Midden Turkije

Termessos, Perga, Aspendos, Side, Alanya, Konya, Aksaray, Vallei van Ihlara, Nevşehir, Ürgüp, Ortahisar, Uçhisar, Göreme, De rotskerken van Göreme, Karanlik kilise, Feeënschoorstenen, Zelve, Avanos, Vallei van Soğanli, Derinkuyu en Kaymakli

Antalya

De besneeuwde bergtoppen van het Taurusgebergte bekronen deze bekoorlijke baai waar het herderblauwe zeewater een weelderige vegetatie van palmen, oleanders en citrusbomen weerspiegelt. Antalya, of Adalia zoals de stad tegenwoordig heet, is het centrum van het mooiste vakantiegebied van de kust: met haar moderne hotelvoorzieningen, sportuitrustingen, de jachthaven en een groot aantal campings heeft Antalya een voortdurend groeiend toerisme. De bezoeker kan hier geschiedkundige en artistieke getuigenissen van een luisterrijk verleden en van een grote beschaving ontdekken die samengaan met een uitzonderlijk mooi landschap.

De hele streek werd reeds sinds 1200 v. C. bezet door autochtone volksstammen en later ook door de Grieken die zich met de plaatselijke bevolking vermengden.

Antalya werd in 159 v. C. door Koning Attalus II van Pergamum gesticht, hij noemde de stad Attaleia. De kruisvaarders veranderden de naam in Satalia: de stad kreeg haar huidige naam toen zij in de 13de eeuw onder het domein van Sultan Alâeddin Keykubad kwam. In 130 n. C. bezoek Keizer Hadrianus, die een groot reiziger was, de stad en bij deze gelegenheid, om de gebeurtenis te vieren, werd het mooiste antiek monument van de stad opgericht dat nog bestaat: de Poort van Hadrianus. Deze uiterst sierlijke, monumentale poort heeft drie doorgangen en door zuilen gesteunde Korintische kapitelen. Oorspronkelijk moet zij twee orden en de beelden van de keizer en van zijn familie hebben gehad.

Door de boog komt men in de stad, of “de steden”, daar Antalya eigelijk uit twee steden bestaat: de oude binnenstad met haar houten huizen, de oude madrasa’s of antieke scholen en de schilderachtige hoekjes waar de tijd langzaam verstrijkt en de moderne, drukke stad met haar schaduwrijke lanen, palmbomen en exotische tuinen, de haventjes waar kleine vissersbootjes gemeerd liggen naast luxe plezierjachten. Van bovenaf ziet men dat de stad wordt gedomineerd door één enkele minaret, dat geheel uit baksteen bestaat sinds de mooie turkooizen tegelbedekking is verdwenen: dit is de 37 meter hoge Yivli Minare, of “gecanneleerde minaret“ uit het begin van de 13de eeuw. Zij maakte deel uit van een moskee die niet meer bestaat. Een andere bezienswaardigheid is de “afgestompte” minaret van de Kesik Minare Camii. De eens sierlijke slanke toren van de moskee werd door de bliksem getroffen. De moskee was oorspronkelijk een drie-schepige Byzantijnse basiliek, geweid aan de Heilige Maagd.

De in de hele provincie gevonden resten zijn ondergebracht in het Archeologisch Museum. In de tuin en in de zalen staan sarcofagen en beelden, votiefbeeldjes en architectonische friezen, aardewerk en mozaïek. Een van de mooiste mozaïeken is afkomstig uit Xanthos: het stelt de Godin Thetis voor die haar zoon Achilles onderdompelt in de wateren van de Stynx om hem onkwetsbaar te maken. De hele omgeving herinnert aan Homerus en aan de Ilias, aan de namen van Griekse helden daar waar zij hun heldendaden verrichten.  

Naar boven

 Termessos

Op een natuurlijke hoogvlakte tussen twee bergen, 1050 meter boven de zeevlakte, ligt Termessos, een van de best bewaarde archeologische plaatsen van Turkije en de enige stad die Alexander de Grote ondanks zijn succesvolle overwinningen nooit wist te veroveren. Uit een aantal inscripties kan worden opgemaakt dat de bewoners waarschijnlijk uit Lycië waren geëmigreerd, zij vonder hier op deze rotsachtige klip een ideaal oord voor de stichting van een stad. Slechts aan twee zijden dor muren beschermd, was Termessos op natuurlijke wijze veilig door de omringende bergen en de diepe vallei. Hier komt nog bij dat Termessos een buitengewoon watertoevoersysteem had, uniek als men denk aan de ligging en constructieproblemen van de stad: vijf, zeven meter diepe en elf meter brede, regenputten staan in verbinding met een in de rots uitgehouwen tunnel. Zodoende vond Alexander de Grote het in 334 v. C. beter een onmogelijke onderneming op te geven en liet hij Termessos met rust.

Tussen de 2de en de 3de eeuw v. C. beleeft Termessos haar meest bloeiende periode, zij telt dan 150.000 inwoners: uit deze tijd stamt ook het overgrote deel van de gebouwen. Later werd de stad door een aardbeving getroffen en de bewoners begonnen langzaam te vertrekken totdat zij in de 7de eeuw n. C. geheel verlaten was.

Onder alle bouwwerken van Termessos is het theater ongetwijfeld het meest opzienbarend. Het schijnt dat het werk in de rots uitgehouwen werd, van hieruit heeft men een schitterend uitzicht over zee tot aan Antalya. Gebouwd in de Hellenistische tijd met een frons scenae met vijf bogen, het theater zevenentwintig rijen treden en kon het 4.000 toeschouwers bevatten.

Termessos is, behalve om de vele tempels, beroemd om haar uitgestrekte, rijke necropolis die de stad aan drie zijden omringde. Hier staan een groot aantal verschillende graftomben, van in de rots uitgehouwen graven – de meeste – tot op een hoge sokkel geplaatste sarcofagen. Deze laatsten zijn tussen de bomen in de vallei verspreid wat een bijzonder suggestief effect heeft, zij zijn te dateren rond de 2de en de 3de eeuw v. C.   

Naar boven

Perga

In de Oudheid was Perga door de toen bevaarbare rivier Kestros met de zee verbonden. Dit is een van de meest belangrijke en meest mooie steden van de kust, ook beroemd om religieuze redenen daar Paulus hier zijn eerste rede uitsprak en geschiedkundig gezien omdat hier de schrijver Apollonius van Perga werd geboren, auteur van een beroemd wiskundig werk.

De naam Perga stamt van een oud Anatolisch dialekt en is dus niet Grieks, maar de oorspronkelijke bewoners waren er van overtuigd dat de stad was gesticht door Griekse helden na de bezetting van Troje. De eerste nederzetting wordt rond 1.000 v. C. gedateerd en bevond zich waarschijnlijk op de acropolis. Later breidde zij zich tot de onderliggende vallei uit.

Perga was een vrije onafhankelijke stad tot de komt van Alexander de Grote in 334 v. C. die haar al gefortificeerd aantrof. Tijden hellenistische en Romeinse tijd, in de 2de eeuw v. C., bloeit de stad op, zij slaat haar eigen munten met een afbeelding van het beeld van Artemis van Perga, de vruchtbaarheidgodin. Na tijdens het Romeinse keizerrijk een periode van grote welvaart te hebben bereikt, geraakt de stad in de Byzantijnse tijd in verval.

Men komt in de beneden stad door drie poorten, de mest zuidelijke, uit de Hellenistische tijd, is de mooiste en meest grootse. De poort was geflankeerd door twee ronde torens en had een ovaal binnenhof dat in 120 n. C. werd omgevormd tot een soort erehof: de muren werden met waardevolle marmeren platen bekleed en in de nissen werden beelden van goden, van keizerlijke familieleden, van de mythische stichters van Perga en van beroemde Romeinse persoonlijkheden geplaatst. Van hieruit kwam men bij de acropolis.

Perga was in vier wijken verdeeld door twee mooie wegen waarlangs zuilen stonden die waarschijnlijk uit de 2de eeuw n. C. stammen. Halverwege beide wegen, die ongeveer 20 meter breed waren, liep een waterafvoerkanaal.   

Naar boven

Aspendos

Het huidige Belkiz lag vroeger aan de oevers van de rivier Eurymedon, tegenwoordig Köpruçay, die in de Oudheid bevaarbaar was; Strabo verhaalt in feite dat hier in 468 v. C. de schepen lagen geankerd voor de epische slag tegen de Delische Zeebond. Aspendos zou gesticht zijn door de Argeeërs: maar met zekerheid weet men dat Aspendos al begin 5de eeuw de enige stad was, samen met Sidon, die haar eigen munten sloeg. Deze belangrijke rivierhaven werd in 333 v. C. door Alexander de Grote bezet omdat zij geweigerd had belastingsgelden te betalen aan de Macedonische koning: bondgenoot van Rome tijdens de slag bij Sipylum in 190 v. C., maakte zij later deel uit van het Romeinse Keizerrijk en onderging het zelfde lot.

De stad is gebouwd op twee heuvels: op de hoogste, de “grote heuvel” of Büyük Tepe bevond zich de acropolis met agora, basiliek, nymphaeum, en “bouleuterion” of “raadskamer”; van al deze gebouwen, die eens het hart van het stadsleven waren, zijn tegenwoordig slechts ruïnes over. Op ongeveer één kilometer afstand van de stad, in noordelijke richting, zijn nog duidelijk de resten te zien van een Romeins aquaduct dat Aspendos van water voorzag door een twintig kilometer lange waterleiding.

Het theater is het best bewaard en is zonder twijfel het mooiste Romeinse theater van heel Turkije. Het werd in de 2de eeuw n. C. gebouwd door architect Zeno, zoon van Theodorus die afkomstig was uit Aspendos; hij bouwde het werk dankzij de financiering van twee broers, Curtius Crispinus en Curtius Auspicatus, die het opdroegen aan de keizerlijk familie zoals enkele inscripties op de stenen aanduiden. Het theater werd in 1871 ontdekt door Graaf Landskonski tijdens een van zijn reizen in deze streek, de uitstekende staat van bewaring is te danken aan de goede kwaliteit van de kalksteen en aan het feit dat het bouwwerk door de Seldjoeken werd omgevormd tot paleis waardoor de gehele noordelijke vleugel met baksteen werd verstevigd.

De negenendertig tribunes die 96 meter lang waren konden ongeveer 20.000 toeschouwers bevatten. Men kon vanuit de sierlijke gaanderij met open bogen de voorstellingen zittend in de schaduw bijwonen. Wat de bezoeker vooral treft is de schoonheid en de architectonische sierlijkheid van de toneelmuur die bestaat uit frons scaenae die met vijf deuren uitkomt op het proscenium en twee orden vensters die doorlopen tot de buitenmuur. Aan de constructie van dit theater – wat heden nog voor voorstellingen wordt gebruikt vanwege de ongelooflijk goede akoestiek – en van het buiten de stad gelegen aquaduct is een legendarisch verhaal verbonden.

De koning van Aspendos had een bijzonder mooie dochter, Semiramis genoemd, op wie twee architecten verliefd waren: de koning besloot haar te laten huwen met de architect die in de kortste tijd een belangrijk openbaar bouwwerk zou bouwen.
De twee architecten begonnen te werken en voltooiden de bouw tegelijkertijd, de een het theater en de andere het aquaduct. Beide bouwwerken vielen in de smaak van de koning en zodoende besloot hij zijn dochter in tweeën te delen. De ontwerper van het aquaduct accepteerde deze “Salomonische” beslissing, maar de ander liet de prinses liever aan zijn rivaal.
Zodoende begreep de koning dat de ontwerper van het theater niet alleen een schitterend meesterwerk had geschapen, wat de trots van de stad was, maar dat hij tevens een uitstekende man voor zijn dochter zou zijn: en het huwelijk werd gesloten. 
 

Naar boven

Side

Volgens Strabo vestigden zich hier in de tweede helft van de 7de eeuw v. C. een groep Grieken die afkomstig waren uit een Aeolische stad. Deze Aeoliërs geven een onmiddellijke impuls aan de ontwikkeling van de stad. Side was een bloeiende stad met een levendige handel: de stad leefde niet alleen van piraterij – wat in die tijd gebruikelijk was – maar ook van slavenhandel, de slavinnen waren tot in Syrië bekend om hun schoonheid. Dankzij de goede verhoudingen met Rome, beleefde stad in de in de 2de en de 1ste eeuw v. C. een periode van grote welvaart. Maar de grootste rijkdom komt later, in de 2de en de eerste helft van de 3de eeuw n. C.: in deze periode worden schitterende bouwwerken verwezenlijkt. Het verval van de stad begint met de 4de-eeuwse Arabische invallen, de stad gaat langzaam geheel ten onder.

Ondanks enkele zware aardbevingen zijn in Side de meeste bouwwerken in goede staat bewaard gebleven. Een van de meest belangrijke monumenten is dat wat werd opgericht ter ere van Keizer Vespasianus en van zijn zoon Titus. Bij een restauratie werd het monument omgevormd tot en fontein. Het belang van Side in de Oudheid is tevens op te maken uit het feit dat de stad twee marktpleinen had.

Het grootste bouwwerk van Side was het theater dat rond midden 2de eeuw n. C. werd gebouwd met een voor die tijd buitengewoon kundige techniek. Het uitzonderlijke karakter van dit bouwwerk ligt in het feit dat dit theater, in tegenstelling met alle andere theaters in deze streek, niet in Griekse tegen de heuvel aangebouwd maar in Romeinse stijl is gebouwd: opgericht op een vlak terrein, moesten booggewelven worden aangebracht waarop de tribunes rustten.

Het overgrote deel van de te Side gevonden beelden zijn ondergebracht in het plaatselijk museum, dat in 1964 bijzonder smaakvol werd ingericht in het 5de-eeuwse Romeinse thermencomplex.  

Naar boven

Alanya

Als men vanuit de hoogte over Alanya uitkijkt ziet men dit een van de meest bekoorlijke plekjes is van de Anatolische zuidkust. Wat tegenwoordig een van de meest belangrijke en best uitgebreide uitgeruste toeristenhavens van Turkije is was ook in Oudheid al en beroemde zeehaven, Korakesion genoemd.

De oorsprong van de stad gaat terug naar de verre oudheid: gesticht in de 4de eeuw v. C. werd de stad onder het Romeinse Keizerrijk een bekend piratennest. In de 13de eeuw werd zij ingelijfd bij het rijk van de grote Seldjoekische Alâeddin Kykubat die, na de Byzantijnen te hebben verjaagd, de dochter van de verslagen gouverneur huwde en Korakesion tot zijn winterresidentie maakte. De sultan gaf de stad ook een andere naam, eerst Alâya en later de huidige naam Alanya. Uit deze tijd stamt het Arsenaal, uniek in zijn soort, uit de Seldjoekische tijd, met zijn sierlijke bakstenen bogen, de marmeren ingang en, binnen, de vertrekken die bestemd waren voor het personeel en een moskee.

Maar het mooiste architectonische bouwwerk van de stad is ongetwijfeld het murencomplex van de Byzantijnse vesting die de stad met een totale lengte van 8 kilometer omringt. Voor de bouw was twaalf jaar werk nodig: van de vijftig torens is de mooiste de Kizil Kule of Rode Toren. De toren is 29 meter hoog en werd in 1225 in achthoekige vorm, een imitatie van de kruisvaart vestingen gebouwd. De naam is te danken aan de roodachtige kleur van de steenblokken in het onderdeel en van de bakstenen in het bovendeel. Dit was een wachttoren, die waakte over de haven van Alanya en over het nabije arsenaal: de machtige toren heeft een aantal dakgoten die dienen voor het storten van kokende olie en pek over de vijand. De plunderingen van de piraten die het verleden van Alanya hadden gekenmerkt zijn tevens te zien in de vele grotten in de omgeving van de stad: in de Kizlar Magarasi zouden de piraten de tijdens hun plunderingen gekidnapte vrouwen hebben verborgen.

De meest beroemde grot is de Grot van Damlataç, klein maar zeer antiek: zij zou zelf 15.000 jaar oud zijn. Aan de meest oostelijke kant van de hoge rotsklippen van Alanya, ligt deze grot waarin zich een fantastische onwerkelijke wereld lijkt te openen met stalactieten, stalagmieten en kalkconcreties die tezamen een geheel van versteende figuren vormen: bij een constante temperatuur van 22 – 23 graden en een vochtigheidsgraad tussen de 90 en 98 procent, heeft de grot van Damlactaç geneeskracht tegen astma en andere ademhalingsproblemen.  

Naar boven

  Konya

Deze belangrijke stad in Zuid Turkije is een bekend kruispunt, liggend op meer dan 100 meter hoogte aan de zuidelijke kant van het uitgestrekte Anatolische hoogplateau, niet ver van het Taurusgebergte. Konya is een van de meest drukke vakantiesteken van Turkije; deze zeer oude stad dankt haar bedrijvigheid vooral aan de historische, culturele en architectonische getuigenissen uit het verleden. De plaats waar het huidige Konya ligt was al in de oudheid bewoond; enkele archeologische vondsten dateren de stad zelf rond 7000 v.C. maar over het algemeen wordt beweerd dat de eerste menselijke nederzetting uit de 3de eeuw v. C. stamt. Zeker is dat Konya een van de door het Hettitische rijk belegerde steden was maar de stad bloeide vooral ten tijde van de Phrygiërs. De Romeinen noemden de stad Iconium en onder deze naam was zij in de oudheid algemeen bekend: het Romeinse toponiem zou gedeeltelijk de huidige naam verklaren die schijnt verbonden aan een “icoon” waaraan een mythisch verhaal verbonden is.

In de 1ste eeuw n. C. werd in de stad gepredikt door de heiligen Paulus en Barnabas die een belangrijk aandeel hadden in de evangelisatie van de streek. In de eerste helft van de 3de eeuw had in Konya een Concilie plaats, terwijl tijdens de middelleeuwen een aantal verschillende volksstammen het land binnentrokken. Konya werd de hoofdstad van het Seldjoekische sultanaat in de 11de eeuw, later wordt de stad door het Osmaanse keizerrijk van Memhed II ingelijfd in de 15de eeuw. Maar de meest belangrijke periode uit de geschiedenis van Konya is de eerste helft van de 18de eeuw al Ğelâleddîn Rûmî, bekent onder de naam Mevlâna haar kiest als woonplaats. Deze dichter en filosoof was de stichter ven een mystiek religieuze sekte, de dansende derwisj die heden nog een van de meest typerende uitdrukkingen zijn van de Turkse folklore en traditie maar tevens een van de meest intieme en diepgewortelde manifestaties van het uiterst mystieke en religieuze gevoel van de Turken.  Vooral de feesten ter ere van Mavlâna zijn bijzonder suggestief, deze vinden jaarlijks in december plaats; bij die gelegenheid kan de toerist de gecompliceerde rituele dansen van de derwisj zien, die de traditionele klederdracht en het zonderlinge hoofddeksel dragen.

Het klooster mausoleum van Mavlâna is duidelijk te herkennen door de prachtige gecanneleerde turkooizen koepel die scherp tegen de hemel afsteekt. De architectonisch gezien schitterende koepel is omringd met koepels en minaretten. Het gebouwencomplex is de meest bezochte toeristische trekpleister van de stad. Noemenswaard zijn vooral de Türbe uit de 18de eeuw met de sarcofaag van Ğelâleddîn Rûmî en zijn naaste familieleden, en de andere vertrekken van het klooster wat tegenwoordig een waar derwisj museum is geworden. Onder de vele werken moeten genoemd de Mesnevi manuscripten een episch mystiek dichtwerk van Mavlâna en de handschriften van Divan El Kebir. De Alâeddin Camii dankt haar naam aan de vorst onder wiens regering het werk in de eerste helft van de 18de eeuw werd voltooid. Stilistisch gezien is deze kerk bijzonder interessant, ze bezit een schitterende Mihrab en Mimbar, beschouwd als meesterwerken van 17de-eeuwse houtsnijkunst. Bewondering verdient tevens het houten plafond van de gebedshal dat rust op een groot aantal zuilen met waardevolle kapitelen  en het 12de-eeuwse mausoleum in het binnenhof. In de Ince Minareli Medrese kan men, behalve het sierlijke voorportaal dat rijk versierd is en een door de bliksem beschadigde minaret heeft, tevens voorwerpen zien die deel uitmaken van het plaatselijke museum voor Houtsnijkunst en Edelsmeedkunst. De Karatay Medrese werd in de 13de eeuw gesticht als koranschool; de kerk heeft een mooi portaal en wordt gebruikt als museum. Hier kan men interessante verzamelingen bewonderen die deel uitmaken van het Aardewerkmuseum met bijzonder mooi handwerk uit de Seldsjoekse tijd. Zeer zeker een bezoek waard zijn verder met Sirçali museum gesticht als school voor canoniek recht in de 18de eeuw, waar tegenwoordig sarcofagen en grafmonumenten uit de Seldsjoekse en Osmaanse tijd zijn ondergebracht, het museum voor Turks – Islamitische kunst, het moderne museum Atatürk en de interessante archeologische vondsten van het gelijknamige museum die tijdens opgravingen in de stad en omgeving werden gevonden.   

Naar boven

Aksaray

De omvangrijke architectonische nalatenschap van de Rum- Seltsjoeksen (1071 – 1307) bestaat uit sacrale gebouwen als moskeeën en türben (grafmonumenten van de heersende klasse) en machtige karavanserais. Dit waren herbergen en rustplaatsen aan handelswegen, die de wegen tevens beschermden. De grotere, door sultans gebouwde complexen als Sultan Hani bij Kayseri en Sultan Hani bij Aksaray boden de reizende kooplieden alle gemak en luxe.
De karavanserais waren voorzien van moskeeën, badhuizen, keukens, slaap- en verblijfsruimten, een apotheek of klein ziekenhuis, reparatiewerkplaatsen, opslagloodsen en stallen.
Daarnaast stichtten de Seltsjoeken medressen (islamitische scholen) en ziekenhuizen. Opvallend was ook de hoge kwaliteit van het keramiek en hotsnijwerk, de reliëfs, munten en het textiel. Bijzondere aandacht verdienen de meestal blauwe of groen tegels waarmee de binnenmuren van de gebouwen werden bekleed. De traditionele kunst van het tapijtknopen, een ambacht van de Aziatische nomadenstammen, werd door de Seltsjoeken wijd en zijd verbreid. Anatolië moet een centrum van de tapijt knoopkunst zijn geweest. De oudste tot nu toe gevonden tapijten dateren uit de 13de eeuw en komen uit de Alaeddin-moskee in Konya.
Behalve de opvallende prestaties van de kunstenaars en ambachtslieden veroorzaakten de Turkse nomaden echter ook de economische neergang van Klein Azië, het verval van de landbouw en vooral een verval van de stedelijke cultuur. Toch hebben de Rum- Seltsjoeken nooit serieuze pogingen gedaan om Byzantium te vernietigen.
De inval van Mongoolse legers onder Djengiz Khan maakte een einde aan de korte bloeiperiode van het Seltsjoekse Rijk. In 1241 namen de Mongolen Erzurum in, in 1243 plunderden ze Kayseri. Het Seltsjoekse Rijk werd schatplichtig aan de Mongolen. 1277 werd Anatolië aangevallen door de Mammeloeken, nazaten van de Turkse soldaten die als slaaf waren ingelijfd en in Caïro woonden.
Zij bestreden de Mongolen en bezetten de kruisridderstaat Antiochia. Het Seltsjoekse Rijk viel uiteen in verschillende kleine vorstendommen, hoewel de pro forma onder de Mongoolse Khan in China vielen.
De laatste Seltsjoekse heerser werd in 1307 vermoord.

Naar boven

Vallei van Ihlara

De vallei van Ihlara heeft een landschap dat afwijkt van het typische geologische aanzien van Cappadocië: hier heeft de stroom van een rivier een diep kloofdal in de rotsmassa doen ontstaan met een begroeiing die nergens elders in het land te zien is. Niet ver van Ihlara heeft de vallei aan weerszijden van de diepe kloof een aantal bijzonder interessante kerken.

Enkele van deze kerken stammen uit de 4de eeuw en zij bezitten fresco’s die rond de 9de eeuw gedateerd kunnen worden, met Syrische elementen die oorspronkelijk vrij eenvoudig en met weinig kleuren waren – verschillende schakeringen van rood op een witte achtergrond – vanaf de 11de eeuw wordt een rijker, veelkleurig systeem toegepast en vermengt de Syrische en Egyptische stijl zich met Byzantijnse elementen, wat vooral te zien is in de religieuze mozaïeken van de meest belangrijke kerken uit die tijd.

Komend vanuit zuidelijke richting, treft men na de Kuzey Amber Kilise de Kokar Kilise of letterlijk de “Stinkende kerk” aan, stammend uit de 9de eeuw, die wordt gekenmerkt door lichtgroene fresco’s op een grijze ondergrond en door de aanwezigheid van grafkamers. Hierop volgt de Ağaç Alti Kilise ofwel de “Kerk onder de bomen”: hier is de vallei inderdaad met hoge bomen begroeid, de weelderige natuur is te danken aan de waterstroom en het milde klimaat. Vlakbij bevindt zich tevens de Sümbüllü Kilise of “Kerk van de Hyacinten”, waarvan de voorgevel gewelfde nissen heeft.

Op de andere oever, in de buurt van de Karanlik Kaya Kilise of “Donkere kerk”, staat de “kerk van de slangen” of Yilanli Kilise, zo genoemd naar de muurschildering met slangen die vier zondaressen aanvallen.

Onder de kerken is verder een bezoek waard de Eğritaş Kilise, een grafkerk met fresco’s die fragmenten uit het ‘leven van Christus en van Maria’ voorstellen. Nabij het dorp Belisirma staat de Ala Kilise een kruiskerk met zwaar beschadigde koepels

Niet ver hiervandaan bevindt zich de Bahattin Samakliği Kilise, waarvan het intérieur gewelfd is, met één enkel zuil en schitterende fresco’s.

Nog een interessante kerk in de buurt van Belisirma is de Kirm Damalti Kilise, ook wel “Sint Joriskerk“ genoemd. Op de andere oever van de Melendiz staat uiteindelijk de Direkli Kilise, een kruiskerk met een op vier zuilen rustende koepel en wandschilderingen die waarschijnlijk stammen uit de 11de en 12de eeuw.  

Naar boven

Nevşehir

Nevşehir is de hoofdplaats van een uitgestrekt gebied en heeft tegenwoordig het aanzien van een typisch moderne Anatolische stad. Dit gebied dat op meer dan duizend meter hoogte ligt, was al in de oudheid bewoond: er bestaan getuigenissen uit de neolithische tijd, bijvoorbeeld de grafplaats van Iğdeli Ceşme en andere overblijfselen van graven. Waarschijnlijk werd de stad in de Hettitische tijd gesticht vanwege haar gunstige ligging in de buurt van Kizilirmak. Toen dit een belangrijke vestiging was geworden, werd de stad rond de 12de eeuw v. C. door Egeïsche volksstammen veroverd en in de  8ste eeuw v. C. door de Cimmeriërs. Tussen 680 en 610 v. C. viel de stad in Assyrische handen; later tot in 550 werd zij belegerd door de Meden, en daarna door de Perzen tot in het jaar 332 v. C. Na de Hellenistische tijd werd Nevşehir vanaf 17 n. C. door de Romeinen bezet die de stad in 395 overgaven aan de Byzantijnen; na verschillende overheersingen van Ilhanlilar, Erethna en Karamanlis werd de stad in 1446 bij het Osmaanse rijk ingelijfd.

 Tegenwoordig zijn nog resten te zien van de verschillende antieke overheersingen: het fort dat vanaf de heuvel het huidige stadje domineert, stamt uit de Byzantijnse tijd. De Seldjoekse en Osmaanse restauraties hebben hier een vijfhoekige burcht van gemaakt met vier machtige ronde torens en twee ingangspoorten; boven de ringmuur, die gedeeltelijk tegen de rotswand is gebouwd, loopt een indrukwekkende gekanteelde kroonlijst.

Verder naar beneden staat een groot religieus Islamitisch bouwwerk, de moskee van Ibrahim Paşa, ook wel “van lood” genoemd vanwege de loodbekleding van het complex. Damat Ibrahim Paşa was begin 18de eeuw plaatselijk Grootvizier, hij zette zich in voor de verwezenlijking van de moskee, de werkzaamheden duurden acht jaar. De architect die het bouwwerk ontwierp deed inspiratie op van de moskeeën in de hoofdstad; hij liet bij de ingang een tuin aanleggen met een fontein die door een op zuilen rustende koepel was overdekt voor een, tevens overkoepelde, porticus. Het intérieur heeft mooie gedecoreerde gewelven en een kostbaar azuurstenen altaar met een spreuk uit de Koran.

De opdrachtgever van het werk, een plaatselijke mecenas, wordt herdacht met een beeld dat niet lang geleden op het plein achter het religieuze complex is opgericht. Dit is een beeld van Damat Ibrahim Paşa in zijn uitrusting als Grootvizier met een hoog hoofddeksel. Van de gebouwen die hij liet oprichten maken tevens deel uit de vertrekken die vroeger dienst deden als herberg en waar tegenwoordig het plaatselijk museum is gevestigd dat naar de vizier is genoemd.

Het in 1967 geopende museum bezit documenten die de plaatselijke geschiedenis verhalen waaronder manuscripten en handgeschreven codices; bijzonder interessant zijn vooral de archeologische afdeling met potterij, wapens, kleding en gebruiksvoorwerpen en de etnografische afdeling met traditionele plaatselijke kunst en handwerk producten.  

Naar boven

 Ürgüp

Het stadje Ürgüp ligt aan de weg die Nevşehir met Kayseri verbindt. Het bewoonde gedeelte ligt tegen een grote helling van het rotsachtige bergplateau. De oudere huizen die tegen de rotswand aangebouwd en vaak deels in de rots uitgehouwen zijn, bestaan uit plaatselijke roze–beige tufsteen en zijn daardoor bijna niet van het landschap te onderscheiden. Met hun platte daken vermengen de huizen zich met de vierkante monolieten die door erosie van de steile hellingen van het plateau zijn losgekomen. In de buurt van het antieke dorp, waarvan de huizen tot aan de onderliggende vlakte zijn gebouwd, bevindt zich een groot toeristendorp, bestaande uit een reeks moderne bouwwerken die echter geïnspireerd zijn op de traditionele plaatselijke bouwkunst; de openbare faciliteiten die nodig zijn voor de ontvangst van de bezoekers – waaronder een museum – hebben daardoor een functionele vormgeving gekregen die tegelijkertijd het suggestieve landschap niet stoort. Want vooral het landschap, de zonderlinge geologische eigenschappen van de streek zijn de belangrijkste bron van inkomsten van Ürgüp en van de omliggende stadjes.

De omgeving toont uitgestrekte vlakten  doorstroomt door rozeachtige kanalen, hier en daar en groeve waar turfsteen gewonnen wordt en de zogenaamde “feeënschoorstenen”, tussen Ürgüp en Nevşehir. Dit zijn in feite zachte turfstenen kegels bedekt met een stevige stenen plaat; de harde steen die door geologische bewegingen geslepen is maakte het mogelijk dat atmosferische krachten tussen de steenblokken konden geraken en zodoende ontstonden losstaande kegelvormige rotsblokken. De kegels zijn bewaard gebleven door de evenwichtige “bedekking” die als bescherming tegen de regen diende.

Op enkele kilometers afstand van Ürgüp staan in een uitgestrekt gebied een groot aantal kerken en kapellen, waaronder de antieke gebouwen uit de 6de eeuw van de Balkanvallei in de richting van Ortahisar. In de buurt van Cemil staat een mooi klooster, Basmelekvan de Aartsengel” genoemd., terwijl de kerken van Karaçali en Yucari zich in Ayvalik bevinden.  

Naar boven

 Ortahisar

Ortahisar ofwel “Middenvesting” wordt gekenmerkt door een aantal eenvoudige, schilderachtige constructies. Deze huizen of opslagplaatsen – die bestemd waren voor het opslaan van fruit en groenten – hebben in de regel slechts twee verdiepingen; de bovenverdieping kan langs een buitentrap worden bereikt. De meer recente gebouwen bestaan daarentegen uit metselwerk waarvoor plaatselijk gesteente werd gebruikt; de buitenmuren zijn gewitkalkt en hebben rechtlijnige kroonlijsten. Het stadje doet in zijn geheel dus bijzonder eenvoudig aan en de gelijke constructies hebben over het algemeen platte daken; in de smalle steegjes komt men vaak schilderachtige kleine vierwielige karretjes tegen waarop parasols zijn aangebracht tegen de felle zon. Vlak achter het dorpsplein ligt een monolitische, op een toren gelijkende rots die Sivrikaya wordt genoemd: binnenin de rots zijn vertrekken en ruimten verkregen door het gesteente als een bijenkorf uit te houwen. Door instorting zijn enkele binnenruimten te zien en de koud gemetselde muren zijn het resultaat van stuttings werkzaamheden.   

Naar boven

Uçhisar

Uçhisar ofwel “de drie kastelen”, bevindt zich niet ver van Göreme, vanuit de verte lijkt het dorp bekroond met een grillige rotspunt met een groot aantal kleine vensters in de rotswand. Daar waar de vensters zijn ingestort zijn een aantal binnenruimten aan het licht gekomen.

De “citadel” die enkele tientallen meters boven de bewoonde kern torent, biedt vanuit het westen een  suggestief aanzien, van hieruit lijkt dit een grote rondvormige toren met daarnaast een gebeitelde faille. Onder huizen loopt een ongeveer meter lange tunnel in de turfsteenberg: het schijnt dat deze antieke galerij diende als verbinding met buiten in geval van vijandelijke bezetting van de rots en tevens voor de watertoevoer.

Evenals te Ortahisar is ook hier de recente urbanisatie van het dorp grotendeels te danken aan de ontwikkeling van het toerisme: even buiten het dorp, vanuit een panoramisch liggend hotel, heeft men een uitzonderlijk uitzicht over het gehele dorp en over de lichtkleurige rotswand waar een duizendjarige erosieve hand zijn afdruk tussen diepe groeven heft achtergelaten. In de buurt van dit hotel ligt een zogenaamde “duiventil”: deze constructies komen vrij veel voor in Cappadocië, maar hier staan er bijzonder veel. Dit zijn rotsachtige constructies of ordeningen over een groot oppervlak, die zowel in de antieke als in de moderne tijd werden verwezenlijkt, ze zijn nog in gebruik.

Binnenin zijn een groot aantal vogelnissen verkregen; de vogels broeden hier en zodoende ontstaan een hoop uitwerpselen die in korte tijd een laag vogelmest vormen, deze lagen worden afgevoerd en gebruikt als meststof voor het land.

In de buurt van Uçhisar bevindt zich een diep kanaal: de stroompjes die hier reeds in de oudheid samenstroomden hebben een soort kloofdal doen ontstaan dat tot aan Ak Vadi loopt.

De vlakte waar de fluviatiele erosie heeft ingewerkt lijkt zodoende onverwachts in tweeën gesplitst door een onbegroeid kloofdal waar de steile witte rotswanden in de grillige vormen zijn gemodelleerd. Ook de benaming van de vallei “sneeuwwit”, is te danken aan de kleur van de rotsen; de antieke waterstroom vormt aan de voet van de steile rotswand een afgrond en tegen de rotswanden kan men de verschillende erosie lagen waarnemen. Verder gaand langs de weg die van Uçhisar in noordelijke richting leidt, komt men bij Avçilar, liggend op een kruising van twee wegen, waarvan er een noordwaarts naar Çavusin en Zelve voert en de andere oostwaarts naar Göreme.

Ook Avçilar heeft een oeroude oorsprong; een getuigenis hiervan is een graftombe uit de Romeinse tijd, die op en steile rots staat. Dit is in feite een rotstombe, een in de rotswand uitgehouwen monument met binnenruimten. Oorspronkelijk was de voorgevel ontworpen als een soort tempeltje met een driehoekig timpaan; onder het bovenstuk lopen twee lijsten die het horizontale balkwerk imiteren dat rust op twee zuilen met Dorische kapitelen  

Naar boven

Göreme

De streek rondom Göreme werd al in de vroege oudheid bewoond; in recentere tijden werd het gebied bevolkt door christenen die, vluchtend voor de Mohammedanen, in deze streek een veilig onderkomen vonden en bekoord werden door de uitzonderlijke geologische omstandigheden. De oudste kerken, die helaas bijna geheel verloren zijn gegaan, stammen in feite uit de 7de eeuw. Christenen en monniken maakten van het gebied een toevluchts- en gebedsoord en zij vestigden zich in de vreemde tufstenen kegels. Zodoende konden zijn niet gemakkelijk worden ontdekt en konden zij zich beter verdedigen. De schilderkunst onderging hier een bijzondere ontwikkeling, behalve in de periode van het iconoclasme tussen 715 en 843 toen in de kerken slechts abstracte en symbolische decoraties waren toegestaan; dit voerde tot het ontstaan van de “stijl van Cappadocië”.

De afgebeelde dierenfiguren hebben verschillende betekenissen: de Griekse naam van de vis “iktus”, vormde de initialen van de zin “Iesus Kristos Teou Uios Soter”, dit wil zoveel zeggen als “Jezus Christus Zoon van God, de Verlosser” en symboliseerde de Christusfiguur, terwijl de duif altijd al het symbool van de vrede en van de Heilige Geest was. Het hert is het symbool van de ziel en de pauw van de onsterfelijkheid, terwijl andere dieren een symbolische traditie hebben die terug gaat tot in het verre verleden: de haan – het symbool van de dag, de levenskracht en het licht, en dientengevolge reeds in de Griekse tijd van het Goede – en de palm, oostelijk symbool van de levensboom, van de levenskracht en de eeuwigheid.

Enkele rotsconstructies uit de streek dienden als grafplaats: een van de meest suggestieve  voorbeelden hiervan vindt men als met te Göreme aankomt, waarin een stenen kegel met een klein geveltje een grafkapel is aangebracht. De binnenruimte is vierkant met een abside met halfcirkelvormig bovenstuk; de graven zijn uitgehouwen in de rotsbodem en later ook in het bankwerk waarop waarschijnlijk ingevoegde sluitplaten waren aangebracht. Tot de streek van Göreme behoort ook de vallei van El Nazar, waar de “feeënschoorstenen” rotsbouwwerken bevatten als de “kerk van de Madonna”; in de nabije vallei van Kiliçar Vadisi bevindt zich een vierzuilige kerk, de”kerk van Kiliçar”, van een zekere architectonische waarde, ook al heeft ze geen wandschilderingen.   

Naar boven

De rotskerken van Göreme

Een gedeelte van de vallei van Göreme, wat tegenwoordig een openluchtmuseum is, was in vroegere tijden bewoond door een religieuze gemeenschap. In deze rotsmassa’s werden door de monniken christelijke kerken verwezenlijkt. De stichter van de gemeenschap was Sint Basilius bisschop van Caesarea, die deze kleine kloostergemeenschappen oprichtte om zich terug te trekken, te ontkomen aan de strekking van die tijd die vooral gericht was op grotere gemeenschappen of op een eenzaam kluizenaars bestaan.

Door het bewerken van de grote tufstenen monolieten met een techniek die de eenvoudige zachte rotssteen exploiteert, werden een groot aantal kerken verkregen – volgens een plaatselijke traditie zouden er vroeger 365 kerken hebben bestaan, één voor elke dag van het jaar – waarvan er nog een dertigtal voor het publiek zijn geopend. Maar bijna alle nog bewaarde kerken wan Göreme werden na 850 gehouwen, zij werden in de daaropvolgende eeuwen gedecoreerd met wandschilderingen in een stijl die, hoewel geïnspireerd op bestaande werken uit de hoofdstad, toch een buitengewone eenvoud uitdrukt.

De architectonische decoratie is vaak uitzonderlijk mooi. De schilderkundige ornamentiek werd uitgevoerd door kunstschilders in opdracht van plaatselijke notabelen. Op verschillende inscripties – hier en daar voorzien van portretten – zijn de namen van de kunstenaars en van zijn financiers te zien; historisch en iconografisch onderzoek hebben bewezen dat de opdrachtgevers grotendeels plattelandsnotabelen waren die soms verenigd waren in een “trust” om de meest kostbare werken te kunnen financieren.

De schitterende kleurschakeringen zijn na zo lange tijd goed bewaard gebleven door de waterdichtheid van de tufsteen en de binnentemperatuur die nauwelijks onderhevig was aan klimatologische invloeden.   

Naar boven

Karanlik kilise

De zogenaamde Karanlik kilise of “Donkere kerk”, was eigelijk een kloostercomplex. Evenals de andere constructies van Göreme die gebedsoorden voor de monniken  waren, werd ook de Donkere kerk in de 9de eeuw gerealiseerd door toedoen van tenminste vier mecenassen zoals is te zien in de wandschilderingen. De grote rotsmassa waarin de verschillende vertrekken werden uitgehouwen werd getroffen door een zware instorting, waardoor de narthex tegenwoordig ook van buitenaf is te zien.

De naam van de kerk is af te leiden van de duisternis die in de kapel heerst: het licht valt hier slecht binnen door een kleine opening die op de voorhal uitkomt. Maar door haar schaarse licht en een constante vochtigheidsfactor zijn de bijzonder mooie fresco’s van de Karanlik kilise eeuwenlang bewaard gebleven; de afbeeldingen in de kerk zijn, volgens en terugkerend ritueel, geschilderde taferelen uit het Leven van Christus, op een mooie blauwe, lazuurstenen achtergrond; een van de mooiste schilderingen is de Christus Pantocrator in het middengewelf, de Geboorte, de Doop, het Laatste Avondmaal, het Verraad, de Kruisiging, en een aantal Heiligen en Evangelisten  

Naar boven

Feeënschoorstenen

Niet ver van Zelve, bij het plaatsje Paşabag, bevinden zich in een kleine vallei de zogenaamde “feeënschoorstenen” of in het plaatselijke dialect “peri bacasi”. De vallei is tevens bekend onder naam Monnikenvallei door de aanwezigheid van kluizenaarshutten in de tufstenen kegels.

De eigenaardigheid van de vallei bestaat uit en groot aantal vreemde, bijna kegelvormige rotsformaties die schoorstenen lijken waardoor een legende was ontstaan. Men beweerde dat hier met overmacht begaafde bovenaardse wezens, feeën, leefden.

De geologische geschiedenis van de schoorstenen gaat terug tot een ver verleden: zoals bekend is dit een vulkanische streek, de rotsformaties bestaan uit steen van verschillende hardheid.

De strek rond Paşabag bestaat, evenals het overgrote daal van dit gebied, uit tufsteen; maar ook een hardere basaltsteen wordt hier gevonden, waar onder andere de “deksels” van de schoorstenen uit bestaan. De verschillende erosiekrachten hebben in vergane tijden op de bovenlaag van de donkere, harde rots ingewerkt waardoor de onderliggende, veel zachtere, tufsteen aan het licht kwam. Van de bovenlaag zijn tegenwoordig slecht de “deksels” van de kegels over; hieronder loopt een duidelijke, bijna horizontale, lijn die de onderkant van de tegenwoordig verdwenen antieke rotsspleet aanduidt. De steenblokken die door de erosiekracht, maar tevens door het regenwater, loskwamen ondergingen later een diep verticaal splijtingsproces, waardoor zij veranderden in met elkaar verbonden kegels of groepen kegels.

Aan de tand destijds en de kracht van het water voegde zich later de menselijke hand toe: een groot aantal kegels werd bewerkt om er kluizenaarshutten of rotswoningen van te maken. De meest zonderlinge formatie is de zogenaamde schoorsteen langs de weg, eens soort natuurlijke zuil met bovenop een deksel of hoed; binnenin bevond zicht zich een kapelletje en ook de aanliggende kegels waren uitgehouwen, deze hebben echter tegenwoordig geen overdekking meer.   

Naar boven

Zelve

Evenals overal elders in Cappadocië, ligt Zelve in een vulkanische landstreek; de vulkaan van de Mont Argaeus of Erciyes Dağ is de plaatselijke naam is nog werkzaam, hij torent met zijn 3.917 meter hoogte boven het omliggende land uit en is op grote afstand zichtbaar.

Zoals reeds eerder opgemerkt heeft de verschillende compositie van de rotsstructuur en de daaruit voortvloeiende hardheidsgraad van tufsteen en basaltsteen de meest eigenaardige rotsformaties doen ontstaan die door de tand destijds de meest uiteenlopende en vaak surrealistische vormen hebben aangenomen

De zeer antieke gemeenschap vestigde zich in de rotswand en in de rotsspleten, ruimten werden uitgehouwen in de tufsteen en de door het regenwater gegraven spelonken werden benut. Op deze weidse ruimten, die soms zelfs deden denken aan een overdekt plein, kwamen de ingangen van de dieper gelegen woningen uit en, in recentere tijden, van de kleine constructies in metselwerk. De gemeenschap die hier leefde – eerst een christengemeenschap en later een Islamitische communiteit – was aanzienlijk en daar er tevens veel dienstlokalen waren zijn er een groot aantal getuigenissen bewaard gebleven van deze vreemde manier van onderaards leven. Men ziet hier kerken en waterreservoirs; er staat ook een molen, een ruimte met plat dak waarin een ronde steen die draaide in een rondvormige, in de bergrots uitgehouwen onderbouw, dienst deed als maalsteen.

Onder de meest belangrijke constructies moeten enkele kerken genoemd die de meest antieke voorbeelden zijn van religieuze bouw en schilderkunst uit deze streek. De Üzümlü Kilise of “Kerk van de Druiventrossen” dankt haar naam aan de druiventrossen die, omringd met enkele bladeren, tegen de muur op en witachtige achtergrond zijn geschilderd. Interessant is tevens de grafische eenvoud van de afbeelding, een simpele donkere driehoek waarin de druiven wit gelaten zijn. De druivenrank was al in de tijd van de Grieks Dionysische plechtigheden en van vroegere oosterse godsdiensten een religieus symbool, voor het christendom symboliseert zij de Christus figuur.

Toen het antieke centrum Zelve door de Mohammedanen werd bewoond, bevond zich hier tevens een moskee, die evenals de andere constructies, in de rots was uitgehouwen. 

Tot in de vijftiger jaren werd er nog in deze rotswoningen geleefd: het progressieve geologisch verval van de rotsmassa en de voortdurende uitbreiding van de bouwwerkzaamheden voor het verkrijgen van meer ruimten leidde, ondanks verschillende stutwerkzaamheden, tot gevaarlijke instortingen van de spelonkwoningen. Zodoende werd de gemeenschap geëvacueerd naar het nabije, moderne Zelve of Yeni Zelve.

Naar boven

Avanos

De stad Avanos heeft en zeer antieke geschiedenis: hier was al in de bronstijd menselijk leven, zoals de opgravingen van de grafplaats Toprakli tonen. Door het grondgebied stroomt de rivier Kizilirlmak, een van de langste rivieren van Turkije, 1.355 kilometer lang. Deze rivier was al bekend bij de Hettieten die haar Marassantiya noemden, terwijl zij in de klassieke tijd Halys werd genoemd; de huidige naam betekent “Rode rivier”, dit gedeelte van de stroom heeft inderdaad een roodachtige kleur.

Ook de naam Avanos, afkomstig van het Latijnse Venasa, duidt op dit element: ijzerhoudende mineralen kleuren het slijk dat in de groeven wordt verzameld en verwerkt als grondstof voor aardewerk. Het maken van ceramiek is in feite een van de belangrijkste bezigheden van het centrum: op een van de stadspleinen staat het monument dat herinnert aan de verschillende plaatselijke activiteiten als de wijnoogst en de weverij maar vooral de pottenbakkerij.

In veel straten zijn kleine vazenwinkeltjes ten zien waar de pottenbakker zittend op een eenvoudig pottenbakkerswiel met naast zich de typische bak met potklei allerlei potten vervaardigt. Vooral de glanzend rode monochrome potten met bloemmotieven en geometrische figuren worden veel verkocht. Gelijke motieven worden ook gebruikt voor de tapijten die in Avanos, evenals in andere Turkse streken, een belangrijke traditionele bron van inkomsten zijn. Deze tapijten worden zowel in kleine werkplaatsen als door de vele vrouwen thuis vervaardigd uit zijde en wol dat met geduld wordt geweven op houten weefgetouwen. Overal in de straten ziet men deze typische plaatselijke producten en overal staan oude tufstenen gebouwen en huizen met elementen van typische Islamitische bouwkunst, waaronder een gebouw met terras en de loggia aan de voorgevel.  

Naar boven

 Vallei van Soğanli

Een complex van sacrale constructies uitgehouwen in de tufstenen rots, enigszins lijkend op de museale zone van Göreme, bevindt zich in Soğanli, op 25 kilometer afstand van Dirinkuyu, een streek die reeds lang dor de plaatselijke bevolking werd gebruikt als  vogelbroedplaats: de vogelbroedplaatsen werden verkregen in lang verlaten kerken.

Een vrij recente restauratie heeft een aantal christelijke tempels aan het stroompje dat door een lang dorp stroomt in ere hersteld. De kerken die waarschijnlijk uit de 9de en 10de eeuw stammen hebben een eenvoudig ontwerp en zijn gedecoreerd met muurschilderingen in heldere kleuren als blauw, groen, rood en zwart op een beige achtergrond. De meeste voorstellingen hebben afbeeldingen van Christus, de Heiligen, religieuze en dierlijke symbolen maar enkele panelen tonen zonderlinge figuren die waarschijnlijk verbonden zijn met vroeger culten.

Onder de vele kerken is vooral een bezoek waard de “Kerk van het wilde dier”, zo genoemd door de aanwezigheid van een wild dier naast de afbeelding van de Heilige Johannes. Van de twee vertrekken beschikt er een over een altaar en over wandnissen die als graftomben werden gebruikt, terwijl het aangrenzende vertrek een eenvoudige vierkante ruimte is. Verder is de Kubbeli Kilise of “Koepelkerk” die echter uit twee gescheiden kerken bestaat. Het intérieur van dit cultusoord, waartoe men toegang heeft langs drie ingangen, heeft banken en is in drie schepen verdeeld door twee rijen pilaren en lisenen; de zijbeuken hebben evenals het middenschip, twee kleine halfcirkelvormige absiden met altaar. De bovenverdieping is minder eenvoudig; deze bestaat uit twee verlengde, evenwijdige sacrale vertrekken die ieder een narthex hebben en die met elkaar in verbinding staan. De rechter kapel heeft een kleine apsis met altaar en een narthex met koepel; de kleine kapel heeft een wandaltaar en een vierkante voorhal die niet alleen op de kerk zelf maar op de naastliggende kerk uitkijkt en tevens op een vestibule en op een binnenvertrek. Ook de Kerk van Sint Barbara bestaat in werkelijkheid uit twee aangrenzende kerken. Ook al is de constructie in een ernstige staat van verval en zijn de fresco’s helaas bijna geheel verloren gegaan, kan men nog zien dat de twee evenwijdige vertrekken bijna geheel gelijk maar van verschillende afmetingen waren. Men dacht in een fresco de figuur van de Heilige Barbara te herkennen; het complex is naar die afbeelding genoemd.

De Karabaş Kilise dankt haar naam “Kerk van de zwarte koppen” aan het feit dat de heiligen die hier zijn afgebeeld, door verweer en oxidatie van de schilderingen, tegenwoordig een zwart gelaat hebben. Het complex is gedeeltelijk ingestort, het bestond uit meerdere zalen die, behalve de middelste zaal, elk een eigen altaar hadden.  

Naar boven

Derinkuyu en Kaymakli

Een van de meest verassende complexen uit de streek is Derinkuyu, een enorme onderaardse stad. Onder de 19de-eeuwse kerk bevinden zich zeven lagen met vertrekken, kamers, gangen, keukens vergaderzalen, grafplaatsen en kerken die door de eeuwen heen werden uitgegraven totdat ze over een oppervlakte van 4 vierkante kilometer, 200.000 bewoners huisvestten. Het luchtverversingssysteem is groots en bijzonder kundig, het bestaat uit verticale putten die verbonden zijn met regenbakken.

Kaymakli was al in de 5de eeuw v. C. bewoond. Ook dit complex bestaat uit meerdere boven elkaar gelegen lagen die met elkaar verbonden zijn door kokers, die in verbinding staan met regenputten.

De toegangen werden gesloten door middel van een ingewikkeld draaisysteem: een enorme ronde steen, lijkend op een maalsteen, bevond zich in een nis van waaruit hij op eenvoudige wijze voor de ingang kon worden gerold. Een opening midden in de steen zorgde voor de verwijdering door middel van spillen en voor de afsluiting met schoorbalken.

Het gebruik van deze zachte steen maakte de constructie mogelijk van elementen die gewoonlijk uit hout werden vervaardigd zoals kasten, tafels, bedden, kraagstenen die in de steen zijn uitgehouwen. Tegenwoordig heeft het onderaardse dorp elektrische verlichting, waardoor een bezoek vergemakkelijkt wordt.  

Naar boven

Terug naar Turkse Riviera of naar het begin