|
Pers
[uit leesidee jeugdliterateur, een interview
door Marita Vermeulen]
Met het verschijnen van
zijn eerste prentenboek, Varkentjes van marsepein (1996), wist illustrator
Carll Cneut zich een stevige plek te verwerven binnen het Vlaamse
prentenboekenlandschap. Zijn werk valt op door een sterke, maar
sobere vormgeving, een sfeervol kleurenpalet en suggestieve lijnen.
De prenten zijn even toegankelijk als afstandelijk en doen volop
beroep op het associatievermogen en de emotionele input van de lezer.
"Ik
wil boeken maken die nooit uit zijn"
Een portret van illustrator Carll Cneut
Je hebt gestudeerd aan het
St-Lucasinstituut in Gent.
Ik heb grafische vormgeving gevolgd. Illustratie kwam indertijd
nauwelijks aan bod, het enige vak wat daar een beetje bij aansloot,
was striptekenen. Tot op de dag van vandaag ben ik mijn leraar Ferry
van Vosselen dankbaar voor de opmerking: "Je hoeft niet te
kunnen tekenen om te illustreren". Ik las in je interview met
Paul Verrept over Anna Höglund, die van haar beperkingen haar
kracht maakt. Het komt er bij illustreren inderdaad op aan om creatieve
oplossingen te zoeken en je tekortkomingen in je voordeel om te
buigen.
Dat ik mijn personages vaak in profiel neerzet, komt omdat ik in
het begin niet zo sterk was in vooraanzichten. Inmiddels ben ik
die techniek meester en nu kan ik doelbewust kiezen in functie van
de sfeer, de vorm, het verhaal. Bij Heksenfee waren die profielen
heel functioneel, omdat zo'n vooraanzicht gauw te rond, te flauw
of te romantisch dreigt te worden.
Heb je een voorkeur voor abstracte
vormen?
Dat hangt af van het verhaal. Ik bouw de illustraties op in functie
van het totale boek. De abstractere prenten komen meestal vooraan.
Als ik een tekening maak, zoals die waar Roodgeelzwartwit mee opent,
dan wil ik een beeld oproepen waar je niet meteen greep op krijgt.
Het roept een soort spanning op en prikkelt, hopelijk, de nieuwsgierigheid.
Zo glijd je mooi het verhaal in. Heksenfee opent met een gestileerd
kasteel en Woeste Mie met een kleine hoofdje. Het beeld prikkelt
en plaagt, maar verraadt nog niets. Ik wil absoluut vermijden dat
je vanaf de eerste pagina het hele verhaal al hebt gezien.
Terug naar boven
Je vertaalt een verhaal doorgaans
in heel kale beelden.
Ik denk dat dat logisch voortvloeit uit mijn manier van werken.
Ik lees de tekst en paar keer en leg hem dan weg. Ik weet op dat
moment hoe ik het verhaal in 15 of 16 essentiële beelden moet
vangen.
Ik vind het belangrijk dat de lezer de kans krijgt om het verhaal
zelf in te vullen en af te maken. Ik werk dat onder meer in de hand
door het afsnijden van vormen, door het verhaal over de pagina's
heen door te laten gaan. Het lijkt nu alsof ik mij voortdurend bewust
ben van wat ik doe, terwijl veel dingen puur intuïtief gebeuren,
en je achteraf vaststelt dat het gewoon klopt.
Je kijkt prent na prent hoe
en of ze werkt?
Ja, met in mijn achterhoofd het idee dat ik de lezer wil stimuleren
om zijn fantasie te gebruiken.
Denk je daarbij aan kinderen?
Steeds vaker. Door lezingen te geven heb ik ervaren dat mijn tekeningen
bij kinderen echt op die manier werken. Dat was een fijne verrassing.
Kinderen wijzen mij op allerlei details waar ik zelf niet bij heb
stilgestaan. Kinderen kijken vanuit een ander perspectief naar mijn
werk dan volwassenen.
Het valt me op hoe sterk de fantasievolle en creatieve inbreng van
kinderen verschilt van school tot school. Ik dacht altijd dat de
appreciatie van de prenten afhing van het milieu waar kinderen in
opgroeien, of ze al dan niet regelmatig met kunst en boeken worden
geconfronteerd. Maar blijkbaar spelen leerkrachten daar een enorm
grote rol in, je merkt zo of ze hun leerlingen de ruimte laten om
te kijken en zich zelf een beeld te vormen van wat ze zien en dan
ontstaan mooie en zinvolle interpretaties.
Terug naar boven
Speelt jouw kleurenpalet een
belangrijke rol in de appreciatie?
Verschillende factoren blijken een rol te spelen. Het feit dat de
volwassenen volumineus in beeld worden gebracht, vinden ze ontiegelijk
grappig. Bij die kleine voetjes stellen ze zich de vraag of iemand
daarop overeind kan blijven. Daar had ik zelf nog nooit over nagedacht,
maar ze hebben gelijk; het is bizar en onmogelijk. Ook het feit
dat de illustraties hier of daar worden afgesneden, prikkelt de
fantasie. Kinderen maken spontaan de tekeningen af.
Voor kinderen hoef ik tot mijn opluchting alvast niet commerciëler
te werk te gaan.
Je vertelt heel veel met vorm.
Dat heeft alweer te maken met het feit dat ik het verhaal niet wil
dichtstoppen. Door vormelijk te werken en naar de essentie te gaan
kom je heel vanzelfsprekend bij een soort helderheid uit. Abstractie
geeft verschillende mensen de kans om op een heel eigen manier te
kijken en hun persoonlijke interpretatie aan het verhaal toe te
voegen.
Hoe komt dat nipte en spannende
evenwicht in compositie tot stand?
Ik werk daar enorm hard aan, maar ik kan niet uitleggen waarom ik
vind dat iets in evenwicht is of niet. Ik werk op dit ogenblik aan
een heel eenvoudige tekening: twee huizen op een blad. Ik ben al
twee dagen aan het schuiven om die huizen precies goed op het blad
te krijgen, om de juiste spanning in dat beeld te krijgen.
Die zoektocht naar de juiste balans, een optimale uitdrukkingskracht
in een eenvoudige tekening is enorm arbeidsintensief. Soms heb ik
ook geluk, de eerste tekening van Roodgeelzwartwit klopte direct.
Het is heel opwindend om binnen de beperkingen van dat witte blad
papier een spanningsveld te creëren.
Die spanning wordt versterkt door de kleurkeuze. Bv. bij Heksenfee
slaag je er in om ondanks het vele roze geen suikerzoete indruk
te wekken.
Hier was het weer een kwestie van evenwicht zoeken, de juiste kleuren
vinden. Ik meng mijn kleuren zelf. Een verkeerde nuance maakt je
tekening kapot. Je zoekt naar een natuurlijk elan.
De kleuren rood, geel, zwart en wit bestaan in tubes, maar daarin
vind ik niet de levendigheid, de nuance, de suggestie die ik in
een combinatie van kleuren naar voren hoop te brengen.
Terug naar boven
Is de creatie van zo'n spanningsveld
voor jou een hoogtepunt bij de afwerking van een boek?
De mooiste momenten beleef ik bij de vijfde of zesde tekening. Als
ik zie dat het echt een boek gaat worden, dat het geheel coherent
is, dat de kleuren goed zitten en de compositie klopt. Als het dan
niet goed zit, moet ik herbeginnen.
Moet je vaak herbeginnen?
Het is mij met één boek overkomen. Voor mijn gevoel
zaten de kleuren niet goed. Ik heb bij dat project om tijd te winnen
anders gewerkt dan ik gewoon ben. Ik had bijvoorbeeld vooraf niet
alles volledig uitgeschetst. Uiteindelijk heb ik er geen uur mee
gewonnen, want ik wil niet inleveren op kwaliteit en dus moest ik
opnieuw beginnen. Ik mag echt niet toegeven aan de tijds- of financiële
druk en moet volgens mijn eigen ritme en intuïtie aan de slag.
Anders gaat het fout. Zo'n illustratie heeft een lang leven, die
moet gewoon goed zijn.
Weet je, ik heb het gevoel dat alles wat ik tot op heden heb gedaan
een soort voorbereiding is op wat nog moet komen. Ik heb mijn teken-,
vorm- en kleurbeheersing ontwikkeld. Mijn mogelijkheden zijn veel
groter en breder dan toen ik begon, dus kan ik veel gerichter keuzes
maken in functie van een bepaald boek. Ik wou dat ik voor elk project
twee jaar de tijd kreeg, zodat ik mezelf met elk boek zou kunnen
overtreffen.
Bart Desmyter vindt het prentenboek.
Een straatje zonder eind (1997) een mijlpaal in de geschiedenis
van uitgeverij De Eenhoorn, omdat je met dat boek je eigen signatuur
gevonden hebt.
Voor mij geldt dat vooral voor Willy (1999), maar Bart heeft deels
gelijk. Een straatje zonder eind was een heel belangrijk boek omdat
ik toen technisch mijn basis had gevonden. Vooral qua textuur en
kleur heb ik met dit boek veel geleerd. Het was ook het eerste project
waarbij ik mij echt bewust was van het feit dat het een boek moest
worden. Ik heb veel nieuwe tekeningen gemaakt om toon en kleur van
de opeenvolgende prenten te doen kloppen. Het geheel moest vloeien
en mocht niet te simplistisch zijn. Een ander belangrijk prentenboek
was Niel (1998), daar heb ik gefocust op vorm en compositie. En
toen kwam Willy en daarin komt het vakmanschap tot uiting dat ik
met Een straatje zonder eind en Niel verworven heb. Bij Willy had
ik het gevoel dat ik op een mooi en vruchtbaar punt was aanbeland.
Ik slaagde erin om tot uitdrukking te brengen wat ik in mijn hoofd
had.
Elk nieuw project is sowieso een weergave van alles wat je eerder
verworven hebt, maar soms vormt een boek echt een soort kruispunt
waarin verschillende lijnen optimaal samenlopen.
Terug naar boven
De figuren zijn niet expressief
op zich, maar maken associaties los. Bijvoorbeeld de laatste tekening
uit Roodgeelzwartwit, waarop de moeders samen in een boom zitten
en dezelfde kant uitkijken. Ben je je bewust van dat effect?
Ja. Daar is wel degelijk over nagedacht. Je zoekt een mooie afsluiter,
geen evidente oplossing zoals kindertjes die na een dag spelen moe
maar tevreden naar huis terugkeren. Dat zou een mager weggevertje
zijn geweest. Op het einde wil ik opnieuw een sterke plaat die alles
en niets vertelt en tegelijkertijd logisch en geloofwaardig overkomt.
Het is opvallend dat die prent uit Roodgeelzwartwit bij veel mensen
goed blijft hangen, blijkbaar vinden velen er iets uit hun eigen
wereld in terug.
Hoe ontstaat zo'n beeld?
Als je het verhaal als een lange lijn ziet, dan zie je dat er ook
veel boven en onder die lijn gebeurt, je beschikt over een heel
universum waar je ideen uit kunt plukken, een universum dat
je toegankelijk en ruim kunt maken. Het is opwindend om bij de tekst
aan te sluiten en je er door sfeer en interpretatie tegelijkertijd
van te verwijderen. Zo krijg je twee verhalen die op een spannende
manier los-vast in elkaar grijpen. Je beelden zitten logisch verankerd
in de wereld die de tekst oproept en sluiten aan bij de belevingswereld
van kinderen. Een van de mooiste complimenten die men mij kan geven
is dat ik boeken maak die nooit uit zijn. Daar streef ik naar.
Is de samenwerking met Geert
de Kockere van belang geweest in je ontwikkeling als illustrator?
Als gastdocent aan het St.-Lucasinstuut in Antwerpen stel ik vast
dat veel laatstejaarsstudenten prentenboekenillustrator willen worden,
maar nooit nadenken over hoe een boek in elkaar zit. Waarschijnlijk
deed ik dat indertijd ook niet. Geert de Kockere heeft mij gestimuleerd
om na te denken over een concept, een lijn in de tekeningen. De
lezer zal daar misschien niet meteen oog voor hebben, maar ik zie
dat de boeken die ik samen met Geert heb gemaakt vanuit een stevig
doordachte visie tot stand zijn gekomen. Bovendien heeft Geert mij
altijd gestimuleerd om bij elk nieuw boek een stap verder te gaan
en mijzelf te overtreffen.
Geert zou de ideale figuur zijn om op een uitgeverij illustratoren
te begeleiden. Hij slaagt er keer op keer in om nieuwe mensen uit
te zoeken die waardevolle kwaliteiten hebben: Geert Vervaeke, Johan
Devrome, Tom Schoonooghe, Isabelle Vandenabeele hebben zich kunnen
profileren en ontwikkelen door hun samenwerking met Geert de Kockere.
Dat is heus geen toeval. Hij weet hoe tekeningen in een boek moeten
komen en welke sfeer ervan uit moet gaan.
Terug naar boven
Je bent inmiddels zelfstandig
illustrator en je hebt het al even gehad over de impact van de werkdruk.
Ja, soms is het idee dat je ervan moet leven heel beklemmend. Ik
wil echter niet commerciler gaan werken.
Weet jij dan hoe je een commerciële
tekening maakt?
Jazeker. Lachende gezichtjes en grote ronde ogen. Ik zeg niet dat
ik nooit zo zal tekenen, maar dan zal het binnen de logische evolutie
van mijn stijl moeten zijn en geloofwaardig binnen het kader van
een project.
Heeft de Eervolle Vermelding
die je in 2001 in Bologna kreeg enige invloed gehad op je carrière?
Een blijk van waardering doet sowieso deugd, je put er energie uit.
Voor mij kwam die aandacht toevallig op een moment dat ik al contracten
had afgesloten met buitenlandse uitgevers. Voor het verdere verloop
van de gesprekken is het wel aangenaam als je in de kijker staat.
Hoe loopt je internationale
carrière?
Het eerste Engelse boek komt dit najaar uit. Het eerste oorspronkelijk
Franse boek is ook af, maar de productie ervan is uitgesteld omdat
er dit jaar vier boeken met illustraties van mij in het Frans worden
vertaald. De Franse vertaling van Heksenfee is al aan zijn derde
druk toe en er zal nog een vierde volgen. De eerste druk was in
een tweetal weken uitverkocht. Het ziet er naar uit dat Roodgeelzwartwit
ook mooi van start gaat. De pers is mij erg gunstig gezind geweest.
'Le Monde' heeft een vrij uitvoerig artikel aan Heksenfee besteed,
terwijl deze krant doorgaans weinig aandacht heeft voor kinderboeken.
Het heeft Brigitte Minne en mij de nodige naambekendheid bezorgd.
Bart Desmyter merkte op dat
illustratoren bij De Eenhoorn meer vrijheid genieten dan bij buitenlandse
uitgeverijen.
Dat is zonder meer waar. Ik ben ervan overtuigd dat de boeken die
ik voor de Nederlandstalige markt maak, mij altijd het nauwst aan
het hart zullen liggen omdat ik daarin ongeremd tot het uiterste
van mijn mogelijkheden mag gaan. Bij De Eenhoorn zijn er nooit bemoeienissen
en ik heb nog nooit te horen gekregen dat iets niet kon. Een blote
Woeste Mie zou bij veel uitgevers ongetwijfeld problemen hebben
opgeleverd, bij De Eenhoorn werden daar geen vragen rond gesteld.
Buitenlandse uitgeverijen werken helemaal anders. Ik werk aan een
boek voor Candlewick Press, het Amerikaanse zusterbedrijf van Walker
Books. Ik word begeleid door vier mensen die ook Sara Fanelli begeleiden,
waar ik op zich al van onder de indruk ben. Per jaar zijn er een
achttal intensieve sessies van zo'n drie dagen. De 'editors' leveren
commentaar op mijn werk en 's avonds volgt er een videoconferentie
met de Verenigde Staten en krijg je opnieuw een heleboel commentaar
en suggesties over je heen. Ik dacht eerst dat ik overal rekening
mee moest houden, ik zag het al meteen niet meer zitten. Het is
echter de bedoeling dat je oppikt wat je kunt gebruiken, en aangezien
die uitgevers inzake prentenboeken toonaangevend zijn, loont het
de moeite om je oren goed open te houden. Zij benadrukken bijvoorbeeld
heel sterk de uitwerking van het universum dat in de tekst wordt
aangezet, ik deed dat altijd al, maar nu nog veel bewuster op een
creatieve en inspirerende manier. Enerzijds is het afschrikwekkend
dat zoveel mensen met je meedenken en anderzijds kan het heel voedend
zijn. De toekomst zal uitwijzen welke manier van werken mij het
beste ligt.
Terug naar boven
Laten we het over inspiratie
hebben.
Het is heel moeilijk om na te gaan waar ik precies mijn inspiratie
haal, er zijn wel een aantal mensen wier werk ik bewonder.
Grote bewondering koester ik voor Brad Holland. Hij heeft een ongebreidelde
fantasie. Zijn inhoudelijke vondsten zijn fantastisch, zeker als
je het werk uit zijn begintijd bekijkt. Het werk van de Amerikaanse
illustratrice Maira Kalman vind ik zonder meer fantastisch en volkomen
waanzinnig. Mooi zou ik het niet meteen noemen, maar wel intrigerend,
boeiend, vitaal.
Sara Fanelli bewonder ik om haar vormelijke kwaliteiten.
Er is werk van haar op komst dat onvoorstelbaar mooi is. Ik vond
haar al ongelooflijk sterk, maar ik heb de indruk dat ze nog beter
wordt. Haar kleuren worden harmonieuzer.
De Amerikaanse illustrator Otto Seibold bijvoorbeeld, gaat heel
creatief om met de mogelijkheden die de computer biedt. Het levert
grafisch sterk en opvallend werk op.
Word je ook gefascineerd door
kunstwerken?
Men vraagt mij regelmatig waarom ik niet op doek schilder, maar
ik zie niet in waarom ik iets zou maken om alleen aan een muur te
hangen of in het midden van een of ander park te zetten. Ik ben
niet echt een liefhebber van kunst, mijn inspiratie ligt in toegepaste
kunst. Ik wou oorspronkelijk bakker worden, vooral om taarten te
versieren, dat vind ik ook toegepaste kunst.
Ik heb een grote fascinatie voor modeontwerpers. Hun
werk kan heel illustratief zijn. Alexander McQueen en Hussein Chalayan
bijvoorbeeld zijn Engelse ontwerpers die heel vormelijke kleren
maken, soms uit hout. Op zich zijn het niet meteen mooie kleren,
het gaat om statements en mooie vondsten, gekaderd in een totaalconcept.
Hun shows zijn theater.
Het is een fascinerend en nauw samenspel tussen toeval en functionaliteit,
en dat streef ik ook in mijn werk na. Je weet hoe je bepaalde zaken
naar voren wil brengen, je legt accenten en laat ruimte voor toevallige
vondsten die kleuren, sferen en vormen optimaal tot hun recht doen
komen.
Voor mode en de manier waarop die vorm krijgt, heb
ik altijd belangstelling gehad en je ziet dat inderdaad terug in
mijn illustraties. Je zult ook zien dat ik zorg besteed aan de kleren
die de personages dragen. Ze zijn mooi aangekleed in de sfeer van
het boek, je ziet of de kleren lekker zitten of juist de bewegingsvrijheid
belemmeren.
Ik ben ook gefascineerd door het patine van bepaalde voorwerpen,
daar wil ik in mijn werk meer mee gaan doen, dingen maken die even
doorleefd als afstandelijk overkomen.
De spanning in beelden, de contradicties, de mysteries en het effect
dat ze op de fantasie hebben, dat vind ik even wonderlijk als opwindend.
Carll Cneut illustreert
wat hij bedoelt aan de hand van illustraties van Seibold, Fanelli,
Kalman en Holland, allen illustratoren met een heel eigen signatuur
die er in slagen een bijzondere spankracht in hun illustraties te
leggen. Hij heeft gelijk, met een woord als 'mooi' zijn deze beelden
niet te vatten, het zijn beelden die werken, prikkelen, uitdagen.
Wonderlijk en opwindend. Inderdaad.
Marita Vermeulen
Terug naar boven
|