Cappadocië.
Cappadocië
is ooit de machtigste provincie van Anatolië geweest. De provincie werd
begrensd door de Zwarte Zee in het noorden, het Taurus gebergte in het zuiden,
de Eufraat in het oosten en de zoutmeren in het westen. Het tegenwoordige
Cappadocië is minder groot: het gebied bestaat uit een strook land tussen
Kayseri en de drie grote meren in de omgeving, waarover de vulkanen Erciyas en
de kleinere Hassan Dagi grote hoeveelheden as, modder en lava uitstortten
tijdens de grootste vulkanische uitbarstingen in de geschiedenis.
Deze afzettingen veranderden door contact met de lucht in zachte
turfsteenformaties, waardoor een feeëriek landschap ontstond dat werd
bijgeslepen door duizend jaar erosie. U vindt er ruwe, witstenen menhirs die bij
zonsondergang een oker kleur aannemen en turfsteenformaties
die eeuwenlang door de mens zijn bewerkt.
Volgens
de Bijbel waren de stammen die in Cappadocië leefden de “ruwste mensen ter
wereld”, anderen merkten op dat de vrouwen van ongekende schoonheid waren.
In ieder geval was een gebied dat een grote aantrekkingskracht uitoefende op
onder andere de Assyriërs en in de 8ste eeuw op de Perzen.
Deze laatste werden vooral aangetrokken door de natuurlijke rijkdommen van het
gebied : goud en zilver, geiten, schapen en prachtige paarden. Maar de
beroemdste bewoners van het gebied waren niet op zoek naar rijkdom, maar naar
eenzaamheid.
In 1907 trok de Franse geestelijke Guillaume de Jerphanion te paard Cappadocië in en hij ontdekte de kerken en kloosters van Byzantijnse christenen. De bouw van kloosters in Cappadocië werd in de 4de eeuw in gang gezet door Basilius, de bisschop van Caeserea die teleurgesteld was in de stedelijke kloosters en besloot zich in de natuur terug te trekken.
De komende duizend jaar zou het gebied het centrum van de Griekse kerk en een
pelgrimsoord worden. Eerst vestigden de monniken zich in de vallei van
Göreme
bij Nevsehir en
Ürgüp.
Nevsehir
is een stoffige, lelijke plaats waarboven zich de ruïnen van een Seltsjoeks
fort verheffen. Veel pittoresker is
Ürgüp, waar sommige boeren nog
steeds in de rotwoningen boven de stad wonen. Maar de meeste bewoners vindt u in
de beige huizen langs de betegelde straatjes rond het marktplein.
De armoede van de bevolking, meestal kleine boeren voor wie niet de tractor maar
de ezel het belangrijkste transportmiddel is, vormt een scherp contrast met de
uitgestalde rijkdom van sommige tapijtenwinkels. In de omgeving worden veel
wijndruiven verbouwd, vooral de unieke Emir druif, die de wijn uit de omgeving
internationaal beroemd heeft gemaakt. Ieder jaar is er een festival dat door
wijnboeren uit diverse landen wordt bezocht.
In
de omgeving van
Göreme, 6 km van
Ürgüp, liggen meer dan 350
kerken. De meeste stammen uit de relatief vredige periode tussen de 9de
en de 13de eeuw, de bloeitijd van het kloosterleven in Cappadocië.
Sommige van de best bewaard gebleven kerken liggen in het openluchtmuseum in Göreme.
De meeste bestaan uit een tonvormig schip en een gebedsnis.
De fresco’s in de kerken zijn vaak zwaar beschadigd door vrome moslims, die de
gezichten van de afbeeldingen geschraapt hebben. Desalniettemin zijn dit de
mooiste nog bestaande voorbeelden van Byzantijnse kunst: fresco’s geven een
goede indruk van de ontwikkeling die de kunst vanaf het begin van de
Middelleeuwen 6de eeuw tot de bloeiperiode van Byzantium 11de
en 12de eeuw doormaakte.
De fresco’s in de kerken zijn het resultaat van noeste arbeid van de monniken,
die vastbesloten waren om de schoonheid van het geloof op de muren van hun
koude, stenen wijkplaatsen aan te brengen. De afbeeldingen variëren van
voorstellingen van de kruisiging van Christus in de Tokali kerk tot een
detail van een fluitspelende herder in de kerk van de Maagd.
De eenvoudige, figuratieve afbeeldingen kwamen voort uit een grote
kennis die men destijds had van de heiligen en de geschiedenis van de kerk.
De
monniken vestigden zich ook in het
Soganli dal en de
Ihilara vallei
ten zuiden van Göreme. Aan de rechterkant van het Soganli dal ziet u
de intrigerende Monsterkerk, met een afbeelding van een naakte vrouw die
een aantal slangen zoogt. In de
Ihilara vallei staat voorts de 13de-eeuwse
St. Joris kerk, met een portret van St. Joris, die wordt geflankeerd door
een man en een vrouw in Seltsjoekse kledij: een bewijs voor het feit dat
christenen en islamieten er vreedzaam samenwoonden. Op de muur van de kerk ziet
u bovendien de namen van de Seltsjoekse sultan en de Byzantijnse keizer, die
naast elkaar in de muur zijn gekrast.
Ook
in Hacibektas, dat 60 km ten noorden van Nevsehir ligt, en Mustafapasa
leefden moslims en christenen vreedzaam samen. In Hacibektas stichtte de
mysticus Haci Bektas Veli in de 13de eeuw een derwisjen orde. Zijn
graf en seminarie verkeren nog in goede staat.
Het gehucht Mustafapasa heette voor Atatürk Sinasos en werd bevolkt door
etnische Griekse boeren en handelaren. In het centrum ligt het museum “Klein
Istanboel”, vroeger de woning van een rijke Griekse juwelier die veel geld
besteedde aan fresco’s voor het interieur. Ook de andere Griekse inwoners
zetten de kloostertraditie voort e verfraaiden hun huizen met muurschilderingen.
De vroegere Griekse inwoners keren nog ieder jaar terug om hun oude huizen, die
nu door Turken worden bewoond, te inspecteren. Het 19de-eeuwse
klooster Aya Vasilos, ofwel St. Basilius, is tegen de berg aangebouwd.
Maar
er waren ook regelmatig conflicten in Cappadocië: de ondergrondse steden
Acigol,
Derinkuyu,
Kaymakil en nog een paar andere waren wijkplaatsen voor mensen die vluchten voor
de iconoclasten, Arabieren en Mongolen. In de rotszalen diep onder de grond konden
grote molenstenen voor de ingangen worden gerold om de aanvallers buiten te
houden.
De ondergrondse stad
Acigol gelegen langs de hoofdweg tussen
Aksaray en Nevsehir is door de lokale autoriteiten schoongemaakt en verlicht en
is sindsdien voor bezoekers toegangelijk.
Er zijn drie verschillende ingangen maar alleen de eerste verdieping is
opengesteld.
Kaymakil bestaat uit acht verdiepinningen en werd in het begin van de 19de
eeuw, tijdens de invasie van het Egyptische leger, voor het laatst gebruikt. U
vindt er kapellen, grafkamers en ventilatieschachten.
In centraal Anatolië, op meer dan 1.000 meter hoogte, ligt Cappadocië. Zowat drie miljoen jaar geleden bedekten de Erciyes- en Hassan vulkaan het plateau van Nevsebir met een laag tufsteen, een zacht gesteente gevormd door lava, as en modder. Eeuwenlang zorgde de erosie ervoor dat het landschap geboetseerd werd in een bizarre mengeling van dalen, kegels, torens en schoorstenen. De verscheidenheid en snelle afwisseling in dit onwezenlijke landschap, geven de indruk dat het leeft en beweegt. Het was hier dat de eerste christenen zich verschuilden om te ontsnappen aan vervolging. Zij kapten volledige steden uit in de zachte ondergrond en verkozen een voor de buitenwereld verborgen ondergronds leven. Dit voorbeeld werd door Cappadociërs gevolgd tijdens de Byzantijnse represailles en tijdens de Arabische invallen.
De
vallei van Goreme:
In dit openluchtmuseum vindt u tientallen
schitterende, in tufsteen uitgehouwen kerkjes. Van de frescoversieringen
binnenin de kerkjes is helaas weinig overgebleven. De alleroudste kerkjes die
dateren van de eerste Christen gemeenschappen, hebben geleden onder het
iconoclasme, de Byzantijnse beeldenstorm. Ook de fresco’s, die later werden
aangebracht (vanaf de 10de eeuw), zijn grotendeels vernietigd door muzelmannen
maar ook door christenen zelf.
De
vallei van Soganli:
Op
40 km ten zuiden van Urgrüp ligt deze schitterende vallei. Het pittoreske
dorpje Soganli ligt aan een riviertje, alwaar zich eveneens een zestigtal
kerkjes bevinden. Eén van die kerkjes is de Yilanki Kilise-kerk, met een
uitzonderlijke toren.
De
ondergrondse steden Kaymakli & Derinkuyu:
Vanaf
de zevende eeuw, werden bij de toenemende Arabische invallen de ondergrondse
verblijfplaatsen door de lokale bevolking verder uitgegraven. Daardoor
ontstonden steden die zich over verschillende kilometers uitstrekken en meerdere
verdiepingen tellen.
Zo
telt Kaymakli 8 niveaus langs één centrale verluchtingspijp, ingericht
met slaapkamers, gemeenschappelijke eetkamers, voorraadkelders, wijnkelders en
kerken. In deze stad konden enkele honderden mensen er maanden onopgemerkt in
leven en overleven.
In
Derinkuyu voorzag een 60 meter diepe bron de bewoners van drinkwater.
De
“Schoorstenen” Avcilar, Cavusin
en Zelve:
In
Avcilar verlieten de bewoners hun oorspronkelijke woonplaatsen onder de
grond, om zich te vestigen in de rotsen uitgegraven feeënschoorstenen.
Aan
de voet van een 60 meter hoge wand zijn kapelletjes, kerkje en woningen
uitgegraven en vormen het gehucht Cavusin. Deze zijn deels vernietigd en
deels nog in gebruik. U kan hier de kerk van Johannes de Doper bezoeken.
Het
stadje Zelve was tot in 1952 nog bewoond. Een wandeling ter plekke geeft
een beeld van de moeilijke levensomstandigheden.
Het
indrukwekkende decor komt vooral in de late namiddag tot zijn recht.
De “kluizenaarsvallei” die naar het dorpje leidt, blijft als de “feeënschoorsteenvallei”
in het geheugen gegrift.
Hier is inderdaad een feeëriek landschap ontstaan ten gevolge van de erosie op
de gesteenten met verschillende hardheid.
Vallei van Ihlara, Nevseher, Cavusin, Urgup, Ortahisar, Uçhisar, Goreme, De rotskerken van Goreme, Feeënschoorstenen, Pasabagi, Zelve, Avanos, Vallei van Soganli, Derinkuvu en Kaymakli.
Terug naar Turkse Riviera of naar het begin