond om Congo te kolonialiseren.' Bij de weerlegging van de bezwaarschriften tegen de bescherming van het standbeeld van Jacques de Dixmude, komt naar voor dat de aanwezigheid van het standbeeld juist een aanleiding kan vormen tot herdenking van dit soort van misdaden in het verleden, 'met het oog op stichting van het heden, mits duiding.'

Schepen Wouter Van Bellingen uit Sint-Niklaas
veroorzaakte onbedoeld een kleine
polemiek door te stellen dat de
Leopold II-laan in zijn stad best kon verdwijnen.

Deze plicht om te herinneren verglijdt vaak ongewild naar een cultiveren van een zeker schuldbesef t.o.v. Congo voor het verleden. Eva Brems schreef in een column in De Standaard uit 2008: '… Wat voelen we voor Congo? Schuld alvast niet. Het gruwelregime van Leopold II en de uitbuiting door de Belgische kolonisator worden nauwelijks onder ogen gezien. We negeren dat verleden en laten Leopold te paard ongegeneerd heersen op de dijk van Oostende en het Brusselse Troonplein. Enkel een occasionele vandalenstreek door activisten toont de wereld dat een historisch geweten bij de Belgen niet totaal afwezig is.' In dit stuk komt de parodox aan bod dat Brems erkent dat Belgen geen schuldgevoel hebben over wat er in het verleden gebeurd is, maar ze spreekt ook over een Belgisch 'historisch geweten.' Indien een historisch geweten opgevat wordt als een plicht tot erkennen en gedenken van het verleden, kan de vraag gesteld worden in hoeverre de Belg vandaag een nationale binding met het Belgisch verleden kan of moet cultiveren.

3.1.4. Monumenten als les geschiedenis

Van Bellingen hield met zijn partij SOS-2012 een actie die pleitte om de straatnamen van een nieuwe wijk in Sint-Niklaas te noemen naar mensen die in verband gebracht worden met mensenrechten of die de Nobelprijs voor de Vrede gewonnen hebben. In de officiële persmededeling klonk het: 'Een straatnaam springt dagelijks in het oog. Een naam met betekenis, vergezeld van een korte duiding onder die naam, kan […] daarom van grote educatieve waarde zijn. […] Met deze nieuwe namen brengen we onze inwoners waardevolle, nieuwe of soms vergeten kennis bij.' Voor hem is het daarom belangrijk dat er bij een straatnaam tenminste een kleine duiding staat zoals bijvoorbeeld 'Koning van België en eigenaar van een kolonie in Congo' omdat je zo tenminste de aanleiding creëert om uit te leggen wie die figuur was. Decaestecker vindt dan weer dat 'wie Diksmuide bezoekt, ook wil weten wie daar op het marktplein staat en vooral wat de betekenis is van de negerslaaf die 'geboeid' opkijkt naar Jacques.' Walter Zinzen prees de wandelgids Wandelen naar Kongo van Catherine omdat hij bij een wandeling met zijn kleinkinderen ze nu tenminste kon vertellen 'dat deze 'helden' weinig meer waren dan vulgaire moordenaars.' En ook: 'dankzij de wandelingen van Lucas Catherine weten we nu heel precies dat alvast het koloniale verleden nog springlevend is. Ik wens u allen veel lees- en wandelplezier. En een goed geheugen.' Zinzen ziet koloniale monumenten dus als middelen om het koloniale verleden te herinneren en hamert op het cruciale belang van een kritische omgang met koloniale monumenten. Voor burgemeester Termont is de kracht van een standbeeld dan weer dat het een 'vorm van communicatie' is die geen verdere uitleg behoeft. 'Wie meer wil weten, heeft andere communicatie- of opinievormende middelen ter beschikking: boeken, getuigenissen, films, musea, enz...' Op deze manier kunnen relicten van het verleden in de publieke ruimte als het ware een aanzet geven voor kinderen of volwassenen om zich vragen te stellen over dat specifieke verleden en aan 'zelfstudie' te doen. Imbach merkt wel op dat standbeelden nog altijd de 'officiële' voorstelling van de geschiedenis zijn en daardoor in vraag moeten gesteld worden.

[Naar boven]<

3.2. Monumenten als dragers van herinneringen en geschiedenissen

Er dient een onderscheid gemaakt tussen 'herinnering' en 'geschiedenis'. Indien we de gebeurtenissen uit het verleden als een conflict tussen verschillende 'herinneringen' (van de oud-koloniaal, van de gekoloniseerde, van de Arabier, …) en dus versies van de geschiedenis beschouwen kan er nooit één historische waarheid of versie zijn. Zo kan er ten eerste aandacht gevraagd worden voor de herinnering van de slachtoffers.

Dit kan echter ook leiden tot de relativerende positie dat iedere herinnering bestaansrecht heeft en dat er nu eenmaal een pluraal geheugen aan het verleden bestaat. Schrijver Antoine Tshitungu Kongolo attendeert echter op het feit dat een herinnering altijd mag bestaan, maar dat dit slechts een voorstelling is. Volgens hem is enkel historisch onderzoek gewettigd om de geschiedenis te bepalen.

De verschillende herinneringen poneren verschillende waarheidsclaims. Koloniaal erfgoed vertegenwoordigt ook een herinnering en een 'waarheid' en dus kan de contestatie van koloniaal erfgoed en de weerstand ertegen gezien worden als een strijd tussen verschillende herinneringen. Volgens Imbach ontstaat inderdaad een strijd over welke geschiedenis mag overheersen en dat ook de academische geschiedschrijving niet één versie verschaft. Termont haalde in dit verband aan dat het bij een relatief summiere tekst op een infopaneel onbegonnen werk is om een tekst op te stellen waarover men tot eensgezindheid zou kunnen komen binnen de diverse geschiedkundige en politieke meningen rond de figuur van Leopold II.' Dat er in 2010 geen consensus bestaat over een 'objectieve' versie van de feiten heeft dus vaak met al eerder aangehaalde externe factoren en actoren te maken.

3.2.1. Monumenten en de Congolese herinnering

Een treffend voorbeeld is te vinden in de casus Diksmuide. De Congolees Roger Mabiala Zimuanga Romazi richtte een schrijven aan de burgemeester van Diksmuide omdat generaal Jacques in de overgeleverde geschiedenis van zijn geboortedorp, het huidige Kingambula in Bas-Congo, nog bekend stond als een wreed koloniaal omdat hij op één nacht tijd alle mannen van het dorp uitgemoord zou hebben omdat ze weigerden om dragers voor het goederentransport te leveren. Hoewel het uiteindelijk een naamsverwarring en dus een ander koloniaal figuur betrof, bewijst dit voorbeeld treffend hoe door mondelinge overlevering er nog altijd een Congolees collectief geheugen aan de Leopoldiaanse periode bestaat. (Het boek Naming Colonialism van Likaka Osumaka uit 2009 is in dit verband verhelderende lectuur).

Het voorval illustreert hoe koloniale standbeelden ook transnationaal van betekenis zijn in de herinnering aan de koloniale periode. In lijn hiervan pleit Claeys van AMI-FP-VRIEND er voor om een standbeeld op te richten voor de zwarte soldaten van de Force Publique die gestorven zijn in de Wereldoorlogen. Ook Mémoires Coloniales organiseert acties om de bijdrage van de Congolezen in de Wereldoorlogen te herdenken. . Die Congolese publieke herinnering is ook te vinden bij de herdenking door Congolezen van de Congolezen die bij de Wereldtentoonstelling in 1897 gestorven zijn ten gevolge van ziekte en die begraven liggen in Tervuren.

Het standbeeld
van Jacques de Dixmude
wordt door verschillende
personen in Diksmuide
in vraag gesteld.
© Wendy Morris

In de neerslag van de Rondetafels van de Interculturaliteit werd er gewezen op het belang van de geschiedenis en een collectieve herinnering voor de identiteit van elke mens. We lezen: 'Wie het gevoel heeft dat zijn geschiedenis niet erkend wordt […] kan dat aanvoelen alsof hijzelf genegeerd wordt.' Meer concreet wordt dit als volgt geformuleerd: 'België moet zelf ook in het reine komen met zijn geschiedenis. Als er in België een grote Congolese gemeenschap leeft, dan heeft dat rechtstreeks te maken met de kolonisatie van dat land, eerst door Leopold II en later door de Belgische Staat. De ideologie waarmee die gepaard ging, de vormen van geweld die werden gebruikt, het zich toe-eigenen van de rijkdommen en het feit dat dit deel van de Belgische geschiedenis nauwelijks nog bespreekbaar wordt gemaakt, voelt voor veel mensen uit de Sub-Sahariaanse migrantengemeenschappen pijnlijk aan.'

Concreet beveelt het verslagcomité aan om de erkenning van het koloniaal verleden zichtbaar te maken in de naamgeving van plekken en openbare ruimtes: 'Namen die mensen uit de voormalige kolonies kwetsen, moeten worden verwijderd.' Hoogst opmerkelijk is dat enkele bewoners van de Leopold II-laan in Sint-Niklaas wijzen op het feit dat ze begrijpen dat 'Van Bellingen een persoonlijke binding met het onderwerp heeft, en dat dit voor Belgen natuurlijk anders ligt.' Dit impliceert immers dat er een verschil zou bestaan voor een 'zwarte' Belg en een 'gewone' Belg in de betekenis die standbeelden uitdragen en dat het protest ertegen hierbij 'persoonlijk' gemotiveerd zou zijn.

In de verdediging van de stad Gent tegen de aanklacht van IRZOG, lezen we dat 'de huidige (beweerde) overgevoeligheid binnen sommige groeperingen/stromingen van Congolezen in België […] voor alles wat herinnerd (sic) aan deze donkere periode uit de Belgische geschiedenis, in de eerste plaats een uiting van onvolwassenheid is en een niet-constructief vasthouden aan gebeurtenissen uit een ver verleden. […] De verdedigde gevoeligheden zijn dus gevoeligheden die zouden bestaan bij personen van vierde of vijfde generatie sinds de dood van Leopold II en van wie de betovergrootvaders eventueel zijn blootgesteld aan de gruwelijkheden die zich in dat koloniaal Congo hebben afgespeeld.' Hiermee plaatst de stad Gent zich diametraal tegenover de tijdloze verdediging van humanitaire waarden en veronderstelt ze dat protest tegen koloniaal erfgoed persoonlijk gemotiveerd zou moeten zijn. In deze context is het betekenisvol op te merken dat in het merendeel van de onderzochte Vlaamse casussen (behalve Van Bellingen in Sint-Niklaas) de activisten niet 'gekleurd' zijn. Het Belgisch koloniaal verleden is een gedeelde – Belgisch-Congolese – werkelijkheid en gezamenlijk verleden, maar het lijkt er ironisch genoeg op dat de Belgische ex-kolonisator het woord neemt in naam van de Congolezen en de gekoloniseerde als passief personage in zijn eigen geschiedenis blijft figureren.

Maar dat de Congolese herinnering aan het kolonialisme niet enkel kommer en kwel is komt ook naar voor door de andere interpretatie die Congolezen aan bepaalde aspecten van het kolonialisme geven. Catherine vertelt dat een Congolees de Belgen kan zien als de reden waarom hij Christen is en in een maatpak rondloopt. Leopold II zelf wordt vaak ook gezien als vastlegger van de grenzen van de Congolese natie en hij wordt vandaag bij grensgeschillen gebruikt als de vader van het vaderland. Het koloniale discours werd dus deels ingeschreven in een hedendaags nationalistisch discours. 'Ik vind het belangrijk dat die verschillende visies samengebracht worden', vindt Catherine. 'Met Mémoires Coloniales proberen we dat ook echt te bewerkstelligen.'

3.2.2. Monumenten en de koloniale herinnering

Claeys van AMI-FP-VRIEND is opgegroeid in Congo en erkent dat er veel nostalgie naar Congo is bij oud-kolonialen en dat velen heimwee hebben naar hun koloniale periode. Hij hamert er vooral op dat een bordje bij een standbeeld instructief moet zijn, en niet beledigend. 'Wij houden onze plechtigheid bij het standbeeld van Lippens en De Bruyne omdat die twee mensen een offer gebracht hebben. Je hebt dat monument niet enkel voor hetgeen zij gedaan hebben, maar vooral voor de symboliek die daar inzit. Voor al die jonge mensen die daar naartoe gegaan zijn.' Hij bekent ook dat hij niet volledig objectief kan zijn in debatten over het kolonialisme omdat hij er sterk bij betrokken is. 'Dat is gevoelsmatig geladen. Ik heb een vaderland; België, en een moederland; Congo.' Wittevrongel had in 2010 als compromis in gedachten om op het bordje voor Lippens en De Bruyne de ware toedracht van hun 'heldendood' te schrijven, maar er ook bij te vermelden dat kolonialen ook goede dingen hebben gedaan in Congo. Er kwam wel degelijk een werkgroep, maar die had volgens Wittevrongel weinig waarde omdat ze bevolkt werd door een conservatief historicus en oud-kolonialen. 'Voor oud-kolonialen speelt er nog altijd een sterke nostalgie naar hun Congolese periode.' Catherine benadrukt dat Mémoires Coloniales niet enkel ijvert voor het erkennen van de mistoestanden van het kolonialisme. 'We hebben bijvoorbeeld al overleg gehad met ex-kolonialen, aangezien we wel degelijk erkennen dat ook kolonialen hun mémoire aan de koloniale periode hebben.' Het gaat er dus over om die herinnering ook bestaansrecht te verlenen, maar je moet volgens Catherine wel altijd kritisch blijven.

3.2.3. Monumenten en de Arabische herinnering

De inscriptie op dit monument in het Jubelpark werd al
verschillende keren aangepast.
© Lucas Catherine

Dat monumenten als provocerende elementen kunnen fungeren in de hedendaagse multiculturele samenleving illustreert ook het Congomonument in het Brusselse Jubelpark. Nabij het beeld bevindt zich immers sinds 1973 de Grote moskee van Brussel en stoorden vele Arabische moslims zich over de aanwezigheid van de vermelding van de Arabische slavendrijvers. In 1988 bekwam de Arabische Liga het officiële wegbeitelen van de Arabische verwijzingen. Belgisch gezinden en koloniale verenigingen waren hier op hun beurt niet mee opgezet en in 1992 werden de twee Arabische verwijzingen opnieuw gerestaureerd op verzoek van de Cercle Royal des anciens Officiers des Campagnes d'Afrique. Naast de koloniale en de Congolese herinnering, mengde zich hier dus een derde speler in het debat over koloniaal erfgoed. Hedendaagse Arabieren vonden de negatieve voorstelling van de Arabische slavenhandelaars in de koloniale propagandamonumenten op hun beurt beledigend. Er bestaat naast een anti-koloniale stroming, een oud-koloniale en Congolese herinnering ook nog een vierde speler die zijn belangen en 'herinnering' in de publieke ruimte verdedigt. De symbolische strijd over de correcte herinnering van de geschiedenis in de publieke ruimte wordt zo nog een tikkeltje complexer.

[Naar boven]

4. Belgie : 'Heart of Darkness ?'

4.1. Onwetend België ?

Wat opvalt is dat vele activisten vermelden dat hun ogen opengingen na het lezen van boeken zoals dat van Daniël Vangroenweghes Rood Rubber (1985) of na het zien van de BBC reportage 'White King, Red Rubber, Black Death' (2003) dat later op canvas werd uitgezonden. Wat bij vele activisten terugkomt is dat het lezen van deze boeken of het zien van dergelijke reportages voor hen de eye-openers waren. Dit wijst op twee zaken: er is mogelijk een tekort aan kennis over het koloniaal verleden bij de modale Belg én dit ligt aan de oorzaak van de mogelijke foute interpretatie van koloniale monumenten. Het is echter vooral noemenswaardig dat de feiten over Kongo Vrijstaat al tijdens het bewind van Leopold II in min of meerdere mate geweten waren. Dit wijst op zijn beurt op het belang van de verspreiding van bepaalde feiten via het onderwijs en via de media. De zwarte piet wordt vaak naar het middelbaar onderwijs doorgeschoven omdat het niet altijd de nodige kritische geest aan de dag zou leggen. En moet het onderwijs ook aandacht hebben voor de groeiende 'herinneringstrend'? Bij de vijftigjarige onafhankelijkheid van Congo toonden de media alvast (televisie, kranten, …) veel belangstelling. Maar evenzeer werd er in Vlaanderen quasi geen aandacht besteed aan de 100ste verjaardag van de overname van Congo door België. Het valt op dat boeken en televisie een belangrijke rol spelen bij het verschaffen van historische kennis en historische bewustmaking. Of bepaalde media de oorzaak of eerder het gevolg zijn van de al voordien vermelde 'hang naar nabijheid van het verleden' laat ik onbeantwoord. Maar al het voorgaande bevestigt vooral dat het (koloniale) verleden en vooral de herinnering aan dat verleden een alsmaar groeiende rol speelt. (zie bijvoorbeeld Publiek Geheim op Canvas).

4.1.1. Boeken en reportages als wake-up call ?

Raadslid Catrysse betoogde in een gemeenteraad van Blankenberge: 'Toen ik voor het eerst de documentaire van Histories uitgezonden op Canvas bekeek, was ik enorm verontwaardigd. […] Was dat de vorst die in onze geschiedenisboekjes beschreven stond als de verdediger van de arme negertjes tegen de Arabische slavenhandel? In de geschiedenislessen kregen we een ander, filantropisch beeld voorgeschoteld van Leopold II. Ik wist de waarheid voordien gewoon niet en vele van de gemeenteraadslieden weten het nu nog altijd niet omdat ze de bewuste reportage bijvoorbeeld nog niet gezien hebben.' De Burgemeester van Blankenberge verwonderde zich over dergelijke verontwaardiging. 'Deze feiten zijn toch al lang gekend. […] Een normaal cultureel begaafd mens weet dat al dertig jaar. Er zijn daar al heel wat uitzendingen over geweest.'

4.1.2. Foute interpretatie van monumenten

De vraag dringt zich dus op of er dan veel 'minder cultureel begaafde' mensen die niet zo goed op de hoogte zijn van het koloniaal verleden en dus werkelijk de voorstelling van de geschiedenis zoals gebracht door koloniaal erfgoed 'slikken'. Catherine is van mening dat vele Belgen gewoonweg niet op de hoogte zijn van het koloniaal verleden. Volgens hem zouden bordjes met info niet nodig zijn indien er genoeg kennis over het koloniaal verleden in het onderwijs wordt verleend, omdat de mensen dan zelf een standbeeld kunnen interpreteren. Hier tegenover staat Termont die argumenteerde dat 'het van een grove onderschatting zou getuigen dat de Gentenaars nog niet eens in staat zouden zijn om zo'n beeld van Leopold II in zijn context te plaatsen zonder hulp van een belerende voetnoot. 'Hem eren zullen ze niet zo snel doen.'

4.1.3. Nationale educatie ?

4.1.3.1. Onderwijs

Indien populaire media een rol spelen bij de 'historische opvoeding' van vele Belgen, moet er vooraleerst eens naar de primaire kennisverschaffer worden gekeken: het onderwijs. Van Bellingen zegt tijdens zijn schoolcarrière nooit vorming gekregen te hebben over Leopold II. 'Nu wordt dit misschien wel gedaan, maar mijn generatie en generaties voor mij hebben nooit die duiding gekregen.' Lucas Catherine legt ook sterk de nadruk op de tekortkomingen die het onderwijs lang getoond heeft. 'Veel Belgen hebben alleen maar onrechtstreekse kennis, omdat ze iemand in de familie hadden die in Congo had gezeten. De onafhankelijkheid in 1960 was echter zo'n shock dat die kolonie opeens verdween van het leerplan en pas terugkwam in het algeheel van de ontwikkelingsproblematiek.' Voor het Vrij onderwijs zijn er vandaag geen officiële richtlijnen, leerplannen, doelstellingen of specifieke leerinhouden rond de koloniale materie, maar die zijn er voor geen enkel thema. Het zijn halfopen leerplannen wat betekent dat een leerkracht zijn inhoud kiest in functie van de te realiseren leerplandoelstellingen en eindtermen.

Johan Vankeersbilck is pedagogisch begeleider voor het vak geschiedenis voor het vrij secundair onderwijs voor het bisdom Brugge en geeft zelf les in de laatste graad. Er moet volgens hem natuurlijk een referentiekader bestaan van te beheersen leerinhouden, maar hij vindt het belangrijker om 'ons' koloniaal verleden vandaag te behandelen in een ruimer Europees perspectief dat België vergelijkt met andere koloniserende landen. 'Dat vind ik veel belangrijker dan 'dé' Belg te confronteren met zijn koloniaal verleden op zich.'

Interessant is dat de vakoverschrijdende eindtermen vermelden dat er aan 'herinneringseducatie' moet gedaan worden. Vankeersbilck zelf vertrekt vanuit de vraagstelling hoe wij omgaan met het koloniaal verleden. Hij prefereert het koloniaal verleden als een middel te gebruiken om te wijzen op hoe geschiedenis en beeldvorming rond dat verleden geschiedt, eerder dan enkel de feiten te willen geven.

4.1.3.2. Media

De belangrijke rol die bepaalde media kunnen spelen in het geven van historische informatie kan niet onderschat worden. De viering van vijftig jaar Congolese onafhankelijkheid kende in de kranten en de openbare omroep veel belangstelling en sprak daarmee een groot publiek aan. En er is natuurlijk ook de (voorlopig Vlaamse) hype rond het boek van David Van Reybrouck; 'Congo. Een geschiedenis.' uit 2010. Dat het succes van boeken zoals 'Congo' een positieve zaak is, beamen de meeste geïnterviewden. Het bewijst volgens velen ook dat er wel degelijk een 'honger naar kennis' bestaat bij een groot publiek.

AMI-FP-VRIEND wijst er op dat de interesse voor het boek het gat in de kennis over het koloniaal verleden kan doen verkleinen en dat het de 'correcte' versie van de geschiedenis is. Dewulf vind het boek ook belangrijk, o.a. door de 'populistische', bereikbare manier waarop het geschreven is, maar wijst er tegelijkertijd op dat Van Reybrouck ook kritiek te verwerken kreeg omdat hij 'te zacht' omging met het onderwerp. 'Van Reybrouck durft bepaalde zaken in vraag stellen die door een linkervleugel snel als neo-koloniaal bestempeld worden.' Catherine heeft op zijn beurt ook kritiek op het boek omdat Van Reybrouck Tippu Tip als een slavendrijver voorstelt, wat dus volgens hem strookt met de koloniale visie. Hij wijst er ook op dat de informatie niet louter van radio en televisie mag komen omdat dit vluchtige media zijn die ook meer gericht zijn op entertainment dan louter informeren.

[Naar boven]

4.2. Een onverwerkt of tegengewerkt verleden ?

In een column uit 2010 schreef Marc Reynebeau dat de koloniale geschiedenis nog altijd 'een brok onverwerkt verleden' is. 'Dat betekent enerzijds dat er nog geen sprake is van een consensus over wat er van dat verleden te denken valt, en anderzijds dat er nog altijd mensen en organisatie bestaan die in dat debat een belang te verdedigen hebben.'

De tegenkanting uit verschillende hoeken die Daniël Vangroenweghe ondervond bij de publicatie van Rood Rubber in 1985 wijzen op het feit dat het niet altijd makkelijk is geweest om het koloniaal verleden met een kritische noot te benaderen. Ook de VRT kreeg bij de uitzending van de BBC reportage over Leopold II tegenkanting van het Koningshuis en de reportage werd uiteindelijk met gewijzigde commentaar uitgezonden (o.a. vergelijkingen met Hitler, Stalin, Pol Pot en Mao werden weggelaten). Louis Michel, toenmalig minister van Buitenlandse Zaken verwierp het vermeende 'negationisme'van België.

In 2008 werden de Rondetafels van de Interculturaliteit op initiatief van minister Milquet opgestart. Een van de concrete aanbevelingen van het Verslagcomité bestond er in dat politieke autoriteiten het koloniaal verleden moeten erkennen. 'Zo kunnen de jonge generaties [uit migrantengemeenschappen], die voor het merendeel Belg zijn geworden, opgroeien in een land dat deze betwistbare geschiedenis erkent en zijn verantwoordelijkheid bij en spijtbetuigingen over deze dramatische gebeurtenissen uitdrukt.'

Van Bellingen wijst op de schroom en het taboe dat nog rond het koloniaal verleden in België zweeft. Het is en blijft volgens hem een nationaal onverwerkt verleden. Van Bellingen merkt op dat in 2010 verwijzingen naar Leopold II in verschillende gemeenten een item zijn geweest, maar dat enkel hij disproportioneel veel aandacht te verwerken kreeg. 'Ten eerste denk ik dat België, Vlaanderen nog altijd niet overweg kan met zijn koloniaal verleden en dat dit veelal een defensieve reactie oplevert. Ten tweede denk ik dat het feit dat ik zwart ben ook een impact had. Als dat gezegd zou zijn door iemand die niet zwart is, was er misschien geen commotie of discussie rond geweest.'

Het feit dat hij de eerste zwarte schepen in Vlaanderen was, is voor hem ook veelzeggend – vooral als hij dit vergelijkt met landen zoals Frankrijk of Nederland. Bij de vaststelling dat het koloniale verleden – of bij uitbreiding de Congolese gemeenschap – ook niet echt prominent aanwezig is in België, en dan vooral in Vlaanderen, dienen we volgens hem de vraag te stellen hoe dit komt. 'Is dit racisme? Is dit niet willen weten wat er vroeger gebeurd is?' Eric Toussaint ergert zich in een opiniestuk ook over de selectiviteit van het geheugen van politici, de pers of bepaalde academici.

[Naar boven]

4.3. Ongeïnteresseerd België ?

De vraag of het koloniale verleden in België 'verwerkt' is, roept de vraag op hoe dat verleden concreet verwerkt kan worden, maar vooral in welke mate er hier een vraag naar bestaat. De verschillende casussen illustreren dat standbeelden bij slechts een relatief beperkte groep emoties oproepen. Dit zijn voornamelijk mensen die familiaal verbonden zijn met de materie of mensen die zich sterk interesseren voor de geschiedenis en haar representatie. Er bestaat een meerderheid die zich gewoonweg geen vragen stelt bij koloniale standbeelden.

De vraag doemt op welke invloed koloniale standbeelden uitoefenen en of ze wel een invloed uitoefenen op de beeldvorming rond het koloniaal verleden. Deze vraag geldt dus evenzeer voor de impact van 'correcte' duiding bij standbeelden en bij uitbreiding voor de opzet van bepaalde activisten. De interesse voor het koloniale verleden is volgens sommige geïnterviewden niet al te groot, laat staan dat de erfgoedproblematiek vele mensen beroert.

In Tienen reageerde schepen van Ruimtelijke Ordening Martine Rens (sp.a) op de vraag om het beeld van Leopold II uit het stadhuis te weren als volgt: 'Wij hebben in Tienen echt wel andere zorgen aan ons hoofd dan ons met zo'n futiliteiten bezig te houden. Ik zie niet in waarom we het standbeeld van Leopold II zouden moeten verplaatsen. Ik ontken niet dat hij een minder fraai koloniaal verleden heeft. Maar iedere vorst heeft zo wel z'n minder mooie kantjes. Moeten we daarom alle verwijzingen naar de geschiedenis uitgommen?' Een zekere miskenning van het belang van de problematiek spreekt uit deze woorden. Een willekeurige polsing bij enkele inwoners van de Leopold II-laan in Sint-Niklaas leert dat de reacties voornamelijk variëren van onverschilligheid tot bezwaren tegen een naamsverandering wegens de praktische beslommeringen. 'Een grote groep mensen staat niet stil bij wat standbeelden voorstellen,' weet Metdepenninghen van Ruimte en Erfgoed. 'De beelden maken vaak deel uit van hun leefwereld zonder dat ze er zich vragen bij stellen. Erfgoed heeft een zichtbaar aspect en kan derhalve een iets ruimere groep aanspreken, maar het is een utopie te stellen dat iedereen die voorbij een standbeeld komt, zich afvraagt wie er voorgesteld is en wat het monument betekent.'

[Naar boven]

4.4. Onduidelijke grenzen, grote kloof?

Een vrij merkwaardig fenomeen speelt de polemieken rond koloniaal erfgoed parten: Ten eerste verdwijnt het onderscheid tussen Kongo Vrijstaat en Belgisch Congo vaak en wordt kritiek op Leopold II gezien als kritiek op iedere koloniaal. Hoewel oud-kolonialen sterk de nadruk leggen op het feit dat zij niets te zien hebben met Leopold II, identificeren ze zich toch met de meer abstracte notie van koloniaal systeem. Ten tweede is het ook niet evident dat Belgen vandaag verantwoording zouden moeten afleggen voor de daden van een Belgische vorst in een in theorie privé-project. Vele contestaties getuigen van de wil om een 'nationale schandvlek' uit te wissen of toch tenminste ruchtbaar te maken. Dit is op zijn minst opmerkelijk te noemen omdat Kongo Vrijstaat in theorie een privé project van de Belgische koning was en de Belgische staat enkel indirect via financiering deelnam aan de koloniale onderneming. Het beeld van een monolithisch, tijdloos koloniaal blok verbrijzelt kritiek op Leopold II. Opnieuw zien we hier identificatieprocessen aan het werk die periodiseringen en onderscheiden vertroebelen.

4.4.1. Kongo Vrijstaat en Belgisch Congo?

Marc Reynebeau (opgegroeid in Congo) had in een opiniestuk gereageerd op het voorstel van Van Bellingen om de Leopold II-laan te doen verdwijnen op grond van diens stelling dat Leopold II een 'massamoordenaar en een koloniaal' was. Reynebeau schreef: 'Kolonialen waren er met vele tienduizenden, die in de kolonie overigens vaak het beste van zichzelf gaven, al waren ze uiteraard ook het kind van hun tijd. Aan de schandpaal met hen, omdat wij vandaag anders denken over het koloniale systeem? Geen goed idee.' Reynebeau benadrukt dat Leopold II nooit voet in Congo heeft gezet en niet op één hoop mag worden gegooid met andere kolonialen. Van Bellingen stoort zich vooral aan de verwarring die optreedt omdat mensen vaak het onderscheid tussen de kolonisatie door Leopold II en de kolonisatie door de Belgische staat na 1908 niet maken en die twee periodes voortdurend op één hoop gooien. 'Ik sprak toch helemaal niet over de periode na Leopold II wanneer ik vroeg om die straatnaam af te schaffen? Ik neem het Marc Reynebeau als historicus kwalijk dat net hij goochelt met die twee periodes.' Hoewel beiden dus lijken uit te gaan van het onderscheid tussen de verschillende periodes, heeft hun discussie paradoxaal genoeg een contraproductieve uitkomst.

Zowel Wittevrongel als Catrysse gaven beiden te kennen dat er wel degelijk een positieve bijdrage geleverd werd door Belgen voor de ontwikkeling van Congo en dat humaan ingestelde kolonialen niet mogen vereenzelvigd worden met de moordpraktijken van Leopold II, omdat dit oneerlijk zou zijn tegenover hen.

Haeck van AMI-FP-VRIEND benadrukt dat huidige oud-kolonialen inderdaad niets te maken hebben met de Leopoldiaanse periode en dat je een duidelijk onderscheid moet maken. Ze zegt ook ze bepaalde aspecten van Leopold II wel degelijk veroordelen, maar dat ze zich storen aan de nadruk die altijd op Leopold II wordt gelegd wanneer er over het kolonialisme wordt gesproken. 'Wij kunnen het ook niet helpen, maar bij kritiek op Leopold II voelen wij ons ook deels aangevallen.' Bij de vraag aan de leden van AMI-FP-VRIEND of zij er vrede mee kunnen nemen dat activisten duiding over de Leopoldiaanse periode bij standbeelden willen zien, maar ook duidelijk het onderscheid willen benadrukken met de Belgische periode na 1908 en na Wereldoorlog II, antwoordt Haeck: 'Het is een blaam voor ons. Wij zijn er vol idealisme naartoe gegaan.'

De emotionele band vertroebelt blijkbaar het vermogen om twee verschillende systemen te onderscheiden. Vaak worden contestaties van Leopold II dus als contestaties van hét kolonialisme gezien. Een 'argument' dat vaak wordt opgeworpen bestaat er in om de vergelijking met de erbarmelijke toestand van vandaag te trekken. Haeck vertelt: 'Toen wij uit Congo vertrokken, hadden ze een infrastructuur die ze nergens hadden. Vandaag schiet er niks meer van over. Dat is dus een bewijs dat, zolang wij er waren, het werkte, het functioneerde en dat ze gelukkig waren. Maar nu vragen ze: 'Où sont les petits Belges?'

Catherine vindt deze houding heel vreemd. 'Ze zien kritiek op de periode van Leopold II als kritiek op hun periode, terwijl de jaren '50 helemaal niet te vergelijken zijn met de Leopoldiaanse periode.' Catherine verbaast zich er vaak over dat Congolezen zich positief uitlaten over het kolonialisme, maar wil benadrukken dat ook zij relatief weinig weten over het koloniaal verleden en dat hun geheugen even selectief is. 'Congolezen herinneren zich de tijd van de Belgen als de tijd wanneer er andere geneesmiddelen dan enkel aspirines waren, en toen de wegen nog berijdbaar waren.' De herinnering aan de koloniale periode gaat volgens hem ook enkel over de periode na 1945 en brengt de Leopoldiaanse periode niet in rekening.

4.4.2. Kongo Vrijstaat van Leopold II of van de koning der Belgen?

AMI-FP-VRIEND bevestigt dus dat hun leden op zich geen band hebben met de Leopoldiaanse periode omdat dat een privaat project was. Ze benadrukken echter wel dat ze een band met België hebben. 'Leopold II vertegenwoordigde België niet, maar je kunt de periode van Kongo Vrijstaat en de Belgische periode niet los van elkaar zien,'vindt Claeys. 'Indien Leopold II Congo niet gekocht had, dan was er geen Belgische kolonisatie geweest.' Dewulf heeft vaak de indruk dat contestatieacties impliciet een soort schuldgevoel cultiveren. Eric Goeman was trekker van een actie in het Gentse Zuidpark bij het gedenkbeeld aan Leopold II op de vijftigste verjaardag van de Congolese onafhankelijkheid. Hij wijst er op dat in vele Belgische steden nog altijd een verheerlijkend standbeeld staat voor Leopold II en 'ons koloniaal verleden'. Hij haalt aan dat men schaamte moet voelen omdat hij nog altijd een heroïsche plaats inneemt in 'onze democratische publieke ruimtes.' De meeste activisten erkennen wel degelijk dat de huidige Belg geen verantwoordelijkheid of schuld meer draagt voor het Leopoldiaans verleden. Maar zo zegt Wittevrongel ook: 'Breng gewoon een klein symbolisch aandenken aan […] en vooral iets met excuses. Dat ware echt een teken van grootsheid. Durven erkennen dat we fout waren, is inderdaad een teken van grootsheid.' De band tussen de natie België via Leopold II en de huidige inwoners van België wordt blijkbaar toch telkens opnieuw in stand gehouden.

[Naar boven]

Besluit: een compromis à la belge ?

Het verleden wordt tegenwoordig werkelijk op verschillende wijzen geconsumeerd. We merken bij bepaalde groepen een toenemend belang van 'herinnering' in de publieke ruimte. De vraag kan gesteld worden of er meer vraag naar 'herinnering' is en in hoeverre dit de aandacht bepaalt die op de aanbodzijde gelegd wordt ; de productie en de voorstelling van geschiedenis.

Koloniale relicten bezitten die mogelijkheid om dragers te zijn van historische betekenis in de publieke ruimte. Ze stoten anti-kolonialisten, Congolezen of Arabieren tegen de schenen of ze symboliseren idealen en levenskeuzes voor nog levende oud-kolonialen. Het kunnen hiernaast ook kunstvoorwerpen of getuigenissen van een voorbij verleden zijn, kunnen aansporen tot nadenken over de geschiedenis of kunnen zelfs een pedagogische functie vervullen. Ondanks dit veelbelovend potentieel noopt de nuchterheid ertoe om te stellen dat koloniale standbeelden of straatnamen deze functie slechts sporadisch bekleden. Men stelt een zekere desinteresse bij het gros van de bevolking vast voor deze publieke getuigen. Niettemin leert het succes van boeken zoals 'Congo' van David Van Reybrouck dat er wel degelijk een relatief grote honger naar kennis bestaat. Op die manier proberen de vaak opzichtige contestaties van koloniaal erfgoed die interesse op een heel directe manier te oogsten.

Bij de contestatie van koloniaal erfgoed spelen in België meerdere motieven om de aanwezigheid van koloniaal erfgoed in haar oorspronkelijke vorm te betwisten of te verdedigen. De huidige kennis over het koloniaal verleden moet weerspiegeld worden bij standbeelden van Leopold II om de eenzijdig bejubelende voorstelling van de vorst tenminste te kunnen duiden en bij te stellen. Alhoewel de contestatie van koloniaal erfgoed soms gebruikt wordt als middel om zich lokaal te profileren, kan men er niet omheen dat de waarde van een standbeeld voor de representatie van de geschiedenis betwist wordt als symbool op zich. Hierbij zijn het vooral personen die politiek en ideologisch links gesitueerd kunnen worden, die het voortouw nemen in de strijd. Vaak zijn de contestatieacties heel ludiek van vorm, maar gaat er toch een zekere ernst in de omgang met de geschiedenis van uit. Een bepaalde verontwaardiging voor gebeurtenissen uit het verleden speelt hierbij een grote rol en de wil om die onrechtvaardigheden aan te klagen. Populaire gelijkenissen tussen Leopold II en de politiek van Hitler of Stalin moeten deze verontwaardiging kracht bij zetten. Bij de discussie worden activisten daarom soms verweten dat ze de geschiedenis vanuit politiek/historisch correcte motivatie willen herschrijven en verkondigen, zonder rekening te houden met het feit dat het verleden op zich geen 'bordje' nodig heeft omdat het al voldoende gekend is. Hier komt de vraag naar de kennis van het koloniale verleden bij de modale Belg naar boven. Volgens sommigen is deze ruim onvoldoende en kunnen standbeelden een foute voorstelling van het verleden 'onderwijzen' in de publieke ruimte. Dit potentieel willen activisten als dusdanig zelf benutten om de 'correcte' voorstelling weer te geven. Tegelijk spreek impliciet het verlangen om het koloniaal verleden 'af te sluiten' door het verschaffen van een definitieve versie van de feiten.

Het meest voor de hand liggende compromis lijkt een verklarend bordje te zijn waarin bepaalde negatieve aspecten van het koloniaal bewind van Leopold II geduid worden. Dit wordt door de meerderheid van de activisten voorgesteld en kwam er al in Halle in 2009 en zou er in 2011 in Blankenberge ook komen. Dat dit echter nog maar zo relatief weinig is gebeurd is op zijn minst opvallend te noemen. Redenen hiervoor kunnen van praktische aard zijn, maar het zijn toch vooral de concurrerende (ideologische en symbolische) meningen die bij de polemiek met elkaar botsen. De Belgische context en de rol die de voorstelling van een van haar vorsten hierin speelt, eist een hoofdrol op. Het beschimpen van koloniale standbeelden wordt soms gebruikt als statement tegen de Belgische staat of het koningshuis. Net zoals de weerstand om vragen te stellen over koloniale standbeelden gebaseerd is op dezelfde symboliek en belangen die hierbij spelen – zowel vanuit royalistische, politieke als ex-koloniale hoek.

Er kan besloten worden dat het koloniale verleden nooit 'verwerkt' of afgesloten is en dat het op die manier verder maalt in de publieke ruimte. Er bestaan altijd verschillende versies van de geschiedenis wat haar ambigu maakt. De geschiedenis valt niet met een rechterlijk vonnis te beslechten. Het kan natuurlijk niet de bedoeling zijn om een gezamenlijk collectief geheugen op te leggen. De hamvraag is of er een redelijk compromis kan worden gevonden tussen de versies van de geschiedenis. De wil en toegevingen van beide kanten zijn wel degelijk te vinden, maar het is vooral het geringe overleg tussen de verschillende partijen en de onvoldoende kennis van elkaars precieze standpunten die mij opvielen. Het lijkt er, wanneer er toch overlegd wordt, vooral op dat de verschillende herinneringen en belangen meestal onverenigbaar zijn. Hoewel ze dit objectief gezien niet hoeven te zijn. Ze komen echter voort uit gevoeligheden door identificatieprocessen die gebeuren van beide kanten. Er vindt een ideologische identificatie plaats met slachtoffers of met (de symboliek van) een historische periode. De uitdaging bestaat er hier blijkbaar in om de betekenis en het belang van die identificatie te realiseren, maar tegelijk deze reflexen in vraag te stellen om ze los te koppelen van de kern van het debat.

Residentie Leopold II in Sint-Niklaas.

Enkel het verstrijken van de tijd kan hier volgens mij soelaas brengen. Zowel voor de debatten over koloniaal erfgoed als voor de historiografie over het koloniale verleden. Net omdat er vandaag geen contestatie bestaat rond een standbeeld van Godfried van Bouillon, zullen ook koloniale standbeelden slechts 'nuchter' behandeld kunnen worden indien ze niet meer verbonden kunnen worden over de tijd met persoonlijke herinneringen of met nationale entiteiten. Koloniale relicten kunnen wel degelijk de functie vervullen van aanknopingspunt om te spreken en te reflecteren over de Belgische koloniale geschiedenis. Dit kan indien er 'beweging' is rond deze standbeelden, gedenktekens en straatnamen zelf. Maar zelfs dan kan de vraag gesteld worden in hoeverre ze in hun functie als middel tot debat niet zullen blijven steken in hun rol als publieke metaforen voor de onoplosbare meningsverschillen die voorlopig in België rond het koloniaal verleden bestaan. Dat de (ingebeelde) herinnering aan het verleden selectief is, is het minste wat kan gezegd worden. Dat er nu echter toch langzaamaan bordjes komen met nauwkeurig geselecteerde formuleringen en woorden duidt misschien toch op een voorzichtige consensus.

Toen ik me bij het vallen van de avond haastte naar het station van Sint-Niklaas om mijn trein te halen, stelde ik vast dat een nieuwe residentie op het Stationsplein de naam 'Leopold II' had meegekregen. Deze residentie is geen erfgoed uit het verleden, maar een recent bouwwerk. Is dit een ongelukkige verderzetting van de oude straatnaam? Is het een nieuw hedendaags eerbetoon aan de vorst? Getuigt het eerder van de onwetendheid van het koloniale verleden bij de betrokken instanties? Of maakt het de bewoners helemaal niets uit hoe die nieuwe residentie heet?

[Naar boven]

Bibliografie

[Naar boven]