Monastir en omgeving.

Port el Kantaoui, Sousse, Wandeling door de medina, De Moskee, Vanaf de toren heeft men een prachtig uitzicht over de medina, Het museum, Catacomben.

Monastir, Wat is er te zien in Monastir, De Ribat, Het museum in de Ribat, Het mausoleum van Habib Bourguiba, Het museum, Het havencomplex, Moskee Habib Bourguiba
Kairouan, Wat is er te bezichtigen in Kairouan, De Grote Moskee, Moskee van Sidi Sahib of Moskee van de Barbier, De zaouia van Sidi Abid El Ghariane, Bir Routa (tegenwoordig nog al eens Bir Barouta genoemd), De Sabelmoskee, De moskee met de drie deuren, De waterbassins van de Aghlabiden, De oude wallen.

El Jem, Sfax, Medina, Hammamet.

Tunis, Wandeling door de medina, De Grote Moskee, De Souq El Blat, Het kerkhof Jellaz.

Carthago en badplaatsen in de Golf van Tunis, La Goulette, El Kram, Carthago, De heuvel van Byrsa, De Punische havens, Tophet, Het amfitheater, De thermen van Antoninus Pius, Parc des Villas Romains, Het theater, De cisternen, Sidi Bou Said, La Marsa.
Cap Bon, Nabeul, Dar Chabaane, Beni Khiar » Korba, Kelibia, Kerkouane, El Haouaria, Sidi Daoud, Korbous.
Gabès, De moskee van Sidi Boulbaba, Grande JaraDe oase van Chenini Gabès, De vissershaven.
Matmata, Sbeitla, Kasserine.

Port el Kantaoui

In de loop van de jaren zeventig is men hier gestart met de aanleg van een jachthaven, welke in 1979 officieel in gebruik genomen. U ziet er een pleziertreintje, de Witte Schildpad genaamd, tegenkomen dat naast de vele taxi’s voor de verbinding met Sousse zorgt. Het geheel is in Andalusische stijl opgetrokken, en doet fris aan, omdat het perfect schoon gehouden wordt en alle straatjes een zee van bloemen, bomen en planten te zien geven. Het grote complex bevat huur- en koopappartementen, en verder alles wat voor een toeristencentrum nodig is: levensmiddelenzaken, restaurants en cafe’s, krantenkiosken, banken, postkantoor, kappers, enz...
Ook op sportgebied biedt El Kantaoui veel: een surfschool, een geweldig golfterrein, een duikschool en de mogelijkheid om boottochten te maken. Inlichtingen hierover zijn te krijgen in het kleine V.V.V. kantoortje, direct achter de ingangspoort links van de medina. Vooral in de weekeinden wordt er op de kade, ook door Tunesiërs veel geflaneerd.

naar boven

Sousse

Sousse is met zijn ongeveer 300.000 inwoners na Tunis en Sfax de derde grote stad van Tunesië, en behoort met Djerba en Hammamet tot de belangrijkste toeristencentra van het land.

Wat is de moeite waard?
De Medina met zijn ribat, moskee en souq;
Het museum in de kasba van de medina;
De catacomben;
De dromedarisen markt op zondagmorgen.

Sousse wordt ook wel ‘Parel van de Sahel’ genoemd, heeft een lange geschiedenis achter de rug. De beroemde generaal Hannibal had er in de Tweede Punische Oorlog zijn legerkamp, tijdens de Derde Punische Oorlog koos de stad partij voor Rome en kreeg de naam Hadumentum, de Vandalen noemden het Huniricopolisi en de Byzantijnen eerder hun keizer door de stad Justiniapolis te noemen. De Arabieren veroveren de stad aan het einde van de 7de eeuw en vanaf toen heette de stad Sousse.

Uit die tijd stammen de grootste Ribats, wellicht de mooiste aan de hele Afrikaanse kust, de Grote Moskee, de kasba en de imposante stadswallen met een lengte van 2,5 kilometer. Weliswaar hebben daarna de Noormannen, de Spanjaarden en bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog veel vernield, toch is het grootste gedeelte van de oude stad redelijk gespaard gebleven. Sousse in een prettige stad met een infrastructuur die men in niet veel steden in Tunesië tegenkomt. Het heeft mooie stranden, veel goede hotels, een gezellige boulevard en een brede hoofdstraat met veel restaurants en terrasjes.

Het drukke plein Farhat Hached vormt de scheiding tussen nieuwe en oude het Sousse, en het is er altijd druk op en rond de terrassen. De haven, de vierde grootste van Tunesië ligt vanaf de terrassen gezien aan de linkerkant, en ongewoon dichtbij, het is alsof de grote schepen zo de Avenue opvaren. De haven dateert uit omstreeks 1900, en is in 1945 behoorlijk uitgediept, om ook grotere schepen te kunnen laten binnenvaren. Geringe overblijfselen van de oude Romeinse haven zijn enkele honderden meters verder nog te herkennen. Helemaal vreemd is dat de treinen van de grote lijn Sfax - Sousse zonder dat er enige beveiliging is, met luid getoeter dit plein oversteken! Rustig een krantje lezen is hier bijna onmogelijk. Onophoudelijk komen er verkopers langs met zilver, jasmijn, amandelen, glibettes (zonnebloempitten), sigaretten, tapijten en niet te vergeten de schoenpoetsers. Ze vertonen vaak een enorme halsstarrigheid. In het kleine parkje op het plein hoeft u niet te gaan zitten vanwege de gezonde lucht want de auto’s razen erom heen, maar het is er wel heel gezellig. Er wordt thee gezet op de kleine kanouns, de krant gelezen, gediscussieerd en geslapen. Een bordje boven een van de banken ‘alleen voor dames’ herinnert nog aan de Franse tijd. In de zomermaanden ziet men er waterverkopers zitten met grote kruiken, gevuld met gekoeld water en afgedekt met een prop stro om de insecten te weren. Het is een zwakke afspiegeling van een bijna uitgestorven beroep, dat van de ‘garbaji’ de waterdrager, die vroeger met een leren zak op zijn rug van deur tot deur ging om water te verkopen.

Recht tegenover dit plein ligt de medina, een van de meest interessante van Tunesië omdat hij op een heuvel en aan zee ligt. Het is een doolhof van hellinkjes, bochtige nauwe straatjes, trappen en doorlopende steegjes. Het is heerlijk om hier doelloos rond te slenteren en alle indrukken op je af te laten komen, bijvoorbeeld de souq van de juwelen, de tapijten, leerbewerkers, de geuren van kruiden, bakkerijen en parfums die in minuscule flesjes worden aangeboden, de mooie deuren met meerdere kloppers, fraai van vorm, voor de verschillende leden van het gezin, sierlijke ‘moucharabiehs’ traliewerken van hout of smeedwerk voor de ramen die aan de vrouwen die niet naar buiten mochten de gelegenheid gaven naar buiten te kijken zonder zelf gezien te worden...

Badhuizen, moskeeën te veel om op te noemen. De stadswallen zijn meer dan 2,5 kilometer lang, tegenover Place Farhat Hached is een ingang, die er nooit geweest is, maar veroorzaakt is door een luchtaanval in de Tweede Wereldoorlog. De zes andere toegangspoorten zijn bijna allemaal nieuw, in de 8ste eeuw waren er maar twee ingangen. De muren zelf zijn meer dan 2 meter dik, hebben ronde kantelen en vooruit springende vierkante torens. Hoewel vaker gerestaureerd is het oorspronkelijke karakter van de wallen goed bewaard gebleven.

naar boven

Wandeling door de medina: Start op het plein Farhat Hached, bij ‘Office National du Tourisme’ op de hoek van Avenue du Président Habib Bourgiba, oversteken naar het kleine verkeersbureau dat gevestigd is in de zaouia van Sidi Ibdallah, waar entreekaartjes voor de moskee verkocht worden. Tegen het parkje aan ligt nog een andere zaouia die van Sidi Yahia, die tegenwoordig als leeszaal wordt gebruikt. Rechtsaf naar boven langs de buitenkant van de stadswal waar de taxistandplaats en het busstation voor Sousse en directe omgeving is. De medina binnengaan door de Bab El-Jebli, een van de drie poorten die rond 1890 zijn gebouwd. In de zomer staat hier altijd een ijsbereider, wiens apparatuur meer lijkt op dat van een ouderwetse scharensliep. Onmiddellijk na de poort linksaf, waar u een mooi zicht op de Grote Moskee hebt en doorloopt langs de muur waar zich de grote wolopslagplaatsen bevinden waar dagelijks tientallen vrouwen aan het werk zijn. Vóór u de 1ste straat rechts, de Rue d’Eglise ingaat is het interessant deze wolstraat rustig te bekijken, prachtige taferelen zijn er te zien, als de deuren een beetje openstaan. De rue d’Eglise is genoemd naar de vroegere katholieke kerk maar deze is gesloopt. Aan het eind van de straat de trappetjes af, en de grote moskee staat voor u. Op dit plein ligt ook ‘Hotel Medina’ een oude foundouq waar het heerlijk koel is en men een goede muntthee serveert.

naar boven

De Moskee: Deze moskee waarvan de binnenplaats behalve op vrijdags iedere morgen, mits decent gekleed, van 8.00 - 12.00 uur bezocht kan worden, is evenals die van Kairouan gebouwd in de 9de eeuw ten tijde van de Aghlabiden. Het is echter niet de oudste moskee van Sousse, die komen we in de loop van de wandeling tegen. Het is duidelijk te zien dat deze gebedsruimte ook een rol speelde in de defensie van de stad: zeer sober opzet, vier torens (waarvan er nog maar twee over zijn) borstweringen en het geheel met opzet buiten de gemeenschap gebouwd. De binnenplaats is gesierd met de banderol in het mooie Kufi schrift, waarin ook het jaartal van de bouw, 850 staat. De moskee is meerdere malen gerestaureerd, de laatste keer in 1965. Deze restauraties mogen zeer verantwoord genoemd worden, het oorspronkelijke karakter van de moskee is volkomen behouden gebleven. Vroeger bezat het gebouw maar één koepel, die waarin zich de Mihrab bevond, maar toen in de 10de eeuw de gebedsruimte werd verdubbeld moest de Mihrab ook verlegd worden, vandaar de tweede koepel.

Dichtbij de moskee ligt de Ribat. De Ribat is een van de vele schakels die de moslims hebben gebouwd om zichzelf tegen de aanvallen van de christenen te kunnen verdedigen. De Ribat was echter geen gewoon fort, maar een soort kloosterburcht, die ongeveer aan 50 man ruimte bood en een oppervlakte had van ongeveer 40 bij 40 meter. De monniken, die ten strijde trokken voor hun geloof kwamen vrijwillig, voor een onbepaalde tijd in dienst en huisden in vredestijd in de cellen, die in twee verdiepingen diende als gebeds- en onderwijsruimte. De toren, die via 74 treden te beklimmen is, was een prima uitkijkpost en via lichtsignalen schrok men naderende vijanden af en zond men boodschappen van de ene Ribat naar de andere. Boven de ingang zijn enkele smalle lange sleuven te zien waardoor ongewenste gasten verrast konden worden met kokende olie, heet water of stenen. Tevens was er boven de ingang, die met twee antieke zuilen is gesierd een reuze valhek gemonteerd.

naar boven

Vanaf de toren heeft men een prachtig uitzicht over de medina .

Daarna de Rue De Sicillië in , die hieraan grenst, maar vanwege het hoogteverschil is een omweggetje aan te raden! In deze straat vinden we de medersa Zakkak. Dit elegante bouwwerk dateert uit de Turkse tijd, maar de top van de minaret is van veel latere datum. Het geheel, dat bestond uit de moskee, mausoleum en religieus college is rijk gedecoreerd met mooie zuilen en antieke kapitelen. Achter de ingang zitten meestal op de mooi betegelde banken een paar mannen, die u graag een blik in de binnenhof gunnen. Vóór de Zakkak langs lopend, daarna een bocht naar rechts, naar links en weer naar rechts komen we aan het begin van de Rue Des Aghalba. In deze straat lagen maar liefst drie zaouia’s. Hier liggen de ‘heiligen’ begraven onder een grote tegel, waarop een groene, lege kist staat, die versierd is met rode, witte of groene vaandels. Na nummer 30 ziet u een oude mesna, een bruggetje in de lucht waar een ezel de hele dag op en neer liep om de watertoevoer voor het badhuis te verzorgen! De grote katrol staat er nog. De Rue Des Aghalba vervolgend, ligt tegenover nummer 61 de kleine masjid "Gibran". In de Rue El Hajra staat de uit 840 daterende Oudste Moskee van Sousse ‘Bou Ftata’ ligt; een juweeltje van bescheiden bouwkunst met een zwart geverfde inscriptie langs de brede minaret. Dat er in de 9de eeuw nog niet in ieder wijk een moskee was, is te zien aan de grote ijzeren haken die in de muren zijn geslagen, waarvan de ezels vastgebonden werden. We arriveren voor de ‘porte du Sud’, ook wel ‘Bab Qibli’ genaamd, en gaan daar linksaf, dus weer binnen de wallen blijvend en de straat uitlopend belanden we in de uiterste zuidoosthoek van de medina op het plein. Het plein is voor een medina ongekend groot en licht, er is een ruim speelplein voor de twee scholen met hun Appel-achtig beschilderde muren en deuren, en hier is ook het hoofdkwartier van de verkennerij. Weer linksaf gaande komt u uiteindelijk bij ‘Bab Jdid’ uit, waar de dagelijkse groenten- en vismarkt is. Wanneer u deze wandeling hebt voltooid, dan hebt u een redelijk beeld van de medina gekregen, maar ook nog veel gemist. Wilt u zelf nog verder op ontdekkingstocht gaan, duik dan vooral de straatjes en steegjes in waarvan de naam met het woord ‘Sidi’ bevat. In de meeste gevallen zult u daar een herinnering vinden aan een van de vele nog, of niet meer vereerde ‘heiligen’.

Kortom in een Arabische medina raakt men nooit uitgekeken, noch op het labyrinth van straatjes, noch op de mensen en niet te vergeten de hoeveelheid rondzwervende katten.

naar boven

Het museum: Het museum van Sousse bevindt zich in de oude kasba. De maandags is het museum gesloten. Het is geopend van 9.00 tot 12.00 uur en van 15.00 tot 18.30 uur, in de winter verandert de middagtijd in 14.00 tot 17.30 uur. De afstand tot de kunstwerken is minimaal gehouden gehouden, en het is prachtig aangelegd. De zalen liggen rondom twee tuinen; tussen de palmen, sinaasappel- en citroenbomen staan Romeinse zuilen, sarcofagen en allerlei andere fragmenten. In de door het museum niet gebruikte ruimten wonen enkele gezinnetjes zodat u af en toe onder waslijnen door moet en de kippen ziet trippelen rondom de Romeinse bustes! Zelfs op de toiletten staan achteloos enkele amforen. Vanuit de tuin kan men een trap op naar een hogere gelegen gedeelte van de kasba, van waaruit men uitzicht heeft op de haven en de medina. De zalen herbergen mozaïeken, grafstenen, sarcofagen, profylactische maskers, veel terra sigillata aardewerk, vroeg christelijke kunst, kortom dit museum is een must.

Een van de mooiste en oudste mozaïken die in Tunesië gevonden zijn, meet 3.80 bij 3.50 meter en is in 1899 ontdekt in een Romeins huis, waar hij als vloerbedekking dienst deed .

Het is een scéne tussen een Satyrachtig wezen en een Bacchante.

Een Satyr: was een diermens met bokkenpoten, horens en een staart, een bosdemoon en symbool van zinnelijke lust.
En Bacchante waren vrouwelijke volgelingen van Dionysos, vaak uitgebeeld als in de bossen dolende, extatisch dansende wezens.

Groene en verdorde wijnranken verdelen het werk in acht taferelen. Het hoofd van Neptunus is getuige van ieder tafereel, met een goedkeurende, vrolijke strenge, bedroefde of kwade blik.

In het eerste medaillon zien we de man, gezeten op een rostblok. Hij trekt met kracht en een begerige blik de vrouw naar zich toe, die verontwaardigd kijkt, probeert de sluier over haar hoofd te trekken en los te komen.

In de tweede scéne heeft zij zich even, weten te ontsnappen, maar de man krijgt haar weer te pakken. In zijn rug is duidelijk het bokkenstaartje te zien. De vrouw die zich blijft verzetten draagt in één hand een Bacchusstaf, in de ander een mandje. Enkele delen ontbreken.

In het derde medaillon verzet zij zich manhaftig, met haar linker hand krabt zij de man ongenadig in het gezicht, terwijl zij met de andere hand wanhopig haar lendendoek vasthoudt, die hij tracht te ontrukken.

Dan ontbreekt helaas de vierde voorstelling.

Gezien het verdere verloop, zal het ongetwijfeld de overgave van de vrouw aan de man voorgesteld hebben, boze tongen beweren dat deze erotische scénes moedwillig vernietigd zouden zijn. Hierna geven zij zich over aan de vreugde van de dans, de viriliteit straalt van de man af.

In het volgende medaillon een gelukzalige rust, maar tevens een uitnodigende blik om de dans weer voort te zetten, wat in de volgende voorstelling ook gebeurt.

De vrouw zweeft letterlijk in zijn armen.

In de laatste scénes loopt zij van de toeschouwer weg, terwijl hij haar probeert tegen te houden. En Neptunus kijkt tevreden.

De randvlakken zijn opgevuld met mythologische figuren, en diervoorstellingen zoals pauwen, een panter, een haas, vogels, enz...

naar boven

Catacomben: Alleen de catacombe van ‘Le Bon Pasteur’ (de goede herder) is te bezoeken, de andere twee zijn niet voor het publiek toegangkelijk en dat zal het nooit meer worden. In de 150 onderaardse gangen werden van de 2de tot de 4de eeuw meer dan 6.500 christenen begraven. De graven van de armen werden dichtgemetseld, die van de rijken van een marmaren plaat, inscripties of mozaïken voorzien. Wat men bij het bezoek kan waarnemen is niet meer dan een aantal gerestaureerde gangen; alle belangrijke elementen zoals mozaïken zijn verwijderd en in een belendend museum tentoongesteld. Daar ziet men echt hoe de doden begraven liggen, en hoe men onderscheid maakte tussen meer of minder belangrijke personen. Zo is er een graf te zien van een priester, of bisschop, dat vrij groot en met gestucte rozetten verfraaid is.

naar boven

Kamelenmarkt (dromedarisen): De zondagmarkt die even buiten Sousse op de weg naar Sfax ligt draagt een misleidende naam: er is nooit een kameel (dromedaris) te koop. Verder is er alles te verkrijgen wat het Arabische gezin voor het dagelijkse leven nodig heeft: matrassen, meubels, kleding, groenten, kruiden, levende kippen en aardig wat kitsch om aan de toeristen te slijten. Het is een geweldig schouwspel en hoe vroeger men er is, des te interessanter is het. Vanaf ongeveer 4.00 uur in de nacht zijn de standhouders aan het werk om hun aan te bieden koopwaar uit te stallen.

Opgelet voor zakkenrollers en ze schrikken er niet voor terug om ook hand en schoudertassen los te rukken of draagriemen af te snijden.

Boeit zo een weekmarkt u, neemt dan eens een bus, taxi of louage naar een minder toeristische plaats, b.v. naar Kaala Kabira waar vrijdagsmorgens de markt is, dan pas ziet u echt het onvervalste Arabische leven.

Praktische informatie:

V.V.V.: Syndicat d’Initiative: Avenue Habib Bourguiba, 1.
Een bijkantoortje is gevestigd in zaouia van Sidi Ibdallah, Place Yahia, 1.
Postkantoor: Hoek Avenue République en Boulevard Maarouf.
Bussen: Place Yahia is de standplaats voor bussen naar plaatsen in de directe omgeving:
zoals Hergla, El Kantaoui, Hammam Sousse, Kaala Kabira, enz...
Op de Place Farhat Hached en bij Bab Jdid komen de bussen voor de langere afstanden bij elkaar.
Treinen: Er lopen prima treinen naar Sfax en Tunis.
Dienstregelingen zijn te krijgen op het station: Avenue Hassouna Ayachi.
Tevens is er een klein stationnetje bij de vissershaven, waar de treinen naar Monastir en Mahdia vertrekken.
Louages: Hebben hun standplaats bij Bab Jdid en Bab Ej Jebli.

naar boven

Monastir

De Feniciërs noemden de plaats Rous Penna, de Romeinen maakten er Ruspina van, terwijl het van de Arabieren, die er in de 8ste eeuw een verdedigingsfort tegen de aanvallende christenen bouwden, de naam Monastir kreeg, van oorsprong een Latijns woord dat klooster betekent en de plaats aangaf waar de mannen zich religieus en militair op een oorlog voorbereiden. Toen in de 11de eeuw de heilige stad Kairouan door de troepen van Beni Hilal met de grond was gelijkgemaakt , heeft Monastir de rol van Kairouan overgenomen, waardoor het in de 11de en 12de eeuw door duizenden pelgrims is bezocht, maar de wederopbouw van Kairouan verviel het in armoede, en was niet meer dan een onbetekenend vissersplaatsje. Daar werd in het jaar 1903 de man geboren die later de eerste president van Tunesië zou worden: Habib Bourguiba!

Vanaf het moment dat Bourguiba president werd is er niets gespaard om van Monastir en plaats te maken, de president waardig. Boulevards en pleinen werden aangelegd, mede om goed zicht te geven op de monumenten en standbeelden, groenstroken, mooie gebouwen kortom Monastir, het kleine bescheiden stadje onderging een hele metamorfose, waardoor het echter wel veel van het karakteristieke heeft moeten prijsgeven: hele woonwijken in het centrum zijn gesloopt om plaats te maken voor de nieuwe moskee, een modern gerechtsgebouw, enz...

Het plein in het centrum wordt gesierd door een standbeeld van een parmatig tienjarig scholiertje, de veelbelovende knaap Habib Bourguiba!

Sinds Zine El A Ben Ali president is ziet Monastir er niet meer zo verzorgt uit en is de aandacht meer gericht op de geboorteplaats van de nieuwe president: Hammam Sousse, waarvan Sousse en El Kantaoui duidelijk ook van profiteren. Ook de souq Ech-chraga heeft veel restauraties ondergaan, die niet allemaal even geslaagd zijn.

naar boven

Wat is er te zien in Monastir?

De Ribat;
Het kleine museum in de Rabit;
Het mausoleum van Habib Bourguiba;
Het volkenkundig museum naast de V.V.V.
Het nieuwe Havencomplex;
De moskee Bourguiba
Skanes.

naar boven

De Ribat: Deze Ribat is ouder dan die van Sousse, werd gebouwd op iniatief van Harthama lbn Ayoun en in 796 voltooid. Hierin hebben de mourabits geleefd, mannen die zich aan Allah hadden gebonden door een vrijwillige gelofte zich in te zetten voor de verdediging van de islam. Sommigen traden de Ribat als een klooster binnen, anderen verbleven er voor korte of langere tijd, als in een garnizoen, die elkaar afwisselen. In de Ribat werden zij getraind voor de ‘Jihad’, de heilige oorlog. Dit dubbele karakter, militair en godsdienstig vindt zijn uitdrukking duidelijk in de bouw, robuust en sereen. Helaas.... er is zo vaak en zo veel gerestaureerd dat het zelfs voor een kenner moeilijk is om de originele gedeelten te ontdekken.

Toch is het een indrukwekkend monument met een geweldig uitzicht over de stad, de nieuwe haven en de zee, als men tenminste de moed kan opbrengen de meer dan 70 treden van de Nador, de vuurtoren te beklimmen. De bekoring van de Ribat met zijn omgeving is de filmproducenten niet ontgaan. En velen van hen hebben het een en ander aan decor laten staan, zodat men het ene moment voor een gedeelte van een antieke tempel, dan weer voor een vervaarlijk kanon staat. Of is dat inmiddels allemaal opgeruimd?

naar boven

Het museum in de Ribat: In de voormalige gebedsruimte, het oudste gedeelte van de Ribat is een klein maar fijn museum ingericht: op perkament geschreven koranverzen, lederen koranomslagen, fragmenten van de oude preekstoel van de moskee van Kairouan, een Turks huwelijkscontract, aardewerk uit de tijd van Abassiden en Fatamiden, glaswerk, juwelen en zelfs een astrolabium (sterrenhoogtemeter) uit 927, afkomstig uit Cordoba.

naar boven

Het mausoleum van Habib Bourguiba: Dit is wel het meest opvallende en indrukwekkende monument van Monastir met zijn vergulde koepel en slanke minaretten. Entree in dit mausoleum is verboden, maar vanaf de oprijlaan krijgt men toch wel een goede indruk van dit superpraalgraf voor de ‘Combattant Suprème’ temidden van de nederige grafstenen van zijn onderdanen. Aan het begin van de oprijlaan staan twee koepelgebouwtjes: één waar oudstrijders begraven zijn, in het andere worden de doden vóór de begrafenis neergezet. Op de volksbegraafplaats ligt een 12de eeuwse Kubba, gewijd aan Sidi El Mazeri.

naar boven

Het museum: Een smaakvol ingericht museum waar veel te zien is van traditionele kleding, waarin vooral de kleding van de bruid tijdens de zeven dagen durende bruiloft veel aandacht krijgt.

naar boven

Het havencomplex: In navolging van Port El Kantaoui heeft Monastir nu zijn ‘Cap Monastir’ met een 4 sterren de luxe hotel, koop- en huurappartementen, restaurants, winkels, jachthavens, enz... Toch is de belangstelling voor Cap Monastir lang niet zo groot als voor Port El Kantaoui, wat zeker ook te wijten zal zijn aan het feit dat de stad Monastir niet over een mooi strand beschikt, de kuststrook is weliswaar prachtig, maar rotsachtig, reden waarom de meeste hotels ook ver buiten de stad liggen.

naar boven

Moskee Habib Bourguiba: Deze moskee is in 1966 gereed gekomen naar het ontwerp van de Tunesische architect Taieb Bouzquenda. De moskee heeft een minaret van 41 meter hoogte en 180 treden! De ribattorens van Monastir en Sousse hebben minder dan 80 treden.

De route de La Falaise waarlangs veel mooie villa’s liggen geeft een magnifiek uitzicht op zee en leidt van Cap Monastir naar de voormalige zomerresidentie van Habib Bourguiba. De oud-president had de gewoonten de maanden juli en augustus in deze residentie door te brengen. Deze twee maanden stonden dan helemaal in het teken van zijn verjaardag op 3 augustus. Ieder gouvernement bouwde zijn eigen ereboog in de stad, en afgevaardigden kwamen om het feest met zang, dans en vooral veel gedichten ter ere van de president luister bijzetten. Het sprookje van het paleis begint al bij de muren, die rijk met bougainville zijn begroeid, en waarachter zich een van de mooiste tuinen van Tunesië bevindt met veel fonteinen en een riant zwembad. De toekomste bestemming is nog niet bekend. Enkele kilometers verder richting Sousse begint de toeristenzone, een lang lint van hotels langs een prachtig strand. Taxi’s, bussen, koetsen en een pleziertreintje zorgen voor het vervoer van de toeristen naar de stad en terug.

naar boven

Kairouan

Men moet Kairouan gezien hebben voor men Tunesië verlaat bij een vakantie. Na Mekka, Medina en Jeruzalem is het de vierde stad van de islam, en werd in 671 na Chr. door de Arabische veldheer Okba lbn Nafi uitgekozen als uitgangspunt voor zijn veroveringstochten. Het was een goed gekozen strategisch punt tussen de Berbers die in het noordwesten en westen in de bergen woonden, en de Byzantijnen die zich langs de kuststrook hadden gevestigd. De legendes echter ontkennen de strategische blik van Okba en schrijven het stichten van Kairouan toe aan de duidelijke wil van Allah.

De eerste legende vertelt dat Okba op dit punt een gouden beker terug vond die hij eerder in Mekka had verloren.

De tweede legende laat de hond Routa van een van de manschappen, dat al gravend een bron ontdekte, die in directe verbinding zou staan met de Heilige Zem-Zem bron in Mekka.

Hoe dan ook, de manschappen van de veldheer waren zeer ontstemd over de keuze van deze dorre, droge plaats vol slangen, schorpioenen en ander gevaarlijk ongedierte. Om zijn manschappen te overtuigen van zijn heilige zending richtte Okba het woord tot de dieren, met het verzoek te verdwijnen, en binnen één dag was de omgeving vrij van ongedierte. De mannen, zeer onthutst over dit wonder, bleven vanaf dat moment hun meester trouw.

Onder de Aghlabiden (800 - 909) beleefde Kairouan een ware bloeitijd op het gebied van religie, wetenschap, literatuur, kunst en architectuur. Daarna komen de Fatimiden aan de macht, die daar ze het oog op Egypte hebben gericht, naar Mahdia verhuizen. In 1057 zal de stad door de troepen van de Beni Hilal volkomen verwoest worden. Na de heropbouw zal Kairouan nooit meer een belangrijke politieke rol spelen, maar de islam blijft het de belangrijkste stad van de Maghreb landen. Was Kairouan te tijde van de eerste Arabische invallen een dorre en droge vlakte met alleen hier en daar wat doornige struiken, tegenwoordig ziet de omgeving van deze stad er al heel wat groener uit. Het klimaat kent hier extremen: de warme, droge Sahara wind teistert de stad meer dan 20 dagen per jaar, terwijl zware regenval vaak catastrofale overstromingen veroorzaakt van de Oueds Merguellil, Zèroud en Nabhana. Men heeft stuwdammen gebouwd om het water op te vangen, waarmee dan de landerijen kunnen worden geïrrigeerd, en om deze barrages te beschermen tegen ophoping van zand en modder worden er bomen geplant.

De nieuwste stuwdam, Merquellil, heeft een capaciteit van 130 miljoen kubieke meter.

naar boven

Wat is er te bezichtigen in Kairouan?
De Grote Moskee;
De moskee van Sidi Sahib, ook wel de moskee van de Barbier genoemd.

Minder belangrijk maar toch interessant zijn?
De zaouia van Sidi Abid El Ghariane;
Bir Routa;
De Sabelmoskee;
De moskee met de drie deuren;
De waterbassins van de Aghlabiden;
Het grote tapijtcentrum van de staat: O.N.A.T.

naar boven

De Grote Moskee: Tijdens de gebedsuren en op vrijdag is de moskee niet te bezichtigen. Decente kleding is vereist, voldoet u hier niet aan dan wordt u tegen een kleine vergoeding een wit gewaad aangeboden, dat u tijdens uw bezoek zult moeten dragen. De grondlegger van Kairouan, Okba lbn Nafi liet de moskee in 670 bouwen, en een verschijning van de engel Gabriël zou hem de plaats aangewezen hebben waar de Mihrab moest komen. Nauwkeurige nametingen hebben uitgewezen dat de engel zich een paar graden heeft vergist! De moskee is meerdere malen gerestaureerd. Ondanks het feit dat niet-moslims de gebedsruimte niet mogen betreden krijgt men vanaf de binnenhof toch een goed beeld van de grootsheid van deze moskee. Maak eerst een wandeling om het gebouw. De imposante, maar sobere, meer dan 10 meter hoge muren doen meer aan denken aan een fort dan aan een gebedsruimte. Er zijn meerdere ingangen, De Lalla Rihana poort in het zuidoosten geeft aan de gelovigen directe toegang tot de gebedszaal. Het is een juweel van een deur met antieke zuilen en mooie inscripties. De inscripties boven de deur laat ons zien dat liefdadigheid in de 14de eeuw beslist niet anoniem gebeurde.

De poort is geschonken door Mustansir, een van de Hafsiden-vorsten en hij heeft er boven laten beitelen: "Moge Allah het gezag van de Hafsiden vereeuwigen, hun triomfen vermeerderen, en hun beloning en salaris verdubbelen"...

De binnenhof kan betreden worden door de west-ingang. Aan de linkerkant is de 35 meter hoge minaret, waarvan alleen het onderste gedeelte uit de 7de eeuw is, de etages daarboven zijn van latere datum. Was Okba lbn Nafi er trots op zijn stad te stichten op ‘onbezoedelde grond’, hij heeft niet nagelaten Romeinse en Byzantijnse gebouwen te plunderen ter meerdere glorie van Allah. Van Carthago, Sousse en Sbaitla werden de bouwmaterialen aangevoerd. Dat moeten zware transporten geweest zijn! De moskee bevat niet minder dan 540 grote en 60 kleine pilaren, waarvan slechts een klein gedeelte zuiver Arabisch is. Op het binnenhof valt direct de oppervlakte van het grote waterreservoir op, sierlijke hoefijzervormige gootjes dienen om het water te decanteren, te zuiveren van zand en andere ongerechtigheden. Verder zijn er 7 antieke putgaten te zien, die enorme slijtagegleuven vertonen door het eeuwenlang optrekken van de touwen van de emmers. Een lessenaarachtig meubel, dat via een klein trapje te beklimmen is, is de zonnewijzer, die diende om de gebedstijden vast te leggen. De meeste andere moskeeën bezaten zo’n wijzer niet, en daarom werd als de gebedstijd was aangebroken vanaf de minaret een groene vlag uitgestoken, kleur van de islam. ‘s Avonds werd er een licht ontstoken in de minaret om de medebroeders aan te geven dat de gebedstijd was aangebroken. Maar in een tijdperk van luidsprekers, horloges, radio en televisie is dit niet meer nodig. Jammer is dat sinds kort de minaret niet meer beklommen mag worden.

De grote, rijk bewerkte cederhouten deur naar de gebedsruimte staat open. Vóór die deur indrukwekkend plafond en zuilen. Als men dan de gebidsruimte in kijkt kan men alleen maar stil worden van de serene sfeer die er hangt. Het kleine, linkergedeelte is voor de vrouwen, die over het algemeen hun gebedsplicht liever thuis vervullen, het grote rechter gedeelte is voor de mannen. Tussen de honderden antieke pilaren en de Arabische gewelven zijn houten stootkussens aangebracht, die vochtregulerend werken en schade bij eventuele aardbevingen kunnen voorkomen.

Op de vloer liggen matten, die ook om het onderste gedeelte van de pilaren zijn gedrapeerd, aan het plafond hangen grote luchters. De Mihrab heeft 150 opmerkelijke tegeltableaus, die in de 9de eeuw vanuit Bagdad zijn geïmporteerd. De parelmoerachtige kleuren, die afhankelijk zijn van de lichtinval steeds variëren, zijn ontstaan door een speciaal proces in de oven, waar de metaaldeeltjes vrijkomen, die zich als een vliesje op het email vastzetten. Deze techniek wordt nu niet meer toegepast, en Kairouan is nog de enige stad in Tunesië die zo’n kunstwerk bezit.

Naast de Mihrab staat de preekstoel, gemaakt vanuit Libanon afkomstig cederhout, vanaf deze prachtig gebeeldhouwde Minbar houdt de imam op vrijdagmiddag een toespraak tot zijn gelovigen.

Naast de Minbar bevindt zich de Maqsoura, een ruimte waar vorsten en hoogwaardigheidsbekleders zich kunnen terugtrekken op ongestoord hun gebed te verrichten. Er wordt niet alleen tijdens de officiële gebedstijden gebeden, op ieder moment van de dag kan men koranreciterende mannen aantreffen op de matten tegen een van de honderden pilaren. De ingetogen sfeer in de moskee staat in schrille tegenstelling tot de sfeer buiten de muren. Onmiddellijk bij het verlaten van het islamitische bolwerk zult u kennis maken met de tapijtverkopers, die hun zaak aan de overkant hebben.

Omdat de omgeving niet veel biedt en de stad goed in één dag te bezichtigen is, zijn er weinig toeristen die er één paar dagen verblijven en daar zijn de verkopers zich terdegen van bewust! Hun ‘nu of nooit’ verkooppolitiek is heel hinderlijk, en dat geeft menig toerist in deze toch zo mooie stad een benauwend gevoel. Vóór u het weet zit u met een mierzoet glaasje thee in een van de tapijtpaleizen, waar enkele mannen op een uitermate behendige manier het ene tapijt na het andere voor u uitrollen.

naar boven

Moskee van Sidi Sahib of Moskee van de Barbier: Het is geen moskee maar een mamabout, en Sidi Sahib was ook geen kapper! Het is het graf van een van de vrienden van de profeet Mohammed: Sidi Abou Zamaa El Balaouni, die altijd drie baardharen van de profeet, in zijn kleren genaaid bij zich droeg. Sidi Sahib betekent mijn -- heer -- de vriend, maar de inwoners van Kairouan maken ervan: Sidi Sahib, mijnheer mijn vriend. In tegenstelling tot de ingetogenheid van de Grote Moskee is dit gebouw een uitbundig kleurenfeest. Van de oorspronkelijke vorm uit het jaar 1600 is weinig meer over, in de 19de eeuw is de zaouia grondig verbouwd. Het is een druk bezocht bedevaartsoord en op de geboortedag van de profeet vindt hier het grootste feest van het jaar plaats: de groepsbesnijdenis. De avond tevoren lijkt Kairouan een tafereel uit de sprookjes van duizend en één nacht. Alle moskeeën zijn verlicht en in de Grote Moskee wordt een bijzondere plechtigheid gehouden, die door veel hoogwaardigheidsbekleders wordt bijgewoond.

De dag daarna is het feest van de besnijdenis: Als prinsjes gekleed, en met veel amuletten worden de jongens in de leeftijd van 2 tot 5 jaar, omringd door familieleden en voorafgegaan door muzikanten naar de Moskee van de Barbier gebracht. Vrouwen begeleiden de muziek met hun schelle ‘you-you’s’ en er worden religieuze liederen gezongen. De kinderen in het gevolg dragen kruiken met snoepgoed met zich mee die op het moment van de ingreep kapot gegooid worden. Na afloop worden de jongens in grote optocht naar huis gebracht en met cadeaus overladen. Naast de ingang van de Andalusische minaret, en om de binnenhof liggen allerlei vertrekken, die vroeger als koranschool en ruimten voor de leerlingen hebben gediend. De wanden zijn rijk versierd met veelkleurige tegeltableaus, waarboven heel fijn stucwerk met ingezette stukjes gekleurd glas, waardoor men aan glas - in - lood ramen moet denken. De houten plafonds zijn ware schilderijen.

De plaats waar de graftombe van Sidi Sahib staat mag niet door niet moslims betreden worden, maar wanneer de zon hoog aan de hemel staat kan men toch een goede indruk krijgen: onder de hoge koepel hangt een Grote Venetiaanse luchter. De tombe van Sidi Sahib is met een kostbaar tapijt bedekt en de wanden hangen vol met schenkingen: zilveren dankplaquettes, vlaggen, vaandels en zelfs zakjes zand uit Mekka! In de galerij vóór de graftombe liggen vele kleden in allerlei maten en kleuren, meestal eerste werkstukken van de meisjes van Kairouan, die zij aan de heilige hebben geschonken. Vóór de ingang zit een man om ons duidelijk te maken dat we niet naar binnen mogen gaan en de schoenen te bewaken van diegenen die naar binnen zijn gegaan, want net zoals in een moskee betreedt men dit heiligdom zonder schoeisel. Modieuze schoentjes met naaldhakken bewijzen dat het niet alleen de ouderen zijn die de zaouia bezoeken.

In een andere galerij ligt Sidi Cherif Bin Hindu begraven, een rijke Indiër die tijdens zijn leven veel geld aan de gemeenschap heeft geschonken. Het is een ietwat povere vertoning, vooral ook door het vrouwtje dat daar dag in dag uit aan de ingang zit, de voorbijgangers met wat rozenwater besprenkeld om hun daarna bijna gebiedend om een gift te vragen.

naar boven

De zaouia van Sidi Abid El Ghariane: Deze uit Libië afkomstige heilige studeerde in Kairouan en heeft daarna zijn leven gewijd aan het onderricht in de koran. Ook hier zien we weer de prachtig beschilderde plafonds en het stukwerk zoals in de Moskee van de Barbier. Deze zaouia uit de 14de eeuw is een van de weinige, die geen koepel hebben.

naar boven

Bir Routa (tegenwoordig nog al eens Bir Barouta genoemd): Routa heet de hond van een van de manschappen van de stichter van Kairouan die deze bron ontdekt zou hebben, die in directe verbinding zou staan met de Zem-Zem bron van Mekka. Na een steile trap komt men bij het kijkspel aan: een met een groene shawl geblinddoekte dromedaris loopt de hele dag rondjes om het rad draaiende te houden waardoor de kruikjes met het bronwater naar boven gebracht worden. Het bouwwerk is 17de eeuws. De moslims kennen dit water bijzondere eigenschappen toe en zullen Kairouan dan ook niet verlaten zonder ervan gedronken te hebben.

naar boven

De Sabelmoskee: Heeft de zaouia van Sidi Ghariane geen koepel, de Sabelmoskee heeft er maar liefst zeven. Ze zijn echter moeilijk te zien omdat het bouwwerk in een vrij smalle straat staat. De zaouia is gewijd aan Sidi Abada, een zeer vrome wapensmid uit de 19de eeuw, die geen werkstuk verkocht zonder dit van een korantekst voorzien te hebben. Te zien aan de zware materialen moet het een ijzersterke man geweest zijn. Er hangen reusachtige sabels, en er zijn lood zware deuren en geweren te zien, alle met koranteksten.

naar boven

De Sabelmoskee, De moskee met de drie deuren: Deze moskee is buiten gebruik en kan niet bezichtigd worden, maar heeft een interessante voorgevel. Het gebouw is uit de 9de eeuw, de minaret is van een latere datum. Over de hele voorgevel lopen drie banden van ornamentaal Koefischrift, versierd met bloem- en bladmotieven. Een prachtig voorbeeld van kalligrafiekunst. De bovenste en onderste band zijn origineel, de middelste is toegevoegd toen de ietwat detonerende minaret is gebouwd.

naar boven

De waterbassins van de Aghlabiden: Niet ver van de Moskee van de Barbier, schuin tegenover hotel Continental liggen deze waterbassins, een van de weinige bouwwerken die uit de tijd van de Aghlabidendynastie zijn overgebleven. In het jaar 862 gebouwd zijn zij weliswaar meerdere malen gerestaureerd, maar de oorspronkelijke vorm is behouden gebleven. In totaal moeten er in Kairouan, 15 van deze bassins zijn geweest, die de stad van water voorzagen en waarvan men tevens hoopte dat ze wat vochtigheid aan de stad zouden brengen. Het water komt van de berg Cherichera en wordt via een aquaduct naar het kleinste bassin gevoerd (37,40 meter doorsnee) waar het gezuiverd wordt en dan doorstroomt naar het grote bassin (128 meter doorsnee). Van daaruit werd het dan naar de stad gevoerd. De Aghlabidenvorsten hebben hier in kleine bootjes op het water gedobberd, en in het midden van het grote bassin hadden zij een paviljoentje, waarin zij op warme zomeravonden verkoeling kwamen zoeken. Nu is alleen nog een stukje pijler te zien, waarop het paviljoen oorspronkelijk heeft gestaan. Op de vlakte rondom de bassins liggen enige marabouts.

naar boven

De oude wallen: Deze hebben drie toegangspoorten: in het zuiden die met kapitelen versierde poort van de Martelaren. In het zuidoosten ‘Bab El Khoukha’, de sluippoort met mooie arcades en Byzantijnse kapitelen terwijl de meest noordelijke poort, de ‘Porte de Tunis’ is versterkt met een controlefortje.

Behalve het bezoek van de historische bezienswaardigheden mag de souq zeker niet vergeten worden. Er wordt druk gerestaureerd met de hele verrassende resultaten. De reputatie van de stad waardig zijn de plafonds van enkele steegjes met tapijten bekleed. Kairouan heeft veel kleine restaurants ‘kaftajia’ genaamd. Het is een van oorsprong Turks woord dat gebruikt werd voor degene die ‘kefta’ verkochten, een vroeger erg gewaardeerd gerecht op basis van sterk gekruid en gehakt dromedarisenvlees. Momenteel wordt de ‘kefta’ gemaakt van tomaten, pepers, eieren en op verzoek geserveerd met gegrilde lamskoteletten. Andere specialiteiten van kairouan: ‘Makroudh’, zoete met dadelpasta, amandelen of sesamzaad geulde koekjes, geparfumeerd met rozenwater of zhar, die door enkel bakkers op een kunstzinnige manier geëtaleerd worden.

Geen Tunesiër zal Kairouan verlaten zonder voor zijn familie Makroudh te kopen. Typisch voor Kairouan is ook het paardenharen washandje. Vroeger werden deze met traditionele motieven geborduurd, nu nog alleen maar met een simpel streepje of helemaal effen.

naar boven

El Jem

In een eentonig landschap van olijven denkt men langzaam aan in het niemandsland te verdwijnen, tot opeens als een fata morgana het majestueuze amfitheater van El Jem, het Romeinse Thysdrus opdoemt. Het is het grootste amfitheater van Noord-Afrika en bood plaats aan meer dan 30.000 bezoekers.

De Carthagers hebben ook al rondom dit belangrijke kruispunt gewoond, maar daar is zo goed als niets terug gevonden. Onder de Romeinen beleefde Thysdrus in de 3de eeuw een enorme bloei, niet in het minst te danken aan de enorme olijfoogsten. Mooie villa’s verrezen, meesterhanden legden mozaïkvloeren, badhuizen, een circus en een amfitheater werden gebouwd. Dit eerste amfitheater werd al spoedig te klein zodat er onder stadhouder Gordianus een groter amfitheater werd gebouwd. De Romeinen werden steeds veeleisender en de bevolking moest grote sommen belasting betalen. De onrust en ontevredenheid groeide, wat escaleerde in de moord op een belastinginner. Het volk riep daarna de zeer sociale Gordianus tot kiezer uit, en hij werd in triomf naar Tunis gebracht. Helaas, de toen al 80 jarige Gordianus heeft niet lang geregeerd. Rome sloeg namelijk terug en bij een van de gevechten verloor de zoon van Gordianus het leven waarna de oude man niet verder wenste te leven en zelfmoord pleegde. Thysdrus zou daarna nooit meer een rol van betekenis spelen.

In de 7de eeuw speelde zich een ander drama af in het amfitheater. De beroemde Berbervorstin Kahena verzette zich met haar leger met hand en tand tegen de oprukkende Arabieren. Toen zij niet meer het hoofd konden bieden aan de aanvallen van de vijand verschansten zij zich in het amfitheater, en vernielden tribunes om met dat materiaal barricades op te bouwen. Door wanhoop en hongersnood gedreven wisten zij een ondergrondse gang te bouwen, om zo aan hun vijand te ontsnappen, en tijdens deze vlucht zou Kahena in de buurt van Tabarka gesneuveld zijn. Een Heroïsch verhaal waarover de historici echter grote twijfels hebben.

Tien eeuwen later zal het amfitheater weer als verschansing dienen voor Arabische opstandelingen tegen de Bey. Bey Hammouda weet niet beter te doen dan een bres in de muren te slaan om de opstandelingen te overmeesteren. De enorme bres is nu nog duidelijk te zien. Daarna is het amfitheater de prooi geworden van enthousiaste doe het zelvers, die met de Romeinse elementen hun huizen verstevigden en verfraaiden.

Nu staat het gelukkig onder de zorg van de A.S.M., waardoor het voor verdere plundering gespaard blijft en weer bezichtigd kan worden.

De as van west naar oost heeft een lengte van 149 meter, de kleinste as meet 124 meter. De drie verdiepingen hebben arcades met ionische en corinthischekolommen, en ondergronds zijn de kelders te bezichtigen, waar de wilde beesten werden vastgehouden tot het moment waarop zij op christenen of misdadigers werden losgelaten onder het toeziend oog van een juichende menigte.

Er werden ook gladiatoren gevechten gehouden, waarbij fikse prijzen uitgeloofd werden en de sponser in de koninklijke loge mocht zitten. In het museum van Sousse (zaal 9) zien we het bewijs hiervan: in een mozaïek zijn vier gladiatoren te zien in gevecht met luipaarden, in het midden van de voorstelling ziet men een dienaar binnenkomen met in zijn handen een blad waarop een zak met prijzengeld ligt. Ook werden er wagenwedstrijden met twee of vier paarden gehouden. Wanneer men op de hoogste verdieping over het kleine dorpje kijkt lijken de witte huisjes op lucifersdoosjes in verhouding te de majestueuze arena. In de gangen zijn veel baldadige inscripties te zien. Over één inscriptie hebben geleerden hun hoofd gebroken tot een inwoner hen de oplossing kwam geven: de inscripties waren van de plaatselijke messen- en dolkenmaker Abdallah Djenir, die dit stukje van de muur gebruikte als testplaats voor de scherpte van zijn creaties te testen.

Ieder jaar in de maand juli wordt het festival van El Jem gehouden. Stelt u zich voor, een heldere hemel, veel sterren, honderden brandende toortsen en kaarsen tot in de hoogste arcades, veel bloemen, een spookachtig spel van licht en schaduw en de doodse stilte waarin naar een sfeervol concert wordt geluisterd. Het Verona van Noord-Afrika! Mocht u in de gelegenheid zijn een voorstelling bij te wonen, een plaatsje op de gerestaureerde Romeinse tribunes prefereren boven een houten klapstoeltje, neem dan een kussentje of een extra trui mee. Het is een lange zit, te meer daar de voorstellingen nogal eens te laat beginnen.

Het museum: Het bevindt zich 1 kilometer verder op de weg naar Sfax, in een gerestaureerde Romeinse villa en bevat voor mooie mozaïeken, beelden en andere voorwerpen uit de Rijke Romeinse tijd. In de toekomst zal er nog meer te zien zijn, men is nog steeds druk met opgravingen bezig, terwijl de omgeving van het amfitheater wordt verfraaid.

Praktische informatie:

Te bereiken met treinen en bussen vanuit Sousse en Sfax;
De maandag is de marktdag.

naar boven

Sfax

Is Sfax een Romeinse of Arabische creatie . Er zijn uitgebreide onderzoekingen gedaan naar de oudheid van de stad, men heeft in de medina tot 5 meter diepte peilingen verricht, maar geen spoor van de Romeinen gevonden. Nu neemt men aan dat de stad in het midden van de 9de eeuw is gesticht onder de Aghlabiden, en dat de naam afkomstig is uit de Berbertaal en de betekenis ‘ceintuur’ heeft. Enkele kilometers buiten de stad is er wel een Romeinse nederzetting geweest, Taparura geheten, maar deze is volkomen gesloopt door de Aghlabiden die de Romeinse materialen hebben gebruikt om hun ceintuur, hun wallen, te bouwen. Sfax heeft in zijn verleden veel bezettingen gekend, maar steeds manmoedig weerstand geboden tegen de indringers. De troepen van de Beni Hilal hebben zelfs de strijd tegen de Sfaxiens moeten opgeven, en de stad als een zelfstandig stadjes laten functioneren. Deze tegenstand ondervonden ook de Fransen, die kanonneerboten en pantserschepen hebben moeten inzetten om de stad tot overgave te dwingen.

De moderne door de Fransen gebouwde stad is in de Tweede Wereldoorlog voor het grootste gedeelte verwoest, maar de medina is bijna helemaal gespaard gebleven. Sfax is na Tunis de tweede plaats van Tunesië, en ook de haven staat op de tweede plaats. De eerste bron van inkomsten van deze welvarende stad zijn de olijven. Er staan meer dan 6 miljoen olijfbomen in het gouvernement van Sfax, daarnaast staan nog 5 miljoen amandelbomen en een produktie van 6.000 ton perziken en 1.500 ton abrikozen per jaar.

Ook speelt de visserij een belangrijke rol en zijn er vele industrieën, van een peipklein modeateliertje tot zware fosfaatindustrie, kippenfokkerijen, met meer dan één miljoen leghennen, rozenkwekerijen voor de parfumindustrie en veel staatswinkels. De inwoners van Sfax staan bekend als harde werkers, ambitieus, doorzetters en goede kooplui die men nog al eens de joden van Tunesië noemt. De stad is welvarend, er is geen bedelaar te zien en er hangt een prettige sfeer. Men is trots op zijn stad en men zal u van alles willen laten zien, maar het nare, opdringerige commerciële gedrag dat men elders wel eens aantreft zult u in Sfax nauwelijks zien.

Sfax heeft twee records, de scholieren halen het beste gemiddelde op de eindexamens, en de stad heeft het hoogste aantal brommers, in totaal meer dan 170.000!

Wat is de moeite waard?

De medina en het museum in ‘Dar Jellouli’;
Het museum in het gemeentehuis;
De haven;
De Kerkennah eilanden.

naar boven

Medina: Er is veel te zien binnen de twee kilometer lange wallen van de medina. De grote Avenue de la Republique voort rechtstreeks naar Bab Diwan, die in de 13de eeuw werd gebouwd. Dit is de hoofdingang van de medina waar tot 1832 geen enkele niet-moslim toegang had. De hoofdstraat, Rue Mongi Slim is altijd vol drukte en bedrijvigheid, en doet nog puurder aan dan de drukte in Tunis, omdat er hier in verhouding weinig toeristen komen. De Aghlabiden zijn in de 9de eeuw gestart met het bouwen van de Grote Moskee, maar de Fatamiden hebben hem in de 10de eeuw verbouwd, wat deze moskee duidelijk onderscheid van b.v. die van Sousse door de minder strenge en de wat speelsere versieringen en nissen. Dit is ook duidelijk te zien aan de minaret met de rijk versierde drie verdiepingen.

Wat u beslist niet mag missen in de souq is het museum in ‘Dar Jellouli’, een prachtig patriciërshuis uit de 17de eeuw, dat twee eeuwen lang bewoond is geweest door de Andalusische familie Jellouli, en nu ingericht is als volkskundig museum. Het huis alleen is al een ware schoonheid met de vele polychrome tegeltableaus, de beschilderde plafonds, het ragfijne stucwerk. Maar ook wat in de vitrines staat is de moeite waard: antimonium sulfaat, een stukje koraal, een parel, een gegrilde amandel, dit alles fijnstampen en besprenkelen met rozewater.... dat was indertijd het recept voor de bereiding van de kohl, de oog make-up!

Wat dat rozenwater betreft, dat is samen met Zhar (lotion uit sinaasappelbloesemblaadjes gedistileerd) een must bij de uitzet van de vrouw. Het wordt voor veel doeleinde gebruikt: als verfrissende lotion, als smaakmaker in koffie of over de granaatappels, en men besprenkelt er de gasten mee als welkomsgebaar. Een beetje gegoede familie bezat een of meerdere zilveren sprenkelaars.

In het museum is het hele proces van bloemetje tot Zhar te zien.

De rest van de medina is ook interessant met de vele, veelal op de eerste verdieping gelegen piepkleine ateliertjes, waar de handwerklieden bezig zijn. Boeiend zijn de ‘zabbous’, houtbewerkers, die allerlei gebruiksvoorwerpen maken zoals de houten muiltjes ‘kabkab’ genaamd. U mag de medina niet verlaten voordat u wat gedronken hebt in cafe ‘El Diwan’ een in verval geraakt waterreservoir dat onder inspiratie van monumentenzorg is omgebouwd tot een heel charmant cafe. Daarnaast is in de zuidoosthoek van de oude stad de ‘Borj En-nar’ die helemaal gerestaureerd is en als cultureel centrum dienst doet.

De haven: In de haven is er iedere dag vismarkt. Er wordt van Sfax uit enorm veel verscheept: fosfaat, olie, dadels, zout, enz...

Het museum in het gemeentehuis: De moderne stad heeft brede lanen, met veel groenvoorzieningen, waaronder ficusbomen die ‘s nachts duizenden vogels onderdak geven. Op de kruising van Avenue Hedi Chaker en Avenue Bourguiba is het gemeentehuis, waarin een klein, maar interessant museum is ondergebracht, waar Punische, Romeinse en Byzantijnse vondsten zijn tentoongesteld onder andere grafstenen, glaswerk, mozaïeken met zowel heidense als christelijke symbolen en een paar bijzonder fijne Romeinse fresco’s. In de hal is islamitische kunst te zien, en er is een kamer met pre-historische vondsten, waaronder werktuigen afkomstig uit de buurt van Gafsa. Aan de ietwat ingeslapen sfeer die er hangt is duidelijk te merken, dat het geen druk museum is. Terwijl er mooie mozaïeken hangen, worden er stoffige aanzichtkaarten verkocht waarop afbeeldingen van mozaïeken uit... het museum van Sousse staan!

Praktische informatie:

V.V.V.: Sydicat d’Initiative, Place de l’Indépendance;
Treinen naar Sousse en Gabés. Station: Avenue Bourguiba;
Bussen naar alle richtingen: Avenue Bourguiba;
Postkantoor: Tegenover het station;
Markt: vrijdagmorgen.

naar boven

Hammamet

Toen in 1920 de Roemeense miljonair Georges Sebastiaan in Hammamet kwam was hij zo verrukt van de omgeving dat hij er op een heuvel met uitzicht op zee een riante villa liet bouwen, die in de jaren ‘30 door het tijdschrift ‘Harpers Bazar’ het moeiste huis op de wereld werd genoemd. In 1959 is het huis door de staat opgekocht, en vanaf die tijd fungeert het als Cultureel Centrum van Hammamet, de villa met zijn tuinen kan men steeds bezichtigen. Direct na de onafhankelijkheid is er een openluchttheater gebouwd waar in de vakantiemaanden veel voorstellingen worden gegeven. De Romeinse aristocratie bouwde hier ook al vakantievilla’s. Men is nu bezig met opgravingen van de stad Puppet, maar echt opzienbarend is het niet.

Historisch heeft Hammamet weinig te bieden, maar het aantrekkelijke van de stad is het lange lint van tuinen, waarin de meeste hotels verscholen liggen. Hier is de natuur niet weggewalst, zoals elders helaas vaak het geval is geweest, de hotelkamers zijn om de eeuwenoude bomen heengebouwd, waardoor de hibiscus bougainville, jasmijn kerststerren, sinaasappel- en citroenbomen een groot scala aan geuren en kleuren brengen. De vissershaven en de brede witte zandstranden vervolmaken dit geheel. De souq die door een groot plein van de nieuwe stad is gescheiden heeft veel schilderachtige hoekjes.

naar boven

Tunis

Alle oude Arabische steden zijn volgens hetzelfde plan opgebouwd. De hele stad is ommuurd en men kan alleen maar via enkele poorten naar binnen. Nauwelijks een eeuw geleden hadden de wallen van Tunis nog 17 ingangspoorten, nu zijn de meeste daarvan verdwenen. Vanaf het invallen van de nacht tot het ochtendgloren waren deze poorten gesloten, enerzijds om veiligheidsredenen, anderzijds in verband met de bestaande belastingswetten (entreegelden, koopwaarbelasting, enz...). Dat de straatjes zo kronkelig en smal zijn, en de huizen geen ramen aan de voorkant hebben had ook allemaal met de bescherming van de burger te maken: het was er moeilijk binnen te dringen zonder opgemerkt te worden. In een van de hoeken van de medina was de kasba, een militair fort, bekroond met een uitzicht - dan wel een vuurtoren. Het gedeelte van de medina waar gehandeld wordt, dus waar de winkels zijn, wordt souq genoemd.

De mooiste huizen liggen meestal buiten de souq, de rijken wisten de rustige plaatsen wel te vinden om er hun paleizen te bouwen. Daarom is het raadzaam niet alleen de stroom winkelende Tunesiërs te volgen, maar zich ook meer in de rustige zijstraten te begeven. Men verdwaalt er weliswaar makkelijk, maar iedereen is even behulpzaam om u weer op het goede pad te brengen.

Het is zeker aan te raden een plan van de medina te kopen maar dan nog is het niet uitgesloten dat u de weg kwijkt raakt. Veel straatnaambordjes ontbreken, zijn onleesbaar geworden, of worden bedekt door de uitgestalde koopwaar.

naar boven

Wandeling door de medina: De medina heeft een oppervlakte van 154 hectaren en telt bijna 50.000 inwoners. Konden we maar voor één dag moslim zijn, dan zou deze wandeling veel boeiender zijn! De wet van 1972 verbied namelijk het betreden van moskeeën en zaouia’s door niet-moslims. De beweging van monumentenzorg is bezig om opheffing te krijgen voor enkele monumenten. Daarbij zijn enkele gebouwen gesecularisieerd, waardoor we ze wel zouden kunnen bezichtigen. De ‘Witte Paters’ hebben op veel terreinen gewerkt in Tunesië. Niet alleen op wetenschap en zielszorg, maar ook op het gebied van de landbouw en de archeologie is van onschatbare waarde geweest.

Bestel eens een glas Thibarine een likeur naar het recept van de Witte Paters!

Rue Jamaa Ez-Zitouna, genoemd naar de Grote Moskee, lijkt altijd op een mierenhoop. Even voor het bereiken van de Grote Moskee is een overdekt gedeelte met aan de rechterkant een restaurant waar men zowel binnen als buiten een goedkope Tunesische maaltijd kan nuttigen, en aan de linkerkant zijn twee kleine bankgebouwtjes te zien.

naar boven

De Grote Moskee: Met zijn oppervlakte van bijna 5.000 m2 is dit de grootste moskee van Tunis, gebouwd direct nadat de stad door de moslims was veroverd. In het begin was deze moskee het onbetwistbare middelpunt van het religieuze en politieke leven, maar de politieke rol zou spoedig naar de kasba verlegd worden. De theologische faculteit echter bleef zijn aanzien behouden, 184 kolommen sieren de moskee.

Stelt u zich eens voor: iedere professor had zijn eigen pilaar, waar omheen zijn leerlingen zich schaarden. Het merendeel van de kolommen is afkomstig uit verlaten Romeinse steden, zoals Carthago, Sbeitla, Thuburbo Majus, enzovoort. Onder de Aghlabiden onderging de moskee een grondige verbouwing, maar dat zou niet de laatste zijn. Iedere volgende dynastie heeft weer zijn steentje bijgedragen: de Ziriden brachten de koepel aan de ingang van de moskee aan, Sultan Abou Othman schonk in 1450 de bibliotheek en de Turken vernieuwden de aankleding van de gebedsruimte. De minaret werd in 1834 verhoogd tot 44 meter. Na de onafhankelijkheid heeft de Zitouna zijn culturele functie verloren, is nu alleen nog gebedsruimte, maar de nieuwe president Ben Ali heeft al aangekondigd de moskee in haar oorspronkelijke functie van islamitisch en cultureel centrum te willen herstellen. Behalve op vrijdag is de moskee iedere morgen te bezichtigen, maar behalve de grote binnenplaats met een kapotte zonnewijzer en de waterputten, die bekroond zijn met Romeinse elementen krijgt men bijna niets te zien. Staande achter een hek op een van de zijvleugels kan men met veel moeite een lint van Kufischrift gewaar worden langs de wand van de hoofdingang van de gebedszaal. Niet te vergelijken met wat men kan zien wanneer men de moskee in Kairouan bezoekt.

Tegenover de moskee is de souq El Leffa waar voornamelijk gedroogd fruit wordt verkocht. Na het afdalen van de trap van de moskee gaat men linksaf naar de souq El Attarine waar de parfumverkopers staan, hier kan een blinde met zijn neus de weg vinden. Hier waant men zich in de sprookjes van 1001 nachten. Zware Oosterse parfums, aangeboden in kleine aristocratische paleisjes.

Tegenover nr. 55 is een trap te zien die leidt naar Midha Es-Sultan, lederen moskee heeft een ruimte, midha genoemd, waar de rituele reiniging kan plaatsvinden. De Hafsiden sultan Abou Othman schonk in de 15de eeuw deze midha aan de Grote Moskee. Aan de sultan mag de verdienste worden toegeschreven dat er ‘s winters voor warm water gezorgd werd, een ware luxe in die tijd. In het midden van het binnenhof ligt een massief achthoekig versierd blok dat een fontein bevat. Met een beetje geluk is de deur open. Nu zien we, vooral op warme dagen mannen met ‘mahbes’ bij de moskeeën staan: grote met water gevulde aardewerk potten, die zorgvuldig zijn afgedekt. In gezellige aardewerkkommen met twee grote oren wordt tegen een kleine vergoeding fris water aangeboden.

naar boven

De Souq El Blat helemaal aflopend komen we in de Rue des Teinturiers aan het nr. 29, vindt men de moskee Jdid. De stichter van de Hoesseinitendynastie Hoessein Ben Ali liet de moskee bouwen in 1717, hij heeft kosten noch moeite gespaard. Zijn de graftombe in Andalusische stijl liet Hoessein Ben Ali twee heilige mannen begraven: Sidi Kacem Sebabti en Sidi Kacem Beji, voor zichzelf reserveerde hij een plaatsje tussen deze twee marabouts in. Maar toen zijn neef Ali Pacha hem van de troon verdrong, liet deze zijn juist overleden vader op deze plaats begraven! Het graf van de stichter bevindt zich nu in een andere zaal. De als zodanig niet meer in gebruik zijn de medersa wordt gerestaureerd en er komt een vormingscentrum voor doofstomme kinderen. Hopelijk krijgt de rest van de gebouwen ook een andere bestemming, om dit geheel voor verval te behoeden. Ziet u de prachtige achthoekige minaret, die een rond overdekt balkon heeft om de muezzin tegen slecht weer te beschermen.

naar boven

Het kerkhof Jellaz: Een indrukwekkend stukje Tunis is het groote kerkhof: Jellaz, dat gelegen is boven de brug van Carthago. Sidi Jellaz leefde in de 13de eeuw in Kairouan. Hij was van plan zich in Tunis te vestigen en stuurde een van zijn slaven naar de hoofdstad om naar een goed stuk grond te kijken. Deze slaaf was toevallig getuige van een triest tafereel: de grond waar de doden werden begraven was eigendom van een jood, die flink liet betalen voor een klein stukje grond. Een arme familie, die niet genoeg geld bij elkaar had weten te krijgen moest met zijn dode weer terug naar huis... Dit ziende raakte hij zo onder de indruk, dat hij op kosten van zijn baas het hele terein opkocht. Hoog boven de heuvel van de begraafplaats staat de zaouia van Sidi Bel Hassen, eens een fervent aanhanger van het soefisme, waarmee hij Bagdad in aanraking was gekomen. Men zegt dat Sidi Ben Hassen in Jemen de kwaliteiten van de koffie ontdekte, die hij in Tunis introduceerde. Hij hield gebedsbijeenkomsten op de heuvel, die steeds veelvuldiger werden. De koffie hielp de mensen wakker te blijven gedurende de lange séances van gebed en liturgische liederen...

Door de Hafsiden werd hij uit het land verdreven, en bracht zijn leven verder door in Egypte, waar hij in 1258 stierf. Vanaf die tijd is er een ware cultus om hem heen gebouwd. Vanaf de eerste week van de zomer komen 7 zaterdagen lang ontelbare volgelingen met goede gaven naar Sidi Ben Hassen. In 1815 werd er een enorm terras gebouwd, dat uitzicht over het meer van Tunis geeft. Op het zuiden van het terras werd de zaouia geplaatst met daarin een katafalk.

naar boven

Carthago en badplaatsen in de Golf van Tunis

Wie niet over eigen vervoer beschikt kan het bezoeken van de kuststrook gebruik maken van de T.G.M. trein. Het stationnetje is gelegen aan de kruising Avenue Habib Bourguiba en Avenue Mohammed V, en de trein loopt van Tunis naar La Goulette, Salambo, Carthago, Sidi Bou Said en La Marsa. Nog makkelijker is het om na het ochtendspitsuur bij een hoofdstation van Tunis op de ‘Place Mongi Bali’ een taxi te nemen en met de chauffeur een dagprijs af te spreken. Dat wordt dan wel handelen. Ter indicatie, ik heb in 1988 een chauffeur gevonden die ons van 9.30 - 16.30 uur heeft rondgereden, overal stopte waar wij dat wensten, en ook nog heel veel wist te vertellen over de bezienswaardigheden, dit alles voor de prijs van 20 Dinar. De tocht langs de Golf begint bij La Goulette.

naar boven

La Goulette: Dit ligt aan het einde van een tien kilometer lange dam, die evenals het kanaal dat daaraan evenwijdig loopt, dwars door het meer van Tunis gaat. Het kanaal is door de Fransen gegraven om de doorvaart van grote schepen mogelijk te maken. La Goulette is een havenplaats, waar de grote passagiersschepen uit Genua en Marseille binnenvaren, tevens handelsoverslag en vissershaven. Het stadje doet weinig Arabisch aan met zijn brede lanen, vele terrassen en de druk bezochte visrestaurants. Het Spaanse fort werd gebouwd in 1536, nadat de Spanjaarden onder leiding van Karel V, de stad op de Turken hadden veroverd. Maar in 1574 zouden de Turken terugslaan en drie eeuwen lang soeverein blijven. Het fort werd uitgebreid en een groot gedeelte ervan diende als kerker voor de gevangenen die van hieruit naar de souq El Barka werden gebracht om daar in het openbaar op de slavenmarkt verkocht te worden, in het fort ligt een marabout begraven, een van de twee Sedet Cherif, monniken die in de strijd voor het geloof zijn gesneuveld en tot op heden nog vereerd worden. De andere Sidi Cherif is begraven in een zaouia naast het voormalige paleis van de Bey. Ieder jaar in september vindt er een religieuze manisfestatie plaats, die een onderdeer is van een keten van bedevaartsplaatsen zoals Sidi Fathallah in Tunis, Sidi Salah in La Marsa en Sidi Bou Said in de gelijknamige plaats.

naar boven

El Kram: Na La Goulette volgt het kleine villadorp El Kram. De naam El Kram, die ‘vijgen’ betekent zou ontleend zijn aan het feit dat de beroemde Romeinse magistraat Cato die altijd zijn toespraken beëindigde met de uitspraak: ‘en overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden’, hier vijgen had geplukt, om met die verse vijgen aan te tonen dat de afstand tot Carthago maar gering was om zodoende de senaat te overtuigen dat er tot actie moest worden overgegaan.

naar boven

Carthago: En hoe grondig Cathago is verwoest is duidelijk te zien. De ruïnes zijn echter niet alleen het gevolg van de verwoestingen door de Romeinen. Nadat deze stad weer zijn oude glorie hadden gegeven, zijn de Arabieren nog verwoestender te werk gegaan. Zij gebruikten het Romeinse materiaal voor hun eigen bouwwerken, waardoor men op de meest onwaarschijnlijke plaatsen in het land, waar nooit een Romein is geweest, antieke pilaren, kapitelen, enz... tegen kan komen. Zowel het begin als het einde van het Foenische Carthago worden gemarkeerd door een heroïsche vrouw. Carthago zou gesticht zijn door prinses Elyssa van Tyrus (hier werd zij Dido genoemd) die zich naderhand op de brandstapel zal werpen om haar krachten via de goden over te dragen op haar volk, en bij de val van Carthago verkiest de vrouw van generaal Hasdrubal met haar kinderen hetzelfde lot omdat zij in tegenstelling tot haar man, geen genade wil vragen aan Rome . Er is maar één manier om niet teleurgesteld Carthago te verlaten: eerst de geschiedenis lezen en dan met een behoorlijke dosis fantasie op stap.

Bezienswaardigheden:
Het Musee National de Carthago, gelegen op de heuvel van Bysra, T.G.M. treinhalte: Carthago Hannibal;
Het museum Romain et Paleochrétien, door de Tunesiërs met ‘Musee American’ genoemd;
Het oceanografisch museum.

Van de Punische tijd:
De heuvel Byrsa;
De Punische havens;
De tophet, begraafplaats van kinderslachtoffers.

Van de Romeinse tijd:
Het amfitheatar;
het archeologische park van de thermen van Antonius Pius;
het archeologische park van Romeinse villa’s;
Romeinse cisternen;
Het theatar
En de resten van enkele christelijke basilieken.

naar boven

De heuvel van Byrsa: Dit is het beste stratpunt voor de verkenning van Carthago. Het woord Byrsa betekent is Semitische talen: fort, maar in het Grieks betekent het de huid van een rund. Dit zou bijgedragen hebben aan de legende van prinses Dido die een lap grond ter grootte van een runderhuid kreeg aangeboden om zich daarop met haar gevolg te vestigen. Zij zou deze huid in flinterdunne reepjes hebben gesneden, waardoor zij de hele omtrek van de Byrsaheuvel kon omspannen. De heuvel verheft zich als een natuurlijke acropolis, die door de Feniciërs alleen maar versterkt hoefde te worden om hem onneembaar te maken. Bovenop de heuvel staat de, slecht in de omgeving passende, kathedraal gewijd aan de Heilige Lodewijk, de koning van Frankrijk, die als kruisvaarder in 1371 in Carthago is gestorven. Belangrijker op de heuvel is het museum in het gebouw, waar vroeger een seminarie van de Witte Paters was.

De kathedraal is gebouwd op initiatief van kardinaal Lavigerie en werd in 1890 ingezegend. De kardinaal had één grote wens ‘Instaurande Carthago’ (Carthago moet weer hersteld worden). Deze woorden staan nu insterfelijk gegrift in een van Flaubert opgedragen gedenknaald, die op het stationnetje in Carthago staat. De Franse schrijver Flaubert die in zijn boek ‘Salamboo’ de bloei en ondergang van Carthago beschrijft in een meeslepende stijl maar echter de waarheid wel eens geweld aandoet. Gaat u niet meteen het museum binnen, maar maak gewapend met een beetje fantasie à la Flaubert, een wandeling over de heuvel bekijk de prachtige strategische ligging, het vergezicht en de ruïnes, waar men nog druk aan het werk is. Het museum is zoals alle andere bezienswaardigheden in Carthago geopend van 9.00 - 18.00 uur. ‘s Maandags gesloten.

Onder leiding van Witte Pater Delattre (een straat bij de heuvel is naar hem genoemd) werden de eerste opgravingen gedaan. De inwoners werden enthousiast gemaakt en kwamen hun vondsten naar kardinaal Lavigerie brengen. De paters Lavigerie in hun witte habijten met de rode fez op en een schop in de hand... dat is het begin van het museum geweest, dat veel uit grijpgrage handen heeft gered, en een mooi overzicht geeft van de Punsiche, Romeinse en Byzantijnse tijd: grafstenen, sarcofagen, en veel luxe en gebruiksvoorwerpen die in de graven zijn gevonden. Natuurlijk ontbreken ook hier de Romeinse mozaïeken niet en er is tevens een afdeling islamitische kunst.

naar boven

De Punische havens dichtbij T.G.M. station Carthago-Byrsa: Carthago bezat twee havens, de zuidelijke was een rechthoekige handelshaven, de noordelijke een ronde oorlogshaven, waar langs de brede kade 220 schepen konden meren. In het midden van de oorlogshaven lag een eilandje met het admiraalsgebouw, van waaruit het trompetgeschal voor de inspecie klonk. Nu zingen de havens hun zwanenzang, er rest niet veel meer dan een moerrasige vlakte.

naar boven

Tophet: Om de goden gunstig te stemmen brachten de Feniciërs kinderoffers. Wel ging men steeds meer over tot het offeren van dieren, maar bij calamiteiten zoals dreigende oorlog, slechte oogst, enz... werden er toch weer jongeborenen geofferd. De as werd in urnen gedaan en een kleine gedenksteen al dan niet met een inscriptie geplaatst. Was er op het terrein geen plaats meer, dan hoogde men het op, zodat er op den duur een laag - op - laag bouwwerk ontstond. Omdat het oorspronkelijke top het gebied bijna helemaal bebouwd is met villa’s is er nog maar een klein gedeelte te bezichtigen, dat ondanks het feit dat het minimaal wordt onderhouden toch een redelijk beeld geeft.

naar boven

Het amfitheater: In dit amfitheater hebben zich tijdens de christenvervolging vreselijke taferelen afgespeeld. Kardinaal Lavigerie heeft er een marmeren zuil laten oprichten ter herinnering aan de Heilige Perpetua die hier door de wilde beesten is doodgetrapt. Ook hier heeft de tand des tijds zijn werk gedaan.

Oceanografisch museum: Dit ligt bij de Punische havens, men heeft daar een mooi uitzicht, maar de inhoud van het museum, maquettes, opgezette vogels en een aquarium, is niet opzienbarend.

Museé Romain-Paleochrétien: Het museum op de Avenue Bourguiba tegenover het huis, dat huisnummer 40 draagt, wordt door de Tunesiër ‘Museé Americain’ genoemd omdat een groep amerikaanse archeologen van de universiteit van Michigan hier gewerkt heeft. Het is een klein museum met Romeinse en Byzantijnse goed gedocumenteerde vondsten, dat nog veel te weinig bezocht wordt.

naar boven

De thermen van Antoninus Pius: Biedt men u hier op geheimzinnige toon ‘antieke’ beeldjes, olielampen of munten aan, wees op uw hoede. Een enkele munt kan wel eens echt zijn, maar de rest is gisteren gemaakt. Deze thermen zijn ten tijde van keizer Antoninus Pius (138 - 161) gebouwd, en hebben in tegenstelling tot wat vaak verteld wordt model gestaan voor de thermen van Caracalla in Rome. De thermen van Carthago zijn dus ouder dan die van Caracalla. Is bovengronds bijna niets gespaard gebleven, dank zij het feit dat veel van de gebouwen ondergrond lagen, zijn zij tijdens de Arabische beeldenstorm minder vernield dan de andere Romeinse gebouwen. Men komt eerst door een tuin, vol met archeologische vondsten. De baden moeten enorm groot zijn geweest, en waren met veel mozaïeken en beelden versierd. Zware gewelven, gesteund door kostbare zuilen gaven het geheel een indrukwekkend beeld. Inrichtingen met koud, lauw en heet water door de Romeinen frigidarium, tepidarium en caldarium genoemd. Verder solaria, een openluchtzwembad en grote wandelgalerijen, dit alles stond de Romeinse burger ter beschikking. Het enige Corinthische kapiteel dat bewaard is gebleven is 1.80 meter hoog en weegt vier ton. Het staat als een majestueus monument op het kruispunt.

naar boven

Parc des Villas Romains: Hier zijn wat resten van Romeinse villa’s waardoor men een vaag idee krijgt hoe een wijk van de beter gesitueerden werd gebouwd. Men verdeelde de grond als het ware in eilanden van ongeveer 35 meter bij 140 meter, waar drie woningen op gebouwd werden, met een binnenhof, tuin, zuilengalerijen, waar de diverse woon- en gastenverblijven op uit kwamen, die allen mozaïekenvloeren bevatten, waarvan de mooiste in het Bardomuseum zijn ondergebracht. Een van de villa’s ‘Het huis van de Volière’ is gerestaureerd. Het ontleent zijn naam aan de mozaïekvloer die hier gevonden is, waar pauwen en andere vogels op voorkomen, maar om deze mozaïek te zien moet men naar het Bardomuseum. Er staan Punische, Romeinse en Byzantijnse vondsten opgesteld.

naar boven

Het theater: De enige reden om dit te bezoeken is het Internationale Festival van Carthago, dat ieder jaar in juli en augustus wordt gehouden. Dan treden er Arabische en Westerse artiesten op in het theater, dat dusdanig verbouwd is, dat het in weinig meer aan de Romeinen doet denken.

Odeon: Ten noorden van het theater ligt het Odeon. Dit Odeon, een overdekt theater is bekend vanwege de spelen, die werden gehouden ter ere van God Apollo, waarvan een groot beeld gevonden is. Echter ook hier is teleurstellend weinig meer te zien.

naar boven

De cisternen: In de 2de eeuw na Chr. werden bij het dorpje La Malga enorme cisternen gebouwd, die door het aquaduct van Zaghouan van water werden voorzien. De grootste basiliek waarvan men resten heeft gevonden is de basiliek Domus Caritatis, hier Damous El Karita genoemd. Hij had een oppervlakte van bijna 3.000 vierkante meter. Aanvankelijk stond hier een kleine kapel, waarin drie onbekende martelaren begraven waren. Ter ere van hen werd in de 5de eeuw deze basiliek gebouwd, maar meer dan een veld vol zuilenresten, veel graven en andere ruïnes zijn er niet te zien. Vind u mijn beschrijving wat mat? Dat klop! Andere nederzettingen zoals Bulla Regia, Makthar of Dougga hebben meer indruk op mij gemaakt.

naar boven

Sidi Bou Said: Dit hooggelegen stadje waar de huizen wit en luiken blauw zijn en waar veel schilders en dichters hun inspiratie vonden, is een van de meest gefotografeerde stadjes in Tunesië. Sidi Bou Said Khalaf El Beji, naar wie het stadje genoemd is kwam uit Beja. Sid Bou Said was een mysticus die aan het begin van de 11de eeuw heeft geleefd, en nadat hij zijn studie aan de Zitouna-universiteit had beëindigd zich op deze heuvel had teruggetrokken om te mediteren. Na zijn dood heeft het kleine dorpje zijn naam aangenomen, gezinnen vestigde zich dicht bij de marabout, en zo is langzamerhand het stadje ontstaan. In een land als Tunesië, waar men het idee krijgt dat er geen schoonheidscommissie bestaat, waar grote en kleine, mooie en lelijke huizen naast elkaar gebouwd worden, vraagt men zich af. Hoe heeft dit Sidi Bou Said zo’n homogeniteit in bouw weten te bewaren?

Dit is te danken aan de Engelse baron d’Erlanger, bankier, schilder en misicus. Deze kocht in 1908 een magnifiek gelegen, oud huis op 400 meter boven de zeespiegel. Op zijn initiatief werd in 1915 een decreet uitgevaardigd dat iedere verandering aan het uiterlijk van de huizen verbood als dit de harmonie zou verstoren. Om een lichtend voorbeeld te stellen, en de traditionele architectuur, die in die tijd verdrongen werd door Europese stijlen, weer in waarde te herstellen bouwde hij zijn eigen oude huis om tot een waar paleis en het is een van de mooiste voorbeelden geworden van Arabische architectuur en decoratie. Tien jaar lang hebben de beste Arabische handwerklieden eraan gewerkt. De enige Europeanen die aan dit project gewerkt hebben waren de loodgieters en de electriciens. Er bestaan plannen om het huis voor het publiek open te stellen. Vraagt u naar ‘dar barouni’ (huis van de baron). De grootste verdienste van de baron is echter het samenstellen van de zesdelige ‘encyclopedie van de Arabische muziek’. Om dit werk aan te vullen heeft men een muziekmuseum ingericht met specifieke Arabische instrumenten, een muziekbibliotheek en portretten van belangrijke musici en musicologen.

Ieder jaar in de maand augustus vindt er een belangrijke religieuze manifestatie plaats ‘Kharja’ genaamd. Dat is voor buitenstanders een schilderachtige gebeurtenis. Vele broederschappen trekken met sanjaqs en muziekinstrumenten de berg op om Sidi Bou Said eer te bewijzen. De ceremonie begint ‘s avonds om een uur of tien en duurt tot het ochtendgloren. De inwoners brengen gedurende die dag schalen met couscous, fruit en andere lekkernijen naar boven opdat het de bedevaartgangers gedurende de nacht aan niets zou ontbreken.

Omdat Sidi Bou Said zo hoog ligt was in vroegere tijden de watervoorziening altijd een probleem. Men bouwde waterreservoirs, waarin regenwater opgevangen kon worden. De openbare plaatsen waar dit water geput kon worden zijn charmante voorbeelden van traditionele Tunesische architectuur zoals de Sabil Sahib Et -Tabaa, gebouwd in 1794, Sabil El Balhouane en andere, veel tegelwerk en mooie inscripties. Kortom, een stadje om niet vlug doorheen te rennen, maar heerlijk te slenteren en te genieten.

naar boven

La Marsa: Ook weer een villadorp met een prachtig strand, waar duizenden inwoners van Tunis in de hete zomermaanden verkoeling zoeken. Het is ook bekend door cafe ‘Saf Saf’ waar zich een openbare bron bevindt. Het water wordt naar boven gebracht door een scheprad, dat door een steeds rondjes lopende, geblinddoekte dromedaris in beweging gehouden wordt. Een soortgelijke ‘noria’ vindt men ook in Kairouan en Hammamet. De bewoners dichten het water uit de bron geneeskrachtige gaven toe. In 1988 echter lag de put er verlaten en niet onderhouden bij, de dromedaris was nergens te vinden! Het zou jammer zijn wanneer dit stukje cultuur dat nog uit de Hafsidentijd stamt voor het nageslacht verloren zou gaan. De eigenaar vertelde echter in de landelijke pers, dat restauratiewerkzaamheden spoedig zouden beginnen ‘Inch Allah’!

La Marsa is tevens het eindstation van de T.G.M. trein, bent u met de auto of taxi dan kunt u nog even de weg vervolgen naar Gammarth. Uitbundige groei van mimosa, eucalyptus, eiken en in de tuinen van de particuliere huizen bougainville, clematis, enz... Hoog tegen de heuvel ligt een Frans militair kerkhof, waar zich de graven bevinden van 1.200 Franse soldaten die tijdens de Tweede Wereldoorlog in de jaren 1942 - 1943 gesneuveld zijn.

naar boven

Cap Bon

Cap Bon, terecht de tuin van Tunesië genoemd, is een van de meest vruchtbare gebieden van het land, en vooral in het voorjaar verrassend groen en lieflijk door de vele jasmijn, mimosa, rozen, enz.... Het heeft een opvallend mild klimaat omdat de uitlopers van de bergen de koude noordenwind tegenhouden en de Golf van Hammamet in de zomer voor verkoeling zorgt. Het centrum van Cap Bon wordt benut voor graan- en druiventeelt. Om Grombalia en aan de oostkust zien we een belangrijke tuinbouwstreek, de rest van het gebied wordt gebruikt voor de veeteelt. Door het zachte klimaat ook een overdaad aan sinaasappel-, granaatappel-, vijgen- en citroenboomgaarden. Cap Bon, is ook het centrum van bijenteelt. Met ongeveer 30.000 korven die een honingproduktie kunnen bereiken van ongeveer 400.000 kilogram per jaar. Negen maanden per jaar zijn de bijen in de Cap Bon, als het hoogzomer is verhuizen zij naar de bergen en de heuvels in de Kroumerie.

De tocht om Cap Bon is vanuit Sousse en Monastir in één dag te doen!

naar boven

Nabeul: Is een nijver stadje, dat heel natuurlijk aandoet. De vrijdagmarkt vormt daarop een uitzondering want dan is het weekmarkt, en rollen tientallen bussen met toeristen de stad binnen. Het is een grote en in de regio ook geliefde markt. In het centrum van de potterie, midden op het stadsplein ‘Place de 7 Novembre’ staat dan ook trots een enorme kleurrijke vaas met een mooie tuja erin. Het is ook bekend om zijn matten met geometrische motieven, die als wand- en vloerbekleding worden gebruikt en sierlijk smeedwerk, dat overal in het land voor de deuren en ramen te zien is. De stookovens worden lanzamerhand door electrische ovens vervangen, maar niet iedereen kan of wil zich dat permitteren, zodat er nog steeds midden in het hartje van de stad ovens te zien zijn die gestookt worden met residuen van de olieperserijen, hout, takken en zelf oude autobanden. Om de stad te verlossen van deze vervuilende rook en de onaangename geuren, is de gemeente bezig een terrein van 40 hectare, 5 kilometer te noorden van de stad in gereedheid te brengen, waarna definitief alle ovens uit het stadsbeeld zullen moeten verdwijnen.

Nabeul heeft betere geuren te bieden!

naar boven

Dar Chabaane: Is een klein dorpje, waar de mannen zich gespecialiseerd hebben in stucwerk. Het is heel interessant om te zien hoe een eenvoudig stuk zandsteen in hun handen wordt omgetoverd tot een op kantwerk lijkend plafondstuk of een mooie deurstijl.

naar boven

Beni Khiar » Korba: De weg van Beni Khiar naar Korban beide plaatsjes zijn bekend om hun huisweverijen? Waar vooral dekens kleden en qachabiyya’s geweven worden, gaat sligerend langs de heldere diepblauwe zee, aan de andere kant landerijen waar nog met de handploegen en de karbouwen wordt gewerkt. Houten karren met drie hoge wanden, die soms zeer primitief beschilderd zijn worden getrokken door een dromedaris en het geheel is extra schilderachtig door de grote slingers rode pepers die langs de muren van de huizen hangen, de bijenkasten, de goed verzorgde woningen en de bergen die in zicht komen. Korba is zelfs een fris stadje, waar gezien de schilderingen op de gevels: handjes, visjes, het bijgeloof nog altijd leeft.

Menzel Temime: Een Malekitische en een Hanefitische Moskee en even buiten het stadje een schitterend gelegen begraafplaats.

naar boven

Kelibia: Zoals in de hele Cap Bon zijn ook hier resten van oude beschavingen gevonden en midden in het dorp aan de linkerkant van de weg, kan men deze werkzaamheden volgen. Is er een welwillende opzichter dan zal hij u op terrein laten, er mag echter beslist niet gefotografeerd worden. Even voorbij deze opgravingswerkzaamheden is een kleine richtingwijzer naar "Cafe El Borj". Deze weg moet u in om het Spaanse Fort te bezoeken. Het is een korte, vrij steile klim die beloond wordt met een weergaloos uitzicht tot aan het Italiaanse eiland Pantalleria toe. Hoewel het, het Spaanse Fort wordt genoemd hebben op deze plaats ook de Feniciërs, de Romeinen, de Byzantijnen, de Arabieren en de Turken hun verdedigingswerken gebouwd. Naast elkaar staan broederlijk een Punische, een Romeinse, een Christelijke en een Islamitische grafsteen, met daarvoor enkele kanonkogels. Ondanks de werkzaamheden, waarbij tot 8 meter diep gegraven wordt, is het fort toch te bezichtigen. In de toekomst wil men er een museum inrichten met als thema: Tunesische forten in de loop van de eeuwen. Kelibia heeft verder een schilderachtig gelegen haven waar ‘s nachts de boten met grote lampen op de boeg uitvaren, om sardines, ansjovis en makreel te vangen. Het havencafé ‘Sidi El Bahri’ is alleen in de zomermaanden geopend.

naar boven

Kerkouane: Dit is de enige te bezichtigen Punische vestiging in Tunesië, die weliswaar door de Romeinen is verwoest, maar daarna nooit meer door andere volkeren bezet. In 1952 werd deze plaats uit de oudheid pas ontdekt, en wel bij toeval. Over het terrein lopend, valt duidelijk op dat het leven van de Carthagers meer besloten was dan dat van de Romeinen. De huizen zijn allemaal volgens Oosters plan gebouwd: een smalle gang, die op een kleine binnenplaats uitkomt waar zich een put bevindt en soms ook een ‘huisaltaartje’ voor de goden. Er waren geen openbare badinrichtingen, iedereen had zijn eigen badkamer. De stad was beveiligd door een dubbele muur, waartussen een brede gang en het geheel had een diepte van 15 meter, men kon alleen via de poorten de stad binnen, 2 van deze poorten zijn getraceerd. De straten van de stad hadden een gemiddelde breedte van 4 meter, de stad moet heel wat frisser geweest zijn dan een Arabische medina! Het gedeelte dat tot nu toe is blootgelegd doet heel onwezenlijk aan, als een gebombardeerde stad waarvan de muren half overeind gebleven zijn in een frisse omgeving van een jonge aanplant. In een van de huizen is in de vloer het teken van Tanit, de onbetwistbare godin van de Feniciërs te zien, en het is zo gaaf dat het lijkt alsof dat gisteren voor de toeristen is ingelegd. Zelfs de tuinman heeft enkele struiken in de vorm van het Tanit tekent gesnoeid! Het museum is een mooie aanvulling.

naar boven

El Haouaria: Dit is het meest noordelijke plaatsje van de Cap Bon, waar de heer Bouraoui in zijn eenvoudig, maar goed restaurant ‘Fruits de Mer’ Rue Hédi Chaker, u opwacht. De trots van het dorp is het standbeeld van een grote valk. Want de inwoners van El Haouaria zijn van generatie op generatie verwoede valkenjagers geweest. Rijke Arabische vorsten betaalden graag een bedrag van tienduizend gulden voor een goede valk! Nu zijn deze vogels beschermd. Ieder jaar in het voorjaar zijn de bossen van El Haouaria het toevluchtsoord van duizenden kwartels, lijsters, mussen en allerlei soorten roofvogels, die na in Afrika overwinterd te hebben hier naar toe komen en zich voorbereiden voor de oversteek naar Sardinië. Het is de moeite waard om eens tot aan de vuurtoren te gaan, met alleen maar schapen en een voor zich uitstarende herder.

Een mooi uitzicht op de eilanden Zembra en Zambretta. Zembretta is niet veel meer dan een rots van 400 meter hoogte, maar op Zembra kan gemeerd worden, er is een restaurant, een sportschool waar lessen in diepzeeduiken worden gegeven en er zijn vakantiebungalows. Hebt u belangstelling voor vleermuizen, vraag dan een inwoner u de weg te wijzen naar de grotten van de ‘chauvesouris’, waar u met een zaklamp gewapend deze interessante wezens kunt bespieden. Op het dorpsplein wijst een bord richting ‘Grottes Romaines’. Dit zijn de steengroeven die al door de Feniciërs gebruikt werden om er hun bouwmateriaal vandaan te halen. Op de Punisch - Numidische begraafplaats ten zuiden van de grotten rusten vele slaven, die onder dit zware en gevaarlijke werk zijn bezweken. Wat te zeggen van de enorme dromedaris die in de rotsen is gehouwen. De dorpsbewoners zeggen dat hij door de natuur is ‘uitgehouwen’ en een beroemde schat bewaakt. In 1988 zijn de grotten gerestaureerd en meer toegangkelijk voor het publiek geworden.

naar boven

Sidi Daoud: Een bijna uitgestorven ongezellig dorp, dat alleen in mei tot leven komt wanneer de beroemde tonijnenvangst begint, die ‘Matanza’ wordt genoemd. Het is werkelijk een heroïsch gevecht tussen mens en dier. De techniek die gebruikt wordt is al zo oud al de Romeinen. Er worden kilometers lange netten uitgezet, die uit verschillende kamers bestaan, de tonijn die erin zwemt, kan niet meer terug en wordt verder gedreven tot hij uiteindelijk in de dodenkamer belandt, die een bodemnet heeft en ongeveer 50 vierkante meter groot is. Is de dodenkamer vol dan begint op bevel van de leider de actie. De boten groeperen zich in een vierkant om het net, dat langzaam naar boven gehaald wordt. De vissen beginnen wild te springen in het steeds kleiner wordende net, die aan de boten wordt vastgebonden. Met hakken, messen en harpoenen gaan de vissers dan de tonijn te lijf, waarvan het gewicht wel 250 kilogram kan hebben! Tijdens het gevecht worden in steeds sneller tempo oeroude melodieën gezongen, waarschijnlijk om zich moed in te zingen, en de angst niet te tonen, want een klap met een staart van een tonijn is niet minder gevaarlijk dan de klap van een molenwiek. Na het gevecht wordt de vis naar de conservenfabriek in het dorp gebracht.

naar boven

Korbous: Dit is een kuuroord dat door de Romeinen als zodanig al werd gebruikt onder de naam: Aquae Calidae Carpitanae. De bronnen met een watertemperatuur van 50 tot 60 graden Celcius zijn een weldaad voor reumapatiënten en lijders aan zwaarlijvigheid, huidziekten, enz... Het thermale hotel dat direct aan zee ligt was eens eigendom van Ahmed Bey, die aan het bronnentoerisme een goed impuls heeft gegeven. In het dorp, onder de minaret ligt nog een twee bron: Ain Cheffa. Het dorp zelf stelt niet veel voor dan een straat van nog geen honderd meter met kleine meestal doodlopende zijstraatjes.

naar boven

Gabès

Wat is nu nog aantrekkelijk?
De moskee van Sidi Boulbaba met het museum;
De souq van Grande Jara;
De oase van Chenini;
De vissershaven.

De moskee van Sidi Boulbaba: Sidi Boulbaba was de barbier van de profeet Mohammed, niet te verwarren met Sidi Sahib van Kairouan, die ook de naam kreeg van de kapper van de profeet te zijn, maar in feite alleen altijd drie haren van Mohammed bij zich droeg. In de medersa, die aan de moskee grenst is nu een museum gevestigd. Het gebouwtje zelf stamt uit het jaar 1692 en de collectie die binnen getoond wordt laat veel zien van het erfgoed van Zuidoost-Tunesië: weef- en borduurwerk vanaf de grondstoffen tot het eindprodukt, kostuums van Gabès en Matmata, zowel de dagelijkse dracht als de feestelijke kleding, juwelen, toiletaccesoires, en vooral ook de huwelijksceremonie krijgt veel aandacht. Landbouwwerktuigen, maar ook dagelijkse gebruiksvoorwerpen in het huishouden worden getoond, en in de tuin is een summier begin gemaakt met het creëren van een archeologische tuin. Op het zelfde plein ligt de zaouia van de heilige, waarvan men de binnenplaats betreden mag. Daarentegen ligt de nieuwe moskee voor de patroonheilige van de stad, en het geheel biedt een schitterend uitzicht.

naar boven

Grande Jara: Het is het meest levendige gedeelte van de stad met de vele winkels, stalletjes, kleine cafe’s en restaurants, waar vooral de henna, waar Gabès voor bekend staat veelvuldig wordt aangeboden. Gaat men aan het einde van de Grande Jara de brug over, dan beland men in een ander stadsgedeelte, Petite Jara genoemd, waar de 11de eeuwse moskee van Sidi Driss staat.

naar boven

De oase van Chenini Gabès: Deze kan men het beste per koets bezoeken, die men aan de rand van de stad, aan het einde van de Avenue de La Republique kan vinden. Men is er dan zeker van niet te verdwalen en ook op de belangrijkste punten te belanden. Het begin van de oase is ronduit teleurstellend. Bij de oude Romeinse dam staan veel toeristische stalletjes, terwijl die op een bord aangeprezen dierentuin deze niet zou mogen dragen: veel lege kooien, alles slecht en zonder dierenliefde onderhouden. Daarnaast ligt een zogenaamde krokodillenfokkerij, waar men mij met moeite de enig overgebleven krokodil in het smerige water kon tonen! De tocht daarna maakt veel goed, al zult u de koetsier wel moeten vragen wat rustiger te rijden. Er is genoeg te zien: de etagebouw, met onder de palmen, alijf-, vijge- en granaatappelbomen, daaronder weer henna, tabak en veel soorten groente, de marabout van Sidi Ali Bahoul het dorpje Chenini zelf, de waterval, enz... Natuurlijk is de oase ook per fiets of te voet te bezoeken, maar er zijn veel heggen waar men gezeten in de koets net overheen kan kijken terwijl men per fiets of te voet heel wat mist.

naar boven

De vissershaven: Hier ligt het café-restaurant, waar veel toeristenbussen een stop maken om te lunchen, maar op het strand bij de haven is het interessanter, vooral in de maanden juli en augustus waar de vangst van ‘ouzeff’ begint, een heel klein visje dat een beetje op een sardientje lijkt. Deze visvangst vereist een grondige kennis van de zee. De mannen zitten vaak dagen lang onder een afdakje het water in te turen, om een school van deze visjes, die zich diep in zee als een grote zwarte vlek aftekent, te ontdekken. Is die vlek waargenomen dan gaan de ervaren zwemmers gawapend met een palmtak de zee in, en dan is het de kunst een halve cirkel te vormen om de school van tienduizenden visjes, zonder deze uit elkaar te jagen. Door de palmtakken onder water te bewegen wordt de school richting strand gedreven. Wanneer zij een punt van ongeveer 80 centimeter diepte bereikt hebben komen de kinderen en de minder ervaren zwemmers met een immens groot net het water in om de school te vangen. De visjes worden in manden van halfagras gedaan en naar de zoutvlaktes gebracht om daar gedurende een week aan de zon blootgesteld te worden. Daarna wordt de vangst in gelijke porties verdeeld voor jong en oud, ervaren of niet. Er wordt onder andere een speciale vissoep ‘Mchelouech bil ouzeff’ van gemaakt.

Praktische informatie?

V.V.V.: Avenue Hedi Chaker;
Treinen: Sfax, Sousse;
Busstation: Avenue Farhat Hacbed;
Louagestandplaats: Avenue Farhat Hacbed;
Markt: zondag.

naar boven

Matmata

Wie bouwt er een huis zonder bouwmateriaal, zonder ramen, zonder dak? Het antwoord is te vinden in Matmata, dat er op het eerste gezicht uitziet als een maanlandschap met veel kraters en t.v.-antennes. Dit kale, weinig vruchtbare landschap, met zijn onaangenaam klimaat heeft de inwoners er toe gebracht hun woningen onder de grond te bouwen. Zij hebben een groot gat van ongeveer 10 meter diep en met een doorsnede van wel 25 meter gegraven, waarin het ‘s zomers heerlijk koel is en dat ‘s winters een aangename beschutting geeft. Door de tunnel, zo hoog dat er een dromedaris door kan en waarin inhammen zijn voor de ezel, muilezel of het paard, alsmede opbergruimten voor het brandhout, het dorskarretje, enzovoort komt men op de binnenhof waar zich het dagelijk leven afspeelt: hier wordt gekookt, gewassen, geweven en gegeten in gezelsschap van het ‘kleine’ vee: kippen, geitjes, kalkoenen.

In de hoge wanden zijn ruimten uitgekapt, zoals slaapkamers, voorraadkamers, ruimte voor de oliepers. Over het algemeen zijn er twee verdiepingen, de hoogste verdieping bevat vooral de voorraadruimten, die of via een paar uitgehakte treden of met een touwladder te bereiken zijn. In tegenstelling tot de gourbi’s die men elders in het land tegenkomt vallen de holen van Matmata op door de grote ruimte. Niet zelden wonen er meer dan twintig familieleden in één holwoning, die stuk voor stuk een frisse en schone indruk geven. In enkele woningen lijken beeldhouwers aan het werk geweest te zijn, heel kunstzinnig zijn motieven in het kalksteen uitgewerkt, zijn romantische nisjes gemaakt om de kaarsen in te zetten, want veel woningen hebben nog geen electriciteit. Dat licht is wel te vinden in het nieuwe Matmata, 15 kilometer verderop. Na de overstromingen van 1969, als gevolg waarvan enkele woningen zijn ingestort hebben heel wat gezinnen zich laten verleiden naar dit nieuwe Matmata met zijn betonnen huisjes te vertrekken, maar velen zagen al spoedig in, dat hun holwoning de door hen zo op prijs gestelde eigenheid beter was dan de betonnen huisjes. Daarom zijn veel gezinnen weer teruggekeerd naar het oude Matmata. De vrouwen weven en de mannen houden zich bezig met het optimaal benutten van de weinige regen die hier valt. Overal worden om de bomen en gewassen dammetjes gemaakt om maar niets van het water te verliezen. Het zijn vooral olijf- en vijgebomen die gecultiveerd worden.

Sinds het toerisme is er veel van het spontane verloren gegaan, het lijkt nu op een toneelstuk met een goed draaiboek: de vrouwen gaan weven of gierst zeven, de kinderen lokken de toeristen hun huis binnen, enz... Er zijn zelfs hotels als holwoningen gebouwd, er is zelfs een ondergrondse moskee. Men moet over een goede en robuste wagen beschikken om er te geraken, bij regenval en de dag nadien is er niet te rijden op deze wegen want men zakt er zuiven in.

naar boven

Sbeitla

Landschappelijk is Sbeitla niet interessant, ook de stad zelf niet, wel echter de ruïnes van het Romeinse Sufetula, ten noordwesten van de stad. Het gedeelte dat blootgelegd is heeft een lengte van 1.200 meter en een breedte van 500 meter, voor bezoekers dus veel overzichtelijker dan bijvoorbeeld het uitgstrekte Haidra. Tegenover ligt een klein museum. Van de Romeinse periode is weinig bekend, men vermoedt dat de stad zijn welvaart te danken heeft aan het feit dat het langs de belangrijkste verkeersader Hadrumetum (Sousse) - Algerij lag. Er zijn veel oliepersen gevonden wat er op wijst, dat deze streek in de Romeinse tijd veel olijfbomen had. Meer is bekend over de Byzantijnse tijd, onder andere over de patriarch Gregorius, die uit Carthago vluchte en hier een onafhankelijk staatje stichte met Sufetula als hoofdstad. Echter al bij de eerste vluchtige invasie van de Arabieren in 647 werd Sufetula verwoest van Gregorius vermoord.

Bij aankomst is het meest opvallende de imposante triomfboog van Diocletianus met zijn verweerde zuilen uit het begin van de 3de eeuw. In de doorgang van de boog zijn de nissen te zien, die beelden hebben bevat. Langs twee Byzantijnse forten en de resten van een Byzantijnse baseliek duikt aan de rechterkant het best bewaarde Romeinse Forum in Tunesië op, voorafgegaan door de boog van Antonius Pius met zijn drie krachtige bogen. Daar tegenover drie tempels, waarschijnlijk aan Jupiter, Juno en Minerva gewijd, de middelste steekt er in alle opzichten bovenuit. Oostelijk daarvan langs het riviertje lag het theater, maar meer dan een klein gedeelte van de tribune is er niet meer over. Ten noorden van het forum ligt in de kerk van bisschop Bellator, vooral interessant om zijn met mozaïek beklede doopvont. Van de kerk van Vitalis is nog minder over, maar wat te zeggen van het aquaduct met drie bogen? Het huis van de vier seizoenen is genoemd naar de mozaïeken die er gevonden zijn. Het blijft boeiend het overal terugkerende vaste stramien van een Romeinse stad te zien met zijn geplaveide straten, thermen en openbare toiletten.

naar boven

Kasserine

Deze gouvernementsplaats ligt onder de hoogste berg van Tunesië: Jbel Chambi (1554) maar biedt behalve enkele herinneringen aan de Romeinse weinig interessants. Men zou het een schepping van de Franse Kolonisatie kunnen noemen. Er werden brede straten aangelegd, een station gebouwd met een keurig huis voor de stationschef, en veel huizen. Kassarine is het centrum van de verwerking van het halfagras, een grote cellulosefabriek ligt een stukje buiten de stad. Naast het ronde hotel Cillium vindt men de ruïnes van het Romeinse Cillium maar zelfs onder de Tunesiërs zijn deze ruïnes weinig bekend. Vanaf de weg is een gedeelte van de triomfboog te zien, die half ingegraven lijkt, een paar honderd meter verder een zuilenportiek, hetgeen doet vermoeden dat het geen onbelangrijke stad is geweest, te meer daar weer verderop bij een zandbedding, wat vroeger een onstuimige rivierbedding geweest is, ineens een amfitheater opduikt. In de rotsen zijn de resten van de artiestenverblijven te zien die door een onderaardse gang met het theater waren verbonden.

Langs de weg naar Gafsa staat het mausoleum van de familie Flavius, waarop een gedicht van 110 regels staat. Aan dit bouwwerk, dat drie verdiepingen heeft, heeft de stad de helft van zijn naam te danken: Kasserine betekent: de twee burchten. De tweede ligt 1.500 meter verder, maar er is nauwelijks iets meer van te zien.  

naar boven

Naar Tunesie, of terug naar het begin.