Thailand.

Thailand is verdeeld in vier topografische regionen  ,  Thailand kent drie seizoenen  ,  De bevolking van Thailand  ,  Boeddha en het Boeddhisme  ,  Het Boeddhisme  ,  De taal van de tempels  ,  Het Theravada-geloof Stadia in de Thaise kunst  ,  Flora en fauna  ,  Fruit  ,   Fauna  ,  De olifant De Buffel  ,  Bangkok en omgeving  ,  Vliegende honden  ,  Bossen  ,  Insekten in het oerwoud Verborgen leven  ,  Zoogdieren in het oerwoud  ,  De landengte van Thailand  ,  Het reservaat Khao Yai  ,  Slangen  ,  Noord-Thailand  ,  De kust  ,  De laagvlakte
Bangkok, geschiedenis van de stad  ,  Het eiland Rattanakosin  ,  De oude hoofdstad  ,  De moderne metropool  ,  Het Grote Paleis  ,  Chakri Maha Prasat   ,  Dusit Maha Prasat  ,  Phra Maha Monthien
of "de Grote Residentie"  ,  De Wat Phra Keo  ,  De Wat Po  ,  De astrologen van de tempel  ,  Het Nationaal Museum
Het eiland van Rattanakosin  ,  De Wat Saket en de Gouden Berg  ,  De Wat Suthat
De Chao Phraya  ,  De Wat Arun
of "De Tempel van de Dageraad"
  ,  De klongs van Thonburi  ,  De Chinese wijk  ,  De wijk van Dusit  ,  Het paleis Vimarn Mek  ,  De "verjaardagsbruggen"  ,  Het moderne Bangkok  ,  De particuliere musea  ,  De markten
Rond Bangkok  ,  Nakhon Pathom  ,  Bang Pa-In  ,  Ayutthaya  ,  De ruïnes van Ayutthaya  ,  De Tempels aan het water
Phitsanulok  ,  Sukhothai
of "Dageraad van het Geluk"  ,  De restauratie van Sukhothai  ,  De andere tempels binnen de stad  ,  Lampang  ,  De Wat Phra Keo Don Tao  ,  De andere oude tempels van Lan Na  ,  De Birmese Tempels  ,  Lamphun  ,  De gigantische gong  ,  
Chiang Mai  ,  Chiang Mai tegenwoordig  ,  De Ping rivier  ,  De tempels van Chiang Mai  ,  Buiten de muren  ,  De ambachten van Chiang Mai  ,  De omgeving van Chiang Mai  ,  Nationaal Park van Doi Inthanon
Chiang Rai  ,  De tempels van Chiang Rai  ,  Chiang Saen  ,  De Gouden Driehoek  ,  Chiang Saen interessanter dan Gouden Driehoek  , 
Mae Sai

Mae Hong Son  ,  Andere Tempels  ,  De bergvolken
Kanchanaburi Sai Yok Noi- en Sai Yok Yai-waterval
Phuket  ,  Geschiedenis  ,  Phuket-Stad  ,  De Chinese Tempels  ,  De Boeddhistische Tempels  ,  Stranden  ,  De rubberplantages
De kusteilanden  ,  De Phang Nga -Baai  ,  Het Nationaal Park Phang Nga  ,  Koh Khao Khain  ,  De Phi Phi-Eilanden  ,  Koh Phi Phi Le  ,  Vogelnestjes  ,  Het Nationaal Park Koh Similan  ,  Krabi en de kusteilanden  ,  De stad Krabi  ,  De stranden  ,  De Grotten  ,  De andere kusteilanden

Wist U dat Thailand (‘land van de vrijen’) als enig Zuidoost-Aziatisch land geen kolonie is geweest?

Geografie: Groot laag plateau waaraan zijrivieren van de Mekong water onttrekken. In het midden vruchtbare vlakten, en bergen in het noorden.
Gelegen tussen de 6° en 21° Noorderbreedte en 97° en 106° Oosterlengte is Thailand een tropisch land, dat ongeveer even ver van India als van China af ligt. Thailand loopt 6 uur voor op de Midden-Europese tijd. Hoewel Thailand officieel de westerse kalender van twaalf maanden hanteert, wordt de traditionele maankalender gebruikt voor ceremonies en allerlei activiteiten. De belangrijkste feesten vallen tijdens volle maan.

Een ander verschil: de jaren worden geteld vanaf het jaar dat Boeddha werd geboren (543 v.C.). Bijvoorbeeld het jaar 2541 BE (Buddhist Era) in Thailand correspondeert met ons jaar 1998.

In het westen begrensd door Birma, in het noorden door Laos, in het oosten door Kampuchea en in het zuiden door Maleisië beslaat het een gebied van 514.000 km2, ongeveer van de omvang van Frankrijk. Van noord naar zuid meet het land 1650 km, van west naar oost 800 km. De omtrekken van het land zijn buitengewoon onregelmatig en worden vaak vergeleken met de kop en de romp van een olifant, zodat de afstanden in de praktijk veel minder zijn dan de maximale maten.

naar boven 

Thailand is verdeeld in vier topografische regionen:

De vruchtbare centrale vlakte, die van noord naar zuid doorsneden wordt door de Chao Phraya en zijn rivieren. Het bergachtige noorden, waar de hoogste top van het land, de Doi Inthanon, een hoogte van 2565 m. bereikt (alle bergen blijven dus onder de boomlijn en zijn in regel met bos begroeid). Het semi-aride plateau van het noordoosten; en de smalle landengte van het zuiden, gekenmerkt door met regenwoud begroeide heuvels en een door inhammen en baaien ingesneden kustlijn met enkele schitterende stranden en talrijke eilanden voor de kust.

Thailand is een buitengewoon vruchtbaar land, en is daarbij nog rijk gezegend met diverse natuurlijke hulpbronnen; tot de belangrijkste exportartikelen behoren rijst, maïs, tin, rubber, tapioca-produkten en textiel.

De Golf van Thailand is ook rijk aan zeeleven.
Er is een overvloed aan weelderige vegetatie, en er zijn vele soorten bomen, struiken en bloemen, waarvan de bijna 1000 verschillende soorten orchideeën misschien wel het opmerkelijkste zijn.

Tot de fauna behoren olifanten, tijgers, luipaarden, slangen, apen en honderden soorten vogels en vlinders. Helaas zijn, net als op zoveel andere plaatsen, de aantallen van de grotere wilde dieren, met name olifanten en tijgers, de laatste decennia drastisch afgenomen.

Klimaat algemeen:
Het grootste deel van Thailand heeft een tropisch moessonklimaat met een gemiddelde dagelijkse temperatuur van 25° C. In het noorden en midden van het land kunnen grote verschillen tussen de dag- en nachttemperatuur optreden (soms wel een verschil van 20° C.), in het zuiden is dit veel minder het geval. In het algemeen stijgt de temperatuur zelden boven de 35° C. en daalt zij zelden onder de 16° C. In de hoge bergen vriest het heel soms en kan het in het winterseizoen behoorlijk koel zijn (rond de 10° C.).

naar boven

Thailand kent drie seizoenen:

Het hete seizoen valt tussen maart en midden juni.
Het regenseizoen tussen midden juni en november.
De koele periode valt tussen november en maart.

De zomertijd: 
De echte zomer tussen maart en midden juni is erg warm en droog, met een temperatuur die kan oplopen tot 40° C. Gedurende dit seizoen zijn Bangkok en andere grote steden alleen te verdragen in ruimten met airconditioning. Onderzoek heeft zelfs uitgewezen dat Bangkok de warmste stad van de wereld is als we naar de gemiddelde dag- en nachttemperatuur over een heel jaar kijken.
Op het platteland is het in de zomertijd iets koeler, maar in maart en april kan het, verrassend genoeg, in de noordelijke regio’s warmer zijn dan in Bangkok.

Het zuiden kent maar twee jaargetijden .
De moessonwind die vanuit het zuidwesten komt arriveert het eerst op de westkust. Hier begint het regenseizoen daarom vroeger dan aan de oostkust.
Op het eiland Phuket, aan de westkust, valt de meeste regen in mei (gemiddeld 21 van de dertig dagen) en in oktober (gemiddeld 22 van de dertig dagen).
De oostkust kent een heet seizoen tussen maart en september
. De regentijd begint hier ongeveer in september en duurt tot omstreeks februari.

Overigens geld in heel Thailand dat het lang niet altijd duidelijk is wanneer de regentijd precies begint en eindigt. Ook kan het gebeuren dat er in het droge seizoen een flinke regenbui valt, vooral in het zuiden en zuidoosten. De gemiddelde jaarlijkse neerslag bedraagt 1.600 mm; daarvan valt driekwart in de regentijd waarvan het meeste in de namiddag of de avond.

De Regentijd: 
Wie in het regenseizoen met het vliegtuig op de luchthaven van Bangkok arriveert zal het gevoel hebben in een stoombad te zijn beland: alles voelt klam en warm aan. Elke keer als u zich inspant zullen de straaltjes zweet langs uw nek en rug glijden.
Voor wie hier niet tegen kan zal een bezoek aan Bangkok een zeer onaangename ervaring worden. Het is raadzaam dan zo snel mogelijk te vertrekken naar het platteland waar het in deze periode veel minder benauwd is dan in de steden.

In de regentijd, die van ongeveer midden juni tot november loopt, heerst de zuidwest-moessons, die soms voor kortstondige maar heftige regenbuien zorgt - vooral in de namiddag. De regen valt dan met bakken uit de lucht, wat een indrukwekkend gezicht kan zijn. Vaak volgt hierop een periode met zon. In delen van Bangkok kan het regenwater dan tot een meter hoog staan. Overigens gaat de regentijd niet in alle delen van Thailand met zo’n hevigheid gepaard.
In de maand oktober kunnen overstromingen plaatsvinden omdat dan na alle regen die al in de voorgaande twee maanden, de grond doordrenkt is van het regenwater.
In het noorden valt doorgaans minder regen en in het noordoosten regent het minst. Vandaar ook dat dit gebied veel van droogte heeft te lijden.

De koele winter: 
Behalve het zuidelijke schiereiland kent de rest van Thailand ook nog een derde seizoen: de winter. Deze loopt ongeveer van november tot maart
Het is de tijd dat de noordoost-moesson waait en zorgt voor droog, mild en aangenaam weer. De gemiddelde temperatuur schommelt dan tussen de 25 en 30° C.; ‘s nachts is het ongeveer 20 ° C. 
In het noorden en noordoosten kan het ‘s nachts in januari zelfs koel zijn, met temperaturen beneden de 10° C. De meeste hotels en guesthouses hebben in deze tijd een dekentje op de bedden gelegd.

De Beste reistijd: 
Het winterseizoen is het meest geschikte seizoen voor reizigers. Naast het feit dat het niet zo vochtig en warm is, is ook de zee meestal kalm, wat prettig is voor boottochten en diepzeeduiken.
In de zomermaanden is het duiken vanwege de harde winden vaak een probleem.
Voor zeilers en surfers met durf zijn de zomermaanden echter een uitdaging.

De hete zomer: 
Na de koelte van februari begint de temperatuur vanaf maart weer flink op te lopen.
April en mei zijn de heetste maanden van het jaar, met gemiddelde temperaturen die boven de 40° C. uit kunnen komen. Ook in het noorden en noordoosten is de temperatuur is maart en april erg hoog, het verschil met de koele januari- en februari-maanden is dan goed merkbaar.
Ook de Thais zijn in de hete maanden niet erg actief. De levenslust en de produktie neemt merkbaar af en het wachten voor eenieder is op de verkoelde regen.

Op de grens van de hete tijd en de regentijd wordt het waterfestival ( songkran) gevierd.

naar boven

De bevolking van Thailand:

Thailand is een waar mozaïek, op etnografisch, linguïstisch en cultureel gebied. De Thai of Siamezen hebben hun gezag op een geweldloze manier aan vele volken opgelegd, zodat geen van de nationale minderheden tegenwoordig nog bestrijdt dat zij tot het land behoort.
Het Theravada-boeddhisme, dat tegenwoordig de grootste aanhang heeft onder de Thaise bevolking, is misschien niet helemaal vreemd aan deze eensgezindheid.

Het begin , wie de eerste bewoners van Thailand waren, is onduidelijk, maar opgravingen in het begin van de jaren zeventig bij Bang Chiang in noordoost-Thailand wijzen erop dat hier al rond 3600 v.Chr. een hoog ontwikkelde beschaving was. Dit gaat verder terug dan China en Mesopotamië als oudst bekende streken waar bros vervaardigd werd, en suggereert dat het Khorat-plateau een "bakermat van de beschaving" was.

Regering , constitutionele monarchie sinds 1932. De koning is het staatshoofd, met een gekozen parlement als wetgevende macht.

Thailand is verdeelt in 73 provincies, die weer zijn onderverdeeld in districten en dorpen.

Demografie , de bevolking van Thailand telt 55,5 miljoen inwoners. Meer dan de helft is jongen dan twintig.

Levensverwachting , de gemiddelde levensverwachting is 61,75 jaar voor de mannen en 67,5 jaar voor de vrouwen.

Boeddhisten , met een bevolking die voor 95 procent boeddhistisch is, vormt Thailand het grootste boeddhistische land ter wereld.

Moslims , Thailand telt ongeveer 2 miljoen moslims en 2.000 moskeeën.

De Thai , onder de Thai wordt tegenwoordig verstaan: de bewoners van Thailand, de Siamezen van vroeger. Maar letterlijk duidt het woord op een belangrijke etnolinguïstische groep binnen de Sino-Tibetaanse familie. Oorspronkelijk kwamen de Thai uit het zuiden van China, waar ze ook nu nog veel voorkomen (vooral in de provincies Yunnan, Guangdong en Guangxi). Deze groep heeft vertakkingen in heel Zuidoost-Azië, maar vooral in Thailand zelf, alwaar zij arriveerden in verschillende migratiegolven.

De Siamese Thai , vestigden zich in de 11de eeuw op het tegenwoordige Thaise grondgebied. Zij bezetten al snel het dal van de Chao Phraya, dat het midden van het land beslaat, van Sukhothai tot aan het zuiden van Petchaburi, voortgedreven door de Noordelijke Thai. Zij spreken Siamees, wat de nationale taal is geworden. Het is zeker dat ze bepaalde eigenschappen van de volkeren die zij hebben onderworpen hebben overgenomen. Dat verklaart de vele dialecten die er door het hele land bestaan.

De Noordelijke Thai of Thai Yuan , leven vooral rond Chiang Mai, de oudste hoofdstad van Lan Na. Ze spreken het Yuan van Chiang Mai en hebben hun eigen alfabet. De geschiedenis van deze Thai verliep onafhankelijk van die van de Siamezen, totdat deze laatsten in het begin van deze eeuw Lan Na definitief annexeerden.

De Thai Lao , bevolken het grootste deel van het noordoosten en worden tegenwoordig tot de armste bevolkingsgroepen van het land gerekend, omdat het land op dit uitgestrekte plateau erg onvruchtbaar is.

De Lao-vrouwen , de Lao (18 miljoen mensen) zijn tegenwoordig talrijker in Thailand dan in Laos.

De Shan of Thai Yai , door de Thai Ngiaw genoemd, behoren tot de zelfde taalgroep als de Thai. Zij zijn in de 19de eeuw gevlucht uit de Shan-staten van Birma en wonen tegenwoordig verspreid in de noordelijke provincies of rond Mae Hong Son en Mae Seriang.

De Khmer , in de 11de en 12de eeuw bezetten de Khmer het hele noordoosten, de centrale vlakten en de vallei van de Kwai, maar tegenwoordig leven zij vooral in de provincie Surin, het grensgebied bij Cambodja, waar de Khmer-taal overal wordt gesproken. Net als de Thai Lao, en door dezelfde omstandigheden, zijn zij over het algemeen erg arm. De bezetting van Phnom Penh door de Rode Khmer in 1975 heeft vele Khmer ertoe gebracht naar Thailand te vluchten, maar het merendeel is weer naar het land van herkomst teruggekeerd.

De Mon , de taal van de Mon is verwant aan die van de Khmer. Zij bewoonden vroeger een groot deel van Thailand, maar zijn in de loop der eeuwen in aantal sterk achteruit gegaan. De Mon, die nu vooral in Nakhon Pathom, Samut Dangkram en Samut Prakan wonen, zijn niet lang geleden uit Birma geïmmigreerd.

De Maleisiërs , zij vormen de grootste minderheid van Thailand en bewonen de provincies in het uiterste zuiden van Thailand, Narathiwat, Pattani, Yala en Satun. Ze zijn moslim en spreken voornamelijk Maleis, maar ook Thais. Deze groep is waarschijnlijk het minst geassimileerd. Andere moslims in Thailand stammen af van kooplieden uit het Midden-Oosten en Perzië, die zich in Siam vestigden tijdens de Ayutthaya-periode.

De Chinezen , de Chinezen hebben zich lang voor de Thai in het land gevestigd. Vele Chinese kooplieden zijn blijven hangen in de havens van de Golf van Thailand en later de grote steden van het land, zoals Sukhothai in de 14de eeuw en Ayutthaya in de 17de eeuw. Toch vond de grootste immigratie plaats in de 19de eeuw, als gevolg van de vraag naar arbeiders na de afschaffing van de slavernij en de herendienst. Sindsdien werden de Chinezen verplicht zich te laten naturaliseren. Het is dan ook niet meer mogelijk om hen statistisch te onderscheiden van de Thai.

De Bergvolken , de meeste van de bergvolken in het noorden van Thailand emigreerden recent (bijvoorbeeld de Meo, de Yao, de Lolo, de Lisu, de Lahu, de Akha, de Hmong). Alleen de Karen en de Lawa vestigden zich vóór de komst van de Thai in het land.

De Karen , De Karen vrouwen dragen traditioneel gouden oorringen.

naar boven

Boeddha en het Boeddhisme

Boeddha , werd tussen 563 en 556 v. Chr. Geboren onder de naam Siddharta Gautama, als zoon van een plaatselijke prins in wat thans Nepal is. 
Hij leefde in luxe, trouwde en kreeg een zoon, toen hij op 29-jarige leeftijd het paleis verliet en het leed in de buitenwereld zag. 
Na veel meditatie over de betekenis van dit lijden verwierf hij zijn "verlichting", terwijl hij onder de bo-boom zat in Uruvela, in de buurt van Gaya, in de Indiase provincie Bihar.

Het antwoord op het probleem van het lijden dat Gautama gevonden had is verwoord in de " vier heilige waarheden", namelijk dat iedereen in zijn leven lijdt en dat dit leed veroorzaakt wordt door verlangen; dus om het leed kwijt te raken moet je, je verlangens zien kwijt te raken; de wijze om je verlangens kwijt te raken is door te leven volgens "het zogenaamde Edele Achtvoudige Pad".

Magga of Het Edele Achtvoudige Pad, namelijk het juiste begrip, de juiste intentie, de juiste woorden, de juiste daden, de juiste manier om in het levensonderhoud te voorzien, de juiste inspanning, de juiste zorgzaamheid en de juiste concentratie.

Dit pad omschrijft nauwkeurig op welke wijze men alle verlangens naar wereldse genoegens kwijt raken kan. In Benares (Varanasi) ontmoette Gautama vijf Brahmanen die zijn eerste volgelingen werden. Als Boeddha, oftewel de verlichte, stierf Gautama op tachtigjarige leeftijd; volgens de overlevering nadat hij vergiftigd voedsel gegeten had. In het begin bloeide het boeddhisme in India, maar het verdween later toen het oudere Hindoeïsme zich opnieuw deed gelden. Nu vind je het boeddhisme voornamelijk in de landen in het oosten, noorden en zuiden van het subcotinent: namelijk in Birma, Thailand, Laos, Cambodja, Vietnam, Tibet, Nepal, China, Korea, Japan en Sri Lanka. Er zijn vrijwel geen boeddhisten in het hedendaagse India. In de derde eeuw v. Chr. Scheidde het boeddhisme zich in twee stromingen.

Thailand volgt het Theravada-boeddhisme, "het kleine voertuig", zo genoemd omdat het slechts de eenvoudige elementen van de leer aan neemt; het Mahayana-boeddhisme, "het grote voertuig", bevat vele latere toevoegingen.

naar boven

Het Boeddhisme:
Het boeddhisme werd in de 13de-eeuw v.C. in Thailand geïntroduceerd, nog voor het ontstaan van de twee grote boeddhistische leren. 
Volgens de overlevering zond de Indiase keizer Ashoka twee missionarissen naar het "Gouden Land", vermoedelijk een verwijzing naar het Mon koninkrijk Dvaravati met de hoofdstad Nakhon Pathom.
Het land werd in die tijd nog niet overheerst door de Thai, die echter al waren begonnen met hun migratie vanuit Zuid-China en vermoedelijk via de Mon voor het eerst in contact kwamen met het boeddhisme. Hoewel het zaad van de religie al vroeg was gezaaid en direct uit India kwam, ontwikkelden de Thai ten slotte een staatsgodsdienst die in hoge mate was gevormd door contacten met de boeddhistische school uit Sri Lanka.

Toen in het begin van de 13de-eeuw de eerste soevereine Thaise staat Sukhothai werd gesticht, waren boeddhistische monniken uit het zuiden van het land al in contact gekomen met Sri Lanka en daardoor met de doctrine van het Hinayana- of Theravada-boeddhisme, die was gebaseerd op Pali-teksten. De grootste koning van Sukhathai, Ramkamhaeng , nodigde deze monniken vermoedelijk in zijn hoofdstad uit om de uit Sri Lanka afkomstige leer in zijn hoofdstad te verbreiden.

Door deze koninklijke bescherming en door directe contacten met Sri Lanka werd het Theravada-boeddhisme de staatsgodsdienst van Thailand.

- De monniken gemeenschappen zijn de steunpilaren van het boeddhisme.
- Centraal in de heilsleer staat het concept van vergaren van verdiensten, en voor mannen is de hoogste verdienste een leven als monnik, ook al is het maar voor korte tijd.
- De meeste jonge mannen in Thailand houden dit concept nog steeds in ere: zij laten zich wijden en treden voor één tot drie maanden toe tot een klooster (vooral in het regenseizoen).
- De rest van de bevolking vergaart verdiensten door voedsel te geven aan monniken.

Thailand onderhoudt tegenwoordig een religieuze gemeenschap van ongeveer 250.000 monniken, die in ongeveer 27.000 tempels in het hele land wonen.

naar boven

De taal van de tempels.

Het is handig om een paar termen te kennen met betrekking tot de architectonische kenmerken van Thaise tempels. De Bot is het vertrek waar zich de voornaamste boeddha bevindt. Het is een rechthoekig zaal met fraai beschilderende deuren en luiken, door achtstenen omgeven. Doorgaans is het dak op ieder hoek versierd met een hoornvormige krul, Chofa genoemd. De Viharn is een ruimte die gebruikt wordt voor bijeenkomsten van niet-monniken. Een Chedi is een hoog bouwwerk in de vorm van een klok en is meestal wit geschilderd. In India wordt een Stoepa genoemd; dit bouwwerk bevat meestal een waardevol relikwie of het stoffelijk overschot van een belangrijk (en godvruchtig) persoon. De Ho Rakang is een toren met bovenin een bel , of een trommel.

Het woord " tempel" is een tamelijk onbevredigende vertaling van het Thaise woord "wat" . Bij het woord tempel denken we aan een enkel gebouw, zoals een christelijke, maar bij een boeddhistische wat is dit niet het geval.

Een Thais tempelcomplex bestaat naast de verblijven voor de monniken, in het merendeel van de wats, uit een aantal afzonderlijke gebouwen. Het belangrijkste gebouw is de Bot, het heiligste deel van de tempel en de plaats waar de inwijdingsceremoniën plaatsvinden. U kunt het gebouw herkennen aan de "acht grensstenen of sima" buiten de tempel, die de vier hoeken en de vier windstreken markeren. Een tempel heeft meestal ook één of meer Viharns, een hal die lijkt op een bot maar die wordt gemarkeerd door Sima. Dit dient als verzamelruimte en gebedsruimte voor gelovigen. In zowel de viharn als de bot staan boeddhabeelden: meestal één groot beeld met verschillende kleinere.

De beelden van Boeddha hebben vier basishoudingen: staand, zittend, lopend of liggend. Daarbij laten sommige beelden mudras (handgebaren) zien. Beide handen in de schoot geven de meditatiehouding aan en als de vingers van de rechterhand naar de grond wijzen, stelt het beeld de overwinning van Boeddha op Mara (de krachten van het kwaad) voor. Een geheven rechterhand van een staand beeld is de mudra van het "verjagen van de angst".

De bot en de viharn zijn in de zelfde stijl gebouwd. Het zijn beide rechthoekige gebouwen met spitse daken van meerdere trappen, die bedekt zijn met geglazuurde bruine, groene of blauwe pannen. Voor- en achterzijde van de nok van het dak lopen uit in een verguld geveltopteken dat cho fa ofwel "luchtpluim" wordt genoemd, een gracieus vormgegeven versiering die doet denken aan de slanke nek en kop van een vogel. Men neemt aan dat dit de mythische Garuda, symboliseert, half vogel half man, is het legendarische rijdier van de Hindoe-god Vishnu. Hij is het symbool van het Siamese koningschap en komt voor op veel gebouwen op het terrein van het Grote Paleis. Behalve de bot en de viharn is ook de chedi ofwel stoepa een kenmerkend onderdeel van de boeddhistische tempel. De chedi domineert het tempelcomplex en is in feite een grote pagode die relieken van de boeddha, heilige teksten of een boeddhabeeld herbergt.

Er zijn twee basisvormen:

De klokvormige stoepa die is gebouwd op trapsgewijs geplaatste vierkante of ronde terrassen en uitloopt in een dunne spits, en de ronde op een vinger lijkende toren. Deze laatste siertoren is geïnspireerd op de Khmer-architectuur en symboliseert de mythische woonplaats van de goden op de top van een berg. Deze toren wordt prang genoemd.
Tot de andere gebouwen op het tempelterrein kunnen een bibliotheek voor de heilige tekst stenen een
mondop behoren. De bibliotheek werd van oudsher op palen boven een vijver gebouwd om de kwetsbare manuscripten, te beschermen tegen termieten.
De mondop is een vierkant gebouwd met een spit toelopend dak, waarin zich een relikwie bevindt, vaak een voetafdruk van de Boeddha.

In enkele grotere wats ziet u ook kloostergangen: open galerijen met soms rijen boeddhabeelden. Ook vindt u er soms klokketorens en meerdere paviljoenen. Sommige wats hebben daarnaast een crematorium, herkenbaar aan de naalddunne schoorsteen. Er is dikwijls een school voor monniken en soms ook voor leken.

De Thaise tempel is letterlijk en figuurlijk het middelpunt van ieder dorp, en is in dit opzicht vergelijkbaar met christelijke kerken in de middeleeuwen.
In tegenstelling tot een kerk komt een boeddhistische tempel niet alleen maar tegemoet aan de geestelijke behoeften van de bevolking. In het verleden, maar ook in het heden, vooral in sommige landelijke gebieden, was het hele culturele leven geconcentreerd rond de wat, die diende als sociaal centrum, school, ziekenhuis, apotheek, herberg en arbeidsbureau.

De twee belangrijkste bindende krachten van de Thaise samenleving zijn het boeddhisme en de monarchie.

Meer dan 95 % van de Thais zijn Theravada-boeddhisten, die hun religie niet alleen belijden maar ook praktizeren. De bezoeker hoeft alleen ‘s ochtends vroeg de straat op te gaan om in saffraan geklede monniken te zien die voedsel van de mensen krijgen, net zoals ze dat eeuwen lang hebben gedaan. Het is geen vorm van bedelarij van de kant van de monniken, maar meer een gelegenheid voor de gever "zich verdienstelijk te maken", het geen een essentieel onderdeel van de religieuze praktijk uitmaakt.

naar boven

Het Theravada-geloof is, om de geschiedenis ervan kort samen te vatten, de zuidelijke school van het boeddhisme, zoals dat het eerste bewaard bleef in Sri Lanka nadat de religie uit India was verdwenen. Het staat tegenover het Mahayana-boeddhisme of de noordelijke school, zo genoemd omdat deze school zich vanuit India via Nepal, Tibet en China tot in Korea, Vietnam en Japan verbreidde .

De essentie van de hele boeddhistische leer in de Vier Edele Waarheden:

Dukkha ; het lijden, en de onvermijdelijkheid daarvan.
Samudaya; de oorzaak van het lijden, te weten de begeerte.
Nirodha: de beëindiging van het lijden door het doven van de begeerte.
Magga; de weg naar de beëindiging van het lijden.

Het uiteindelijke doel van de religie is het nirvana, de eliminatie van het lijden , welke bereikt wordt, door in een lange cyclus van dood en wedergeboorte verdienste te verwerven. De aard van de wedergeboorte wordt bepaald door karma of het handelen. In de praktijk streven de meeste mensen simpelweg naar wedergeboorte in een beter bestaan, aangezien de toestand van nirvana letterlijk onbegrijpelijk is.
Verdienste verwerven kan men zich zowel door daden op sociaal als door daden op persoonlijk niveau, en de Thaise samenleving op haar best is een toonbeeld van
de Gouden Regel dat;

"men anderen moet behandelen zoals men door hen behandeld zou willen worden" .
Het middelpunt van verering in het Theravada-boeddhisme is de Triratana.
Het Drievoudige Juweel, bestaande uit de Boeddha, de Dhamma en de Sangha.

De Dhamma is de universele waarheid die hij verkondigde. Wordt in preken en op school verkondigd, en overal zijn monniken. Wat het laatste betreft, het is nog altijd gewoonte dat de meeste jonge Thaise mannen althans voor korte tijd tot het monnikendom toetreden. Gewoonlijk gebeurt dat in de drie maanden van de Boeddhistische vasten.
en de Sangha is de religieuze gemeenschap, en meer in het bijzonder de monniken.
De triratana ontbreekt nergens in het Thaise leven;

naar boven

Stadia in de Thaise kunst.

Dvaravati (6de - 11de eeuw). De door India beïnvloede stijl die oorspronkelijk door de Mon werd verspreid. De architectuur wordt gekenmerkt door baksteen en lateriet met decoratieve stucco-elementen.

Srivijaya (8ste - 13de eeuw). Was dominant op het Maleisische schiereiland en de Indonesische archipel en tot aan Nakhon Si Thammarat-gebied in Zuid-Thailand. Opmerkelijk vanwege de beeldhouwkunst.

Lop Buri (7de - 14de eeuw). Deze school bloeide toen de regio door de Khmer werd geregeerd, meesterbouwers die sporen van hun verrichtingen in Lop Buri en op verschillende andere plekken in het noordoosten hebben achtergelaten.

Sukhothai (einde 13de - 15de eeuw). Begin van de opkomst van een specifiek Thaise kunst. Boeddha heeft lange oorlellen, een haakneus en een serene glimlach.

Lan Na (11de - 13de eeuw). Vooral verbonden met het noorden van Thailand tijden de Sukhothai-periode. De bouwwerken waren vaak van hout, zodat er weinig oorspronkelijke gebouwen zijn overgebleven.

U Thong (12de - 15de eeuw). Beïnvloed door de Khmer-kunst tot de 13de eeuw. Boeddha draagt meestal een hoofdband en is afgebeeld in de houding tijdens de onderwerping van Mara.

Ayutthai (15de - 18de eeuw). Lakwerk en muurschilderingen laten en voorkeur voor ornamenten zien.

naar boven

Flora en fauna:

Volgens het uitstekende boek National Parks of Thailand zijn er zo'n 15.000 inheemse vaatplanten, waaronder meer dan 500 boomsoorten en meer dan 1.000 soorten orchideeën. Van de fauna zijn de vogels het opvallendst met op dit moment 900 waargenomen soorten. De ongeveer 1.200 vlindersoorten zijn voor de natuurliefhebber evenzeer een trekpleister.

Aan natuurlijke rijkdom ontbreekt het Thailand niet het heeft een diverse flora en fauna. De bosgebieden bestaan voornamelijk uit teak en yang (houtolieboom), rotan, rozehout en mangrovebossen. Ongeveer 150.000 km2 is bedekt met bos, zo’n 12% . Op zichzelf lijkt dit een flinke oppervlakte, maar het kapverbod dat de Thaise overheid in februari 1989 afkondigde, was hard nodig. Om een indicatie te geven: in het noordoosten was in 1965 nog 61.5% van het gebied met bos bedekt; in 1985 was dit nog slechts 8%).

De uitgestrektheid van het land van noord naar zuid maakt een uitzonderlijke verscheidenheid aan biotopen en klimaatzones mogelijk, van tropische tot bijna gematigde.

Al is het planten- en dierenrijk niet meer zo uitbundig als vroeger, het is nog steeds buitengewoon rijk en gevarieerd. Men schat dat 6 procent van de bekende soorten vaatplanten op aarde, 10 procent van de soorten vissen, 10 procent van de vogels, 5 procent van de reptielen en 3 procent van de amfibieën in Thailand te vinden zijn. De vegetatie bestaat onder meer uit mangroevemoerassen, tropische regenwouden en met dennen begroeide berghellingen, terwijl de kustwateren rijk zijn aan koraalriffen vol oceaanleven.

naar boven

Fruit: 
Het vochtige tropische klimaat levert Thailand een overvloed aan fruit op, zoals we kunnen zien op de fleurige straatmarkten. Naast de ons welbekende
ananas (saparote), treffen we bananen (kluay) in zo’n dertig soorten aan. De custard apple (noina), jackfruit (kanoon), de longan (lamyai), mango’s (mamuang), de papaja (malakhor), rambutan (ngok), de rose apple (chompoo) en de sapodilla (lamood
)

Ook watermeloen (tangmo) ligt in de marktstalletjes op grote stapels uitgestald. In de tropische hitte is deze rood-groene vrucht een zeer goede dorstlesser.

De kokosnoot (maprao) is niet bruin, zoals wij haar kennen, maar groen en bevat sap dat niet alleen zeer dorstlessend is, maar ook een hoge voedingswaarde heeft. De smaak van de jonge groene kokosnoot is minder geconcentreerd dan de oudere bruine kokosnoot en is daarom erg verfrissend. Het witte papvlees stilt bovendien even de honger.

De durian (doerian, dorian, turian) is een grote vrucht met een geelgroene schil met scherpe punten en een uiterst onaangename geur. Wie weerstand durft de bieden aan deze ammoniak-geur zal ontdekken dat deze vrucht een bijzondere smaak heeft.

De durian wordt vanwege haar rottende geur niet in de hotels geserveerd , maar wordt op elke straat-markt verkocht, meestal in plakjes.
De vrucht bevat lekker, geel, puddingachtig vlees en is zoet van smaak
. Het proberen waard!
Het durianseizoen loopt van april tot juni.

Er groeien naar schatting meer dan 1000 verschillende soorten orchideeën in Thailand. De bloemen ervan werden hier meer dan honderd jaar geleden voor het eerst gekweekt en horen nu tot de belangrijkste exportartikelen van het land . De beste tijd om de bloei te zien is net nadat de regens zijn afgelopen en voordat de zomerse hitte aanvangt. In februari in het gebied rondom Chiang Mai een zee van kleur: niet alleen orchideeën maar ook honderden andere tropische soorten, waaronder hibiscus, lotus, Westindische rode jasmijn, palissander en acacia.

Het in huis kweken van de plant is ook een populair tijdverdrijf. Zelf de uitlaatgassen in Bangkok kunnen niet verhinderen dat de meer dan 500 verschillende plantesoorten opzien baren.

naar boven

Fauna:
Reizend per bus, auto of trein door Thailand zien we vele soorten dieren: geiten en waterbuffels op het platteland, katten in de stad, honden en vele soorten vogels.

De "Siamees" is een inheems kattenras, dat over de hele wereld verspreid is geraakt. Aan het dier worden bepaalde krachten toegeschreven en daardoor wordt het eerbied bejegend.

Voor de honden is dit niet weggelegd en ze zien er dan ook vaak slecht uit: veel huidziekten, kreupele poten, vaak uitgemergeld. Vooral bij de tempels, waar de honden hun laatste levensdagen slijten, ziet u vaak een deerniswekkende verzameling.
De reden dat de honden bij de tempels eindigen is dat volgens de boeddhistische leer geen dieren gedood mogen worden.

De hagedis is een ander dier dat in groten getale voorkomt. U zult in menig hotel de kleine hagedisjes, chingchongs, als kamergenoot op de koop moeten toenemen. Zij zijn echter goede insektenvangers. Wellicht bewijzen ze u dan ook een dienst door het aantal zoemende insekten te verminderen die uw nachtrust kunnen verstoren.

De tukae, of gekko, is een grote hagedis , die zich veel minder laat zien, maar het geluid dat dier produceert behoort tot de bekendste geluiden van de tropische nacht.
Het is een gorgelend geluid gevold door vijf tot tienletter-grepige schreeuwen. Dit koor, dat in de nacht volop te horen is, wordt vooral na een regenbui aangevuld door geluiden van krekels en kikkers.

Thailand kent honderden soorten vlinders, die u het best kunt bekijken als u een van de vlinderboerderijen bezoekt. In het noorden van Thailand zult u tijdens de wandelingen vaak omringd worden door wit, geel, blauw of groen gevleugelde insekten.

Hoewel 282 van de 4000 soorten zoogdieren van de wereld in Thailand leven, neemt het aantal bijzondere dieren in een alarmerend tempo af. De populatie wilde olifanten wordt op dit moment op zo’n 2000 tot 3000 exemplaren geschat en van de getemde dikhuiden zijn er niet veel meer.

Een eeuw geleden waren er nog 20.000 werkolifanten in het noorden van Thailand alleen.

naar boven

De olifant.

Overal op het Thaise platteland kunt u ze tegenkomen. De grijze dikhuid is een belangrijk symbool voor het land en was in vroegere tijden een belangrijke economische factor: zonder deze giganten kon men de teakhout-produktie wel vergeten, en konden de lastige bergwegen naar Chiang Mai niet bedwongen worden.

De levensloop van een Aziatische olifant is opmerkelijk. Een baby olifant is wat mollig, heeft lang punkachtig haar en een kleine slurf, is 75 cm hoog en weegt ongeveer honderd kilogram. Deze zwangerschap duurt 21 maanden. Bij de paring willen olifanten niet worden gezien - het gebeurt op een stille plek in het bos. De baby wordt drie jaar lang gevoed met moedermelk. Een olifant kan tussen haar achttiende en tachtigste jaar drie of vier keer moeder worden.
Een volwassen olifant is ongeveer 3 m hoog, gemeten van de poten tot de schouders. Een volwassen mannelijke olifant weegt tot vierduizend kilogram en is een halve meter hoger dan een vrouwelijke olifant. Alleen mannelijke olifanten hebben slagtanden van ivoor; vrouwelijke olifanten hebben soms twee stompjes. Overigens zijn er ook mannelijke olifanten zonder slagtanden.
Getemde olifanten worden gevoed met bananen, suikerriet, papaja’s, gras, bamboe, planten en schors. Ze hebben ongeveer 250 kilogram voedsel per dag nodig en 250 liter drinkwater.
Een olifant leeft ongeveer honderd jaar; zijn beste werkjaren vallen tussen dertig en vijftig jaar; op zestigjarige leeftijd gaat hij gewoonlijk met pensioen.

In Noord-Thailand zijn verscheidene trainingsscholen voor olifanten, en hier kan de bezoeker, ’s ochtends vroeg van nabij zien hoe de dikhuiden door hun mahouts of kornaks worden afgericht. Deze instellingen hebben een praktisch doel, hoewel het, nu het aantal werkolifanten terugloopt, ook wel toeristische attracties zijn.

De olifantjes, die bij de geboorte net zo groot zijn als een middelgrote hond, worden als kinderen onderwezen. Hun ‘school’ kent een zomervakantie (van maart tot mei) en het is gesloten op religieuze feestdagen. De school onderwijst de leerlingen lager onderwijs als ze tussen de drie en vijf jaar oud zijn en middelbaar onderwijs tussen de leeftijd van zes en tien jaar.
Daarna begint op 11-jarige leeftijd het eigelijke werk; ze werken tot 16-jarige leeftijd volgens het leerlingwezen en na die tijd worden ze als volwassen groepsleden beschouwd.
De officiële pensioengerechtigde leeftijd ligt op 61 jaar.

Iedere morgen (echter niet op feestdagen of in de twee maanden lange zomervakantie) worden er demonstraties gegeven - het verzamelen, het gemeenschappelijk baden, het rollen, tillen en opstapelen van boomstammen.

De opleiding van olifanten duurt vijf of zes jaar er is een gedegen africhting voor nodig voordat ze volledig bekwaamd zijn in de diverse vaardigheden die voor het werk in de bossen vereist zijn. Ze werken meer als partner dan als slaaf van de mens, en doorgaans zal een olifant bij een mahout blijven tot hij net als de mens omstreeks zijn zestigste met pensioen gaat.
Ondanks hun enorme grootte zijn olifanten gevoelige dieren, die veel zorg vergen. Vanwege de warmte werken ze alleen ‘s ochtends, en als het warme seizoen op z’n heetst is, krijgen ze vrijaf.

De dagen van de werkolifant zijn thans geteld, hoewel hij voorlopig nog een karakteristieke bezienswaardigheid in het noorden blijft, een herinnering aan een langdurige en roemrijke bijdrage aan de culturele structuur van Thailand.

Het dier heeft nogal eens last van de hitte. Daarom begint zijn werk vroeg in de morgen en krijgt hij ‘s middags rust en een verfrissend bad. Na drie dagen werken volgen een paar dagen verlof. De olifant is een korte slaper; hij kan toe met vier uur nachtrust. Tijdens de slaap ligt hij op zijn zijde snurkend op de grond. Van maart tot mei heeft hij gewoonlijk vakantie; hij wordt dan vrijgelaten om in de jungle te kunnen rusten en paren.

Er zijn twee soorten olifanten in de Thaise cultuur: de "werkolifant" en de "krijgsolifanf". Van de Thaise werkolifanten zijn er op dit moment nog ongeveer 26.000. ze hebben grotere " hersens" dan hun Afrikaanse collega’s en zijn gemakkelijker te trainen voor het werk in de bossen. Ze hebben een speciale band met hun berijders die mahouts of kornaks worden genoemd. Hoewel de olifanten zeer gedisciplineerd zijn bestaat de kans dat ze in een bepaalde periode van collectieve razernij in de wintermaanden gevaarlijk worden.

Werkolifanten worden al jong in de jungle gevangen; oudere dieren passen zich veel moeilijker aan. Het vangen gebeurt door wilde olifanten in een kraal bijeen te drijven of door een lasso om een van de achterpoten te werpen. Bij beide manieren dient gewoonlijk een goedgetrainde vrouwelijke olifant als lokhaas. De olifanten, die ieder drie man personeel om zich heen behoeven, worden gebruikt om teakhoutboomstammen op te stapelen en ze uit het bos naar de rivier te transporteren. Ze trekken of duwen een boomstam voort of nemen hem tussen de slurf en de slagtanden. Een sterke olifant kan een boomstam van twee ton verplaatsen en een boomstam van 700 kg oplichten. De dieren worden verder gebruikt voor het vellen van bomen.

Olifanten speelden in vorige eeuwen naast de rol van lastdier ook een grote rol bij veldslagen en belegeringen: het waren een soort tanks. De macht van oosterse vorsten werd vaak gemeten naar het aantal krijgsolifanten dat hij in de strijd kon brengen. In sommige verhalen staat vermeld dat de Thaise koningen met driehonderd krijgsolifanten te strijde trokken tegen Birma.

Een krijgsolifant is gewoonlijk grijs, groot en sterk en hij had lange en puntige slagtanden. Aan het hoofd en de zijkanten was hij behangen met metalen platen; aan de slurf is een zwaard bevestigd en aan de slagtanden zaten giftige dolken. De goedbeschermde ruiters vochten met sabels, zwaarden en werpsperen.

Zeer belangrijk was en is de witte olifant. Deze werd vroeger in Siam vereerd als een soort God . Tot 1917 stond hij afgebeeld op de vlag van Siam en tegenwoordig siert hij nog altijd de vlag van de Thaise marine. De witte olifant werd in Siam beschouwd als een incarnatie van Boeddha. Vandaar dat we de olifant nog altijd veel tegenkomen in de tempels, op houtsnijwerk en reliëfs. Het dier vervult ook een belangrijke rol in de literatuur en bij ceremonies. Aan het dier werd bovendien grote kracht toegeschreven; als de koning met witte olifanten ten strijde trok, voelde hij zich zeker van de overwinning.

De zeldzame witte olifant werd in Thailand behandeld als een vorst; hij kreeg hoge titels en at zijn maaltijden uit grote gouden bakken; dienaren wuifden hem koelte toe of hielden een parasol omhoog .

Rama IV, koning Mongkut , is een van de grote Thaise vorsten. Hij leerde Engels spreken en schrijven van een Amerikaanse missionaris. Tevens had hij een nieuwsgierige aard en was gefascineerd door de technische en wetenschappelijke ontwikkelingen in het Westen in het midden van de negentiende eeuw. Hij was een broer van Rama III, die na het overlijden van hun vader de macht gegrepen had, hoewel Mongkut daartoe de eerste rechten bezat. De lange tijd voordat hij tot koning werd gekroond, bracht hij als monnik door en vrij van zorgen over staatsaangelegenheden had hij alle tijd voor zijn studie.

Koning Rama IV, schreef een verhandeling over de albino- of witte olifant. Als schoonheidskenmerken benoemde hij de gele ogen, het witte haar, de witte staart en nagels, de roze huid en het muzikale en harmonieuze geluid dat het beest maakt.

De kleur van de huid bepaalde de rangorde . De hoogste klasse was goud van kleur, dan volgde de olifant met, "de kleur van een verwelkte lotusbloemblad"; de derde had de kleur van een gedroogd bananenblad. "Maar", voegde de koning eraan toe, "om de schoonheid te beoordelen kan iedere man zijn eigen voorkeur hebben, zoals ook het geval kan zijn bij de schoonheidsbeoordeling van een vrouw".

Nog altijd speelt de witte olifant een rol in de Thaise samenleving, zij het heel bescheiden in de stallen van de Dusit-dierentuin van Bangkok. In het midden van de jaren zeventig zijn er nog drie witte olifanten gevangen; automatisch werden deze dieren koninklijk bezit. De koning liet ze overbrengen naar een speciaal en streng bewaakt park.

naar boven

De buffel.
De waterbuffel is een belangrijk dier op het Thaise platteland. Hij zorgt voor de spierkracht die nodig is voor het ploegen van de rijstvelden. Bovendien wordt vrijwel alles van de buffel gebruikt: het vlees wordt opgegeten, de huid wordt gebruikt voor kleren, tassen, manden en zakken en de horens worden als dank opgehangen in het huis.

Vroeg in de ochtend worden ze door de jongetjes van het dorp uit de stal gejaagd en met de buffalo boys op hun rug naar de weilanden geleid. Voorop loopt de leider en de jongens sluiten de zijkanten en de achterkant van de stoet af, totdat ze bij het ploegland aankomen. Hier worden de buffels bij het ploegen van het land ingezet, waarna de rijst wordt geplant. Bij het ploegen gebruikt de boer of de buffeljongen een touw dat door het gevoelige deel van de buffelneus loopt. Buffels hebben namelijk de natuurlijke neiging om van de rechte lijn af te wijken.

Door het touw wordt dit gecorrigeerd. Tijdens de warmste uren van de dag wordt er niet geploegd: de boer doet een dutje en de buffel schurkt zich in het water of in de modder - als het maar koel is. Het buffelhoofd is dan een en al tevredenheid. De waterbuffel komt niet alleen voor in Thailand, maar ook in China, India en de rest van Zuidoost-Azië, waar hij vroeger in het wild leefde.

De Thaise buffel is iets kleiner dan de Indiase buffel en in het algemeen veel rustiger. De buffel in dit gebied weegt maximaal vierhonderd kg.
De hoeven van de buffel zijn erg belangrijk en de boer besteedt hier daarom veel aandacht aan. Ze mogen niet te licht van kleur zijn of gespleten. Als de hoeven te licht zijn is er een grote kans dat de buffel binnenkort ziek zal worden.

Bij het vallen van de avond drijven de jongens de buffels terug naar het dorp. Ze sjokken vermoeid voort en trekken gras uit de berm. Thuisgekomen schaart de familie zich rond de rijstpot, terwijl buiten een klein hooivuurtje brandt - een blijk van dankbaarheid voor de buffel.

Andere opmerkelijke inheemse zoogdieren die in aantal afnemen, zijn onder andere tijgers, luipaarden, Maleise beren, kraagberen, paardeherten, muntjakken, dwergherten, gibbons, makaken en verschillende soorten wilde runderen.
Ook onder de reptielen zijn er bedreigde soorten, vooral de rivierschildpad en de Indische krokodil. Slangen zijn er aan de andere kant nog genoeg, zowel in aantal als in soorten, waaronder zes zeer giftige. Dodelijke slangebeten zijn echter uiterst zeldzaam.
De kustwateren in Thailand voormen een rijk biotoop voor planten en dieren die karakteristiek zijn voor zowel de Indische Oceaan als de Indo-Pacifische gebieden; er wordt gevist op onder andere de blauwe merlijn, de zeilvis, de barracuda en verschillende soorten haaien.

is een overvloed aan koraalriffen in zowel de Andamanse Zee als in de Golf van Thailand, hoewel de invloed van het toerisme, ankerschade en vooral het vissen met dynamiet hun tol hebben geëist.

naar boven

Bangkok en omgeving.

Vanuit Bangkok is een aantal nationale parken gemakkelijk te bereiken, evenals andere gebieden met een interessante fauna, terwijl ook de stad zelf het nodige te bieden heeft. Iedere tuinbezitter zal vol afgunst kijken naar de bloeiende heesters die de tuinen in de hoofdstad opfleuren. Hetzelfde geldt voor orchideeën; aan de muren van vrijwel elk huis hangen potten vol met deze fraaie bloemen. Bangkok beschikt niet over een officiële botanische tuin, maar het park rond het Suan Pakkard Paleis geniet een grote reputatie.

In het Lumphini Park in het centrum van Bangkok en het Chatuchak Park in het noorden van de stad kunt u een grote verscheidenheid van dieren in het wild aantreffen en een goede indruk krijgen van de rijkdom aan vogels die Thailand herbergt. De kuifspreeuw en de zwarte wouw zijn hier vaste bewoners, terwijl de bruine vliegenvanger er de wintermaanden komt doorbrengen.

Vanuit Bangkok is gemakkelijk en snel de Golf van Thailand te bereiken. Voor vogelliefhebbers is Bangpoo, op 25 km afstand van de hoofdstad, de meest aangewezen plaats. Hier wisselen zoutpannen, meertjes, mangrovewouden en moerassen elkaar af, een omgeving die vooral in de herfst en winter een groot aantal waadvogels trekt. Het beste tijdstip om hier de vogels te gaan bekijken is bij opkomend tij , wanneer zij door het water naar de kust gedreven worden, terwijl tijdens de hoogste waterstand veel vogels de meertjes en moeraspoelen opzoeken om te rusten en voedsel te zoeken. Grote en kleine strandpluvieren, bonte strandlopers, oeverlopers en kopmeeuwen zijn de meest voorkomende vogelsoorten in Bangpoo, maar er bestaat altijd de kans dat u ineens een zeldzaam dier als de groenpootruiter tegenkomt. Voor de bezoeker is dit waarschijnlijk de eerste kennismaking met de mangrove. Het verbazingwekkende wortelstelsel van deze boom biedt de ene verassing na de andere. De takken bieden een rustplaats voor bonte en witgekraagde ijsvolgels, terwijl vliegenvangertjes zich te goed doen tussen de bladeren.

naar boven

Vliegende honden.
De vliegende hond, een fruitetende vleermuis, is waarschijnlijk een van de meest opvallende dieren in Bangkok en omgeving. Overdag hangen deze reusachtige vleermuizen in de bomen te slapen, om bij het invallen van de duisternis met duizenden te gelijk op zoek te gaan naar nectar en rijpe vruchten. Deze strooptochten voeren hen soms tot zo’n 80 km van hun dagelijkse rustplaats verwijderd. In de tropische wouden zijn deze vliegende honden van groot belang voor de bestuiving en distributie van zaden..

naar boven

Bossen.
Hoewel er duidelijke verschillen bestaan tussen de vormen van bebossing in de verschillende delen van het land, valt het grootste gedeelte van de oorspronkelijke begroeiing van Thailand onder de algemene noemer "regenwoud". Over de gehele wereld zijn slecht drie plaatsen waar dit regenwoud -Zuid-Amerika, Afrika en Zuidoost-Azië - zodat de overgebleven bebossing in Thailand voor de gehele wereld van groot belang is. In tegenstelling tot het regenwoud en het in het Amazone-gebied, waar het hele jaar door een min of meer constante hoeveelheid regen valt, zijn de wouden in Thailand afhankelijk van de regen die tijdens de natte moesson in grote hoeveelheden naar beneden komt. Afhankelijk van de geografische breedte waarop zij liggen, krijgt een aantal bossen minder regenwater dan de 130 cm die voor de ontwikkeling van een echt regenwoud vereist is. In streken waar rond de 80 cm regen per jaar valt, groeit vooral veel teakhout, een houtsoort die vanwege de economische waarde snel aanleiding geeft tot ontbossing. Ook zijn er gebieden waarin de afwatering te wensen over laat, zodat er een soort moeraswoud ontstaat. Tenslotte zijn de oerwouden die in heuvelachtig gebied ontstaan van een totaal ander samenstelling dan de regenwouden in een laagvlakte. Omdat de bergbebossing zich veelal uitstrekt over glooiend gebied is het bladerdek minder dicht, waardoor de bosgrond meer zonlicht kan opvangen. Dit zijn omstandigheden waarin bepaalde varens en orchideeën kunnen gedijen. In een natuurlijk regenwoud heeft een ongelooflijk aantal planten en dieren de mogelijkheid zich voort te planten. In de Thaise wouden kunt u soms meer dan 50 verschillende boomsoorten aantreffen op een oppervlakte van nog geen halve hectare. Het bladerdek helpt op zijn buurt weer om op de grond een constante vochtigheidsgraad in stand te houden, waardoor sommige dieren, zoals kikkers, zicht prettig kunnen voelen, terwijl zij anders bij deze hoge temperaturen met uitdroging bedreigd zouden worden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat een groot aantal dieren zonder de beschermende omgeving van het regenwoud geheel zou zijn uitgeroeid.

naar boven

Insekten in het oerwoud.
Voor een entomoloog is het Thaise oerwoud net een droom die tot leven gekomen is. Misschien met uitzondering van het Zuidamerikaanse regenwoud zullen er maar heel weinig plaatsen zijn op deze wereld zijn waar zoveel insekten in zo’n grote verscheidenheid te vinden zijn als in de wouden van Zuidoost-Azië. Letterlijk duizenden verschillende soorten insekten zijn hier beschreven, terwijl er nog steeds honderden, zo niet duizenden, wetenschappelijk nog niet eens te boek gesteld zijn. De grote verscheidenheid aan insekten is deels te danken aan de ideale omstandigheden die in de vele reservaten nauwgezet in stand gehouden worden, deels ook aan het feit dat de klimatologische omstandigheden in Thailand zo zijn dat er gedurende het hele jaar voldoende voedsel te vinden is. Het merendeel van de Thaise insekten fauna mag typisch Aziatisch genoemd worden, maar een aantal Amerikaanse en Australische soorten heeft het totaal flink opgeschroefd. Vlinders komen in het oerwoud in zeer grote getale voor. Er zijn soorten bij die behoren bij de grootste vliegende insekten en die in hun vlucht gemakkelijk voor een vogel kunnen worden aangezien. De volwassen insekten mogen met hun vaak felle kleuren het oerwoud een fleurig aanzien geven, de rupsen waaruit zij zijn voortgekomen zijn vaak zo goed gecamoufleerd dat zijn één lijken te worden met de bladeren waarmee zij zich voeden.

naar boven

Verborgen leven.
De meeste insekten maken gebruik van camouflage in niet door vogels of andere roofdieren te worden opgegeten, maar de roofsprinkhaan camoufleert zich juist om een prooi te pakken te krijgen. Camouflage wordt op zeer veel verschillende manieren bereikt en soms zo goed, dat het lang duurt voor men iets anders ziet dan de begroeiing. Sommige van deze dieren zien eruit als een boomblad, andere zijn niet van een bloem te onderscheiden, wachtend op kleinere insekten, terwijl er ook bij zijn die zelfs de verkleuringen in de vegetatie nabootsen.

naar boven

Zoogdieren in het oerwoud.
Van alle dieren die in Thaise oerwoud leven, krijgt u de zoogdieren waarschijnlijk het minst te zien. Sommige dieren, zoals de vosaap, zijn alleen ‘s nachts actief en houden zich overdag schuil, terwijl andere , zoals de gibbon, zich uitsluitend in het hoge bladerdek ophouden. Toch leven er in het oerwoud veel grote zoogdieren op de grond die men maar hoogst zelden te zien krijgt. Tijgers, sambur-herten en tapirs blijven verborgen in het struikgewas, waarbij de tekening op hun huid voor extra camouflage zorgt. Hoewel sinds lang ingeburgerd als huisdier en overal als last dier in gebruik, is de Indiase olifant van oorsprong ook een oerwoudbewoner. In sommige reservaten, zoals Khao Yai, kunt u de dieren nog tegenkomen, maar ironisch genoeg worden zij in het noordelijk heuvelland nu ingezet bij het opruimen van de bossen waarin zij ooit vrij hebben rondgezworven. Aziatische olifanten zijn gemakkelijker af te richten en minder humeurig dan hun Afrikaanse neven. In films die zogenaamd in Afrika zijn opgenomen, wordt dan ook vrijwel altijd gebruik gemaakt van Aziatische olifanten. Deze zijn te herkennen aan de vorm van hun oren; Aziatische olifanten hebben in verhouding namelijk veel kleinere oren. Gibbons leven in de bovenste lagen van het regenwoud. Zij voelen zich in deze omgeving zo goed thuis dat ze elders niet in staat zijn te overleven. Door de steeds voortschrijdende ontbossing wordt deze diersoort dan ook in zijn bestaan bedreigd. In Thailand komen zowel de withandige als de gevlekte gibbon voor. Het dier leeft van vruchten en insekten. De vosaap is een van Thailands minst bekende, maar leukste dieren. Overdag zal men dit dier zelden of nooit te zien krijgen, maar ‘s nachts wil het met behulp van een zaklantaarn nog wel eens lukken om de vosaap, die het uiterlijk heeft van een knuffeldier uit een speelgoedwinkel te betrappen. De vosaap wordt ook wel trage loeris genoemd, een naam die hij alle eer aandoet als hij zich bedaard door de boomkruinen beweegt, zich vastgrijpend met zijn extra lange vingers. Hij leeft van niet al te snelle insekten die hij met zijn uitstekend reukvermogen feilloos weet op te sporen.

naar boven

De landengte van Thailand.
Ten zuiden van Bangkok strekt Thailand zich nog zo’n 1000 km lang uit over het Maleisisch schiereiland. Het landschap biedt hier een totaal andere aanblik dan in de rest van het land. Het schiereiland heeft een schitterende, tropische kustlijn met een diepblauwe zee, witte stranden en wuivende palmen. Tropische wouden en dichtbegroeide bergen dragen bij aan de verscheidenheid. Het is een lange rit van Bangkok naar de uiterste zuidpunt, maar gelukkig is er onderweg van alles te bewonderen. Zoutpannen en moerassen, zoals bij Khao Sam Roi Yot, 200 km ten zuiden van de hoofdstad, geven een grote verscheidenheid aan waadvogels te zien. Bij de wisseling van de seizoenen trekken wolken trekvogels over het schiereiland. Veel van de meer afgelegen zandstranden op het schiereiland worden gebruikt als nestelplaats voor schildpadden. Deze reusachtige zeedieren kruipen ‘s nachts het land op om eieren te leggen in een kuil die zij in het zand graven. Helaas gaan schildpadden en toerisme niet zo erg goed samen en een aantal van de voormalige nestelplaatsen is door de schildpadden dan ook definitief verlaten. Thailand heeft echter het geluk dat er een aantal beschermde gebieden is aangewezen, zoals de reservaten van Ang Thong en Tarutao, waar de schildpadden hun eieren kunnen leggen zonder door iemand gestoord te worden. Op 900 km ten zuiden van Bangkok ligt Phuket, het grootste eiland van Thailand, voor natuurliefhebbers voornamelijk interessant vanwege het grote aantal zeevogels. Er zijn boten te huur voor een tocht op zee, waar u zowel de grote als de kleine fregatvogel kunt waarnemen, evenals vele soorten sternen. Vliegende vissen zijn hier een heel normaal verschijnsel, terwijl u ook de kans heeft dat uw boot zo maar ineens gezelschap krijgt van een dolfijn. Het oerwoud op het schiereiland wordt kwalitatief beter naarmate u verder zuidwaarts afzakt. In de omgeving van Krabi, waar het bos nog ongerept is, kunt u allerlei exotische dieren in het wild aantreffen, zoals nueshoornvogels en vele andere veelkleurige vogelsoorten.

naar boven

Het reservaat Khao Yai.
Khao Yai is Thailands meest bekende en geliefde natuurreservaat; het beslaat ruim 200.000 hectare zeer afwisselend landschap, met moerassen op een hoogte van 800 m boven zeeniveau, oplopende naar beboste heuveltoppen die tot 1350 m reiken. Kleine stroompjes en brede rivieren doorkruisen dit nationale park en komen in machtige watervallen van de heuvels naar beneden zodat u, nog afgezien van de wilde dieren die u hier hoopt te treffen, alleen al van het landschap kunt genieten. Omdat het reservaat slechts 200 km van de hoofdstad gelegen is, vormt het tijdens de weekeinden een grote trekpleister voor de bewoner van Bangkok. Het is dan ook beter om hier op een dag door de week een kijkje te gaan nemen, want hoe voller het park raakt, hoe verder u moet lopen om nog iets van de zich terugtrekkende bosbewoners op te vangen. Wie dit reservaat ook bezoekt, ongeacht of het hem gaat om de fauna of het landschap, teleurgesteld wordt hij nooit. De wouden in Khao Yai bevatten en schat aan bezienswaardige planten, waaronder parasitaire orchideeën en mossen die als lange slingers tussen de boomtakken groeien, vooral in de directe omgeving van het water. Exotische varens en palmen dragen bij aan het gevoel dat men zich in een tropisch oerwoud bevindt, met kleurrijke vlinders langs alle paden en open plekken in het bos. Soms ziet u groepjes vlinders die zitten te drinken uitplassen water op de grond. De nectar waarmee de diertjes zich voeden, bevat weinig meer dan suiker; zij schijnen ook behoefte te hebben aan de zouten en mineralen die zij door het drinken van dit grondwater binnenkrijgen. Vanwege de grote populariteit die Khao Yai geniet, is het bos gedeelte rond het informatiecentrum grondig verstoord, al is een groot aantal dieren gewend geraakt aan de aanwezigheid van mensen. In de omgeving van het restaurant ziet men ‘s avond grote groepen nachtzwaluwen die jacht maken op de vele insekten die door het lamplicht worden aangetrokken. Grote uilen fladderen rond de chalets waar muizen en andere knaagdieren een gemakkelijk hapje te kunnen vinden. Het bekijken van vogels in het dicht begroeide tropische oerwoud kan aanvankelijk wat teleurstellend zijn. Ondanks al het getjilp en gefluit dat u hoort, is het vaak niet eens mogelijk de zanger te zien te krijgen, laat staan na te gaan welke vogel het is. Maar met wat geduld en doorzettingsvermogen zullen de bossen van Khao Yai u zeker niet teleurstellen. Zilverfazanten en woudhoenders, een verre voorvader van onze kip, zijn heus wel te vinden. U moet echter zo stil mogelijk zijn, wilt u deze dieren kunnen ontdekken. Heel stil zijn kan ook helpen om bepaalde zoogdieren te zien te krijgen. Er leven in Khao Yai nog steeds olifanten in het wild en deze dieren zijn heel stil, zeker in verhouding tot hun omvang. Maar de echte natuurliefhebber zal pas helemaal gelukkig zijn als hij ergens een glimp van een tijger heeft mogen opvangen. Hoewel zij uiterst schuw zijn en teruggetrokken leven, hebben tijgers op het heetst van de dag toch de neiging om verkoeling te zoeken en u zou het geluk kunnen hebben een van de grootste dieren te kunnen betrappen terwijl hij een bad neemt in een koele bergstroom. Veel van de kleinere zangvogels uit het tropisch regenwoud hebben de gewoonte om na het broedseizoen groepen te vormen, waarin allerlei verschillende soorten verenigd zijn. Zo’n groep stroopt het bos af op zoek naar voedsel. Maar deze wetenschap in het achterhoofd kan de vogelliefhebber dus gewoon een mooie, open plaats in het bos zoeken en rustig blijven zitten wachten tot daar zo’n groep neerstrijkt. Op het ene moment is er misschien nog helemaal niets te zien, terwijl hij een minuut later ogen tekort komt om al die verschillende soorten uit zo’n vlucht te herkennen.

naar boven

Slangen.
De bossen in de meer heuvelachtige gebieden zijn het geliefde jachtterrein voor veel slangen. Maakt u zich echter niet bezorgd, want de meeste slangen slaan ogenblikkelijk op de vlucht als zij een vreemd geluid horen naderen. De grootste slang die in het Khao Yai voorkomt, is de python, vertrouwt echter volledig op zijn schutkleur en blijft doodstil opgerold tussen de afgevallen bladeren liggen, waar hij nauwelijks te zien is. Soms komen zij tegen de avond te voorschijn om zich te koesteren op het warme asfalt van de wegen die in het park zijn aangelegd. De python is niet alleen de grootste slang in dit reservaat; volgens officiële metingen die lengten aangeven van 7 ½ m kan hij met de Zuidamerikaanse anaconda wedijveren om de titel van langste slang ter wereld.

naar boven

Noord-Thailand.

Het noordelijke gedeelte van Thailand is een gebied van bergen en heuvels en kan het best bezichtigd worden wanneer u Chiang Mai als thuisbasis kiest. Deze plaats ligt op 700 km te noorden van Bangkok; hiervandaan is een aantal interessante reservaten en hoge bergen zeer goed bereikbaar; hoewel de ontbossing in deze streek steeds ernstiger vormen begint aan te nemen, blijven er nog voldoende plaatsen over die een bezoek zeker waard zijn. Naast de wildstand die u in vrijwel geheel Thailand tegenkomt, staat de fauna van dit noordelijk deel, zeker waar het de vogels betreft, zeer sterk onder de invloed van de fauna van het Himalaya-gebergte. Daarnaast herbergt dit gebied in de wintermaanden een groot aantal trekvogels die in het zuiden van het land niet of nauwelojks voorkomt. De hoogste berg van Thailand, met een top die op 2565 m boven de zeespiegel ligt en volgens sommigen het allermooiste is dat dit land aan landschappelijk schoons te bieden heeft maakt deel uit van het Doi Inthanon-reservaat. Vanaf de ingang van dit nationaal park, gelegen op 60 km ten zuiden van Chiang Mai, slingert zich een weg omhoog die tot aan de top van de berg reikt. Vanaf een hoogte van ongeveer 1800 m ziet u hier allerlei soorten parasitaire orchideeën en mossoorten die zich vastzetten op de stammen en takken van de bomen, veelal in de omgeving van bergstroompjes en watervallen die zich in nauwe valleien naar beneden storten. Vanwege de hoogte kan de temperatuur op de top soms verassend laag liggen, vooral in de vroege morgen. Zorg dus voor warme kleding. Vanaf de parkeerplaats aan de top leiden smalle bergpaadjes door het ravijn naar het lager gelegen bos, een gebied waar u een groot aantal wintergasten uit het noordelijk deel van Azië kunt aantreffen. Van september tot maart zoeken uit Siberië afkomstige zanglijsters, roodborstjes en tuinfluiters hier temidden van de inheemse vogelsoorten naar voedsel. Wanneer u de berg verder afdaalt, moet u zeker de moeite nemen om in ravijnen en open plekken in het bos uit te kijken naar de kleine groene bijeneter, de vele bonte spechten en goudhaantjes.

naar boven

De kust.

De Golf van Thailand is een uitgelezen vakantieoord, vooral van mensen die geïnteresseerd zijn in de natuur. Prachtige zandstranden met palmen herinneren de bezoekers er steeds weer aan dat hij zich hier in een echt tropisch gebied bevindt, terwijl de mangrovewouden, moerassen en zoutpannen langs de kust een ideale leefomgeving vormen voor een zeer uitgebreide fauna. Vooral in het moerassige waddegebied is voor de ware liefhebber van alles te zien; tienduizenden trekvogels overwinteren hier of rusten uit van een tocht. Strandlopers, pluvieren, lepelaars, ijsvogels en talloze andere soorten zijn in dit gebied op zoek naar voedsel, vaak in het gezelschap van kleine zilverreigers en blauwe reigers. Het is wel begrijpelijk waarom zulke enorme hoeveelheden vogels zich voor de Thaise kust verzamelen, want het moerassige waddengebied heeft een overvloed aan voedsel te bieden. Een eigenaardige, hier veel voorkomende vis is de "mudskipper", die zich graag op het droge begeeft, waarbij hij zijn borstvinnen als een soort wandelstok gebruikt. Door zijn grote, bolle ogen kan de vis naar alle kanten kijken, zodat hij bij het geringste gevaar weer snel onder water kan duiken. Ook komen hier veel krabben voor, in alle soorten en maten. De meest opvallende en grappige is de wenkkrab, die zodra hij een soortgenoot opmerkt met zijn scharen begint de zwaaien.

De meest karakteristieke boomsoort in dit moerassige gebied is de mangrove, waarvan langs de Thaise kust een aantal verschillende soorten voorkomt. Alle soorten hebben zich aangepast aan het risico langdurig blootgesteld te zijn aan het zoute zeewater; de wortels zijn omgeven door een stevige kluit ondoordringbare modder. Naast Bangpoo, zo’n 22 km ten oosten van Bangkok, is ook het Ko Chang-reservaat in het oosten van Thailand de moeite waard van een bezoek waard.

naar boven

De laagvlakte.

Rijstvelden bepalen het gezicht van de uitgestrekte laagvlakte in het middelste gedeelte van Thailand. Als gekweekte plant doet de rijst het uitstekend in deze omgeving, waarschijnlijk omdat deze tropische grassoort oorspronkelijk ook uit Zuidoost-Azië afkomstig is. Jonge rijstplantjes moeten worden uitgezet op een stuk land dat onderwater staat. De ideale omstandigheden waaronder de plant het snelst groeit, zijn een vruchtbare bodem en een laag water van 15 cm diep. Vanuit de lucht gezien vormt het landschap een mozaïek van ondergelopen akkers, gescheiden door dammetjes, hetgeen niet alleen voor het gewas een ideale situatie schept, maar ook zeer aantrekkelijk is voor allerlei soorten watervogels zoals reigers en ooievaars die zich hier voeden met slangen, kikkers en vis. Naast deze in cultuur gebrachte gebieden zijn er zelfs in de directe omgeving van Bangkok eveneens grote stukken land te vinden die nog in ongerepte staat verkeren. Bij Rangsit, 10 km afstand van Bangkok International Airport, ligt een moerasgebied waar veel reigers en kwartels voorkomen, terwijl bij Wat Tan En, 90 km ten noorden van de hoofdstad, een grote ooievaars kolonie nestelt. Overal waar bosschages of groepjes bomen in de directe omgeving van een moeraslandschap voorkomen, treft u bijna zeker reigers - of ooievaarskolonies aan. Al deze nestelplaatsen zijn de hele dag leuk om te bekijken, maar het meest valt er te beleven in het prille ochtendgloren of vlak voor de zon achter de kim verdwijnt; helaas zijn dit ook de tijdstippen waarop de muskieten het meest actief zijn. Tegen de avond kunt u ook getuige zijn van het uitvliegen van de vliegende honden en nachtreigers die op zoek gaan naar hun dagelijks kostje, terwijl de blauwe reiger en de zilverreiger juist hun rustplaats gaan opzoeken, hetgeen een hele drukte in de lucht veroorzaakt.

Orchideeën.
Orchideeën behoren tot de grootste plantenfamilies ter wereld. In de vakliteratuur staan rond de 27.000 verschillende soorten beschreven, waarvan er in Thailand meer dan 1000 in het wild voortkomen; overal in het hele land waar een bos wil groeien, komt u deze bloemen tegen. Ook in gekweekte vorm is de orchidee zeer geliefd, zoals u op een wandeling door Bangkok beslist zult opmerken. Helaas worden veel wilde orchideeën verzameld en verkocht, waardoor aantrekkelijke soorten op grote schaal worden uitgedund. Koop dus geen orchideeën als u er niet zeker van bent dat het om gekweekte soorten gaat.

naar boven

Bangkok, geschiedenis van de stad.

In Thailand leiden alle wegen naar Bangkok, de stad die zich als een inktvlek uitbreidt en die fungeert als het hart van de activiteiten Hier zetelt de politieke en militaire macht, het geestelijke gezag en de monarchie, de belichaming van de Thaise eenheid. De stad is ook het centrum van de industrie en de handel, van kunsten en wetenschappen. Nieuw voegt zich bij oud, de rust van de tempels contrasteert met de chaos en drukte van de stad, rijkdom en armoede zijn er in gelijke mate te vinden.

En toch, ondanks deze vele gezichten is Bangkok een eenheid, gelegen aan de Chao Phraya, "de Moeder der Wateren" die al eeuwen de welvaart van de stad bepaalt, gekenmerkt door de levensvreugde die zo typisch voor de Thai is en sanuk wordt genoemd (amusement, pleziermaken en levenslust betekent).

De stichting van Bangkok.
Na de verwoesting van Ayutthaya in 1767 werd de hoofdstad verplaatst naar Thonburi op de westelijke oever van de Chao Phraya en vervolgens, op instigatie (aansporing) van Rama I, naar Bangkok, een kleine handelshaven aan de oostelijke oever. De stichter van de Chakri-dynastie avond dat de nieuwe plaats beter te verdedigen was en voldoende ruimte bood om een hoofdstad te bouwen, het oude Ayutthaya waardig.

Hij was een Chakri, een generaal die zich door zijn tactische gaven had onderscheiden in de oorlogen met Laos, en hij werd door de edelen gekozen om in 1782 de koning van Thonburi op te volgen. Zo werd de Chakri-dynastie gesticht, waarvan de huidige koning de negende vorst is. Rama I bouwde het Grote Paleis en de vele tempels.

Hij gaf de stad een lange, officiële naam :
"Stad der Engelen, Grote stad, verblijfplaats van de Boeddha van Smaragd,
onneembare Stad van de God Indra, Grote Citadel van de Wereld,
die de Negen Edelstenen bezit, Gezegende Stad, waar vele Grote Paleizen staan
en die lijkt op het Paradijs waar de Wedergeboren God woont,
Stad Geschonken door Indra en Herbouwd door Vishnu".

De Thai hebben die naam afgekort tot Krung Thep; Stad der Engelen". De farang (westerlingen) blijven de stad Bangkok noemen, "Stad van de Olijfbomen".

naar boven

Het eiland Rattanakosin.

Rama I liet in een scherpe bocht van de rivier een kanaal graven en maakte zo een kunstmatig eiland waarop hij het Koninklijk Paleis en de Koninklijke Kapel liet bouwen .

Deze was bedoeld om de Boeddha van Smaragd te huisvesten, die hij uit Laos had teruggebracht. Het eiland kreeg de naam Rattanakosin, wat "Woning van de Boeddha van Smaragd" betekent. Het eiland was versterkt en vormde het politieke en culturele hart van de stad. Dit bleef zo gedurende meer dan een eeuw. Chinese kooplieden die op deze plek hadden gewoond, werden verplaatst naar de andere kant van de muur, waar ze de kern vormden van een bloeiende handelsgemeenschap die nog bestaat, met nauwe straten, kades en pakhuizen. Onder invloed van de groeiende handel, politieke stabiliteit en een toevloed van immigranten, vooral Chinezen, ontwikkelde de stad zich snel.

Er werden twee nieuwe kanalen gegraven, drijvende huizen en winkels verschenen op de oevers van de Chao Phraya en schepen uit Europa bereikten de stad. De bevolking groeide tot ongeveer 300.000 inwoners tegen het midden van de 19de eeuw.

naar boven

De oude hoofdstad.

Van water tot vaste grond.
Bangkok is slecht één meter boven de zeespiegel gebouwd en zakt elke dag en stukje.

Vroeger speelde het hele leven in de stad zich af rond de rivier en een uitgebreid stelsel van kanalen (klongs), de enige verkeerswegen. De eerste echte straat ontstond in 1862 tijdens de regeringsperiode van Koning Rama IV en liep parallel aan de rivier. Aan deze straat werden de ambassades, handelshuizen en een groot aantal winkels gevestigd. De straten vermenigvuldigden zich; ze liepen langs de kanalen die één voor één werden gedempt. Het rustige land met boomgaarden en rijstvelden maakte plaats voor een kleine stad vol handkarren, riksja’s en al spoedig trams en auto’s.

De ontwikkeling van de riksja: De eerste riksja werd in 1871 aan koning Rama V geschonken door een rijke Chinees. Binnen een generatie vermenigvuldigden zij zich in de straten van Bangkok zo, dat een wet in 1901 hun aantal aan banden legde. Auto’s deden het jaar daarop hun intrede en in 1908 waren er 300. De ontwikkeling van dit vervoermiddel leidde tot het verdwijnen van veel kanalen in de stad.

De Thaise tram: De eerste paardetrams verschenen in 1888 in de straten van Bangkok. Aan het einde van de eeuw hadden de paarden plaats gemaakt voor elektriciteit. Het tramnet bleef tot in de jaren zestig in bedrijf.

Geïnspireerd door zijn reizen naar het buitenland wilde Rama V in de wijk Dusit een Europese stad creëren met brede lanen met bomen en parken maar vergeefs; Bangkok verzette zich tegen alle gewaagde ontwerpen voor de stad. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog begon de stad zich vanuit het versterkte eiland van Rattanakosin in alle richtingen uit te breiden met woon- en zaken wijken. De explosieve woningbouw - die in de jaren vijftig begon en nog steeds voortduurt - heeft de hoofdstad veranderd in een moderne, vervuilde metropool die de toerist tegenwoordig ziet.

naar boven

De moderne metropool.

De agglomeratie van Bangkok, die zich aan beide zijden van de rivier uitstrekt, heeft een oppervlakte van ruim 1.500 vierkante kilometer. Er wonen ongeveer zeven miljoen mensen waarvan de helft jonger is dan dertig jaar. De inwoners van de metropool leggen dagelijks grote afstanden af tussen hun huis en de plek waar ze werken.

Een mozaïek van steden. De overheidsgebouwen bevinden zich voornamelijk in het gebied rond het Groot Paleis, het symbolische centrum van de macht en vooral langs de Ratchadamnoen Klang. Verder stroomafwaarts ligt de Chinese wijk - door koning Rama I aangelegd rond de Yaowarat Road toen de stad werd gebouwd - die ook vandaag nog een stad binnen de stad vormt. Het hoofdkwartier van het leger ligt in de wijk Dusit, waar de rechte doorgaande wegen het martiale karakter onderstrepen.

Patpong trekt het nachtelijke uitgangsleven naar zich toe. De wijk komt uit op de Silom Road, de financiële wijk. Ten oosten van Patpong, dat dag en nacht bruist van het leven, vormen de straten van Sukhumvit Road een woonwijk die zowel bij de Thai als bij buitenlanders bijzonder populair is. De bevolkingsgroei heeft geleid tot de bouw van veel nieuwe woonwijken in de buitenwijken, met eigen centra voor handel en vermaak en vrije tijd. Niettemin zijn de laatste jaren langs de Chao Phraya imposante gebouwen neergezet voor de rijke Thai die dichter bij zijn kantoor wilde wonen.

Grote verkeersopstoppingen. Alle belangrijke lokale en internationale bedrijven zijn gevestigd in Bangkok, evenals de officiële residentie van de koning en de best aangeschreven universiteiten en scholen. De centralisatie van alle activiteiten leidt tot de beruchte verkeersopstoppingen die de autoriteiten vergeefs trachten te bestrijden door nieuwe autowegen en klaverbladen aan te leggen. Hoewel de overheid decentralisatie van de industrie stimuleert, worden de meeste fabrieken die de laatste jaren zijn gebouwd, in de voorsteden gesitueerd en blijft Bangkok nog steeds het centrum van wegverkeer, vliegroutes en treinverkeer. Bovendien verwerkt de extreem drukke haven van Klong Toey het grootste deel van de stroom importgoederen en exportprodukten.

naar boven

Het Grote Paleis.  
In de loop van de geschiedenis van Thailand is elke hoofdstad weer aangelegd rond het koninklijk paleis, residentie van hem die zich "heer van het leven" noemt en geestelijk hart van de stad.

In Bangkok is het koninklijk paleis, die ook Groot Paleis wordt genoemd, een ware stad binnen de stad. Het gebied van bijna 260 hectare wordt omgeven door een muur met kantelen.
Rama IV, is verantwoordelijk voor de eerste gebouwen in westerse stijl rond het paleis.
Rama V, de eerste Siamese monarch die naar Europa is gereisd, gaf opdracht tot de bouw van een nieuwe troonzaal en een koninklijke residentie in neoclassicistische stijl.
Zo werd het huidige
Chakri Maha Prasat gebouwd, opgericht ter gelegenheid van het 100 jarig bestaan van de Chakri-dynastie in 1882 en nu het meest imposante gebouwd van het Grote Paleis.

Oorspronkelijk zag het er zo uit als in Ayutthaya, met een centrale kern die de woonvertrekken van de koning, de audiëntiezaal en de vrouwenvertrekken bevatte en er omheen een ring van gebouwen zijn later toegevoegd door de opvolgers van Rama I.

naar boven

Chakri Maha Prasat. Nadat u verder de poort van het Grote Paleis bent doorgelopen, ziet u eerst een grote neoclassicistische gevel in roze marmer, ontworpen door een Engelse architect. Het gebouw is op vreemde wijze gedekt met gelaagde daken in Thaise stijl waarop chedi’s zijn geplaatst. De koepel die het paleis had moeten bekronen werd op het verzoek van enige conservatieve geesten vervangen door meer traditionele structuren.

De dubbele trap in de voorgevel leidt naar de ontvangsthal en vandaar naar de troonzaal , sinds Rama V ontvangen de koningen van Thailand, ambassadeurs in de grote troonzaal van het Chakri Maha Prasat, gezeten op een troon die is belegd met zilver en goud, geniëlleerd en bekroond met een parasol met negen etages. De muren zijn beschilderd in Europese stijl en herinneren aan de ontvangst van de Thaise gezanten door Lodewijk XIV in Versailles.

Links van de Chakri Maha Prasat geeft een deur toegang tot de vroegere vrouwenverblijven, die de koning als enige man mocht betreden. De rechtervleugel, in het oosten, werd toen in beslag genomen door de vertrekken van de koning. Het binnenste van het paleis. Het domein van de vrouwen was een geheime wereld en heeft de bezoekers van de 19de eeuw tot het begin van de 20ste eeuw geïntrigeerd.

Volgens de Engelsman Malcon Smith, arts van Koningin Sowabhi Pongri, echtgenote van Rama V, was de eerste koningin die buiten het binnenste van het paleis resideerde, onder het zelfde dak als de koning.

Zij trad ook op als regentes als de koning op reis was naar het buitenland. Zij stichtte de eerste school voor meisjes en het Thaise Rode Kruis en had grote invloed op de vrouwenemancipatie in Thailand.

"Het was een stad, die in haar eigen behoeften voorzag, een gesloten netwerk van huizen en straatjes met tuinen, grasvelden en winkels. 
Er was een eigen bestuur, eigen wetten en een eigen gerechtshof.
Het was een stad van vrouwen, bestuurd door vrouwen. 
Er werden mannen toegelaten voor bepaalde werkzaamheden en ook artsen. 
De zonen van de monarch mochten er wonen tot hun puberteit,
waarna zij bij een bloedverwant of een provinciaal bestuurder introkken.
De enige man die binnen de muren mocht wonen, was de koning
".

De tonsuurceremonie (het scheren van de hoofdkruin of kruinschering): Onder de rituelen die zich afspelen in het Groot Paleis, geeft dat van de tonsuur het bereiken van de volwassenheid aan. Aan het eind van een ceremonie die enkele dagen duurt, wordt bij de jongens een pluk haar op rituele wijze geknipt door een Brahmaans priester. Zij moesten hierna de vrouwenverblijven verlaten.

In de regeringsperiode van Rama V, leefden er 3.000 vrouwen onder toezicht van een troep amazones. De meeste vrouwen waren bedienden of dochters van de adel, die hierheen waren gestuurd om er de verfijnde kunsten van het koken, het borduren en het bloemschikken te leren. Onder de volgende koning, Rama VI toen de polygamie werd afgeschaft, begon de bevolking van het binnenste van het paleis langzaam af te nemen.

De laatste bewoonster stierf er in de jaren zeventig.

De Siwalai-tuinen. Hier worden recepties gehouden en kunnen hofdames en hun kinderen zich ontspannen. In het midden staat het marmeren heiligdom van Phra Boeddha Ratana Sathan , waar de koninginnen hun godsdienstige plichten vervullen.

In het noorden, buiten het paleisgebied, verrijst het Boromapiman-paleis, "de Hemelse Residentie" waar alle kroonprinsen hun jeugd hebben doorgebracht en waar prins Ananda in 1946 werd vermoord. De staat brengt hier nu de officiële genodigden van de koning of boeddhistische hoogwaardigheidsbekleders onder.

naar boven

Dusit Maha Prasat. Dit paleis werd in 1789 door Rama I gebouwd en talloze malen gewijzigd door zijn opvolgers.

Het is een van de juwelen van de architectuur van Rattanakosin .
Het ligt op een marmeren terras, heeft een dak in drie lagen en is bedekt met rode en groene geglazuurde dakpannen, met een vergulde chedi. De zwarte en gouden verlakte versieringen van de deuren en ramen dragen bij tot de rijkdom van het geheel.

Een Chinese tuin: Ebbebomen gesnoeid in de vorm van lampionnen, Chinese stijl, verfraaien het voorplein van het paleis. In dit paleis werden vroeger kroningsceremonies en grote ontvangsten gehouden, maar sinds er het stoffelijk overschot van Rama I er opgebaard heeft gelegen in 1808, wordt het alleen nog gebruikt voor rouwplechtigheden; hier wordt de as van koningen en hooggeplaatste leden van de koninklijke familie bewaard.

Rama I heeft de zwartgelakte, met paarlemoer ingelegde troon bijna nooit gebruikt. In plaats daarvan hield hij audiëntie op het kleine zilveren troontje voor een nis in een zijvertrek aan de zuidkant.

Phra Thinang Aphonphimok Prasat. Rama IV liet dit elegante, hoge paviljoen bouwen, dat tegen de oostelijke vleugel van Dusit Maha Prasat aanleunt. Hier legde de koning zijn kroon en ornamenten die hij buiten droeg af, nadat hij uit zijn draagstoel was gestapt, en verkleedde hij zich voordat hij de audiëntiezaal binnen ging.

naar boven

Phra Maha Monthien of "de Grote Residentie".  
D
e gebouwen waar de drie eerste koningen van de dynastie resideerden, ter linkerzijde van Chakri Maha Prasat, staan bekend onder de naam Phra Maha Monthien ("de Grote Residentie").

Een daarvan, het Phra Thinang Chakraphat, bevat de koninklijke slaapkamer. Een nog altijd levende traditie wil dat iedere nieuwe monarch er de nacht voor de troonsbestijging doorbrengt, waarmee zijn officiële intrede in het paleis van zijn voorouders wordt gesymboliseerd.
Een trap leidt naar Phra Thinang Phaisan Taksin, waar de kroningsceremonie wordt gehouden.

Behalve twee historische tronen worden in deze zaal koninklijke attributen bewaard en een beeldje dat Phra Siam Thewathirat heet, een beschermgod van de Thaise staat een object van grote verering. Men zegt dat de stichter van de Chakri-dynastie veelvuldig gebruik maakte van deze zaal en dat hij er vroeger audiëntie hield.

De kroning. Elke nieuwe koning ontvangt de investituur op de achthoekige troon aan de oostkant van de zaal. Op een troon aan de westkant ontvangt hij de koninklijke attributen ; de kroon, een sabel, een koninklijke staf, een waaier, een vliegemepper van jak-haar, gouden met juwelen bezette muilen en de chatra (een witte pronkparasol).

Het paviljoen Amarin Winitchai . De noordpoort van Phaisan Taksin, de Tewarat Mahesuan - die alleen door leden van de koninklijke familie mag worden gebruikt - geeft toegang tot het paviljoen Amarin Winitchai, vroeger de voornaamste audiëntiezaal van het paleis, waar hoogwaardigheidsbekleders en buitenlandse gezanten werden ontvangen.

Achterin deze zaal (als enige voor publiek geopend) staat de Phra Thinang Busbok Mala of (de Troon der Tronen), een indrukwekkende houten, gebeeldhouwde en vergulde troon in de vorm van een schip. Hij werd gemaakt onder Rama I, is alleen voorbehouden aan koningen en zeer vereerde voorwerpen .

Hij bezit urnen met de as van Chakri-koningen, staat op een podium van verguld metselwerk uit de periode van Rama III en lijkt boven de grond te zweven.

Deze troon werd aan het oog onttrokken door zware gordijnen om de koning van de blikken van de toeschouwers te vrijwaren als hij arriveerde vanuit Phaisan Taksin. Trompetgeschal weerklonk als de gordijnen werden geopend en de koning in al zijn koninklijke pracht verscheen.

Tegenwoordig worden in deze zaal bepaalde onderscheidingen uitgereikt en de koning houdt er audiëntie op zijn verjaardag, maar hij zetelt dan op de Thaen Sawetachat, een minder imposante troon.

De Musea. Vlakbij de ingang van het paleis staat het museum van Munten en Koninklijke Onderscheidingen. Oude munten, medailles en door de leden van de Chakri-dynastie toegekende onderscheidingen, vele met kostbare edelstenen, worden hier tentoongesteld. Op de begane grond van de Chakri Maha Prasat is een collectie oude wapens te zien. Bij het Dusit Maha Prasat bevat een ander museum veel stenen decoraties van het paleis dat bij renovaties is vervangen.

naar boven

De Wat Phra Keo
Dit heiligdom binnen de muren van het Grote Paleis doet dienst als koninklijke kapel. Het werd gebouwd door Rama I om er de beroemde Boeddha van Smaragd in onder te brengen.

De Boeddha van Smaragd. 
Anders dan zijn naam het aangeeft, is dit beeld niet van Smaragd 
maar is dit beeld van Boeddha, gemaakt van één blok Nefriet
of Jade .
Het is 66 centimeter hoog en 45 centimeter breed.

Het verhaal gaat dat in het begin van de 15de eeuw de chedi van de Wat Phra Keo te Chiang Rai door de bliksem werd getroffen, waarna deze een boeddhabeeld van pleisterwerk met bladgoud bleek te bevatten. In de loop der tijden brokkelde het pleisterwerk af en verscheen een doorschijnende steensoort met een bovennatuurlijke glans.
In de eeuwen daarop ontstonden er legenden rond dit beeldje, dat geluk zou brengen aan het koninkrijk dat het bezat. Het verbleef één eeuw lang in Chiang Mai en 250 jaar in Laos.
Toen de latere Rama I in 1778 Vientiane veroverde, maakte hij zich meester van het beeld en bracht het over naar Thonburi, waar hij er een heiligdom voor liet bouwen.

De Boeddha van Smaragd werd uiteindelijk in 1784 in Bangkok neergezet en werd het symbool van de Chakri-dynastie en het meest vereerde beeld van het koninkrijk. Nu is het op een hoogte van elf meter in een Palladium op een altaar van verguld hout geplaatst in het bot van de Wat Phra Keo.

Driemaal per jaar worden de gewaden van het beeld verwisseld tijdens een ceremonie:
Goud en blauw voor het regenseizoen.
Goud en diamant voor het hete seizoen.
En alleen goud voor het koele seizoen.

Beelden op de toppen van de gebouwen laten Vishnu zien die een Garuda berijdt .

Andere gebouwen. Naast het bot staan op een groot marmeren platform drie uitvoerig bewerkte gebouwen:

D e Prasat Phra Thep Bidom of de Koninklijke Tempel, bevat levensgrote beelden van de koningen van de Chakri-dynastie. Het is slechts eenmaal per jaar, op 6 april, feestdag van de dynastie, voor bezoekers geopend.

Volgens de tempelbewaarders is de reden hiervan dat de eerste drie koningen met ontblote borst zijn weergegeven, iets wat nu minder passend bij de koninklijke waardigheid wordt gevonden.

Werd gebouwd door Rama IV en door Rama VI gemaakt tot koninklijke tempel en een bibliotheek in de vorm van een vierkante mondop , die een met paarlemoer ingelegde kast bevat.

De Phra Sri Ratana , een vergulde chedi, gebouwd volgens dezelfde plattegrond als een van de chedi’s van de Wat Phra Si Sanphet en Ayutthaya.

Dit om de pracht van de oude hoofdstad en het gewijde karakter van zijn gebouwen te doen herleven.

Ten slotte zijn de acht prangs in Khmer-stijl , langs de oostgevel van de Wat Phra Keo, uitingen van de eerste Chakri-koningen om de grootsheid van de Khmer-koningen te evenaren.

Versiering van de Wat Phra Keo. Alle gebouwen van de tempel die in verval waren geraakt, werden gerestaureerd ter gelegenheid van de het 200 - jarig bestaan van Bangkok in 1982. Zij vormen tegenwoordig een ware bloemlezing van decoratietechnieken en van de mythologische beeldhouwkunst van Thailand. Hele muren veranderen in kleurig schitterende juwelen door de magie van mozaïeken van glas, ingelegd met veelkleurig porselein. De geveltoppen en de steunbalken van de daken zijn fijn besneden en verguld en de deuren en vensters zijn versierd met ingelegd paarlemoer en vergulde schilderingen op zwarte lak. De gelaagde daken zijn bedekt met gekleurde dakpannen, de chedi's met lagen fonkelend bladgoud, terwijl de gebouwen aan de binnenkant zijn voorzien van uitvoerige muurschilderingen. De poorten van de drie ingangen worden geflankeerd door reusachtige beelden van yaksa's (demonen die kwade geesten bezweren). Ze zijn beschilderd met felle kleuren en bedekt met mozaïeken van glas. Verscheidene bronzen beelden van mythische dieren uit het hindoeïstische en boeddhistische godenrijk staan tussen de gebouwen.

Rond het voetstuk waarop de chedi, de mondop en de koninklijke tempel staan, liggen kleine Chinese tuinen, verfraaid met beelden uit de Qing-dynastie (1644 - 1911), die hemelse bewakers voorstellen.

Muurschilderingen. De galerijen rond de tempel zijn versierd met muurschilderingen die het begin van de Ramakien uitbeelden.

Rama I liet het in 1798 opnieuw opschrijven en maakte daarbij gebruik van het geheugen van de hofdichters van Ayutthaya. Dit oude verhaal wordt verteld in 178 panelen. De versregels van het heldendicht zijn uitgehakt in marmeren platen.

De muurschilderingen werden gemaakt in opdracht van Rama III en daarna verscheidene malen gerestaureerd. De huidige schilderingen wijken niet af van de in 1930 onder leiding van Phra Thewapinimmit gerestaureerde composities. Hij heeft de originele rangschikking van de figuren gehandhaafd, maar vernieuwingen toegevoegd die pasten bij de stijl van de tijd: perspectief, schaduwen en landschappen.

naar boven

De Wat Po
De Wat Phra Chetuphon, ten zuiden van het Grote Paleis, is de oudste tempel van Bangkok en het grootste klooster van Thailand. Het complex is beter bekend onder de naam Wat Po.
De tempel werd in de 16de eeuw gebouwd maar werd pas in het jaar 1789 echt belangrijk, toen Rama I het restaureerde en vergrootte. Chetupon Road, de hoofdweg waarover Rama I in 1782 te paard naar Thonburi zou zijn gereden voor zijn kroning, scheidt de verschillende heiligdommen van de Wat Po van de kloostergebouwen.

Daar leven en studeren ongeveer 300 monniken.
In zijn bloeiperiode woonden er in dit klooster meer dan 500 monniken en 750 novicen.
Hun verblijven vormen nog steeds een echte stad in een stad.

De paviljoens van de hooggeplaatste monniken , vallen op door hun decoratie van pleisterwerk met bladgoud. Koning Rama III is verantwoordelijk geweest voor de bouw van de meeste gebouwen die heden te dage nog bestaan, waaronder het heiligdom dat de Grote Rustende Boeddha bevat.

Openbare leerschool . Rama III is eveneens verantwoordelijk voor de verandering van de tempel in een soort open universiteit, die is bestemd voor de opvoeding van monniken en leken, en waar wetenschappelijke instrumenten en technieken worden getoond.

Twintig heuveltjes, verspreid over het terrein, bevatten nog geologische monsters en geneeskrachtige planten uit heel Thailand.

Daarnaast laat een verzameling rishi-beelden , de legendarische profeten aan wie hymnen van de Veda (Sanskriet, wetenschap, algemene naam voor het oudste deel van de Sanskrietletterkunde), werden geopenbaard, verschillende yoga-oefeningen zien. Inscripties en muurschilderingen behandelen: de krijgskunde, de astronomie, de botanie en de geschiedenis. Iedereen die geïnteresseerd was, had vrije toegang tot deze schat aan informatie, samengesteld uit wetenschappelijke werken. Dit initiatief was zonder weerga in een maatschappij waar de wetenschap altijd aan een elite was voorbehouden.

De redding van 1.200 beelden uit Ayutthaya, waarvan 689 een plaats hebben gevonden op het terrein van de Wat Po, is te danken aan Rama I. Deze beelden maken van dit klooster een waar museum van de Thaise beeldhouwkunst. De meeste beelden staan in de galerijen rond het bot en de vier vihara's. Andere beelden bekronen de chedi's die de as van beroemde overledenen bevatten . Tijdens de laatste restauratie werden zij in vitrines geplaatst.

Stenen als ballast: Over het terrein van de Wat Po verspreid staan honderden Chinese stenen beelden - dieren, mensen , goden, groot en klein. Deze beelden dienden als ballast voor schepen die leeg uit China terugkwamen en werden in de tempel geplaatst tijdens de regering van Rama III. De indrukwekkendst zijn enorm grote demonen-wachters die elk van de zestien monumentale poorten van de Wat en kleinere doorgangspoorten bewaken. De wachters dragen breedgerande hoeden en hebben lange neuzen en borstelige wenkbrauwen, misschien naar het voorbeeld van Europeanen, die de beeldhouwers in Chinese havensteden hadden gezien - voor de Aziaten weerzinwekkend of zelf afschrikwekkend.

Vereniging voor traditionele, inheemse geneeskunde. De vereniging voor traditionele, inheemse geneeskunde telt bijna 500 mensen uit het vak en is gehuisvest in een paviljoen ten oosten van de chedi's van de Vier Koningen. Men kan er cursussen volgen in natuurgeneeswijzen en Thaise Massage, maar ook, tussen 16.00 en 18.00 uur, erkende artsen en masseurs raadplegen. De regels van deze disciplines staan gegraveerd in marmeren platen, die in de muren zijn aangebracht tijdens de periode van Rama III.

Buitenlanders kunnen een 15-daagse cursus volgen in traditionele massage. De gebouwtjes rond de zuilengang, die de chedi's van de Vier Koningen omringt, vertonen muurschilderingen met technieken van de Thaise massage.

Aan de overkant van de Chetupon Road, op het terrein van de kloosterverblijven, verzorgen manueel therapeuten patiënten volgens de oude technieken, onder het toeziend oog van monniken die de behandeling ondersteunen door gewijd water over de zieke lichaamsdelen te spugen, terwijl assistenten op trommels slaan.

naar boven

De astrologen van de tempel.  
De populariteit van de tempel, zowel bij inwoners van de hoofdstad als bij buitenlanders, is te danken aan de bonte menigte acrobaten, slangenbezweerders, straatverkopers, helderzienden, handlezers en vooral de astrologen die hier hun vak uitoefenen. Zij worden over alle dingen in het leven geraadpleegd, van vragen over de gezondheid tot iemands meest geschikte datum om te trouwen of bepaalde zaken te doen.

De Rustende Boeddha. De Wat Po dankt zijn bekendheid vooral aan het monumentale beeld van Boeddha in parinirvana, 46 meter lang en 15 meter hoog, dat bijna de gehele ruimte van het heiligdom op het noordwestelijke deel van het terrein vult. Het beeld is bedekt met lagen bladgoud en toont Boeddha terwijl hij op punt staat te sterven en het nirvana binnen te gaan.

Het inlegwerk van paarlemoer, dat onder zijn voeten te zien is, vertoont de 108 tekenen waardoor Boeddha zich van gewone stervelingen onderscheidt: de armen zeer lang, een knobbel op zijn hoofd, drie dikke plooien in zijn nek ...

Alleen de bovenste gedeelten van de muurschilderingen, die ooit het door Rama III opgerichte gebouw sierden, zijn nog te zien.

De Bibliotheek. Naast het heiligdom, middenin een tuin in Chinese stijl, staat een bibliotheek, een van de sierlijkste gebouwen van Bangkok.

Ze werd gebouwd door Rama I en gerestaureerd door Rama III. Het dak heeft gelakte pannen en is versierd met polychroom keramiek. De centrale ruimte heeft een ingewikkelde koepel in de vorm van een kroon met een spits erop. Vier zuilengalerijen in het verlengde van het gebouw geven de vorm van een Grieks kruis.

De Bodhi-boom.  
Dicht bij de bibliotheek staat een zeer oude Bodhi-boom, waarvan het majestueuze uiterlijk wordt versterkt door de aanwezigheid van twee Chinese paviljoens die beelden van Guanyin bevatten, de Godin van de Barmhartigheid. Deze plaats wordt "tuin van de overgeplante boom " genoemd, verwijzend naar de Bodhi-boom die is gegroeid uit een uit Anuradhapura overgebrachte stek.

De chedi’s van de Vier Koningen. In een omgeving ten oosten van de bibliotheek verheffen zich vier chedi’s, versierd met porselein en elk gewijd aan een koning van de Chakri-dynastie.

Hun kleuren groen, wit, geel en blauw, 
hebben betrekking op respectievelijk Rama I, II, III en IV.

Het bot. Dit bot (Op het voetstuk van het bot ziet u 152 gebeeldhouwde marmeren panelen met taferelen uit de Ramakien. Zij geven een van de beroemdste episoden weer: de ontvoering van de mooie Sita en haar uiteindelijke redding na veel ontberingen. Het onvolledige karakter van de vertelling en het abrupte einde doen vermoeden dat de panelen uit andere tempels afkomstig zijn - misschien uit Ayutthaya. Een paar jaar geleden werden er nog afdrukken van de panelen gemaakt in wrijftechniek, voor verkoop aan de toeristen. Nu is deze praktijk verboden en maakt men de afdrukken van kopieën van de originele reliëfs) is in 1835 gebouwd op de ruïnes van een nog ouder gebouw en is het mooiste van de stad. In de omringende kruisgang staan vier vihara’s.

De deuren van het heiligdom vallen op door de decoraties van paarlemoer die scènes uit de Ramakien verbeelden. Het heeft een marmeren vloer, rode en goudkleurige houten plafonds en vergulde balken. Op het centrale altaar troont een bronzen, verguld boeddhabeeld.

De meeste fresco’s die de muren versieren, zijn in goede staat. Zij vertonen de vorige levens van Boeddha en het bestaan van zijn 41 discipelen.

Sanam Luang, het "Koninklijke Veld". Dit gewijde veld, dat zich ten noorden van het Grote Paleis uitstrekt, wordt ook wel Thung Phra Maine genoemd, naar de berg Meru (Phra Maine) waarheen de zielen van de overledenen opstijgen.

Hier vinden de crematies van leden van de koninklijke familie plaats.
De laatste was die van Koningin Rambhai Barni, de vrouw van Rama VII, in 1985.

In april wordt hier de Ploegceremonie gehouden, om de komende oogst gunstig te beïnvloeden, en de festiviteiten ter gelegenheid van de verjaardag van de koning en het nieuwe jaar.
In maart
komt het Sanam Luang werkelijk tot leven als de wind over de enorme groene vlakte veegt en vliegers in alle soorten en maten elkaar de suprematie over het luchtruim betwisten.

naar boven

Het Nationaal Museum. De Wang Na: De functie van Wang Na of "Onderkoning" gaat terug tot de Ayutthaya-perioden. De Wang Na was de opvolger van de koning, zonder per se zijn zoon te zijn. De functie werd door Rama V afgeschaft en de oudste zoon kreeg het recht van opvolging. En het oude paleis van de onderkoning, ten westen van Sanam Luang, werd als museum ingericht. Rama VII (1925 - 1934) plaatste het onder het gezag van het Koninklijk Instituut van de Literatuur, Archeologie en Schone Kunsten (het latere Departement van Schone Kunsten) en maakte het tot Nationaal Museum. In 1966 werd een modern gebouw aan het paleis toegevoegd en een galerie voor Thaise geschiedenis werd geopend tijdens het 200-jarige bestaan van de hoofdstad.

Beschermde amuletten: Onder het Nationaal Museum, vlak bij de kade van Maharat, wordt een amulettenmarkt gehouden. Deze amuletten worden door de Thai zeer serieus genomen en zien er meestal uit als votiefplaatjes met een afbeelding van Boeddha of een vereerde monnik. Ze worden in goud of zilver gevat en aan en ketting om de hals gedragen om onheil af te wenden.

Phra Boeddha Singh. . De Buddhaisawan-kapel, kenmerkend voor de bouwkunst uit het begin van de Bangkok-periode, werd in 1787 gebouwd om een standbeeld van een Mediterende Boeddha uit het noorden van het land, de Phra Boeddha Singh, te huisvesten.

Dit beeld troont nu in het midden van de kapel, begroet door bronzen godheden die geknield boven de vensters zitten; de muren zijn bedekt met fresco’s uit de 18de eeuw die scènes uit het leven van Boeddha laten zien.

Tamnak Daeng. Dit "Rode Paviljoen " naast de kapel was de residentie van een oudere zuster van Rama I. Het werd door Rama II overgebracht van Thonburi naar het Grote Paleis en tijdens de regeringsperiode van de vierde koning verplaatst naar het terrein van het Nationaal Museum. Er worden schitterende meubels uit het begin van de Rattanakosin-periode tentoongesteld.

Een overvloed aan kunst. De collectie van het Nationaal Museum biedt religieuze en wereldlijke, fijne en decoratieve, Thaise en zelfs buitenlandse kunst.

In de afdeling Prehistorie ziet u zowel neolithische gebruiksvoorwerpen en aardewerk als beschilderde potten en bronzen voorwerpen, gevonden bij opgravingen in het noordoosten. Talloze objecten uit de koninkrijken van Srivijaya, Dvaravati en Angkor worden er tentoongesteld, naast getuigenissen van de eerste Thaise gemeenschappen in het noorden.

Replica van de tempel van Angkor: Rama de IV liet in het paleis Phra Viharn Yod een manquette van de tempel van Angkor neerzetten, het belangrijkste centrum van de Khmer-cultuur, ter herinnering aan de tijd dat Cambodja een vazalstaat van Siam was. Eind 19de eeuw moest Rama V aan de Fransen de Cambodjaanse gebieden afstaan die zijn voorgangers hadden veroverd.

De afdeling Boeddhistische Kunst bevat stenen, bronzen en terracotta beelden uit de perioden van Sukhotai, Ayutthaya en Rattanakosin, alsmede religieuze teksten, manuscriptkasten en votiefstenen.

Het museum geeft ook een overzicht van traditionele kunst: keramiek, kostbare stoffen, theaterkostuums, praalwagens, howdahs, wapens, marionetten en voorwerpen die in de koninklijke huishouding zijn gebruikt.

Door de vereniging van vrijwilligers van het Nationaal Museum worden gratis rondleidingen gegeven.

naar boven

Het eiland van Rattanakosin.

Bezienswaardigheden rond Sanam Luang.

Het Nationaal Theater. Dit indrukwekkende gebouw, naast het Nationaal Museum, dateert van het begin van de jaren zeventig. Het werd het centrum van cultuur en muziek in de hoofdstad en er werden voorstellingen van buitenlandse dansgroepen en orkesten gegeven. Hoewel de belangstelling afneemt en er nieuwe theaterzalen zijn gebouwd, worden er nog opvoeringen van klassiek theater gehouden. Een klassieke Thaise dansschool is nu aan het Theater verbonden. De repetities worden gehouden in een ernaast gelegen tempel, die ooit bij het paleis van de onderkoning hoorde.

De Wat Mahathat. Dit klooster ten westen van Sanam Luang werd in 1783 gebouwd op de plaats van een heiligdom dat dateerde van voor de stichting van Bangkok. In 1803 werd het na een brand gerestaureerd en het huisvest sinds 1896 Mahachulalongkorn, de tweede boeddhistische universiteit van het land. De universiteit is gespecialiseerd in de technieken van de meditatie en biedt onderdak aan 900 monniken.

In het weekend wordt de tempel overspoeld door Amuletten verkopers.

De Lak Muang. Een rijk versierd paviljoen ten noordwesten van de Wat Phra Keo bevat een stenen pilaar in de vorm van een lingam (een fallus als vruchtbaarheidssymbool), gewijd aan de beschermgeest van Bangkok.

De stenen pilaar is ook het centrale punt vanwaar alle afstanden binnen en buiten de stad worden gemeten. De steen is in 1782 door Rama I opgericht bij de stichting van de stad.

De Lak Muang wordt door vele gelovigen bezocht om de beschermgeest te vragen zeer uiteenlopende wensen in vervulling te brengen: zoals huwelijksgeluk of een winnend lot in de loterij. Zij geven niet alleen offeranden van bloemen en wierook, maar laten bovendien artiesten in kostuums dansen van de Likay uitvoeren.

Een Italiaanse Siamees. Dicht bij de rivier zetelt de School voor Schone Kunsten of Silpakorn-universiteit in een oud paleis uit de periode van Rama I. De school werd in 1933 gesticht door Corrado Ferroci. Deze beeldhouwer, door de Thaise regering in 1924 in dienst genomen, leefde in Thailand onder de naam "Silpa Bhirasri" tot zijn dood in 1962. Op de gevel van het gebouw, aan de kant van Sanam Luang, is een fries in art-nouveaustijl te zien van de hand van Italiaanse kunstenaars.

De Wat Rajapradit. Het bot van de Wat Rajapradit is versierd met ongewone muurschilderingen gemaakt in 1864 tijden de regering van Rama IV. Zij laten diverse koninklijke ceremonies zien die vroeger elk jaar werden gehouden. Zij vormen een zeldzame historische bron, want veel van deze ceremonies bestaan niet meer.

Deze kleine serene tempel, ingewijd in de periode van Rama IV, ligt op het terrein naast de tuin van het Oude Paleis Saranrom.

Het gouden varken : Dit grote beeld bedekt met bladgoud dat door gelovigen is geofferd, kijkt uit over een gracht bij het Saramonpaleis. Het werd opgericht ter ere van koningin Sowabha Pongsri, vrouw van Rama V, die in het jaar van het varken is geboren. Dit beeld is een onderwerp van verering geworden voor de inwoners die het de kracht toekennen om hun wensen in vervulling te doen gaan.

Het hoofdgebouw is gemaakt van grijs marmer uit China en staat op een hoog, stenen platform. Het wordt geflankeerd door prangs in Khmer-stijl. Op het platform achter het heiligdom ziet u een chedi die ook is gehuld in grijs marmer. Op de deuren zijn schilderingen in zwart en goud lakwerk aangebracht, terwijl aan de daken fraai beeldhouwwerk te zien is.

De Wat Rajapradit kon zijn vredige sfeer bewaren door alleen op de eerste en vijftiende dag van elke maanmaand zijn deuren te openen voor de gelovigen om te bidden en aalmoezen aan de monniken te geven .

naar boven

De Wat Saket en de Gouden Berg.
Ten zuiden van Larn Luang Road ligt de Wat Saket, gebouwd onder Rama I en overvleugeld door
de Gouden Berg (Phu Khao Thong), nabootsing van de berg Meru en het hoogste punt 80 meter van de stad.

Vroeger verbrandde het volk zijn doden bij de Wat Sakhet. In de vorige eeuw werd de stad getroffen door verschillende cholera-epidemieën. De lichamen van de slachtoffers stapelden zich op en werden rond de tempel achtergelaten voor de honden en de gieren. De Engelse Anna Leonowens, die door Rama IV in dienst was genomen om zijn vrouwen en kinderen te onderwijzen, schreef: "Na zonsondergang wagen alleen ingewijden zich op deze plaatsen, zo hevig en algemeen is de schrik die zij de mensen aanjagen - de afschrikwekkendste en weerzinwekkendste plaats die een sterveling ooit heeft gezien".

Deze kunstmatige heuvel, waarvan de aanleg in de 19de eeuw werd begonnen door Rama III en die voltooid werd door Rama V, biedt een prachtig uitzicht op de stad. "Vandaar", schrijft P.A. Thompson in 1910, "ziet men een bos van palmbomen en platanen, waartussen de rode daken van de huizen nog net te zien zijn. Overal steekt boven de bomen de elegante architectuur van de tempels uit: fijne spitsen en weelderig oranje of intens purperen daken die de lichtblauwe hemel kleurtoetsen geven".

U bereikt de top van de Gouden Berg via een wenteltrap met
318 treden en vindt daar een vergulde chedi met een 79 meter hoge spits.

Deze zou de as bevatten van Boeddha, die in 1897 door Lord Curzon, toen onderkoning van India, aan Rama V werd geschonken.
De Wat Sakhet, aan de voet van de heuvel, is een van de oudste tempels van Bangkok.

De overdekte zuilengang rond zijn bot is voorzien van oude fresco's, gebaseerd op de Ramakien. Buiten de zuilengang staat een heiligdom met prachtige deuren van besneden hout en binnenin een groot boeddhabeeld dat door Rama I uit Sukhothai is overgebracht.

Het mooiste is toch de bibliotheek op palen in het midden van een vijver, die van het eind van de 17de eeuw dateert.

Het gebouw heeft schitterende vergulde panelen met motieven in Chinese stijl en verlakte vensters, op de luiken van de bibliotheek van de Wat Saket zijn buitenlanders geschilderd - kooplieden en gezanten - die Ayutthaya in zijn hoogtijdagen veel bezochten, waarvan enkele in Parijs zijn tentoongesteld ter gelegenheid van de 300 jaar oude betrekkingen tussen Frankrijk en Thailand.

Bij volle novembermaan wordt er bij de Wat Sakhet een groot feest gehouden. De gelovigen klimmen in processie omhoog naar de chedi, terwijl komedianten, acrobaten en kooplieden zich aan de rand van de tempel hebben opgesteld.

De stadsmuren. Het eiland Rattanakosin werd ooit omgeven door een muur van 7 km lang met 15 uitkijktorens. Het grootste deel is neergehaald, maar tegenover de Wat Rajanadda staat nog een gerestaureerd torentje .

De Wat Bowornivet. In deze tempel trok Koning Mongkut zich terug van 1824 tot 1851, het jaar waarin zijn broer Rama III overleed en hij de troon besteeg.

Hij stichtte er de boeddhistische sekte van Dhammayut Nikaya, waarvan de monniken in het bruin gekleed gaan in plaats van saffraangeel. Sindsdien is deze Wat ook koninklijk klooster, waar elke troonpretendent er zich moet in terugtrekken.

Hier resideert ook het hoofd van de boeddhistische geestelijken. Het bot bevat fraaie muurschilderingen, toegeschreven aan de monnikskunstenaar Khrua In Khong en een grote, 4 meter hoge, Zittende Boeddha van brons. Dit beeld is Sukhothai-stijl zou in 1357 zijn gemaakt.

De Wat Rajanadda. Het meest verbazingwekkende gebouw van dit heiligdom is het Lohaprasad, een bouwwerk in zes lagen, met paviljoentjes. Met de bouw werd onder Rama III begonnen en het is pas onlangs voltooid.

Dicht bij de tempel ligt een park dat vol staat met sala's en een paviljoen waarin de koning hoge buitenlandse gasten ontvangt.

naar boven

De Wat Suthat.  
Met een oppervlakte van 40 hectare is de Wat Suthat een van de grootste tempels van Bangkok.
Rama I gaf opdracht voor de bouw om er een groot boeddhabeeld in te kunnen zetten dat hij had overgebracht van de Wat Mahathat in Sukhothai. De Wat werd onder Rama III voltooid .

De vihara. Rechts van de ingang staat de vierkante vihara op een dubbel platform. In zijn twee monumentale teakhouten poortgebouwen, 5,50 meter hoog, zijn diermotieven gesneden.

Er wordt verteld dat Rama II, groot mecenas en kunstliefhebber, het gereedschap van de houtsnijders in het water heeft laten gooien, zo dat de kunstwerken nooit gekopieerd zouden kunnen worden.

Schilderingen van de vorige levens van Boeddha uit de tijd van Rama II staan op de muren en zuilen van het heiligdom. Daar zetelt de Phra Boeddha Cakyamuni, de enorme 8 meter hoge boeddha , meesterwerk van de beeldhouwkunst uit Sukhothai. Dit bronzen beeld werd in de 14de eeuw gegoten, tegelijk met de Phrabu Chinaraj, een net zo vereerd boeddhabeeld dat te bewonderen is in Phitsanulok.

De bot. Dit heiligdom werd gebouwd tussen 1839 en 1843 door Rama III en bevat een ander bronzen boeddhabeeld, de Phra Trai Lok Chet.

De 80 discipelen van boeddha zijn levensgroot afgebeeld op de muren.

De deuren in de lage stenen muur rond de bot worden bewaakt door uit China afkomstige beelden van westerse zeelieden en soldaten. Deze keus illustreert de afschuw die de Europeanen vroeger in Azië opriepen: hun uiterlijk werd afschrikwekkend genoeg gevonden om de kwade geesten, die rond de huizen op de loer lagen, te verjagen.

De Brahmaanse tempel. Een Hindoeïstische tempel, gewijd aan Shiva, overvleugelt Sao Ching Cha, het Plein van de Reuzenschommel. Het gebouw is architectonisch niet erg interessant, maar herinnert aan de belangrijke rol die de priesters in hun witte gewaden vroeger speelden in het religieuze leven van Siam, vooral aan het hof van de koning. Ook tegenwoordig nemen ze deel aan tal van ceremonies: huwelijken, rouwplechtigheden, wijding van huizen aan geesten en inwijding van nieuwe huizen.

De Reuzenschommel. Bamrung Muang Road, deze straat die naar de Reuzenschommel loopt, is vol winkels met religieuze artikelen: bronzen beeldjes, gewaden, waaiers, aalmoesschotels voor de monniken, gebeeldhouwde altaartafels, kleine vergulde Bodhi-boompjes, kaarsen en wierookstokjes, sierparasols en voorwerpen waarmee men tempels siert en die door de leken als offers worden geschonken tijdens religieuze ceremonies.

Elk jaar in de tweede maanmaand was Sao Ching Cha: "van de Reuzenschommel van Sao Ching Cha is niet meer over dan een roodgeschilderde boog", vroeger het toneel van een belangrijke ceremonie ter ere van Shiva.

Groepen jonge Brahmanen schommelden er tot duizelingwekkende hoogten om met hun tanden, met geld gevulde zakken kapot te scheuren: de hoogste schommel was ca. 23 meter hoog. Onder Rama VII werd dit ritueel afgeschaft, omdat het te gevaarlijk was.

De Wat Rajabopit. Deze tempel werd tussen 1860 en 1870 gebouwd en bevindt zich aan de straat met de zelfde naam. Hij illustreert de eclectische bouwstijl die de tijd van Rama V kenmerkt. Zijn 43 meter hoge, vergulde chedi bevat een boeddhabeeld in Lopburi-stijl. Hij wordt omgeven door een marmeren zuilengang met een gelaagd dak, op de belangrijkste plaatsen onderbroken door drie vihara’s en een bot.

Een miniatuurkathedraal. Het bot is bedekt met Chinees keramiek, heeft deuren met paarlemoer zijn ingelegd en een voorgevel met een zevenkoppige olifant. Het interieur verraadt een westerse invloed. De helderblauwe muren zijn bezaaid met vergulde bloemen, terwijl de decoraties van de gewelven, met gouden en bruine decoraties, herinneren aan het schip van een gotische kerk.

De kleine koninklijke begraafplaats: Ten westen van de Wat Rajabopit ligt een kleine begraafplaats met chedi’s in uiteenlopende stijlen, van Khmer-stijl tot gotisch. Koning Rama V , die erg aan de tempel was gehecht, heeft er grafmonumenten voor de leden van zijn familie laten bouwen.

naar boven

De Chao Phraya

De Chao Phraya, waarin drie in de noordelijke bergen ontsprongen rivieren stromen en samenkomen en die na een bochtige loop van 365 kilometer uitkomt in de Golf van Siam, heeft een grote rol gespeeld in de geschiedenis van Thailand.
Ze bevloeide de uitgestrekte centrale vlakten en deed een van de meest vruchtbare rijstcultuurgebieden in de wereld ontstaan. Zes eeuwen lang was deze bevaarbare rivier de enige verbinding met de buitenwereld en voedde en verrijkte ze drie hoofdsteden: Ayutthaya, Thonburi en Bangkok. Ze was de belangrijkste verkeersweg van Bangkok, sinds de oprichting van de stad en bleef dat tot voor kort.

Staatsgreep op de rivier: In mei 1950 deed een groep militairen een poging tot een staatsgreep op een van de kaden langs het Grote Paleis. De premier werd onder dwang naar een oorlogsschip gevoerd dat op de rivier voor anker lag en gegijzeld. De volgende ochtend bombardeerde de luchtmacht het schip. De premier was echter niet meer aan boord, de opstandelingen hadden hem weg laten zwemmen. Toen hij weer aan wal was, verenigde hij zijn troepen en had binnen twee dagen de situatie weer onder controle.

De dubbele, soms driedubbele rijen drijvende huizen die aan de oevers lagen , zijn nu verdwenen en de zeven bruggen die de moderne stad met Thonburi verbonden, hebben meegewerkt aan de toenemende achteruitgang van de scheepvaart op de rivier.

Toch kan een boottocht over de Chao Phraya u de hoofdstad van een heel nieuwe kant laten zien.

Al varend over deze rivier ziet u de voornaamste bezienswaardigheden van Bangkok aan u voorbijtrekken: het Grote Paleis, de ontelbare tempels, de ambassades in Europese koloniale stijl, katholieke kerken, de steigers van handelsmaatschappijen, markten met landbouwprodukten, die per boot naar de stad worden vervoerd, uitgestrekte paleizen en oude woningen van de aristocratie.

Op beide oevers overheerst de moderne hoogbouw tussen nostalgische getuigenissen van het verleden.

U moet deze boottocht vroeg in de ochtend maken als de Wat Arun de eerste zonnestralen opvangt en het oorverdovende lawaai in de stad begint te klinken.

Boottochten: De veerboten van de Chao Phraya Express : zij varen tussen 6 en 18 uur, haltes op de linkeroever van de Chao Phraya. De pendelboten op de rivier: beheerd door de Chao Phraya Expres Boat Company en hierop kunt u tot middernacht de rivier oversteken.

naar boven

De Wat Arun of "De Tempel van de Dageraad".
Met uitzondering van het Grote Paleis is er geen monument aan de Chao Phraya zo beroemd als de prang van de Wat Arun.

De versteende bobbel van 86 meter hoog die Thonburi en de linkeroever van de rivier beheerst.
Biedt bij zonsondergang, met tegenlicht, biedt de Tempel van de Dageraad het verrassendste schouwspel.

De Tempel van de Dageraad werd gebouwd in de Ayutthaya-periode en gerestaureerd door Taksin, toen deze van Thonburi zijn hoofdstad maakte. Hij deed toen dienst als koninklijke kapel. De Boeddha van Smaragd, door de toekomstige Rama I uit Vientiane meegenomen, stond er voordat hij naar de Wat Phra Keo werd overgebracht. Het Rama II die de tempel wilde vergroten en op het idee kwam een prang in Khmer-stijl te bouwen als symbool van de berg Meru, maar de uitvoering kwam pas in de volgende regeringsperiode tot stand. Net als de kleine prangs die eromheen staan, is de grote versierd met tegels en scherven van veelkleurige keramiek. Een platform biedt een fantastisch gezicht op de rivier en de stad.

Elk jaar, bij volle maan in de 12de maanmaand. Vaart een vloot prachtige koninklijke sloepen, statig over de rivier tot de Wat Arun. De grootste, de Suphanahongsa, vervoert de koning, die de gewaden aan de monniken schenkt tijdens een ceremonie.

Andere tempels en bezienswaardigheden.

De Wat Kalayanimit. Deze tempel staat op de plaats waar de klong Bangkok Yai in de Chao Phraya stroomt en werd gebouwd in de regeringsperiode van Rama III.

Zijn bot biedt onderdak aan een Grote Zittende Boeddha in brons die wordt vereerd door Thai van Chinese afkomst.

Het tempelterrein bevat indrukwekkende beelden die als ballast met jonken uit China werden meegenomen. Een veelhoekige chedi, die ook uit China komt, staat achter het bot. De muurschilderingen geven een indruk van het leven in de vorige eeuw.

Van het klooster loopt een paadje naar een aardig Chinees tempeltje.

De Wat Prayoonwong. Dit heiligdom is gebouwd ten tijde van Rama III en heeft prachtige verlakte deuren, die met paarlemoer zijn ingelegd. Bezoekers die verdiensten willen vergaren, komen hier de beroemde schildpadden voeren in de vijver aan de voet van een kunstmatige heuvel.

De Wat Rakhang Kositharam. Deze tempel dateert uit de periode van Rama I en ligt aan de rechteroever van de Chao Phraya, recht tegenover de steiger van het Grote Paleis. Zijn naam Rakhang of "Klok", dank hij aan zijn vele klokken die elke dag van 6 tot 18 uur te horen zijn.

Zijn bot is een mooi voorbeeld van de architectuur van Ratanakosin. Vensters en deuren zijn omzoomd met verfijnde decoratieve elementen van pleisterwerk in de stijl van Ayutthaya. De bibliotheek van het klooster heeft muurschilderingen die de Ramakien en de boeddhistische kosmogonie illustreren.

Niet ver daar vandaan staan drie traditionele houten huizen die de toekomstige Rama I bewoonde en die hij na zijn troonsbestijging aan het klooster schonk. De zwarte en goudkleurige vensters werden gerestaureerd bij de viering van het 200-jarige bestaan.

Ho Phra Trai Pidok: Toen Rama I zijn residentie aan de Wat Rakhang schonk, werden de paviljoens aangepast en fresco’s op de muur van de bibliotheek geschilderd. Beging jaren tachtig werden deze schilderingen gerestaureerd door een beroemde Thaise schilder, Fua Haripitak.

Het Siriraj-ziekenhuis. Het Siriraj-ziekenhuis op de rechteroever van de rivier ligt vlak bij de Phra Pink Laobrug herbergt niet minder tien museums.

De gebalsemde moordenaar: Het Siriraj-ziekenhuis op de rechteroever van de rivier vlak bij de Phra Pink Laobrug herbergt niet minder dan tien musea. Het bekendste is dat van de afdeling van de forensische geneeskunde. Een van de topstukken is het gebalsemde lichaam van Si-Oui, een Chinees immigrant die in de jaren vijftig zeven kinderen had vermoord voor hij werd gearresteerd en geëxecuteerd. Hij wurgde zijn slachtoffers en at hun organen op, in de hoop dat hij daardoor langer zou leven.

De Pak Klong Talat. In dit complex naast de Wat Po wordt de belangrijkste groothandelsmarkt van Bangkok gehouden. Daar worden sinds meer dan een eeuw groenten, fruit, snijbloemen en andere waren opgeslagen en verhandeld. De waren worden met boten van de tuinen en boomgaarden van Thonburi aangevoerd. Als de kooplieden arriveren, vroeg in de ochtend af laat in de avond, dreunen de gebouwen van de activiteit. Het kleurige spektakel van het uitladen van allerlei soorten fruit en bloemen doet denken aan een enorme hoorn des overvloeds. De meest uiteenlopende geuren stijgen op.

Maar op het uur van de siësta geven zowel kooplieden als sjouwers zich over aan de luiheid van de middag.

Het Wang Lee-huis. Tussen de rijen pakhuizen op de rechteroever van de rivier staat deze woning in Chinese stijl. Ze werd in de 19de eeuw gebouwd door een Chinese immigrant, die in de bloeiende rijsthandel rijk was geworden. Hij had besloten zich in Bangkok te vestigen en richtte er verschillende handelsondernemingen op, waarvan sommige nog bestaan. De meeste huizen in Chinese stijl in Bangkok zijn vervallen, maar de familie Wang Lee heeft de hare in goede staat gehouden en gebruikt het nog steeds voor officiële gelegenheden.

De oude koloniale wijk. De ambassades. Alle buitenlandse ambassades waren in de vorige eeuw gevestigd op de linker oever, bij het Grote Paleis. De oudste werd in 1820 gebouwd door de Portugezen, de eerste Europeanen die betrekkingen met het koninkrijk Ayutthaya hadden aangeknoopt. In het park van het huidige ambassadegebouw is nog een vleugel van het handelskantoor te zien. De Engelsen () () volgden. Zij bouwden een ambassade op de plaats waar nu het hoofdpostkantoor staat, gevolgd door de Amerikanen. De Fransen installeerden zich dicht bij het Oriental Hotel. Alle ambassades hadden een steiger vanwaar de diplomaten naar het Grote Paleis konden varen.

Tegenwoordig staan alleen de Portugese en de Franse ambassades nog op hun oorspronkelijke plaats.

Het Oriental Hotel. In 1865 werd een klein pension met uitzicht op de rivier, dat toen al de naam ‘Oriental" droeg, door brand verwoest. De Deen H.N. Andersen, stichter van de East Asiatic company, kocht het terrein in het jaar 1884 en gaf een Italiaanse architect opdracht een schitterend hotel te ontwerpen dat voldeed aan de wensen van de westerse reizigers. In 1887 opende het Oriental Hotel zijn deuren en zijn veertig "comfortabele en fraai gemeubileerde" kamers. Het hotel werd al snel het hotel bij uitstek van de Siamese hoofdstad en bood onderdak aan vele beroemde buitenlandse gasten: koningen en prinsen, filmsterren en schrijvers, zoals Somerset Maugham en Joseph Conrad (die allebei hun naam aan suite hebben gegeven). Het enige oorspronkelijke deel van het hotel dat heden ten dage nog steeds bestaat, is de vleugel van de schrijvers, die een voorgevoel heeft waarop een vergulde opgaande zon te zien is die naar de rivier is gericht.

De koloniale invloed: De Franse ambassade en het Oriental Hotel dateren allebei van het einde van de 19de eeuw. Zij hadden oorspronkelijk zonweringen, ruime veranda’s en voorgevels met zuilen, kenmerkend voorde koloniale gebouwen uit die tijd.

East Asiatic Company. Deze compagnie werd in 1884 opgericht door H.N. Andersen en is nu een van de grootste handelshuizen ter wereld. De houten gebouwen naast het Oriental, waarin de onderneming was gevestigd, zijn in 1901 vervangen door het huidige gebouw. Andersen was genaturaliseerde Thai, maar keerde terug naar Denemarken, waar hij consul-generaal van Thailand was.

Het oude douanekantoor. Dit fraai geproportioneerde gebouw uit de jaren tachtig van de 19de eeuw deed dienst als douanekantoor van Bangkok tot de ontwikkeling van de haven bij Klong Toey , meer stroomafwaarts. Het gebouwd werd vervolgens gebruikt door de brandweer, maar is nu ingericht als handelscentrum.

De katholieke kerken. In de 17de eeuw vestigden de eerste katholieke missionarissen zich in Thailand. Reizigers op weg nar de hoofdstad Ayutthaya hielden halt in een van de gebouwen van de Kerk van de Onbevlekte Ontvangenis, dicht bij de tegenwoordige Krung Thonbrug. Bisschop Jean-Baptiste Pallegoix, die de later koning Rama IV, Frans en Latijn leerde, woonde er.

Een andere belangrijke kerk aan de oever van de rivier, de Santa Cruz-kerk, vlak bij De Herdenkingsbrug (Dit was de eerste brug tussen Bangkok en Thonburi. Hij werd door Rama VII ingewijd om 8 uur 16 minuten om precies te zijn op 6 april 1932, de verjaardag van de stichting van de hoofdstad. Dit tijdstip was door de koninklijke astrologen bepaald.), de kerk werd door Portugese inwoners gebouwd na de val van Ayutthaya en in 1834 gerestaureerd in opdracht van bisschop Pallegoix. Portugese katholieken waren ook verantwoordelijk voor de bouw, in de vorige eeuw, van de kerk van de H. Rozenkrans , die later ten noorden van het huidige Sheratonhotel Royal Orchid is herbouwd.

De imposante Kathedraal van Maria Hemelvaart naast het Oriental Hotel werd in 1910 gebouwd op de plaats van een oudere kerk.

De Wat Yannawa. Deze tempel te zuiden van de Taksin-brug is sinds de bouw in het begin van de 19de eeuw de plaats van de erediensten van de Chinezen die zich in deze nieuwe wijk van Bangkok hadden gevestigd.

Er is één bezienswaardigheid: een met twee chedi's bekroond gebouw in de vorm van een Chinese jonk, waarop reuzeogen zijn geschilderd om boze geesten af te schrikken .

Dit gebouw werd aan de Wat toegevoegd in opdracht van Rama III, die in die tijd waarin stoomboten de overhand kregen de herinnering aan zeilboten, waaraan het land zijn welvaart te danken had, levend wilde houden.

naar boven

De klongs van Thonburi.  

Veel van de klongs, of kanalen, van Bangkok zijn tegenwoordig verdwenen. Ze zijn gedempt om wegen te verbreden of om nieuwe verkeersaders aan te leggen. In Thonburi gaat deze ontwikkeling niet zo snel. Tot voor kort waren er maar weinig bruggen die dit deel van de stad met de linkeroever van de Chao Phraya verbonden; de klongs zijn hier bewaard gebleven en ademen nog hun oude sfeer.

Boten met lange staarten: De hang yao of "boot met lange staart" is zonder twijfel het meest gebruikte vervoermiddel op de klongs van Thonburi. Hij schijnt in Thailand te zijn uitgevonden en heeft een schroef aan een lange staart die kan worden opgehaald om in ondiep water te varen.

Het Museum van de Koninklijke sloepen. , Op het kruispunt van de klong Bangkok Noi en de Chao Phraya, toont een aantal van de spectaculaire vaartuigen die vroeger op de rivier voeren tijdens koninklijke processies.

De Koninklijk sloepen: "De optocht van de koninklijke sloepen langs de schoot van de Grote Moeder Menam met alle pracht en praal die Bangkok kon voortbrengen, bood een prachtig spektakel dat nergens in het schitterden Oosten zijn weerga vond".

Volgens een buitenlandse toeschouwer werden er wel 200 sloepen door geüniformeerde manschappen voortbewogen: "die peddelden in één beweging en in een synchroon ritme".

De indrukwekkendste sloep is de vergulde Suphanahongsa die voor de koning wordt gebruikt,
meer dan 46 meter lang en met een bemanning van 61 koppen.
Zijn voorsteven is gesneden in de vorm van een hong, een mythische vogel die op een zwaan lijkt.
Een andere sloep, 45 meter lang, is versierd met een veelkoppige naga.
Andere boegbeelden zijn gehoorde draken, Garuda's en andere figuren uit de Ramakien.
De processies worden niet veel meer gehouden.
De laatste was in 1987 ter gelegenheid van de 60ste verjaardag van de koning.

Het leven op de klongs. "Een onvoorbereide toeschouwer kijkt op van een keurige oude dame die behendig haar kano door het verkeer op de rivier manoeuvreert om haar dagelijkse boodschappen te doen.

Een venter op de klong: Het venten op het water maakte altijd al deel uit van het leven op de klongs. De kooplieden voeren in hun boten alles aan wat de bewoners maar nodig kunnen hebben. Ernest Young beschrijft het in zijn boek The kingdom of the yellow robe so: "Er is een markt op het water, maar in tegenstelling tot die op het land die de hele dag open blijft, opent en sluit deze voordat de zon op haar hoogst staat. Tientallen boten liggen dicht opeengepakt en elke boot zakt tot aan de rand in het water onder het gewicht van stapels fruit of vis. Men marchandeert en dingt af in een oorverdovend lawaai van schreeuwen, lachen en vloeken. De vrouwen dragen platte hoeden met opstaande randen die met een rieten bandje zijn vastgemaakt op hun hoofd".

Op de boten wordt rustig geleefd, half naakte mannen wassen zichzelf of hun kinderen, hier en daar stoeien kwajongens in het water". Deze tekst van Somerset Maugham uit 1923 zou zeer wel een beschrijving kunnen zijn van wat nu op de klongs van Thonburi te zien is. De oevers staan vol oude verweerde, houten huizen met traditionele schuine daken. Als de avond valt, baden hele families op de drempels van hun huis, de vrouwen discreet in hun sarong gewikkeld, terwijl de kooplieden met strohoeden zich een weg banen met hun bootjes vol koopwaar.

De mango's en doerians van Thonburi zijn beroemd en er zijn nog steeds boomgaarden, hoewel vele zijn verdwenen.

De Wat Suwannaram. Deze harmonieuze tempel op de zuidoever van de klong Bangkok Noi werd gebouwd op de fundamenten van een klooster dat door Rama I werd ingewijd en door Rama III werd vernieuwd. Hij is een goed voorbeeld van de architectuur uit de overgangsperiode tussen Ayutthaya- en Rattanakosin-periode, maar vooral bekend vanwege zijn muurschilderingen.

Deze muurschilderingen worden toegeschreven aan twee vooraanstaande schilders uit de derde regeringsperiode, Luang Vichit Chetsada en Krua Khonpae, en zijn met moderne technieken gerestaureerd .

Op de zuidmuur achter het belangrijkste boeddhabeeld staan scënes uit de drie werelden van de boeddhistische kosmogonie uitgebeeld. De muur naast de ingang is bedekt met een enorm fresco, dat de overwinning van Boeddha op Mara illustreert. De zijmuren laten interessante schilderingen zien van de zes laatste verhalen van de Jakata over de vorige levens van Boeddha.

naar boven

De Chinese wijk.  

De plaats die Rama I in 1782 voor de bouw van zijn paleis uitzocht, werd bewoond door een groep Chinese kooplieden. Zij verhuisden naar een plek net buiten de stadsmuren, waar zij de basis vormden van de Chinese wijk van Bangkok, handelscentrum van de hoofdstad. De meeste houten woningen en overdekte markten hebben plaats gemaakt voor wolkenkrabbers en winkelcentra, maar de levendige, bruisende Chinese wijk heeft voor een groot deel haar charme en tradities bewaard.

De Chinezen geven hier een voorbeeld van vreedzame indringing. De duizenden die naar Siam emigreerden, hebben alle handel gemonopoliseerd. Alles wat in dit koninkrijk met arbeid verband houdt, wordt door hen bevorderd, georganiseerd en weldra tot bloei gebracht. Terwijl de Siamees de luiheid vertegenwoordigt, is zijn bedrijvige kruiperige tegenhanger uit het Hemelse Rijk een schoolvoorbeeld van hebzucht en noest zwoegen.

Karikatuur van een leeuw: De traditionele dans van de leeuw is een hoogtepunt van de inwijdingsceremonie van nieuwe gebouwen van de Chinezen. Deze ceremonies illustreren de belangrijke plaats die Chinese gewoonten in het Thaise leven innemen.

Yaowarat Road. Is de drukke en zeer vervuilde hoofdstraat van de Chinese wijk. Daar vindt u de goudsmeden, de winkels met delicatessen en andere luxeartikelen. Aan het einde van deze straat ligt de wijk Nakorn Kasem, die vroeger de "Dievenmarkt" werd genoemd , omdat helers er hun gestolen waar verkochten.

Sampheng lane. Dit overdekte straatje, evenwijdig aan Yaowarat, is vol winkels waar de meest uiteenlopende artikelen worden verkocht: snuisterijen, stoffen, speelgoed, keukenartikelen, glaswerk en kleding en zelfs waarzeggers (Zij worden over alle dingen in het leven geraadpleegd, van vragen over de gezondheid tot iemands meest geschikte datum om te trouwen of bepaalde zaken te doen). De straat loopt tussen de Wat Pathum Khongka (of Wat Sampheng ), een tempel die een eeuw voordat de Chakri-dynastie Bangkok tot hoofdstad maakte werd gebouwd, en Pahurat, een wijk die bekend staat om haar stoffenmarkt, gedreven door Indiërs die de laagste prijzen van Bangkok berekenen.

Samheng Lane was ooit het oord van opiumkitten, speelholen en bordelen. De Franse auteur Paul Morand, getroffen door de passie voor het spel dat de Chinezen bezielde, schreef aan het begin van deze eeuw:

"Aan het lawaai in de straat, aan de schallende grammofoons, aan het ratelen van de
mah-jong-stenen als een hagelbui op een zinken dak herkent men China,
maar pas als men de pandjeshuizen heeft gezien, wordt het werkelijkheid".
De spelers komen er hun juwelen verpanden, hun zijden gewaden, hun opiumpijp.

Er wordt gegokt in de staatsloterij, bij hanengevechten, vissengevechten en met de bemiddeling van bookmakers, op de renbanen van Shanghai, tien dagen reizen van hier. Men wedt zelfs om het aantal pitten in een meloen . "Deze wereld lijkt geheel te zijn verdwenen, maar 's nachts heeft de wijk nog een roerige en geheimzinnige atmosfeer".

De tempels van de Chinese wijk. De Chinese wijk bevat een aantal taoïstische tempels, maar ook boeddhistische. Deze laatste behoren grotendeels tot het Theravada-boeddhisme. Enkele zijn de meest verbreide tak van het boeddhisme in China het Mahayana-boeddhisme, toegedaan. Dat is het geval met de Wat Mangkong Malawat aan de Charoen Krung Road waar reusachtige kaarsen, versierd met Chinese figuren, als offer rond het altaar worden geplaatst.

Vlak bij Plabplachai Road ligt de Wat Kanikaphon, waarvan de naam "de vrouw die vrouwen verkocht" betekent en die gesticht werd door een voormalig bordeelhoudster die haar zonden wilde afkopen.

Daar worden papieren modellen van luxeartikelen (auto's, huizen, computers,...) verbrandt om de doden van een gemakkelijk bestaan in het hiernamaals te verzekeren.

Op het kruispunt van Charoen Road en Yaowarat Road ligt de Wat Traimit
ie een 3 meter hoge Gouden Boeddha bevat (met een gewicht van 5,5 ton aan puur goud),
die werd gevonden bij werkzaamheden bij de rivier.
Het pleisterwerk waarmee het was bedekt, beschadigde tijdens het transport en
het goud waarvan het beeld is gemaakt, kwam te voorschijn.

naar boven

De wijk van Dusit

Rama V was de eerste Siamese koning die naar het buitenland reisde. Hij kwam terug met het plan om van Bangkok een westerse hoofdstad te maken. Hij concentreerde zich hierbij op de wijk Dusit, die hij met het centrum van de stad verbond door de Ratchadamnoen Klang, de "Laan van de Koninklijke Vooruitgang". Hij begon met de bouw van een nieuw paleis, een nieuwe troonzaal, verblijven voor de leden van de koninklijke familie (waaronder het paleis van Chitralada, waar de huidige koning en koningin wonen) en lanen met bomen, geschikt om rijtoeren over te maken. Later breide Bangkok zich vooral in oostelijke richting uit, waardoor de wijk zijn eind 19de eeuwse sfeer bewaarde. In het paleis zetelt nu de Nationale Vergadering.

Italiaanse Kunstenaars: Tijdens zijn verblijf in Europa kwam Rama V met schilders in contact en poseerde zelfs voor hen. Later nodigde hij Italiaanse kunstenaars uit om naar Bangkok te komen. Cesaro Ferro was in 1904 de eerste die hofschilder werd. Hij maakte portretten van de koning en muurschilderingen in de troonzaal van Amphomsathan. Prins Naris, halfbroer van de koning wilde traditionele Thaise thema’s met westerse technieken behandelen en werkte in nauwe samenwerking met een groep schilders, onder wie Carlo Rigoli, aan projecten als de Wat Rajathiwat en het particuliere woonhuis Boromphiman. De Italianen onderwezen al hun technieken aan Thaise schilders en beïnvloedden zo de lokale kunstwereld. De enige die een blijvende invloed achterliet, was Carrado Ferroci, die in 1923 naar Thailand was gekomen en er woonde tot zijn dood. Ferroci maakte koninklijke standbeelden en besloot zijn carrière als leraar. De huidige Silpakorn-universiteit, waar honderden kunstenaars worden opgeleid is door hem gesticht.

De troonzaal van Ananda Samakhom. Dit uitvoerig bewerkte gebouw in westerse stijl moest de troonzaal worden voor Rama V en zijn opvolgers. De bouw begon in 1907 onder leiding van een groep Italiaanse architecten en ingenieurs, onder wie Annibale Rigotti, Carlo Allegri, E.G. Gollo en M Tamagno, en werd vijf jaar later, na de dood van de koning, voltooid. Galileo Chini wiens werk de koning had bewonderd op de biënnale van Venetië, kreeg de opdracht om tussen 1911 en 1913 de gewelven te beschilderen met reusachtige fresco’s die belangrijke gebeurtenissen uit de Thaise geschiedenis moesten verbeelden. Na de val van de absolute monarchie deed het gebouw een tijd lang dienst als parlement.

De Ananda Samakhom kijkt uit op een plein met een ruiterstandbeeld van Rama V, gemaakt door Georges Saulo ter ere van het bezoek dat de koning aan Parijs bracht. De onderdelen werden in Parijs gegoten en in Bangkok in elkaar gezet, en het beeld werd onthuld op 11 november 1908, precies 40 jaar na de kroning van Rama V.

Elk jaar verzamelen zich op zijn sterfdag, 23 oktober, veel mensen rond dit beeld.

naar boven

Het paleis Vimarn Mek.
Na de dood van Rama V werd het paleis verwaarloosd, maar in 1982 werd het door koningin Sirikit gerestaureerd om er hoge gasten te ontvangen ter gelegenheid van het 200-jarige bestaan van Bangkok. Zij richtte het in met koninklijke schatten uit de tijd van zijn bouwheer en ongewone voorwerpen.

Het Phya Thaipaleis: Na de dood van Rama V in 1910 werd het Phya Thaipaleis residentie van koningin Sowabha Pongsri. Later boden de gebouwen in Victoriaanse stijl onderdak aan een luxehotel en uiteindelijk aan het militaire hospitaal Phra Mongkut.

Dit paleis heeft 81 kamers en staat bekend als het grootste bouwwerk ter wereld van verguld teakhout. Het werd in 1902 voltooid. Eerst zou het paleis, dat op het eiland Si Chang in de Golf van Thailand stond, dienst doen als zomerverblijf van Rama V. Maar toen de Golf onveilig werd vanwege een nauw verholen conflict met de Fransen over Cambodja, besloot hij het gebouw naar Bangkok te verplaatsen en er te wonen tot het Chakri Maha Prasat klaar was .

Vimarn Mekpaleis was de eerste Siamese residentie die elektriciteit kreeg.

naar boven

De "verjaardagsbruggen"
Aan het eind van zijn regering besloot Rama V om elk jaar op zijn verjaardag een nieuwe brug in gebruik te nemen. Een aantal van deze "verjaardagsbruggen" is opgeofferd aan de vooruitgang, andere liggen er nog in volle glorie.

De Wat Benchabopit. Deze Wat staat bekend als de "Marmeren Tempel" en werd in 1899 gebouwd in opdracht van Rama V. Het ontwerp was van zijn halfbroer, Prins Naris, die was geadviseerd door de Italiaanse architect Hercules Manfredi.

Grijs marmer werd uit Carrara geïmporteerd om het bot mee af te werken en de zuilengang te plaveien. De tempel heeft glas-in-loodramen en er staat een replica van de Phra Boeddha Chinnaraj uit Phitsanulok. Ronde de zuilengang staan 53 bronzen boeddhabeelden.

Die de stijlen uit de boeddhistische kunst laten zien. Het gebouw waarin de toekomstige Rama V als monnik leefde, werd later voorzien van muurschilderingen die hoogtepunten uit zijn regeringsperiode verbeelden.

Er staat ook een zeer oude Bodhi-boom, gegroeid uit een stek uit Sri Lanka .

naar boven

Het moderne Bangkok

Er bestaat geen volledige plattegrond van het moderne Bangkok. Dit een niet verwonderlijk gezien de snelle ontwikkeling van nieuwe voorsteden en de veranderingen in oude wijken. Het is pas een tiental jaar geleden dat hoge torenflats, hotels en moderne winkelcentra hat stadsbeeld zijn gaan bepalen. Inwoners denken met weemoed terug aan de tijd waarin deze dichtbevolkte gebieden rustige rijstvelden waren en het "centrum" beperkt was tot het gebied tussen New Road en Suriwong Road. Door de razendsnelle urbanisatie worden de afstanden tussen de woonhuizen en de plaatsen waar de mensen werken steeds langer en de straten worden steeds drukker. De lucht in de straten raakt tijdens het spitsuur zo vervuild dat veel mensen zuurstofmaskers dragen. Duizenden knetterende motorfietsen, het enige snelle vervoermiddel, worden nog toegevoegd aan de hel, die men niet kan ontlopen.

De plaag van Bangkok: In Bangkok is het wegennet achtergebleven bij de toename van het aantal auto's, met verkeersopstoppingen als gevolg. De gemiddelde snelheid van het verkeer is afgenomen van tussen 13 en 15 kilometer per uur in 1984 tot 8 kilometer per uur in 1991 en het zal binnen kort sneller gaan om zich te voet te verplaatsen. Naar aanleiding van een verkeersopstopping tijdens de moesson, adviseerden de kranten de automobilisten water, voedsel en zelfs een pispot mee te nemen! De aanleg van een bovengronds metronet, waarmee spoedig zal worden begonnen, kan de toestand alleen nog maar verergeren.

Het knetterende driewielig vehikel dat tuk-tuk wordt genoemd, is een goedkoop vervoermiddel in de binnenstad... als het ten minste lukt een goede prijs voor de rit af te spreken.

Rond de Silom Road. Silom Road die loopt van Rama IV Road tot New Road, is tegenwoordig het centrum van een belangrijk handelsgebied. Talloze banken, reclamebureaus, luchtvaartmaatschappijen en winkels met kunstnijverheidsprodukten staan hier bij elkaar. Hier staan ook verscheidene grote hotels, aan de rand van de buurten waar het nachtleven zich afspeelt, zoals Patpong en Thaniya Road. Het lager gelegen deel van Silom Road is het domein van de edelstenen- en juwelen-industrie. Dag en nacht krioelen de trottoirs van Rama IV Road en zijn zijstraten van de kooplieden die namaakartikelen, kleren en horloges van bekende merken, cassettes en videocassettes aanbieden.

Edelstenen en juwelen: De uitvoer van edelstenen en juwelen is voor Thailand nu de op vier na grootste bron van deviezen. Edelstenen - saffieren, robijnen, zirkonen, granaten en katteogen - worden gesneden en geslepen. Een nieuw internationaal centrum voor de handel in edelstenen en juwelen wordt binnenkort geopend op Silom Road, waar het grootste deel van deze activiteit zich afspeelt.

"De glamour en de ellende van de prostituées". Ondanks afkeuring door de overheid en regelmatige feministische protesten blijft het nachtleven van Bangkok met zijn "alles mag" - cultuur grote aantallen Europeanen, Japanse en Thaise hoerenlopers trekken. Aan de twee straten van Patpong, tussen Silom Road en Suriwong Road, vindt u de bars met "gogo-girls", de seksshows, de massagesalons en de nachtclubs, die verantwoordelijk zijn voor de broeierige reputatie van Bangkok.

De onschuldige glimlachen, de uitdagende houdingen en het harde geld verklaren de stille beheksing die uitgaat van de nachten in Patpong. Goorheid gaat hier hand in hand met een kinderlijke levensvreugde, die ondanks alle wordt achtervolgd door het spook van de aids. Patpong en zijn seksindustrie danken hun succes aan de stroom toeristen, maar ook de seksuele inwijding van jonge Thai vindt bij de prostituées plaats: de prostitutie is een geaccepteerd verschijnsel in een verder preuts land.

" Calcutta stinkt naar de dood, Bombay naar geld en Bangkok naar seks. Deze geur is echter vermengd met ergere stank dan die van dood en geld."

Het Lumpini-park. Tegenover het Dusit Thani Hotel ligt in het Lumpini-park dat in de jaren twintig aan de stad werd geschonken door Rama VI. Boten op het meer van het Lumpini-park. De naam van dit park herinnert aan de legendarische tuinen van Lumpini, waar Boeddha werd geboren. Het is het enige park in Bangkok.

In de vroege morgenuren voeren de Chinezen er de trage bewegingen van de Taichi uit, een vechtsport die tot op hoge leeftijd wordt beoefend.

De tempel van Erawan. Bij de bouw van het Erawan Hotel in de jaren vijftig leidde een reeks mysterieuze ongelukken tot de dood van verscheidene arbeiders. Volgens brahmanen en astrologen werd dit onheil veroorzaakt door geesten die uit hun verblijfplaats werden gejaagd door graafwerkzaanheden. Om deze dwalende geesten een onderdak te bieden, werd er toen een aan Brahma gewijd heiligdom opgericht.

De ongelukken hielden onmiddellijk op. Dit wonder vergrootte de aantrekkingskracht en al spoedig trok het heiligdom veel mensen, die hier de meest uiteenlopende wensen komen doen. Het verhaal gaat dat in de jaren zestig een oude vrouw beloofde naakt voor de tempel te dansen als zij de loterij won, die vervolgens won... Dans voorstellingen worden ‘s avonds tegen 19 uur gegeven.

naar boven

De particuliere musea

Het huis aan de klong. O p Soi Kasemsan Road 2, bij Rama I Road, staat het oude huis van Jim Thompson, een Amerikaan die zich in Thailand vestigde na de Tweede Wereldoorlog en er de zijde-industrie herintroduceerde, voordat hij in 1967 op mysterieuze wijze verdween in Maleisië. Zijn woning, die nu een museum is, bestaat uit zes teakhouten huizen uit verschillende streken en die op de rand van een klong in elkaar zijn gezet. Thompson had er een grote verzameling bijeengebracht van Thaise en Bimese kunst, waaronder schilderijen, porselein, meubels en boeddhistische beelden van de Birmezen en de Khmer. Het pronkstuk van het museum is de reconstructie van een 19de eeuws weverswerkplaats.

Thaise zijde: Wie Thailand zegt, zegt Thaise zijde. De traditie wil dat de stof oorspronkelijk uit het noordoosten komt, waar de dorpelingen de zijde op primitieve wijze vervaardigen. De produktie nam snel af aan het eind van de 19de eeuw, toen de ingevoerde Chinese en Japanse zijde de plaatselijke markt overspoelde. De zijde-industrie werd na de Tweede Wereldoorlog nieuw leven ingeblazen door de ondernemingsgeest van Jim Thompson. Het door hem opgerichte bedrijf is ook nu nog een van de beste en grootste zijde producenten van het land. De winkel van het bedrijf ligt op de hoek van Suriwong Road en Rama IV Road. U kunt hier schitterende zijde kopen in alle kleuren, effen, goudkleurig of versierd met geometrische patronen.

Een Mysterieuze verdwijning: De verdwijning van Jim Thompson, "de koning van de Thaise zijde ", is een van de mysteries van het moderne Azië. In maart 1967, kort na zijn 61ste verjaardag, ging de rijke industrieel op vakantie in Cameron Highlands in het noorden van Maleisië en keerde nooit terug. Op Paaszondag ging hij alleen een wandeling maken en verdween zonder een spoor na te laten. Ondanks intensief speurwerk van soldaten en vrijwilligers (om niet te spreken van vele experts in het bovennatuurlijke) werd hij nooit teruggevonden. In een kwart eeuw is er geen enkele aanwijzing boven water gekomen. Ontvoering? Ongeluk in de jungle? Is hij de bewoonde wereld ontvlucht? Het raadsel, dat stof bood voor een groot aantal romans en artikelen, is nooit opgelost.

Het huis van een verzamelaar: De paviljoens van de woning van Jim Thompson hebben verschillende plaatsen van herkomst. Het grootste komt uit een dorp op de noordoever van de klong Saensaep, het kanaal dat langs de achterkant van het perceel loopt; andere komen uit de streek rond Ayutthaya. Ze werden per boot overgebracht en in 1959 door gespecialiseerde timmerlieden in elkaar gezet.

Het Suan Pakkard-paleis. Dit is de voormalige woning van prins en prinses Chumbhot. Het ligt midden in een tropische tuin aan Sri Ayutthaya Road. Het bestaat uit vijf Thaise huizen , die in de jaren vijftig op deze plaats zijn samengevoegd, waaraan het Lakpaviljoen is toegevoegd, de sierlijke bibliotheek, die is gevonden in Ayutthaya en dateert uit het begin van de Bangkok-periode. Binnen vertonen de muurpanelen in zwart lakwerk en bladgoud scènes van het einde van de 17de eeuw. Een ander paviljoen herbergt een verzameling bronzen juwelen en beschilderd aardewerk, gevonden op de prehistorische vindplaats Ban Chiang. U kunt er ook het Paviljoen van de Mineralen bezoeken, waar exemplaren liggen uitgestald die prinses Chumbhot verzamelde.

Het Kamthieng-huis. Hier vindt u de enige etnologische collectie in Bangkok: visnetten, kooppotten en keukengerei en landbouw gereedschappen. Het 19de eeuwse teakhouten huis ligt in de tuinen van de Siam Society aan de Sukhumvit Road en is samengesteld uit drie paalwoningen uit Chiang Mai. Het is een zeldzaam voorbeeld van traditionele bouwkunst uit het noorden. Ernaast staat een huis dat afkomstig is uit de centrale vlakten, waardoor bezoekers de twee stijlen kunnen vergelijken.

De Siam Society: Deze vereniging die een culturele doelstelling heeft, werd in het jaar 1904 gesticht door een groep Thai en buitenlanders. De vereniging werd onder de bescherming van Rama VI geplaatst en vestigde in 1933 op haar huidige adres. Zij bezit onder andere een grote bibliotheek over Thailand en de rest van Azië, geeft een tijdschrift uit en organiseert activiteiten als lezingen en tentoonstellingen die zijn gewijd aan de Siamese cultuur.

naar boven

De markten

De weekendmarkt. Van zaterdagochtend vroeg tot zondagavond wordt de grote "Weekend Market" gehouden, een van de drukste plaatsen in Bangkok. De markt vindt plaats in Chatuchak-park, dicht bij de autoweg Vipavadee naar het vliegveld. U vindt van alles in dit labyrint van kraampjes en winkeltjes: fruitbomen, kleren, antiek, kunstnijverheidsprodukten, fruit en groente, kruiden, meubels, porselein, afgedankte spullen van het leger en huisdieren in soorten en maten, honden, vogels en slangen.

Zoals overal in Thailand kan op de prijzen worden afgedongen.

De plantenmarkt. Tussen Kamphaengphet Road en de "Weekend Market" vindt permanent een markt plaats, die geheel is gewijd aan planten en bloemen uit Thailand. Elke tuinliefhebber zou minstens een paar uur langs de lange rijen kraampjes moeten lopen, die volstaan met allerlei soorten prachtige sierbomen, struiken en klimplanten. Sommige stalletjes en venters verkopen bovendien bijzondere boeketten van wilde of gekweekte orchideeën.

De Pratunam-markt. Pratunam, dat "Waterpoort" betekent, ligt dicht bij de sluizen van de klong Saen Sap, op de kruising van Phetchaburi Road en Rajadamri Road. Behalve etenswaren en huishoudelijke artikelen vindt u er, in een zeer grote overdekte hal, stoffen en kleren. Kleermakers verstellen de kleren ter plaatse en naaien zelfs complete kostuums. Een bijna onmetelijke keus aan artikelen en de lage prijzen van de waren maken deze markt bijzonder populair, vooral in het weekend is het er erg druk.

Wees voorbereid op een dichte menigte en het slimme onderhandelen van de handelaren .

Straatverkopers. Er is geen bestuurder van Bangkok die nog nooit heeft besloten de straatverkopers uit de straten te verdrijven. Geen enkele is er in geslaagd, om de simpele reden dat de Thai (en vergeet de toeristen uit het buitenland ook niet) er een speciaal genoegen in scheppen om te marchanderen met alle risico’s van dien. Winkelen op straat gebeurt in de hele stad, maar op bepaalde plaatsen meer dan elders. Silom Road bijvoorbeeld trekt de meeste toeristen, net als het gedeelte van Sukhumvit Road tussen Soi 11 en Ploenchit, ongetwijfeld omdat in deze twee buurten veel hotels en pensions staan. Er zijn ook straatverkopers op Rajadamri Road en in de steeg tussen New Road en Hotel Oriental. Maar het allerdrukst is Patpong, waar elke avond over de hele lengte van de straat een spontane markt ontstaat, het jachtterrein van menig sluikhandelaar.

Warenhuizen en winkelcentra. Grote warenhuizen en winkelcentra zijn er nog niet zoveel in Bangkok , maar ze zijn in niets de mindere van de warenhuizen in andere steden in Zuidoost-Azië. Het filiaal van de Central Departement Store op Ploenchit Road is het grootste warenhuis van Zuidoost-Azië. Veel andere winkels, Japanse of Thaise, hebben zich ondertussen over de hele stad verspreid. De goederen in deze winkels zijn van een goede kwaliteit en de prijzen zijn, ondanks de luxueuze omgeving waardoor u misschien anders verwacht, niet veel hoger dan op de markten. Japan, de voornaamste buitenlandse investeerder in Thailand, heeft in Bangkok filialen geopend van zijn beroemdste warenhuizen: Sogo, Isetan en Daimaru.

De winkelcentra , verzamelingen van restaurants en winkels (confectie, sierraden, lederwaren, schoenen, cosmetica en dergelijke) op verschillende etages van een gebouw, maken een zeer snelle ontwikkeling door. De drukst bezochte winkelcentra zijn Amarin Plaza, de galerij van Rajadamri, Mahboon Krong, River City en het Siam Center.

naar boven

Rond Bangkok.

De drijvende markten. Drijvende markten (talat nam) - waar zich ‘s ochtends vroeg boten vol koopwaar verzamelen op een rivier of een kanaal - hebben toeristen altijd al gefascineerd. Een aantal jaren geleden werd er nog een drijvende markt gehouden op de klong bij de Wat Sai in Thonburi. Maar de vele toeristen die op dit kleurige spektakel afkwamen, hebben uiteindelijk de handelaren verjaagd.

Het rivierritueel: Monniken ontvangen vroeg in de ochtend op de waterwegen van Ratchaburi hun aalmoezen door met een boot langs de huizen aan de oever te varen. Dit ritueel is aan strenge regels onderworpen, die niet allen voor de keuze van de boot gelden, maar ook voor de manier waarop de roeispanen worden gehanteerd, die gemak en de afwezigheid van de inspanning suggereert.

Damnoem Saduak. Tegenwoordig is de beste, vanuit de hoofdstad bereikbare, drijvende markt te vinden op de klong Damnoen Saduak in de provincie Ratchaburi, 109 kilometer van Bangkok.

Een excursie naar deze markt kunt u combineren met een bezoek aan Nakhon Pathom.

De markt wordt hier iets later gehouden dan elders tussen 7 en 11 uur ‘s ochtends. Het is een druk toneel van tegen elkaar aan gelegen boten vol fruit of groente, waren die worden verkocht door vrouwen met strohoeden, gekleed in de traditionele blauwe katoenen kleren van het platteland.

De kruiken van Ratchaburi. De provincie Ratchaburi is bekend vanwege de produktie van enorme geglazuurde waterkruiken, versierd met bloemmotieven en draken. Ze worden naar alle delen van het land verstuurd. De produktietechnieken hebben geleid tot het ontstaan van een gespecialiseerde industrie in het namaken van blauw en wit Chinees porselein.

naar boven

Nakhon Pathom.  

Deze stad vermoedelijk het eerste Mon-koninkrijk, ligt op 60 kilometer te westen van Bangkok in de delta van de Chao Phraya. Het was de eerste stad van Thailand (nakhon betekend "eerste" en pathom "stad"). Via Nakhon Pathom zou het boeddhisme in de 3de eeuw v.Chr. Thailand hebben bereikt. De plaats is vele malen verlaten in de loop der tijden en weer bewoond vanaf midden van de 19de eeuw, toen Rama IV de chedi begon te herbouwen.

Terracotta uit Dvaravati: In het Mon-koninkrijk Dvaravati (6de - 11de eeuw) was Nakhon Pathom een belangrijke stad. Bij opgravingen bij de chedi van Chula Pathom werd een reeks bas-reliëfs van pleisterwerk ontdekt. Ook werd terracotta gevonden in Ku Bua en U Thong. Deze beelden zijn tegenwoordig in de musea van Nakhon Pathom, U Thong en Bangkok te zien. Zij laten iets zien van het leven van de Mon-aristocraten en de elegante kleding van de hofdames. De Mon-maatschappij verfijnd en gericht op de buitenwereld, onderhield contacten met India, Indonesië en misschien zelfs de met de landen aan de Middellandse Zee.

De Chedi van Phra Pathom. De gigantische chedi van Phra Pathom is zichtbaar van vele kilometers afstand en wordt beschouwd als de grootste ter wereld. Met zijn 127 meter domineert hij de stad. Hij is gebouwd op de plaats van een oude chedi van ongeveer 1000 jaar oud, waar al in het midden van de 19de eeuwen toen de latere Rama IV er als monnik een bedevaart naar toe maakte, niet meer van over was dan een hoop puin. De herstellingswerkzaamheden begonnen in 1853, maar werden pas voltooid onder de regerings-periode van koning Rama V.

De chedi staat op een rond terras en wordt omringd door een open zuilengang met op de vier voornaamste punten een vihara met boeddhabeelden:

zittend aan de oost- en zuidkant, rustend in het westen, staand in het noorden.
Dit staande beeld in de stijl van Sukhothai wordt het meest vereerd.

In november, bij volle maan, wordt een soort grote kermis gehouden. Dan wordt de chedi feestelijk verlicht.

Het leven aan de klongs. De Chao Phraya en de andere stromen in dit gebied zijn verbonden met kanalen (klongs) die in de loop der eeuwen zijn gegraven om de rijstvelden te irrigeren en het transport te vergemakkelijken.

Een tocht over het water toont u een manier van leven die in andere delen van het land grotendeels is verdwenen: houten huizen op palen; konvooien van schuiten vol rijst die naar de markten en de opslagplaatsen in Bangkok worden gesleept; handelaars die op hun sampan levensmiddelen naar de oeverbewoners brengen; spitsen van boeddhistische tempels die boven de bamboebosjes uitsteken en zo ver het oog reikt rijstvelden die sinds mensenheugenis het koninkrijk verrijken en van voedsel voorzien.

De rijstbouw. De meeste Thai op het platte land zijn rijstboer, net als hun voorouders. Na het bewerken van de velden in april en mei, volgt na de eerste regens het planten van de jonge plantjes die zorgvuldig worden onderhouden tot de oogsttijd, die eind november of begin december valt.

Rijstvelden die ‘s zomers lijken op gebarsten aardewerk en in het regenseizoen overstroomd zijn; rijstvelden die nu eens op grasvelden lijken en dan weer op meren. Twintig soorten rijst uit Siam; gezaaid en geoogst zoals tweeduizend jaar geleden; (...) rijkelijk toegekend door de tropische aarde die al haar kinderen weet te verrijken.

De rijstschuiten. De Chao Phraya is al eeuwenlang de hoofdweg waarlangs rijst en andere produkten worden vervoerd naar Bangkok. Dat gebeurt meestal in een lange stoet van enorme teakhouten schuiten, voortgetrokken door sleepboten. Als de schuiten (met een diepgang van 1 à 2 meter) volgeladen zijn, raakt het water het dek.

De bouw van traditionele huizen. Vele ambachtslieden in de provincie Ang Thong, niet ver van Ayutthaya, leven van de vervaardiging van onderdelen voor de constructie van traditionele Thaise huizen. Ze maken caissonmuren, nokbalken en gebogen gevelspitsen die lijken op de voorsteven van een schip. Deze componenten worden vervoerd en bij de opdrachtgever op een onderbouw van palen in elkaar gezet.

Het Thaise huis: het klassieke huis van de centrale laagvlakte bestaat uit een verhoogd slaapgedeelte dat op stevige palen staat, met aan de voorkant een veranda waar het gezinsleven zich merendeels afspeelt. De muren hellen iets naar binnen en de daken doen denken aan de voorsteven van een schip. Het geheel maakt een luchtige indruk.

naar boven

Bang Pa-In

In dit gehucht, 20 kilometer ten zuiden van Ayutthaya, staat het zomerpaleis dat koning Prasat Thong (1630 - 1655) liet bouwen en dat door zijn opvolgers tot de wal van Ayutthaya werd gebruikt. Het paleis raakte daarna in verval en het werd in het midden van de 19de eeuw gerestaureerd door Rama IV. Het merendeel van de gebouwen die nu nog te zien zijn, is in feite door Rama V opgericht. Deze gebouwen, in een groot park met vijvers en stroompjes, zijn karakteristiek voor de vijfde regeerperiode, waarin de architectuur een vermenging van stijlen laat zien.

Het Aisawan Tiphaat: dit kleine paviljoen is een pronkstuk van de Thaise architectuur uit de 19de eeuw. Het ligt midden in een meer in het park van de koninklijke residentie in Bang Pa-In. In het paviljoen staat een bronzen beeld van koning Rama V

Alleen het in Chinese stijl gebouwde Wehat Chamroom-paviljoen, ten noorden van de vijver, is geopend voor publiek. Het koninklijk verblijf is geheel van uit China geïmporteerd materiaal gemaakt. U ziet hier ook een boeddhistische kapel in neogotische stijl, een paleis in Italiaanse stijl en een aan het water gelegen, rond paviljoen.

Op u wandeling door het park komt u langs een vreemde verzameling Europese beelden en monumenten die Rama V ter nagedachtenis aan zijn familieleden oprichtte. De beroemdste herdenkt Sunanda Kumaritana, zijn eerste vrouw, die met haar dochters bij een schipbreuk omkwam.

De Wat Phai Rong Rua. Dit klooster ligt aan de oever van de Pasak vlakbij Bang Pa-In en is zeker een bezoekje waard vanwege een indrukwekkende verzameling kolossale beelden. Ze moeten een beeld geven van de boeddhistische hel in het lot van de ongelukkigen die verdoemd zijn.

Bang Sai. Dit centrum voor ambachtelijke vorming is in 1982 opgericht door koningin Sirikit en ligt ongeveer 10 kilometer ten zuidwesten van Bang Pa-In, op de oever van de Chao Phraya. De boeren leren hier diverse traditionele ambachtelijke technieken waarmee ze een aanvullend inkomen kunnen verdienen. Er zijn regelmatig demonstraties van manden maken, weven en leer bewerken.

U kunt hun produkten hier ook kopen.

De Wat Phai Lom. Deze tempel ligt stroomafwaarts van Bang Pa-In en is het toevluchtsoord van de vele vogels.

In december komen duizenden Indische gapers (een zeldzame ooievaarsoort) vanuit Bangladesh om in de bomen rondom de Wat te nestelen. Ze brengen hun jongen hier groot en vertrekken in juni.

naar boven

Ayutthaya.

Geschiedenis. In 1350 riep prins U-Thong zichzelf uit tot koning Ramathibodi I en vestigde de hoofdstad van zijn rijk aan de samenloop van de Chao Phraya, de Pasak en de Lopburi, ongeveer 85 kilometer ten noorden van het huidige Bangkok. Men groef een kanaal tussen de Pasak en de lopburi om van de nieuwe stad Ayutthaya een eiland te maken. Deze versterkte stad werd al snel een groot cultureel en commercieel centrum en was de zetel van het Siamese gezag tot het in 1767.

Eilandhoofdstad : Ayutthaya was gelegen aan de samenloop van drie rivieren en werd door de aanleg van een kanaal tussen de Pasak en de Lopburi veranderd in een "eilandvesting". Later groef men andere kanalen voor irrigatie en het verkeer, zowel binnen als buiten de stadsmuren. De klongs die door het eiland liepen, waren voorzien van grote poorten die, indien nodig, de toegang tot de hoofdstad konden versperren

De 33 vorsten van Ayutthaya , die het Theravada-boeddhisme beleden, namen het idee van het goddelijk koningschap van de Khmer over. Ze bouwden vele paleizen en tempels, maar de meeste ruïnes zijn van gebouwen die in de eerste 150 jaar van het bestaan van de stad zijn gebouwd.

De Gouden Eeuw. Ayutthaya kende zijn grootste bloei in de 17de eeuw. De stad was in die tijd groter en dichter bevolkt dan Londen en Parijs. Het koninkrijk, dat handelsbetrekkingen onderhield met China, India, Ceylon en de Maleise staten had ook winstgevende contacten met Japanners en westerlingen. Maar na de dood van koning Narai in 1688 sloot Ayutthaya zich af voor elke invloed van buiten. Dit was het begin van het verval.

De plundering van Ayutthaya. De Birmezen maakten dankbaar gebruik van de onlusten in Siam en vielen in 1759 het koninkrijk binnen. Op 7 april 1767, na een langdurig beleg, veroverden en plunderden ze de hoofdstad. In oktober slaagde generaal Taksin erin Ayutthaya te heroveren en hij zichzelf uit tot koning kroonde. Hij vond de stad onverdedigbaar en besloot Thonburi tot hoofdstad van zijn rijk te kiezen.

Thonburi zou 15 jaar lang de nieuwe Thaise hoofdstad blijven, al vertoonde Taksin, blijkbaar een beter militair tacticus dan vorst, toenemende tekenen van grootheidswaan en was hij tegen 1782 geheel van zijn volk vervreemd geraakt. Daarop werd de bevelhebber generaal Chakri van een expeditie in Laos teruggeroepen om de zaak op te lossen. Taksin was nu ongeneeslijk krankzinnig, en Chakri had geen andere keus dan zijn terechtstelling te bevelen, die op de toen voor vorstelijke personen voorgeschreven wijze ten uitvoer werd gebracht.

Het slachtoffer werd in een fluwelen zak geplaatst en met een sandelhouten knuppel op zijn hoofd geslagen, zodat er geen bloed vloeide. Chakri werd nu door het volk tot Koning uitgeroepen en als Rama I gekroond. Zo werd hij de stichter van de nog regerende Chakri-dynastie.

naar boven

De ruïnes van Ayutthaya. Een beroemd duel. De Wat Raja Burana (Wat Rachaburana)  
Werd in 1424 door koning Borommaracha II gebouwd op de plek waar zijn twee broers elkaar hadden gedood in een duel om uit te maken wie troonopvolger zou worden. Ter nagedachtenis aan zijn twee oudere broers, wier as bewaard wordt in de twee chedi’s, die nog altijd te zien zijn. Deze werd omgeven door een muur met monumentale poorten. Later voegde hij een grote Khmer-prang op een trapvormig platform en kleinere prangs en chedi’s toe

Koninklijke rijkdommen: In de centrale prang van de Wat Raja Burana waren koninklijke rijkdommen verborgen, die bij de restauratie van de tempel in 1957 boven water kwamen. Deze zijn nu in Ayutthaya te zien in een vestiging van het Nationaal Museum.

De schilderingen die het gewelf van de crypte van de Wat Raja Burana sieren,
zijn de oudste van Thailand.

Wat Phra Mahathat. Koning Borommaracha I (1370 - 1388) zou in 1374 deze tempel hebben laten bouwen. De centrale prang, waarvan alleen het voetstuk is overgebleven, zou 50 m hoog zijn geweest , tegenwoordig minder dan half zo groot als oorspronkelijk, nog altijd imposant is. In 1956 zijn bij opgravingen vele, voornamelijk religieuze kostbaarheden boven water gekomen. Aan de oostkant van het meer tegenover de Wat Phra Ram liggen de uitgestrekte ruïnes van Wat Mahathat.

Een Koninklijk Heiligdom. De Wat Phra Si Sanphet werd in 1491 opgericht binnen de muren van het koninklijk paleis waarvan de fundamenten nog zichtbaar zijn - deed dienst als koninklijke kapel. De uitgestrektheid van de ruïnes geeft aan hoe majestueus de tempel geweest moet zijn. De drie witgekalkte chedi’s met de as van de drie heersers van Ayutthaya, staan nog overeind, maar zijn slecht gerestaureerd.

De Viharn Phra Mongkul Bopit. Dit heiligdom is in 1951 gebouwd om plaats te bieden aan een Zittende Boeddha (19 m hoog) uit de 15de eeuw. Dit bronzen beeld is al vaak beschadigd door bliksem - maar ook door de Birmezen die dachten dat het beeld van goud was.

De Wat Phra Ram. Deze tempel, werd in 1369 opgericht en in de 15de en 18de eeuw gerestaureerd. De prang staat op een trapvormig terras en wordt omgeven door vier chedi’s. Er zijn nog enkele figuren in het originele stukwerk te onderscheiden: naga’s, garuda’s, lopende boeddha’s en aan de noordkant een staande boeddha.

Het Nationaal Museum. deze afdeling van het Nationaal museum, het Chao Sam Phraya Museum, staat aan de Rajana Road. Naast een collectie boeddhistische kunst worden hier de kunstschatten uit de Raja Burana en uit de Wat Phra Mahathat tentoongesteld: gouden voorwerpen, reliekhouders en boeddhabeeldjes.

Let op de beschilderde banieren met religieuze voorstellingen. En een mooie collectie bronzen, stenen en terracotta beelden, merendeels uit de Ayutthaya-periode, maar met enkele exemplaren in de Lopburi- en de U Tong-stijl, biedt het een goede inleiding tot de kunst van Ayutthaya.

naar boven

De Tempels aan het water

Wat Na Phra Meru (Phra Mane). Deze gerestaureerde tempel ligt ten noorden van de plaats van het Koninklijk Paleis, aan de andere kant van de rivier. In zijn viharn bevindt zich een stenen boeddha in zittende houding (niet op de gebruikelijke wijze zit ) uit de Dvaravati-periode, op de Europese manier met de handen op de knieën, terwijl zijn bot een bronzen Boeddha in zittende houding herbergt, die een goed voorbeeld is van de Ayutthaya-stijl.

Een Replica van Angkor. De Wat Chai Wattanaram, ten westen van de Chao Phraya, werd in 1630 door Koning Prasat Thong gebouwd naar het model van een Angkor-tempel. Zijn grote prang symboliseert de berg Meru, volgens de Hindoeïstische mythologie de aardas. Het bouwwerk wordt omringd door kleinere prangs. De recente restauratie van dit heiligdom heeft een deel van zijn charme verloren doen gaan.

Monumentenzorg: het ministerie van Schone Kunsten is gestaag bezig met het restaureren van alle monumenten in Ayutthaya. Het materiaal waarvan de bouwwerken zijn gemaakt (baksteen, stukwerk en lateriet) vereist in feite een volledige reconstructie. Bovendien vinden vele boeddhisten dat het tentoonstellen van een beschadigd boeddhabeeld een gebrek aan respect is. De meeste beelden uit de ruïnes zijn vervangen door ambachtelijk vervaardigde replica’s. De originelen zijn vaak bij verzamelaars terechtgekomen.

De Wat Phanan Choeng. Dit heiligdom werd in 1324 aan de samenloop van de Chao Phraya en de Pasak opgericht, 26 jaar voor de stichting van Ayutthaya als hoofdstad zijn gebouwd. Het hoofdgebouw herbergt een grote vergulde, zittende boeddha van 19 m hoog. Het beeld wordt vooral aanbeden door Thai van Chinese afkomst.

De rondvaartboten die de Chao Phraya bevaren, stoppen hier regelmatig.

De Wat Yai Chai Mongkok. Dit klooster werd in 1357 door de stichter van de hoofdstad opgericht voor de monniken die van Ceylon terugkwamen. Het klooster ligt aan de oostelijke oever van de Pasak en wordt overheerst door een rijzige chedi, die Koning Narasuan in 1592 heeft laten bouwen ter ere van het herstel van de Siamese onafhankelijkheid na de Birmese bezetting (1564 - 1584) en ter ere van zijn overwinning op een Birmese prins in een duel met olifanten.

Ook ziet u hier een boeddha van gepleisterde baksteen .

Olifanten als kariatiden. Het indrukwekkendste monument van de Wat Maheyong is een chedi op een voetstuk dat wordt gedragen door olifanten van stukwerk, zoals in Sokuthai.

De olifantenkraal. De kraal ligt 5 km ten noorden van Ayutthaya op de weg naar Ang Thong. In deze arena werden vroeger wilde olifanten afgericht met als doel ze in te zetten bij het werk en in de oorlog. De rechthoekige kraal werd gerestaureerd door Rama I van Bangkok en enkele van zijn opvolgers en is de enige die in Thailand bewaard is gebleven.

Koninklijk vermaak: Na de verwoesting van Ayutthaya werd de kraal niet meer gebruikt voor het trainen van olifanten voor de oorlog. Tot het begin van deze eeuw organiseerden koningen uit Bangkok er olifantenparades om hun buitenlandse gasten te vermaken. Een ervan fotografeerde de Duitser Robert Lenz in 1890.

Chandra Kasem Paleis en Museum: Dit paleis van koning Naresuan (1590 - 1605) werd in de 19de eeuw hersteld door koning Rama I van Bangkok, die er zijn zomerverblijf wilde maken. Vroeger stond het paleis buiten de stad maar nu kijkt het uit op de hoofdstraat. In het paviljoen is een collectievoorwerpen uit Ayutthaya te bezichtigen.

naar boven

Phitsanulok

Phitsanulok ligt aan de oever van de Nan, 390 km van Bangkok en 58 km ten zuiden van Sukhothai. De stad in de jaren zestig bijna volledig herbouwd na een enorme brand en biedt weinig interessants voor toeristen. Phitsanulok is echter wel een goed vertrekpunt voor tochten in de omgeving.

Huizen op het water. Aan de oevers van de Nan liggen nog veel drijvende huizen en winkels, die kenmerkend zijn voor de traditionele, aan rivieren gelegen steden. Sommige huizen zijn tot restaurant verbouwd. Daar kunt u lekker eten terwijl u van het kleurrijke beeld van het leven op de klongs geniet.

De Wat Mahathat. Deze tempel werd in de 15de eeuw gesticht en wordt ook wel Wat Phra Sri Ratana Mahathat genoemd. Het is de belangrijkste tempel van Phitsanulok. Hij ligt aan de rand van de stad, aan de oever van de Nan. Het bot, geflankeerd door twee kleine kapelletjes, staat tegenover de ingang. Achter zijn fraai versierde deuren (parelmoer op een zwarte ondergrond, eind 18de eeuw) staat een van de meest vereerde boeddhabeelden van Thailand, Phra Boeddha Chinaraj ("de Zegevierende Koning"). Deze imposante, zittende, bronzen figuur in late Sukhothai-stijl (midden 15de eeuw) herinnert aan de overwinning van de Thai op de Khmer van Sukhothai.

De Phra Boeddha Chinaraj: de Phra Boeddha Chinaraj van de Wat Mahathat is zo beroemd dat replica’s van dit bronzen beeld in een groot aantal andere tempels zijn geplaatst. De bekendste werd door Rama V neergezet in de Wat Banchamabopit of "Marmeren Tempel", het laatste koninklijke klooster dat in Bangkok werd opgericht.

De nis waarin Phra Chinaraj zit, is versierd met schilderingen van hemelse goden en bloemmotieven . Achter het bot staat en prang in Khmer-stijl, uit de Ayuthaya-periode. De zuilengang eromheen bevat boeddhabeelden uit diverse perioden.

Verder heeft de stad niet bezienswaardigheden meer te bieden, behalve dan het gebruik dat sommige koks de gerechten uit de pan slingeren die vervolgens door een ober opgevangen worden, die met een bord op een afstandje te wachten staat.

Dit bizarre gebruik kunt je in de verschillende restaurants net buiten de stad bekijken.

naar boven

Sukhothai of "Dageraad van het Geluk"

Sukhothai, het meest noordelijke bolwerk van het Khmer-rijk, zou al verscheidene eeuwen voor de komst van de Thai uit het noorden zijn gesticht. In de jaren twintig van de 13de eeuw, toen de invloed van de Khmer afnam, sloten twee Thaise prinsen, Bang Klang Thao en Khun Pa Muong, zich aan een om het Khmer-bestuur in dit gebied omver te werpen

Loy Krathong: De legende wil dat het feest Loy Krathong oorspronkelijk uit Sukhothai komt. Het plaatselijke Bureau voor Toerisme heeft de ceremonies rond het eind van de regentijd, die het moment herdenken waarop Boeddha van de berg Meru afdaalde, terwijl hem de weg werd gewezen door hemelse lichten, nieuw leven ingeblazen.

Op de avond van volle maan in de 12de maand kunt u spectaculaire illuminaties en optochten zien, terwijl duizenden in lotusvorm gevouwen bladeren (krathong) op de vijvers en grachten drijven.

In 1238 werd Ban Klang Thao onder de naam Intradit gekroond tot koning van Sukhothai, in het Pali "begin van het geluk". Dit eerste onafhankelijke Thaise koninkrijk had een grote politieke en culturele invloed, hoewel het maar kort bestond (1238 - 1378).

De koningen van Sukhothai: tussen 1238 en 1488 heeft Sukhothai negen koningen gehad, waarvan de laatste drie onderworpen waren aan de koningen van Ayutthaya. De beroemdste is Rama Khamheng (1275 - 1317). Tijdens de regering van deze grote bestuurder en wetgever beleefde Sukhothai zijn grootste bloei. Ook de naam van koning Li Thai (1347 - 1370) is bekend. Hij was een geleerd man en auteur van Trai Phumithaka (de drie werelden van het boeddhisme), het eerste boek in de Thaise Taal.

De derde heerser van Sukhothai, Koning Rama Khamheng (1279 - 1298), breide de macht van het nieuwe koninkrijk uit tot buiten de grenzen van Thailand. Hij vestigde handelsrelaties met China en bezocht dat land tweemaal, de eerste keer om met de Grote Kubla Kahn te onderhandelen. Met hem kwamen er Chinese vaklui mee naar Sukhothai terug en men opende de Thaise Sawankalok-school voor aardewerk.

Tijdens de regeringsperiode van Rama Khamheng (1279 - 1298), aan wie de uitvinding van het Thaise schrift wordt toegeschreven (dat uit verschillende oude Khmer-geschiften ontwikkeld is), strekte de invloedssfeer van Sukhothai tot aan Vientiane en Luang Prabang in Laos en Pegu in Birma. Deze gouden eeuw van de Thaise natie werd gekenmerkt door de verspreiding van het Theravada-boeddhisme, een bijzondere culturele ontwikkeling en de opkomst van een eigen stijl, geënt op die van de Khmer, de Mon, de Singalezen en de Indiërs. Ondanks dit eclecticisme is de kunst van Sukhothai als echt Thais te herkennen in de tempels af de beeldhouwkunst en vormt een groot deel van het culturele erfgoed.

De Boeddhistische beeldhouwkunst van Sukhothai stond onder grote invloed van de Singalese kunst van Polonnaruwa en wordt beschouwd als een van de parels van de Thaise kunst. De kunstenaars van Sukhothai hebben het realisme laten varen om de bovennatuurlijke eigenschappen van Boeddha beter te kunnen weergeven.

De ruïnes in Sukhothai liggen over een uitgestrekt domein verspreid. De belangrijkste ruïnes liggen bij elkaar binnen de centraal gelegen vierkante ommuurde stad, met de overige ruïnes op afstand in alle vier de richtingen verspreid.

Binnen het ommuurde gedeelte wordt het Koninklijk Paleis en de Wat Mahathat door een gracht omgeven; er is niet veel van het koninklijk paleis overgebleven, maar de kolossale Wat bevat vele half-Geruïneerde chedi’s in de vorm van een lotusbloem, wat karakteristiek voor de Sukhothai-stijl is.

Andere tempelruïnes in de centrale gedeelte zijn respectievelijk de Wat Traphang-Thong, de Wat Sa-Si en de Wat Traphang-Ngoen.

naar boven

De restauratie van Sukhothai.  
De plaats is tot Historisch Nationaal Park uitgeroepen en krijgt financiële steun van de UNESCO. Veel belangrijke monumenten zijn met zorg gerestaureerd en mensen die tussen de ruïnes woonden zijn verhuisd. Door drooglegging van waterlopen en de opgraving van de stadswallen is de oorspronkelijke plattegrond van de stad boven water gekomen.

Het Nationaal Museum Rama Khamheng of Ramkhamhaeng. Dit is een van de rijkste musea van Thailand en biedt de beste introductie voor een bezoek aan de ruïnes van de oude hoofdstad. Het ligt in een tuin ten oosten van de Wat Mahathat en bevat een collectie boeddhabeelden in Sukhothai-stijl, waaronder en magnifieke lopende boeddha in brons. U kunt er Khmer-standbeelden zien, keramiek, pleisterwerk en een replica van de gedenksteen van koning Rama Khamheng, waarvan de inscriptie wordt beschouwd als de eerste Thaise tekst.

Voor het museum staat een vihara; het origineel staat in het nationaal museum van Bangkok.

De inscriptie van Rama Khamheng. "Sukhotthai is welvarend. In het water zijn vissen. Op de velden is rijst." Elke Thaise scholier leert deze woorden, een deel van de inscriptie op een stenen zuil, daterend uit 1292, toegeschreven aan Rama Khamheng. De koning beschreef op de steen zijn overwinning, het leven in de hoofdstad en de uitvinding van het Thaise alfabet.

«De stad Sukhothai is goed. Er zwemt vis in het water, er groeit rijst op de velden. De koning neemt geen belasting in van diegenen die met hun ossen en paarden naar de markt onderweg zijn. Iedereen die in olifanten wil handelen doet zodanig, iedereen die zilver en goud wil handelen doet zodanig». Het feit echter dat deze inscriptie in het Koninklijk Paleis gevonden is, zou erop kunnen duiden dat het slechts handelt om een vorm van zelfpromotie van de illustere Koning.

Sommige historici twijfelen aan de echtheid en schrijven de steen toe aan Rama IV.

Aan de glorietijd van Sukhothai kwam na 127 jaar een einde toen het door het oppermachtige Ayutthaya-koninkrijk in het zuiden ingelijfd werd.

De Wat Mahathat. Dit boeddhistische klooster is door koning Intradit opgericht en in 1345 gerestaureerd door de latere koning Li Thai. Het is het belangrijkste heiligdom van Sukhothai.

Het besloeg vroeger 200 m2 en werd omringd door een stenen muur en gracht. Het bevatte bijna tweehonderd chedi’s, acht mondops, een bot en tien vihara’s, die achter elkaar lagen op de middenas die van het oosten naar het westen liep .

De Chedi. Het geheel van ruïnes wordt gedomineerd door een imposante centrale chedi (boven rechts) met een spits is de vorm van een lotusbloem, een kenmerk van de architectuur van Sukhothai. De chedi is gebouwd op een oude Khmer-toren, die aan de voet is gedecoreerd met een fries van pleisterwerk, met discipelen van Boeddha.

De andere gebouwen. De chedi wordt geflankeerd door twee staande boeddhabeelden, gevat in mondops. Een chedi met terrassen herinnert aan de artistieke banden tussen de Thai en de Singalezen. Zijn ongewone vorm werd in verscheidene Thaise tempels in het noorden nagebootst, met name in de Wat Chamadevi in Lamphun.

Het belangrijkste bronzen boeddhabeeld van de tempel bevindt zich tegenwoordig in de Wat Suthat in Bangkok

naar boven

De andere tempels binnen de stad.

Wat Sri Sawai. Deze Khmer-tempel ligt ten zuidwesten van de Wat Mahathat. Hij is gebouwd in de 12de of 13de eeuw en was gewijd aan de Hindoe-god Shiva. De Thai veranderden hem in een boeddhistisch heiligdom. Achter de resten van de grote tempel staan drie gerestaureerde prangs, die enige van decoraties in pleisterwerk behielden.

Wat Sa Sri. Dit klooster ligt middenin een meer ten noordwesten van de Wat Mahathat en is een voorbeeld van de verfijnde bouwkunst van Sukhothai. De voornaamste tempel heeft zes rijen pilaren en heeft een grote Zittende Boeddha van pleisterwerk. Daarachter staat een elegante chedi met ronde vormen in Singalese stijl.

Wat Trapang Thong Lang. Zijn vierkante mondop vertoont opvallende versieringen in pleisterwerk. Het beroemde paneel, een waar meesterwerk van de kunst van Sukhothai, staat in een nis aan de zuidkant van het gebouw. Op het paneel ziet u Boeddha, omringd door hemelse dienaren (links).

Wat Trapang Thong. Dit klooster ligt op een eilandje in een vredig meertje en heeft een fraaie chedi in de vorm van een klok. Zijn mondop bevat een voetafdruk van Boeddha die in 1359 zou zijn ontdekt door Li Thai op de top van de heuvel van Pha Baht Yai.

Wat Trapang Ngon. Dit complex (13de eeuw) rond een grote vijver ligt ten westen van de Wat Mahathat. Er staat een elegante chedi in de vorm van een lotusknop, waarvan de nissen op de voornaamste plaatsen staande boeddhabeelden bevatten.

Lotusknop: De spits in de vorm van een lotusknop die de chedi’s van de religieuze bouwkunst van Sukhothai siert, is ontleend van de Mon-heiligdommen van Pagan in Birma.

Sa Tha Pha Daeng. De bouw van dit heiligdom ten oosten van de Wat Sra Sri gaat terug tot de eerste helft van de 12de eeuw. Het bestaat uit een vierkante cella en een voorvertrek en zou de oudste Khmer-tempel van de streek zijn.

De Wat Chetupon. Deze ligt ten zuiden van de stadswallen en onderscheidt zich door veelvoud aan bouwmaterialen: lateriet, steen, pleisterwerk, hout en leisteen. Omringd door een stenen muur en grachten staat een opvallende mondop, met op elk van zijn gevels een reliëf in pleisterwerk waarop Boeddha staat afgebeeld: staand (westgevel), rustend (zuidgevel), zittend (oostgevel) en lopend (noordgevel).

De Wat Saphan Hin. Dit "Klooster met de Stenen Brug" naast een heuveltje ten westen van de stad dankt zijn naam aan de trap met treden van leisteen die er naar toe leidt. De pilaren van lateriet van de Vihara staan onder een staand boeddhabeeld van 12,50 meter hoog. De ruïnes van kleine boeddhistische cellen liggen verspreid in de omringende heuvels.

De Wat Si Chum. Dit heiligdom is zeer indrukwekkend. Het ligt ten zuidwesten van de stad. Zijn 15 meter hoge reliekwietoren herberg een zittende boeddha van steen en pleisterwerk die 14,70 meter hoog is en 11,30 meter breed, van knie tot knie. In de inscriptie op de staan uit 1292, toegeschreven aan koning Rama Khamheng, wordt dit beeld Phra Achan, "de Eerbiedwaardige", genoemd.

En geheime trap door de zuidmuur leidt naar de top van het gebouw. De trap komt uit op een ruimte achter het hoofd van het beeld, vanwaar de koning de gelovigen kon toespreken en zijn stem voor die van Boeddha kon laten doorgaan. De gewelven waarlangs de trap gaat, zijn bedekt met leistenen tegels.

De stenen tegels van de Wat Si Chum: deze tegels waren bestemd om de Wat Mahathat te versieren, maar werden uiteindelijk geplaatst in de geheime trap van de Wat Si Chum. De tekeningen die er op staan , zijn de eerste voorbeelden van grafische expressie in de periode van Sukhothai. Elke tekening is een scène uit de Jakata, de verhalen over de levens van Boeddha. Het beklimmen van de trap symboliseert zo het bereiken van Verlichting.

De Wat Phra Phai Luang. Dit heiligdom dat in grootte en betekenis de Wat Mahathat naar de kroon steekt, ligt op een uitgestrekt, gedeeltelijk door meren omgeven terrein ten noorden van Sukhothai. Het werd aan het eind van de 12de eeuw opgericht door Khmer-koning Jayavarman II en stond tijdens de verovering door de Thai in het centrum van de stad. Oorspronkelijk beschermden drie concentrische grachten het voornaamste complex, dat bestond uit gebouwen die in verbinding stonden met een grote vijver.

Behalve als symbool van de Oeroceaan deed dit bassin vermoedelijk dienst als waterreservoir.

Er staat nog maar één van de drie originele Khmer- prangs omdat de Thai de tempel tot een boeddhistisch heiligdom maakten. Het heiligdom kijkt uit op het oosten. Eerst ziet u de resten van een mondop en verderop, op hetzelfde terras, de sporen van een vihara en een piramidevormige stenen chedi .

De meeste boeddhabeelden van pleisterwerk (uit de 13de eeuw) die er stonden zijn gestolen.

naar boven

Lampang.

Hier ziet men nog paardekarren die de weg belemmeren voor taxi’s. Als je een gewone Thai naar Lampang vraagt, dan zal hij waarschijnlijk aan koetsjes met paarden denken. Als je toeristen naar Lampang vraagt dan zal men, als men al iets verzinnen kan, waarschijnlijk baby-olifantjes noemen. Paarden vormen het gangbare vervoermiddel in het stadje; om het Young Elephant Training Center te bereiken heb je echter een sterker vervoersmiddel nodig. Het ligt namelijk 54 km naar het noordoosten, aan de weg naar Playao (er bestaan echter plannen om het centrum te verhuizen naar een locatie ergens tussen Lampang en Lumphun in).

De rijtuigen. Lampang is de enige stad in Thailand die u per rijtuig kunt bezichtigen. De rijtuigen werden in het begin van deze eeuw uit Engeland geïmporteerd en zijn tegenwoordig zeldzaam. Ze geven de stad haar ouderwetse sfeer en blijven en blijven voor de Thai de voornaamste plaatselijke attractie.

De olifantjes, die bij de geboorte net zo groot zijn als een middelgrote hond, worden als kinderen onderwezen. Hun ‘school’ kent een zomervakantie (van maart tot mei) en het is gesloten op religieuze feestdagen. De school onderwijst de leerlingen lager onderwijs als ze tussen de drie en vijf jaar oud zijn en middelbaar onderwijs tussen de leeftijd van zes en tien jaar.

Daarna begint op 11-jarige leeftijd het eigelijke werk; ze werken tot 16-jarige leeftijd volgens het leerlingwezen en na die tijd worden als volwassen groepsleden beschouwd. De officiële pensioengerechtigde leeftijd ligt op 61 jaar.

Iedere morgen (echter niet op feestdagen of in de twee maanden lange zomervakantie) worden er demonstraties gegeven - het verzamelen, het gemeenschappelijk baden, het rollen en tillen en opstapelen van boomstammen.

De provincie hoofdstad Lampang, gelegen bij de kruising van de autowegen 1 en 11 op ca. 100 km ten zuiden van Chiang Mai, is een interessante stad, die zich uitstrekt over beide oevers van de rivier de Wang. De laatste paar jaar heeft het een explosieve groei doormaakt, hoewel er nog enige door paarden getrokken rijtuigen rondrijden (dit is de enigste plaats in Thailand waar dat het geval is) en het sporen van zijn meer ontspannen verleden heeft weten te bewaren.

Geschiedenis. 
Lampang ligt op de zuidoever van de Wang (zijrivier van de Ping), 75 km ten zuidwesten van Lamphun. Het is op één na grootste stad van Thailand.

Een duizend jaar oude stad. Lampang, het vroegere Kelang Nakorn, zou in de 7de eeuw zijn gesticht door een van de zonen van koningin Chamadevi. De oorspronkelijke stad lag op de noordoever van de Wang, maar schoof steeds meer naar het zuiden op. Van de vier versterkingen bestaat alleen de Phra That Lampang Luang nog. Tijdens koning Mengrai werd Lampang bij het koninkrijk Lan Na gevoegd, maar het bleef onafhankelijk. Twee eeuwen van Birmese bezetting (1556 - 1775) hebben daar een einde aan gemaakt.

Het feest van Wiang Luang Lakon: In februari doet Lampang de pracht van het hof van Chamadevi herleven. Honderden mensen in kleurige historische kostuums nemen deel aan de optochten.

Succes van het teakhout. In het begin van deze eeuw was Lampang, een stad met 45.000 inwoners, een belangrijk centrum van de teakhout-industrie. Niet minder dan 4.000 olifanten werden gebruikt voor het kappen en het verslepen van de stammen. Elk jaar voerden tien karavanen uit de Shan-staten van Birma goederen aan die varieerden van lakwerk tot opium. De paar mooie huizen van teakhout langs de rivier herinneren aan deze vervlogen tijden.

Talat Kao. De markt van Lampang, Talat Kao, aan de rand van de rivier, heeft haar oude bekoring bewaard. Een mengeling van Birmese Chinese en westerse invloeden kenmerkt de winkels: de versieringen in Victoriaanse stijl werden door Birmese timmerlieden geïntroduceerd.

Een caleidoscoop van mozaïeken: "De enige valse noot", schreef Le May in 1926, "is een rijtje vergulde engeltjes (in de stijl van Raffaël) aan het plafond. Je ziet er te veel en te snel aan af dat ze uit het westen komen!" Tijdens de Engelse bezetting van Birma kopieerden kunstenaars uit Madalay inderdaad cherubijntjes, paarden en soldaten in Victoriaanse stijl.

naar boven

De Wat Phra Keo Don Tao.

Dit tempelcomplex, gelegen op de rechter oever van de rivier de Wang, is een mooi mengsel van Birmese en Thaise stijlen. Naast de robuuste chedi bevindt zich een buitengewoon sierlijk 18de eeuws heiligdom in Birmaanse stijl, terwijl zich daarnaast een even magnifieke Thaise zaal in de oude stijl bevindt. Belangwekkend is ook en klein museum Minsk van de poort .

De Wat Phra Kaeo Don Tao is beroemd omdat het de tempel zou zijn geweest waar de Smaragden Boeddha 32 jaar lang verbleef tijdens zijn langdurige reis van Chiang Rai naar Chiang Mai. Tegenwoordig te zien in de Wat Phra Keo in Bangkok.

De koppigheid van een olifant. Het boeddhabeeld werd gevonden in Chiang Rai. Men zegt dat het beeld in 1436 op de rug van een olifant naar Chiang Mai zou worden vervoerd. Het dier hield echter stil in Lampang. Zo bleef het beeld in deze stad tot 1468, het jaar waarin koning Tilokaraja het liet overbrengen naar Chiang Mai. De tempel ontleent zijn naar aan de Phra Keo Don Tao, een boeddhabeeld dat tegenwoordig in de Wat Phra that Lampang Luang staat.

Birmese invloeden. De chedi is 50 m hoog en wordt geacht een haar van Boeddha te bevatten. Dit gebouw is het enige oorspronkelijke van het tempelcomplex. De Wat bevat een opvallend "Birmees heiligdom", gebouwd in 1908 door een Thaise vorst. Fraai bewerkte mozaïeken en fijn houtsnijwerk versieren het dak, dat drie verdiepingen heeft. De voornaamste Vihara, Phra Chao Thong Tip , werd in 1930 gebouwd door de monnik Khruba Srivijaya. In de buurt staat een klein museum dat meubels in de stijl van La Na laat zien.

Wat Suchada. Naast de Wat Phra Keo Don Tao staat deze tempel, die ook tot het complex behoort. De voornaamste Vihara in La Na-stijl heeft fraaie versieringen in lakwerk en bevat een grote boeddha van gepleisterde steen. De tempel werd gebouwd door de inwoners van Chiang Saen die naar deze streek waren gevlucht. Eind 18de eeuw liet de gouverneur van Chiang Mai, Chiang Saen inderdaad met de grond gelijk maken om te voorkomen dat de stad weer in Birmese handen zou vallen. Hij liet de bevolking naar Lampang verhuizen. Deze nieuwkomers waren de bouwers van de belangrijkste boeddhabeelden van de stad.

naar boven

De andere oude tempels van Lan Na.

Beschadigd door de tijd, de kloosters in het noorden hebben poortgebouwen met een overvloed aan versieringen in pleisterwerk. Houten gebouwen zijn voor het grootste gedeelte verloren gegaan, maar deze poorten zijn nog bewaard gebleven.

De Wat Seng Muang Ma. Deze Wat stamt uit de periode van Chiang Saen en ligt aan de Thamma Oo Road. Zijn chedi is zeer harmonieus. De schilderingen aan de muren hangen houten panelen met interessante schilderingen van het begin van deze eeuw. Een groot boeddhabeeld staat in de Vihara van de tempel

De Wat Hua Kuang. Dit klooster werd gebouwd door vluchtelingen uit Chiang Saen en heeft een Vihara in late Lan Na-stijl en beelden uit de Chiang Saen-periode.

Er worden geïllustreerde geschriften over brons gieten bewaard .

De Wat Pongsanuk Tai. Dit ie een van de aangenaamste tempels van de stad. Hij staat op het terrein van de oude stad Lampang in de huidige Wiang Neuawijk. In de tuin van het klooster, die wordt opgeluisterd door bomen, staat op een platform een gewijde tempel, een totaal met koperplaten bedekte chedi en een mondop, alle drie in de stijl van Lan Na, net als een veel recentere vihara. De schitterende mondop is aan de zijkanten open. Het had drie etages, herinnert aan de oude stijl van Lan Na, net als de chedi van de tempels.

De Ku Ya Sudha. In de volksmond wordt dit poortgebouw van een verwoest klooster "de grot van oma Sudha" genoemd. Het klooster stond ooit aan Wiang Neua Road. Het gebouw, dat is versierd met goden in pleisterwerk (15de eeuw), is een van de oudste bewaard gebleven voorbeelden van de Lan Na-kunst. Het is gedecoreerd met godheden van pleisterwerk (15de eeuw) en is een van de oudste proeven van Lan Na-kunst.

De Ho Amok. De "achthoekige toren" is een van de zeldzame sporen van de oude versterkingen van het oorspronkelijke Lampang. Ho Amok ligt in een moderne wijk en biedt een mooi uitzicht op de westoever van de Wang. Regelmatig vindt hier een belangrijke ceremonie plaats, gewijd aan de beschermgeest van de stad.

De Wat Pratu Pong. Dit klooster ligt niet ver van de Ho Amok en de resten van de oude stadsmuren en is, ondanks lichte restauraties, een van de beste voorbeelden van de klassieke stijl van het noorden. Aan de gevel is een houten beeld te zien dat een grijnzend mythologisch wezen voorstelt, dat uit zijn open mond een slang laat ontsnappen. De deuren zijn prachtig gedecoreerd.

naar boven

De Birmese Tempels

Veel Birmezen bereikten het noorden van Thailand in de tweede helft van de 19de eeuw in het voetspoor van hun legers. Zij waren gespecialiseerd in de houthandel en stichtten bloeiende ondernemingen. Deze rijk geworden kooplieden lieten talloze tempels bouwen of restaureren, herkenbaar aan hun Birmaanse stijl.

Wat Pha Fang. Deze tempel kijkt uit op de weg naar het vliegveld en is onlangs gerestaureerd. De Birmese invloed blijk vooral uit zijn chedi. Deze wordt omringd door kapellen met drie daken, die elk een witmarmeren boeddha van Mandalay bevatten. Het Bot, dat ingewikkelde versieringen heeft, contrasteert met de zeer sobere voornaamste vihara.

Deze verder weinig opvallende Wat is bekend om zijn hoge chedi, die als bijzonderheid omringd wordt door zeven kapelletjes, voor iedere dag van de week één.

De Wat Chedi Sao. De naam van dit aardige klooster betekent "tempel met twintig chedi’s". Het ligt op geringe afstand van de weg naar Jae Hom, enkele kilometers buiten de stad. Zijn witgekalkte chedi’s vertonen een mengeling van Thaise en Birmese stijl. Op het kloosterterrein zijn de laatste jaren hier en daar fantasie beelden geplaatst die deze heilige plaats een vreemde speelse sfeer geven. Daaronder herkent u de twaalf dieren uit de Chinese dierenriem en figuren uit boeddhistische legenden. In de Vihara staat een prachtig stenen boeddhabeeld, gemaakt in de stijl van Lan Na.

Wat Sri Chum . Dichter bij het centrum van de stad, op de linker oever van de Wang, vinden we een ander goed voorbeeld van de Chinese architectuur. Zowel de bot als de viharn vertonen mooie versieringen op de dakranden en de frontons.

De eerste toeristen in Lampang, de Wat Sri Chum werd begin 1991 door brand verwoest. Hij was een van de tempels in Lampang die volgens Birmese regels waren gebouwd. Fraai beschilderd lakwerk sierde zijn binnenmuren. Er waren vreemdelingen op afgebeeld die per auto door de bossen reisden om de tempel te bezoeken. U ziet ze hier bij een stalletje onderweg wat proviand inslaan.

Wat Sri Rong Muang. Deze tempel vertoont wederom de Birmese stijl en bezit een oogverblindend exterieur met geel, rood en blauw beschilderde dakranden en houtwerk.

Lampang Luang. Lampang Luan is een oude versterkte stad of Wiang en ligt ongeveer 20 km ten zuidwesten van Lampang in het district Kokha. De stad werd gebouwd in het begin van de Haripunchai-periode. De drie opeenvolgende aarden wallen, gescheiden door grachten, beschermden de vesting, satelliet van de oude stad Kelang Nakorn.

Lampang Luang, ongeveer 20 km ten zuiden van Lampang, is een van de mooiste Wiangs die nog te zien zijn. De Wiang is vergelijkbaar met het versterkte kasteel uit de Europese Middeleeuwen. Het was een versterkte stad, gebouwd rond een burcht. Dit type gebouw kwam in het noorden van Thailand veel voor. De Wiang van Lampang Luang is gebouwd door de vorsten van Haripunchai in de 10de - 11de eeuw en gerestaureerd in de 16de eeuw. Het fort speelde tot in de 18de eeuw nog een militaire rol, waarna het in handen viel van de Birmezen. In 1736 was het toneel van een beroemd duel tussen de Birmese bevelhebber van het fort en de Siamese held Tip Chang. Om zijn vijand te bereiken, moest de laatste zich langs de muren aan de binnenkant laten zakken en langs een goot klimmen. Tegenwoordig zijn de resten van drie aarden wallen, die door twee grachten worden gescheiden, nog zichtbaar. Een boerengemeenschap die zich rond de Wat Phra That Lampang Luang heeft verzameld, bewoont deze plaats.

De Wat Lai Hin. Dit is de eerste tempel die u tegenkomt als u het Kokha-district binnengaat. De tempel, die in een landelijke omgeving is gelegen, kijkt uit over de rivier en rijstvelden. De voornaamste Vihara in oude Lan Na-stijl heeft een topgevel met uitvoerige versieringen in pleisterwerk; binnen in lakwerk uit dezelfde periode; de poort stamt uit de 15de en 16de eeuw.

Wat Phra That Lampang Luang. Meer dan één reiziger heeft de schoonheid van de Wat Phra That Lampang Luang geroemd. De tempel is aan het begin van de Haripunchai-periode opgericht en een schitterend voorbeeld van de religieuze architectuur van Lan Na.

De Boeddha van Jade, dit beeldje wordt bewaart in de Wat Phra that Lampang Luang en is eigelijk van jaspis gemaakt. In de 15de eeuw werd het fel begeerd omdat het toverkracht zou hebben. De traditie wil dat het gemaakt is uit de zelfde steen als de befaamde Boeddha van Smaragd. Dit beeldje werd gevonden tijdens opgravingen in de Wat Keo Don Tao van Lampang.

Dit grote, ommuurde tempelcomplex ligt ca. 15 km te zuiden van Lampang opzij van autoweg 1 in de buurt van het dorp Ko Kha. Het omvat een aantal gebouwen en bevat talrijke schatten, waaronder een "smaragden" boeddhabeeld dat uit het zelfde blok groene jaspis zou zijn gehouwen als het beroemde beeld van de Wat Phra Keo in Bangkok. Sinds 496 zou op deze plaats en tempel hebben gestaan, maar de huidige gebouwen dateren uit de 18de eeuw. Wat Phra That Lampang ligt enigszins afgelegen, maar de betrekkelijke afzondering van de tempel verhoogt alleen maar de aantrekkelijkheid ervan.

Een indrukwekkende plek. Een chedi van 50 m hoog, waarvan wordt gezegd dat hij authentieke relieken van Boeddha bevat. Een imposante trap, bewaakt door leeuwen en met leuningen in de vorm van woeste naga’s, leidt naar boven. Op de top bereikt u een monumentaal poortgebouw dat toegang verleent tot de door een zuilengang omgeven tempel. De voornaamste Vihara is aan vier zijden open. Hij werd in 1496 gebouwd en vele malen veranderd. Het bestaande gebouw dateert uit 1930, toen het werd nagebouwd naar het originele model van de monnik Phra Khrunu Srivijaya. Zijn stenen Ku, die is voorzien van verguld pleisterwerk, bevat het belangrijkste boeddhabeeld. De schilderingen op de houten panelen onder de dakgoten zijn eind 19de eeuws.

De Ku van de Wat Phra That Lampang Luang, de Ku is rijk geornamenteerde stenen structuur die lijkt op een prang, waarin een boeddhabeeld is ondergebracht. Hij staat vaak als altaar binnen een vihara.

De Ku van de grote vihara bewaakt een boeddhabeeld.

Let ook op het Bot, de Mondop en de drie Vihara’s. Van deze laatste verdient de Vihara Nam Tap bijzondere aandacht, want dit gebouw is waarschijnlijk het oudste houten bouwwerk van Lan Na. Tijdens restauratiewerkzaamheden ontdekte men 16de eeuwse schilderingen.

De Wat Pong Yang Kok. Net voorbij de Wat Phra That Lampang Luan, aan de weg naar Hang Chat, ligt de schitterende open Vihara van de Wat Pong Yang Kok. Hij is in oude Lan Na-stijl en beroemd om het decoratieve lakwerk aan de binnenzijde, dat een motief van de Bodhi-boom laat zien

Trainingscentrum voor Jonge Olifanten:

In dit centrum worden olifanten getraind voor het werk in de staatsbossen. Hun aantallen slinken - evenals de teakbossen waar ze worden ingezet -, maar enkele dikhuiden worden nog altijd in dienst gehouden als de efficiëntste en goedkoopste arbeidskrachten om het hout uit het bos naar verzamelplaatsen langs de wegen te slepen. Het centrum in geopend voor bezoekers, die olifanten van drie tot vijf jaar en ouder ‘s ochtends van hun mahouts les kunnen zien krijgen en hun vaardigheden kunnen zien vertonen. Demonstraties worden dagelijks gegeven (behalve gedurende het warme seizoen, van maart tot en met mei) van 6 - 9 uur ‘s ochtends. Georganiseerde tours worden verzorgd door reisbureaus in Chiang Mai.

naar boven

Lamphun.

Vergane glorie. Lamphun is nu een ingeslapen stadje aan de westoever van de Ping, maar was vroeger de hoofdstad van het Mon-koninkrijk Haripunchai. De stad zou in 660 zijn gesticht door koningin Chamadevi, die met haar volk de door Khmer-troepen ingenomen Chao Phraya-delta was ontvlucht. Van de vroegere pracht en de praal zijn alleen nog enkele tempels en een vierkante gracht over, die vroeger nog door een muur was omgeven.

De Wat Phra That Haripunchai. De Wat Phra That Haripunchai, die uitkijkt op de Kwai, werd in 1044 gebouwd door koning Athitayaraj van Haripunchai in de plaats van een oud houten koninklijk paleis; tegenover de ingang staat een Vihara die in 1925 is herbouwd en die de Phra Chao Thongthip bevat , een bronzen boeddhabeeld in de stijl van Chiang Saen.

De Wat Phra That Haripunchai, vroeger was de ingang van het tempelcomplex aan de kant van de rivier, tegenwoordig komt men binnen aan de achterkant. De bouwstijlen zijn gemengd. Achter de voornaamste chedi staat de chedi SUWANA (1418), een kopie van de chedi van de Wat Chamadevi in de vorm van een getrapte piramide. Op het tempelterrein staat ook een vihara met een staand boeddhabeeld, de Phra Chao Tan Jai, en een sala (links) met vier voetafdrukken van Boeddha, die in elkaar overlopen.

Rechts naast de Vihara staat een enorme bronzen gong en links een ho trai van het begin van de 19de eeuw, bedoeld om heilige geschriften te bewaren.

naar boven

De gigantische gong.  
Dit is de grootste gong ter wereld na die van de pagode Maha Muni van Mandalay in Myanmar (Birma). Hij is in 1860 gegoten en hangt in de sala van de Wat Phra That Haripunchai.

Gereserveerd voor mannen. Het belangrijkste gebouw van tempelcomplex is een chedi in Lan Na-stijl ui 1467, bekleed met koper en versierd met vergulde parasols. Eerst was hij 10 m hoog, maar hij werd verscheidene malen verhoogd (nu is hij 50 m hoog). De oorspronkelijke vorm heeft geleden onder de restauraties. Volgens een bordje hebben vrouwen hier geen toegang.

De glans van jaren: De Chedi van de Wat Phra That Haripunchai werd in de loop der eeuwen steeds weer veranderd en is tegenwoordig afgesloten met een zwaar bronzen hek.

Standbeeld van Haripunchai. Een dependance van het Nationaal Museum,; dat aan de andere kant van de hoofdweg staat, bevat een collectie terracotta uit de periode Dvaravati en de boeddhabeelden in de stijl van Chiang Saen die bij opgravingen in de streek zijn gevonden. Deze beelden zijn voornamelijk van brons en getuigen, hoewel ze beschadigd zijn, van de voorkeur van de beeldhouwers voor een staande boeddha. Het haar van de beelden heeft losse krullen die in punten eindigen, kenmerkend voor de stijl uit die periode.

Sereniteit: Dit mooie, rust uitstralende gezicht van terracotta wordt bewaard in het museum van Lamphun, tegenover de Wat Phra That Haripunchai

De Wat Chamadevi. Dit heiligdom wordt ook Wat Ku Kut genoemd en bevat twee chedi’s van steen, versierd met boeddhakoppen: het zijn de oudste monumenten van Lamphun. Volgens de archeoloog Jean Boisselier, kenner van de Thaise cultuur, zijn ze in 1218 gemaakt en behoren ze tot de laatste overblijfselen van de bouwkunst van Dvaravati.

Chamadevi: een legende uit de 7de eeuw vertelt hoe Chamadevi, een van de dochters van de koning van Louvo (de Mon-hoofdstad lopburi) op een dag het paleis van haar vader verliet om Haripunchai te stichten. Een in de lucht geschoten pijl moest de plaats aanwijzen waar de stad zou komen. Haripunchai beleefde onder invloed van het jonge meisje, dat koningin was geworden, een religieuze en culturele bloei. Versterkte plaatsen werden toevertrouwd aan familieleden van Chamadevi - zo werd Lampang gebouwd door een van haar zonen - en sloten zich aaneen tot een kleine federatie.

De grootste chedi wordt Sat Mahal Pasada genoemd, is 21 m hoog en 15,4 m breed en lijkt op een getrapte piramide. De vorm is gebaseerd op de Singalese kunst van Polunnaruwa.

De twee chedi is kleiner en heeft een achthoekige vorm. Hij stamt uit dezelfde periode. In de nissen staan enkele van de mooiste staande boeddhabeelden uit de periode van Haripunchai.

Wiang Kungam. Deze versterkte stad is gesticht door koning Mangrai. Mangrai zou er zes jaar lang hebben gewoond. Wiang Kungam heeft verscheidene tempels, waaronder de Wat Chedi Liem. Zijn chedi lijkt op de die van de Wat Chamadevi. De versieringen in Birmese stijl worden in het begin van deze eeuw, tijdens de restauratie, toegevoegd.

Wing Kungam: uit de ruïnes steken hier en daar hoge silhouetten van chedi’s omhoog.

Verderop staat de Wat Chan Kham die een geestenhuisje bevat, dat bewoond zou zijn door de geest van koning Mangrai.

naar boven

Chiang Mai.

Een nieuwe snelweg verbindt Lamphun met Chiang Mai (20 km). De oude weg is echter een van de mooiste van het noorden. Hij voert u door uitgestrekte Lamyai-plantages en het dorp Saraphi, dat bekend staat om zijn mandewerk. De indrukwekkende bomen langs deze weg zijn onlangs voor omkappen behoed door tussenkomst van natuurbeschermers. Zij zijn nu heilig verklaard en vormen het middelpunt van een plechtige ceremonie, waarbij hun stammen elk jaar met lange repen katoen worden ontwikkeld. Hun kronen, die wel 30 meter hoog zijn, vormen een schaduwbrengend dak boven de weg.

Chiang Mai ook wel de "roos van het noorden" genoemd, ligt in het midden van groene bergen die vaak in mist zijn gehuld. De stad biedt de bezoeker de grote rijkdom van haar culturele erfgoed. Het is weliswaar niet meer het mystieke Shangri-La waarvoor geliefden uit het verloren paradijs rivieren en oerwouden trotseerden, maar er zijn nog volop archeologische resten, tradities en ambachten om de bezoeker te boeien.

Een overvloed aan decoraties.

Elke bezoeker wordt meteen getroffen door de verfijnde versieringen van de Thaise religieuze gebouwen. De rijkdom van de architectuur die is ontstaan uit traditionele technieken die van vader op zoon werden doorgegeven, is vooral in Chiang Mai goed te zien. In bescheiden of overdadige uitvoeringen sieren talloze, vooral uit hout gesneden beelden de gevels, bovendrempels, deuren, kozijnen, zuilen en afdaken van de tempels, die soms ook nog verfraaid zijn met glinsterende mozaïeken van verguld gekleurd glas.

Daarbij komen nog religieuze of wereldlijke muurschilderingen met uitvoerige motieven in zwart en goudkleurig lak- of stukwerk, die worden bevolkt door duizenden mythische menselijke en dierfiguren, zoals de naga of heilige slang. De kleinste tempel is van buiten versierd met prachtig gouden filigreinwerk en panelen met gedreven lakwerk, een kunst die is overgenomen van Birmese kunstenaars, vol details die veel aan de pracht van het gebouw toevoegen. Deze religieuze gebouwen worden onderhouden met giften van gelovigen die in ruil hiervoor van de goden verdiensten, welwillendheid en bescherming vragen.

Zij worden vaak gerestaureerd en bewaren zo door de eeuwen heen al hun pracht en praal.

Geschiedenis.  
De Thaise koning Mangrai stichtte Chiang Mai in 1296, nadat hij de oude Mon-hoofdstad Haripunchai had veroverd. Hij heeft de stad de vorm gegeven van een zeehoorn, het symbool van Vishnu, op advies van twee bondgenoten koning Rama Khamheng van Sukhothai en koning Ngam Muang van Phayao. Deze keuze van de plek zou zijn ingegeven door de verschijning van twee witte sombar-herten, twee witte brullende herten en een familie van zes witte muizen. De stad zou het culturele, religieuze en politieke centrum van Lan Na worden.

De stichter van een dynastie. Bij de dood van Mangrai in 1317 strekte zijn koninkrijk zich uit van het rijk van Sukhothai in het noorden tot de zuidelijke provincies van China. Meer dan 900.000 mensen zouden hebben meegewerkt aan de bouw van deze hoofdstad. De stad werd door opeenvolgende koningen aangepast en beleefde haar hoogtepunt tijdens de regering van Tilokaraja (1442 - 1487). In 1455 ontving de stad het 8ste Boeddhistische Concilie.

De langzame neergang. Er volgde een periode van instabiliteit, gekenmerkt door de oorlogen met Ayutthaya en Birma. In 1588 viel Chiang Mai in handen van de koning van Pegu; een groot deel van Lan Na zou twee eeuwen lang onderworpen blijven aan Birma. Taksin, koning van Thonburi, heroverde Chiang Mai in 1775 maar verarmde de stad bleef een twintigtal jaren onbewoond; de inwoners werden overgebracht nar Lampang. Chiang Mai herrees in 1796 door toedoen van de zoon van de vorst van Lampang en bleef semi-onafhankelijk tot het eind van de 19de eeuw. Na de dood van de laatste vorst van Chiang Mai in 1939 werd de stad provincie-hoofdstad onder het gezag van de Thaise regering.

naar boven

Chiang Mai tegenwoordig.  
Chiang Mai is de derde stad van Thailand na Bangkok en Khon Kaen, en telt 200.000 inwoners. Bij de oude wijken, die worden omsloten door oude vestinggrachten, is op de linkeroever van de Ping en nieuwe buurt ontstaan.

Het oude en het nieuwe: Chiang Mai in de jaren veertig en tegenwoordig. Sommige grote straten worden hoge, moderne gebouwen ontsierd, maar de meeste wijken zijn nog heel rustig. Tempels en oude woonhuizen dommelen er in de schaduw van fruitbomen.

De versterkingen en de grachten. De originele plattegrond van Chiang Mai is enkele malen gewijzigd door opvolgers van koning Mengrai: de huidige grachten en vestingwerken dateren van het begin van de 19de eeuw; de Ping, die ooit buiten Chiang Mai stroomde, werd omgelegd om de stad te doorkruisen.

Het centrum. Tapea Road loopt van het westen naar het oosten door de stad vanaf de Tapea-poort; dan loopt hij in noordelijke richting als Charoen Prathet en in zuidelijke richting als Chang Klan Road met veel hotels, restaurants en winkels.

Verkeer: Om zich een weg te banen tussen de auto's, moet u overdag een fiets, een motorfiets of een tuktuk huren.

De avondmarkt. Oorspronkelijk bestond de avondmarkt uit een aantal stalletjes langs de Chang Klan Road, dicht bij de hotels. Tegenwoordig zijn zij ondergebracht in een permanente winkelhal, elk avond open van zonsondergang tot 23 uur. De drukte en het aanbod van de produkten (houten of verlakte voorwerpen, zilverwerk, antiek, kleren, vleeswaren en andere levensmiddelen) maken de markt tot een aantrekkelijk reisdoel.

De oude markt van Chiang Mai: De markten van de stad vertonen een georganiseerde wanorde van fruit, groenten en gedroogde vis.

De gegoede buurten. De meest gewilde woonwijk strekt zich uit aan weerskanten van de Huay Kaeo Road in het noordwesten van de stad. Daar zijn ook de universiteit en de nieuwe hotels gevestigd. Al kent Chiang Mai een onstuitbare "vooruitgang", met zeer druk verkeer en een enorme luchtvervuiling, toch hebben veel straatjes rond de tempels hun charme van vroeger weten te bewaren.

"De stad Zimmé, die 400 meter ten westen van de rivier ligt, kent twee delen, waarvan het ene het andere aan de zuid- en oostkant omsluit als een letter L. De binnenstad is geheel ommuurd en omgeven door een gracht, met poorten op vier plaatsen. Daar staan het paleis van de vorst, de woningen van de edelen en de rijken en verscheidene religieuze gebouwen. Buiten de muren leven afstammelingen van gevangenen. De huizen staan er dichter op elkaar, de tuinen zijn er kleiner, de tempels schaarser en de bevolking dichter. In beide stadsdelen vindt u geen afval op straat. De straten staan haaks op elkaar en er liggen besloten tuinen langs. Een riviertje dat van de Loi Soo Tayp (Doi Suthep) stroomt, voorziet de stad van water. De vloer van de huizen is 2 à 3 meter boven de grond. De stad ademt orde en reinheid."

naar boven

De Ping rivier.  
Deze 590 kilometer lange rivier is een van de vier voornaamste rivieren in het noorden. De Ping ontspringt in het massief van Doi Chiang Dao en stroomt door de smalle vallei waarin Chiang Mai ligt. Voor de bouw van de Bhumibol-dam (1964), de belangrijkste elektriciteit-centrale van Thailand, dicht bij Tak, was het mogelijk de rivier af te zakken van Chiang Mai tot Nakhon Sawan en vervolgens Bangkok te bereiken door over de Chao Phraya te varen.

Gek op feesten. In Chiang Mai volgen de feesten elkaar met grote regelmaat op. Zij trekken bezoekers uit het hele land. De data van deze feesten, die worden bepaald door de maankalender, verschillen van jaar tot jaar.

Schoonheid ten koste van alles: De feesten in het noorden worden aangegrepen om de meest bizarre schoonheidswedstrijden te houden - de verkiezing van een Miss Knoflook tijdens een plaatselijk landbouwfeest bijvoorbeeld!

De vrouwen uit het noorden worden als de mooiste van Thailand beschouwd, vanwege de bleekheid van hun huid.

Het feest van de Bloemen, het Water en het Licht.

In februari, tijdens het bloemenfestival , rijden kleurige karren met boeketten door de straten en varen met bloemen versierde boten over de Ping.

Songkran of het waterfeest, het traditionele Thaise Nieuwjaar, wordt gevierd vanaf 13 april . Drie dagen lang zijn de steden het toneel van dansen, plechtige optochten en watergevechten, waarbij de voorbijgangers overvloedig worden nat gegoten.

Feestvlaggen: Tijdens Songkran, Thaise nieuwjaar, vormen de boeddhisten op de terreinen van hun tempels zandhoopjes in de vorm van chedi's om de in de loop van het jaar vertrapte hoopjes te vervangen. In elk van deze hoopjes planten zij een kleurig papieren vlag die hen geluk moet brengen.

Het festival van het licht, eind oktober of begin november herinnert Loy Krathong , , aan de terugkeer van Boeddha op aarde; bij het licht van de volle maan drijven duizenden lampionnen in de vorm van een lotus over de Ping. Het jaar eindigt met de Winterkermis, drie dagen met voorstellingen op sportwedstrijden, bekroond met de verkiezing van een Miss Chiang Mai.

Papieren lampionnen: Tijdens het Loy Krathong-feest hangt men papieren lampionnen aan de deuren van tempels en woonhuizen, voor de gelegenheid omlijst door bogen die van bladeren en stengels van de bananeplant zijn gemaakt.

De Khantoke-maaltijd. In Chiang Mai schrijven de wetten van de gastvrijheid voor dat men zijn gasten een khanthoke voorzet - ' khan ' betekent schaal en ' toke ' een laag tafeltje van lakwerk of roten. De maaltijd bestaat uit een veelvoud van kleine schotels met kleefrijst, een plaatselijke specialiteit, gekookt in kokosmelk of gestoomd.

Rond Chiang Mai. De dorpen in de buurt hebben allemaal hun eigen festival.

In januari houdt het dorp Bo Sang befaamd om zijn parasols, een soort kermis in zijn hoofdstraat. Lamphun viert in augustus de oogst van de ramboetan of lamyai, een vrucht waarvan het vlees aan de lynchee doet denken.

naar boven

De tempels van Chiang Mai.  
Chiang Mai heeft niet minder dan 88 Wats, verspreid over de hele stad. Elke koning hechtte er aan om er één, twee of zelfs drie te bouwen of te restaureren.

De Wat Phra Singh. Dit heiligdom, een van de belangrijkste van Chiang Mai, werd in 1345 gesticht door koning Phra Yu om er de as te bewaren van zijn vader, koning Kham Fu. De voornaamste vihara, gebouwd in 1925, is onlangs gerestaureerd. De vihara Laikam is interessanter. Hij werd gebouwd tussen 1806 en 1811 in de stijl van Lan Na. Dit gebouw is een van de mooiste in Chiang Mai en heeft een trap met naga's links en rechts. Hier is de beroemde Phra Boeddha Singh ondergebracht, een, bronzen beeld van het begin van de Lan Na-periode, naar Chiang Rai overgebracht in 1400. Het originele hoofd dat in 1922 werd gestolen, is vervangen door een replica. De Wat heeft ook een houten bot en een mooie bibliotheek met houtsnijwerk, hoog gelegen op een voetstuk van pleisterwerk versierd met beelden.

De tempel van de heer Leeuw: de Wat Phra Singh staat aan het eind van de oost-west as van Chiang Mai, net voor de Suan Dok-poort.

De schilderingen van de Wat Phra Singh: Deze schilderingen van het eind van de 19de eeuw zijn van de hand van de kunstenaar Jek Seng en de best bewaarde van de stad. Behalve taferelen uit Jataka-verhalen laten ze het dagelijks leven zien van de 19de eeuw in deze streek: spelende kinderen, interieurs en geliefden....

De Wat Chedi Luang. Deze tempel is gemakkelijk herkenbaar aan de ruïne van zijn enorme chedi, die boven Phra Pokklao Road uittorent. Het oorspronkelijke gebouw uit 1391 werd door koning Tilokaraja vergroot en tot 90 meter verhoogd. In 1545 verwoeste een aardbeving de tempel, die echter volledig werd gerestaureerd op initiatief van prinses Sirindhorn. Te midden van de overblijfselen ziet u enkele resten van standbeelden langs de trappen en een Boeddha in een nis. Op het tempelterrein, links van de ingang, overschaduwt een gomboom een gebouwtje dat de heilige pilaar van de stad herbergt. Volgens het volksgeloof werd daar koning Mangrai, stichter van Chiang Mai, in 1317 door de bliksem getroffen..

De Wat Pan Tao. Hij ligt aan Phra Pokklao Road en heeft een van de mooiste vihara's in Lan Na-stijl. De muren worden gevormd door houten panelen en het dak rust op pilaren. Deuren en ramen zijn versierd met zeer verfijnd verguld pleisterwerk.

Het Heiligdom van koning Mangrai. Tegenover de Wat Chedi Luang, op de hoek van Ratchamanka Road, staat de Wat Chao Mangrai, die gewijd is aan de stichter van Chiang Mai. Hier brengen de bewoners van de streek vaak offers.

De Wat Mangrai: Deze gloednieuwe tempel van cement bevat een bronzen boeddha, gegoten in de regeringsperiode van Mangrai. Het beeld zou gevormd zijn naar de gelaatstrekken van de koning. Het poortgebouw heeft interessante versieringen in pleisterwerk.

En chedi in de vorm van een piramide. Dicht bij de poort Suan Prung, in een straatje dat haaks op Samlan Road staat, vertoont de Wat Puak Hong een ongewone chedi in de vorm van een ronde piramide. Elk van zijn zeven verdiepingen bevat nissen waarin mediterende boeddha's zitten.

Puak Hong, de "Witte Zwaan": Zijn chedi met zeven ronde etages is in de 16de - 17de eeuw gebouwd. De vorm van het gebouw is waarschijnlijk ontleend aan de Chinese pagoden en komt in Thailand niet veel voor. Toch vindt u er een bij de Wat Rampoeng, op de plaats waar u de stad verlaat. Het bot van de Wat Puak Hong lijkt eerder op Laotiaanse stijl te zijn gebaseerd.

De Wat Chiang Man. Deze tempel kijkt uit op Ratchaphanikai Road, in het noordoosten van de oude stad, en zou de oudste tempel van Chiang Mai zijn. Hij is waarschijnlijk gebouwd in 1297 door koning Mangrai op de plaats waar hij zijn kamp had opgeslagen tijdens de bouw van de stad. Er staat geen enkel gebouw meer uit die tijd; de 15de eeuwse chedi is waarschijnlijk een replica van de originele. Het houten bot uit de 19de eeuw bevat en mooie collectie bronzen beelden. In de twee vihara's staan enkel kunstwerken: een klein Indiaas bas-reliëf uit de 8ste eeuw en een piepkleine van kristal gemaakte Phra Boeddha Setang Khamanai (7de eeuw), die regen zou kunnen opwekken.

Tegen de muren aan: op de kruising van Tapae Road en Kamphaengdin Road leidt een door naga's geflankeerd straatje naar de Wat Saen Fang. Dit heiligdom ligt tegen de stadsmuur aan en lijkt op een fort. Het geheel getuigt van Birmese invloed, vooral de hoge chedi, getooid met vergulde parasols, de singha, het gebouw waar monniken wonen, en de vihara, pas gerestaureerd en fel geel en rood geschilderd. Op het tempelterrein bevindt zich een kleine werkplaats waar boeddha's van gips worden gemaakt.

Birmese invloed: Timmerlieden en handwerkslieden zijn aan het eind van de 19de eeuw uit Birma geëmigreerd en lieten zich ronselen door Engelse ondernemers die de bossen explodeerden. Het waren kundige bouwers en zij hebben bijgedragen aan de bouw van veel tempels in Chiang Mai, die zij enkele typisch Birmese kenmerken meegaven. Op de muurschilderingen, bijvoorbeeld, onderscheiden helden en edelen zich door de pronkgewaden van Birmese vorsten

De Wat Bupparam. Dit klooster is de Bloementuin, staat tegenover de Wat Saen Fang aan Tapae Road. Zijn architectuur laat invloeden uit Birma en Lan Na zien; de gevel van de voornaamste vihara heeft bijvoorbeeld accoladebogen in Birmese stijl, maar een dak in de stijl van Lan Na. Een kleine vihara van hout versierd met beelden van pleisterwerk bevat drie grote boeddhabeelden.

De Wat Maharam. Deze tempel verenigt een chedi en een vihara in Birmese stijl met een bot in Lan Na-stijl. De muren langs de straat wordt onderbroken door geestige karikaturen van mythologische monsters.

naar boven

Buiten de muren.

De Wat Bua Krok Luang. Aan de overkant van de Ping, in de richting van San Kamphaeng, voert een straatje naar de Wat Bua Krok Luang. De muurschilderingen van zijn vihara zijn na die van de Wat Phra Singh de beroemdste van Chiang Mai. Zij werden aan het begin van deze eeuw geschilderd en verbeelden scènes uit de Jakata (verhalen over de vorige levens van Boeddha).

De Wat Umong. Dit klooster werd in 1296 door Mangrai gebouwd voor vier Singalese monniken en is een van de oudste van Chiang Mai. Het staat aan het eind van een bochtig straatje, haaks op Suthep Road. Uit de gebouwen spreken invloeden van de Mon- en Birmese stijl. Van de originele versieringen in pleisterwerk, die naga's en reuzenwachters (yaksa's) voorstelden, zijn slechts enkel fragmenten over. De chedi is van recente datum, maar in ondergrondse oude cellen zijn resten van de 15de eeuwse muurschilderingen aangetroffen, die de oudste uit de Lan Na-periode zouden zijn. In de nieuwe gebouwen van het klooster worden westerse boeddhisten ontvangen.

De Wat Ched Yod. De Wat Ched Yod of Wat Botharam Maha Vihara staat aan de rand van een autoweg, twee stappen van de dependance van het Nationaal Museum. Het is een van de belangrijkste heiligdommen van Thailand. De Wat zou in 1455 zijn gebouwd om onderdak te bieden aan het 8ste Boeddhistische Concilie. Zijn chedi (de enige van dit type in het noorden) is samengesteld uit zeven kleine chedi's op en platform van lateriet, dat een kamer met tongewelf bevat; de vorm van het gebouw kan zijn ontleend aan de Indiase tempel van Mahabodhi in Bodh Gaya of aan Mon-replica's van dat gebouw. Het voetstuk is verlevendigd met bas-reliëfs, die 70 goden laten zien.

De tempel met het bamboehek. De Wat Kutao ligt vlak bij het nationaal stadion in het noorden van de stad en is genoemd naar het hekwerk van bamboe, dat er in het begin van deze eeuw er omheen stond. Zijn ongewone chedi is al een bezoek waard. Hij werd in 1613 gebouwd om de as van Saravadi, een Birmees vorst die van 1578 tot 1607 over Chiang Mai heerste, te bevatten. Deze chedi in Chinese stijl bestaat uit vijf steeds kleiner wordende halve bollen in de vorm van aalmoesschalen, bekroond met een piek met een parasol: volgens Birmese overlevering zouden vier van deze aalmoesschalen aan de Boeddha van het Verleden hebben toebehoord. De vijfde zou van Maitreya zijn, de Boeddha van de Toekomst. Elke schaal heeft vier openingen, die toegang geven tot een reliekschrijn.

De Wat Suan Dok. De "Bloementuintempel" staat op de plaats van een koninklijke tuin buiten de poort Suan Dok. Hij werd aan het eind van de 14de eeuw gebouwd door koning Ku Na (1367 - 1388) en zijn chedi herinnert aan die van Sukhothai. Hij is gewijd aan de monnik Maha Tera Sumana, die uit Sri Lanka kwam om in Chian Mai les te geven en die in deze tuin zou hebben gewoond. Met het Thaise nieuwjaar komen hier gelovigen samen voor een religieuze ceremonie.

Een koninklijke begraafplaats: Achter de Wat Suan Dok liggen de chedi's, graftombes van de leden van de koninklijke familie van Chiang Mai.

naar boven

De ambachten van Chiang Mai.

Doordat Chiang Mai lange tijd geïsoleerd in de bergen lag, kon het zijn traditionele ambachten bewaren. De geheimen van de Siamese ambachtslieden zijn hier van generatie op generatie doorgegeven en de meeste voorwerpen worden nog op de oude manier gemaakt. De toevloed van toeristen zorgt er wel voor dat de produktie industriële vormen aanneemt. Winkels en stalletjes verdringen zich tegenwoordig lans de Ambachtenstraat, die naar San Kampgeang loopt.

Houtsnijwerk. In dit gebied, dat ooit was overdekt met bossen met teakhout en hardhout, is de bloei van de houtsnijkunst vanzelfsprekend. Daklijsten, panelen en tempeldaken in de streek geven een goede indruk van de zeer oude kunst. Ondanks de ontbossing blijven de ambachtslieden in Batawai, op de weg naar Mae Hong Son meubels en andere siervoorwerpen maken.

Gewijde kunst: De thema's van de traditionele Thaise beeldhouwkunst zijn meestal door het geloof geïnspireerd. In de jaren tachtig verbood een wet het uitvoeren van Thaise religieuze voorwerpen, wat ertoe leidde dat de kunstenaars zich gingen bezighouden met Birmese religieuze onderwerpen.

Beteldoosjes: het kauwen van stukjes betelnoot werd vroeger veel gedaan. Elk aristocratisch huis moest een dienblad in lakwerk hebben waarop rijk bewerkte beteldoosjes stonden, met een klein spuugbakje waarin het rode sap na het kauwen werd uitgespuugd.

Aardewerk. Pottenbakkers maken voorwerpen voor huishoudelijk gebruikt - zoals de waterkannen die hier voor de deuren staan. Maar het noorden is vooral beroemd vanwege de fabricatie van Celadon (tafelserviezen, vazen, e.d.), een kunst die is overgenomen van de pottenbakkers van Si Satchanalai die zich na de val dan Ayutthaya weer in Chiang Mai vestigden.

Celadon: Van dit porseleinachtige aardewerk met zijn groene glans werd aangenomen dat het brak of verkleurde als er giftig voedsel op werd gelegd. De techniek komt oorspronkelijk uit China, maar Thaise pottenbakkers zijn er sinds de 14de eeuw beroemd door geworden. In de ovens van Mangrai, gebouwd op initiatief van een Brits consul, worden goede kopieën van Chinees en Thais aardewerk vervaardigd, bestemd voor de export.

Lakwerk. De kunst van het verlakken werd waarschijnlijk door de Siamezen van de Birmezen overgenomen; deze techniek bestaat uit het zorgvuldig aanbrengen van verschillende lagen heldere en vervolgens gekleurde hars op een ondergrond van hout of mandewerk. Daarna worden deze lagen gepolijst met mengsel van klei en as en drie maanden lang te drogen gezet in een vochtige atmosfeer; patronen worden vaak met behulp van sjablonen aangebracht. Zwart en goudkleurig lakwerk met menselijke figuren of traditionele motieven komt het meest voor. De ambachtslieden maken allerlei voorwerpen, van schaaltjes tot grote kasten.

Parasols. Het dorpje Bo Sang , 9 km van Chiang Mai aan de weg naar San Kamphaeng, heeft zich gespecialiseerd in het maken van parasols. Zij worden gemaakt van zijde of geolied papier dat over bamboe baleinen wordt gespannen, vervolgens licht gelakt om ze waterdicht te maken en met de hand beschilderd met landschappen of bloemmotieven. Deze parasols zijn er in alle maten; zijn er in alle maten; de grootste worden gebruikt als beschutting voor reizende kooplieden.

Stoffen. de wevers van het noorden staan bekend om de kwaliteit van hun zijden en katoenen stoffen en om de stroken brokaat en de ingeweven motieven waarmee zij ze versieren. In de Dorpen San Kamphaeng en Pasang , dicht bij Chiang Mai, worden schitterende stoffen geweven die op de avondmarkt te koop zijn. Zijde wordt alleen bij speciale gelegenheden gedragen. Thaise kleren zijn doorgaans van katoen. U kunt hier sarongs voor vrouwen en pakoma - sarongs voor mannen - kopen met ruiten of geometrische patronen.

Zilverwerk. Hoewel er geen enkele zilvermijn in Thailand te vinden is, heeft het bewerken van zilver in Chiang Mai een lange traditie. Vroeger werd het edele metaal gewonnen door oude Indiase of Birmese muntstukken om te smelten, iets wat enkel bergvolken nog steeds doen om hun zeer bijzondere sierraden te maken. Tegenwoordig wordt het metaal door de zilversmeden van Chiang Mai geïmporteerd. Zij baseren de prijs van en voorwerp op het zilvergehalte (vaak bijna 100 procent) en minder op het handwerk. De smeden hebben zich verzameld in de buurt van de poort Chiang Man, langs de Wualai Road, waar de hele dag het geluid van de hamers op het metaal te horen is. Behalve ceremoniële kommen met zeer bewerkelijke motieven maken de smeden allerlei gebruiksvoorwerpen: dienbladen, sierraden, kistjes en vaatwerk.

naar boven

De omgeving van Chiang Mai.

Doi Suthep. De Doi Suthep, een van de twee bergtoppen in het nationale park Doi Suthep - Doi Pui, enkele kilometers ten westen van de stad, torent met zijn 1601 m boven Chiang Mai uit. Op de top staat de mooie tempel Wat Phrathat of de Wat Phra That Doi Sethup, een pelgrimsoord. De slingerende weg die erheen leidt, werd in 1934 door gelovigen aangelegd op initiatief van de monnik Phra Khruba Srivijaya. Vandaar heeft u een prachtig uitzicht op de stad en de eronder gelegen vlakte en zelfs in de warmste maanden is het er erg aangenaam fris.

Het goud van de chedi: De beroemde, 24 m hoge chedi van de Wat Phra That Doi Sethup rust op een sokkel van 12 m breed. Hij is volledig bedekt met gegraveerde platen goud. De sokkel is versierd met vier schitterende vergulde parasols, gedecoreerd met filigreinwerk. Rondom staan dieren die de twaalf tekens van de dierenriem symboliseren. Het is de gewoonte dat gelovigen een stukje goudpapier hechten aan het dier dat bij hun geboortejaar hoort. De wandschilderingen in de zuilengang laten taferelen uit het leven van Boeddha zien.

De beboste berg Doi Suthep heeft verscheidene attractie. De top gelegen op 700 m boven de vlakte, waar zich een schitterend panorama over Chiang Mai voor uw ogen ontplooid. In de buurt van de top, bereikbaar via een trap van 290 treden, ligt de mooie tempel Wat Phrathat of de Wat Phra That Doi Sethup. (Op de top van de berg leidt een lange trap van 306 treden u naar de bergtempel met zijn prachtige gouden parasols). Op korte afstand van de voet van de berg is het Phuping Paleis, het zomerverblijf van de koninklijke familie. Alleen de goed onderhouden tuin van het paleis is voor het publiek geopend. Op de Doi Suthep bevindt zich ook het Meo-dorp Ban Doi Pui, maar dit is de drukst bezochte nederzetting van de bergstammen in het hele noorden en een ware toeristenfuik. Niettemin, als u geen tijd hebt om verder afgelegen dorpen te bezoeken, dan geeft het in elk geval enig idee van de levensstijl van de bergstammen.

Een verlichte olifant. Volgens de legende relieken die naar het hof van Koning Ka Na (1355 - 1385) waren gebracht, in een Howdah (draagstoel) op de rug van een witte olifant gelegd, die zelf zijn weg moest zoeken. Het dier moest, door zijn last ergens af te werpen, bepalen waar de relieken bewaard zouden worden. Het heilige dier beklom de Doi Suthep en, toen hij de top bijna had bereikt , hield hij plotseling stil en stierf. Op die plaats werd de Wat Phra That gebouwd en de relieken werden in een chedi geplaatst. Vanaf de parkeerplaats voert een trap met 306 treden, bewaakt door naga’s, naar de tempel die in de 16de eeuw is verhoogd. Hij bestaat uit versierde gebouwen en een reliek-chedi die achter zijn vergulde hek glinster van het goud.

Het Phupingpaleis. Dit paleis ligt 4 km van de Wat Phra That Doi Sethup. Het werd in 1972 gebouwd in opdracht van de Koninklijke Familie. Doorgaans is het voor publiek gesloten, maar zijn fraaie tuinen zijn altijd toegankelijk als de koning niet aanwezig is. In januari bloeien de vele bomen en planten in deze gematigde zone.

De dierentuin van Chiang Mai. Deze dierentuin aan de voet van de Doi Suthep, 6 km van de stad, is gevormd rond de verzameling dieren van Harold Young, een Amerikaan die in Chiang Mai woonde. Zijn zoon schonk de verzameling in 1965 aan de gemeente. In de tuin leven meer dan 500 diersoorten.

San Kampheng. De 13 kilometer lange weg van Chiang Mai naar San Kamphaeng, die door het parasoldorp Bo Sang loopt, staat vol winkels van ambachtslieden. In de winkels van de hoofdstraat van San Kamphaeng vindt u met de hand geweven katoenen en zijden stoffen die kenmerkend zijn voor deze streek en vooral kunstnijverheidsprodukten, waar veel toeristen op af komen.

De ambachten dorpen. De takken van kunstnijverheid waren vroeger verdeeld over verschillende wijken of dorpen. Tegenwoordig voert snelweg 108, die van Chiang Mai naar Chom Thong loopt, dwars door een aantal dorpjes die elk hun eigen specialiteit hebben: aarde werk in Muang Kung, bamboe mandewerk in Hang Dong en houtsnijwerk in Bantanwai.

"Hun meest geliefde bezigheid is het zeer bewerkelijke houtsnijwerk. Leiders van bergvolken en vorsten hebben handwerkslieden in dienst om versieringen te maken. Deuren met gedraaid houtsnijwerk en siervoorwerpen zijn zeer in trek."

Veemarkt: twee kilometer te zuiden van het dorp San Pa Thong op de hoofdweg van Chiang Mai naar Chom Tong, wordt elke zaterdagmorgen een veemarkt (kadwua) gehouden, misschien wel de belangrijkste van de hele streek. Behalve vee wordt er een groot aantal andere zaken verkocht: kruiken en heilzame wortels, fruit en groente.

naar boven

Nationaal Park van Doi Inthanon.  
Het is eenvoudig om een bezoek aan dit 482 km2 grote, door de Doi Inthanon gedomineerde park te brengen: neem daarvoor in Chom Thong het weggetje naar het westen.

Op het hoogste punt van het gebergte (2565 m) staat een chedi die de as van Koning Inthanon bevat - een van de laatste vorsten van Chiang Mai. Duizenden pelgrims bezochten deze plek vroeger na een lange klim te voet of op de rug van een pony.

In 1970 heeft het leger, ondanks protesten van natuurberschermers, een 47 km lange weg aangelegd om het park toegankelijk te maken voor grote aantallen bezoekers.

In het gebergte kunt u schitterende watervallen zien en meer dan 400 soorten vogels.

De Wat Phra That Si Chom Thong. Dit klooster, 1 kilometer voorbij de afslag naar Doi Inthanon, bevat twee chedi’s: de ene is in de stijl van Lan Na (15de eeuw) en bedekt met koperplaten, de andere is nieuwer en vertoont de Birmese stijl. Zijn vihara, die in 1516 is gebouwd en in 1817 gerestaureerd, heeft prachtig houtsnijwerk.

Doi Inthanon en de Mae Klang Waterval:

58 km van Chiang Mai bevindt zich de hoogste berg van Thailand, de Doi Inthanon, in een Nationaal Park. Er is een weg naar de top, vanwaar men mooie panoramische uitzichten heeft, en het hele gebied is vermaard om zijn natuurschoon, prachtige flora en fauna en een aantal stamdorpen.

Aan de voet van de Doi Inthanon is de Mae Klang Waterval, een bij de plaatselijke bevolking geliefd mooi plekje, waar de waterval zich over drie rotsrichels omlaag stort.

Dal van de Mae Sa:

Dit dal, 14 km ten noorden van Chiang Mai, niet ver van het dorp Mae Rim, wordt wegens zijn betoverende natuurschoon wel eens "klein Zwitserland" genoemd. De natuurlijke schoonheid van het landschap wordt nog verhoogd door een aantrekkelijke landschapsarchitectuur en de aanwezigheid van verblijfsfaciliteiten.

Safari:

Aan te raden voor alle natuurliefhebbers; op de rug van een olifant de jungle doorkruisen, vervolgens een rit per ossekar. Daarna vaart u de rivier af op een bamboevlot en brengt u een bezoek aan een kwekerij van Orchideeën, de nationale bloemen.

naar boven

Chiang Rai.

De Thais noemen Chiang Rai hun ‘eco-hoofdstad’ - een goede benaming voor een stadje in het hoge noorden. De vele prachtige villa’s rondom Chian Rai duiden erop dat de omgeving rond de Mae Kok-rivier voor vele rijkere Thais een bijzondere aantrekkingskracht heeft. Het toerisme heeft hier ook nog nauwelijks de desastreuze omvang bereikt van die van Phuket, Pattaya of Bangkok: een paar hotels, guesthouses, en enkele typische westerse restaurants (de bierstubbe op de Phaholyothin Road of de Napoli Pizza iets verderop) zijn het enige wat ons aan westers toerisme doet denken.

Chiang Rai wordt vooral gebruikt als uitvalbasis voor de nog noordelijker gelegen delen van de provincie. Daaronder vallen niet alleen de boottochten over de Kok-rivier, maar vooral ook de ‘Gouden Driehoek’ en de andere exotische grensgebieden met Laos en Birma.

De afstand van Chiang Mai naar Chiang Rai bedraagt 168 kilometer. Onderweg passeert u rijstvelden, met jungle begroeide bergen op de achtergrond en het Doi Sakhet Elephant Canp. Dan begint de weg te stijgen door een prachtig landschap van bergen met bossen, teakbomen en daartussen bananenbomen.

Chiang Rai, hoofdstad van de gelijknamige provincie, ligt op 580 meter hoogte aan de Kok-rivier. De stad werd in 1263 gesticht door koning Mangrai van het Lanna-rijk op de plaats waar zijn op de vlucht geslagen witte olifant werd teruggevonden. Vanaf 1786 behoort de stad tot het Thaise rijk. De rustige plaats heeft enkele bezienswaardigheden. Het bronzen standbeeld van koning Mangrai staat bij de Phaholyothin Road aan de oostzijde van de stad. Bij de tempel Moong Muang in het centrum (met erbuiten een groot zittend boeddhabeeld) wordt dagelijks een straatmarkt gehouden. Er dichtbij (naast het Rama Hotel) is een overdekte markt, waar onder andere veel vis wordt verkocht.

Koning Mangrai stichtte Chiang Rai in 1262 , 32 jaar voor hij zich in Chiang Mai vestigde. Hij koos een strategische plaats uit voor de stad, dicht bij het koninkrijk Birma, beschermd door de Kok en drie kleine heuvels. Chiang Rai ontwikkelde zich snel tot een belangrijk handelscentrum, maar raakte in verval omdat de stad te lijden had onder de vele oorlogen tussen Siam en Birma. In de 19de eeuw woonden er nog maar enkele honderden families in de oude versterkte stad, dat min of meer verlaten was. In 1970 telde ze niet meer dan 10.000 inwoners, maar het effekt van een langzaam terugtrekkende welvaart laat zich tegenwoordig voelen: de bevolking heeft zich vervijfvoudigd.

Een provincie hoofdstad. Chiang Rai is een typische provinciestad en nauwelijks mooi te noemen. Identieke huizenblokken met winkels op de begane grond staan langs sombere, stoffige straten. Toch kent de stad sinds een jaar of tien een spectaculaire ontwikkeling, dank zij het toerisme en de smokkelhandel bij de beruchte Gouden Driehoek. Grote hotels hebben er zich gevestigd - een daarvan zelfs op een eilandje in de Kok -, laat ook restaurants, winkels voor toeristen en, ten slotte, bureaus die trektochten in de omgeving organiseren.

Trektochten in de bergen.
Chiang Mai was ooit het beginpunt van veel trektochten, maar tegenwoordig heeft het minder drukke Chiang Rai de rol van trekkingscentrum overgenomen. De bergen in het noorden bieden de meer avontuurlijke reiziger prachtige landschappen en de mogelijkheid de dorpen van bergvolken te bezoeken. Het droge seizoen, van november tot februari, is het meest geschikt voor deze tochten: de atmosfeer in de bergen is zacht en helder, terwijl het van maart tot mei vaak te heet is soms mistig. In de regentijd worden de paden gevaarlijk glibberig.

naar boven

De tempels van Chiang Rai.

De wat Phra Sing, aan Singhakai Road dateert vermoedelijk uit de 18de eeuw en herbergde een belangrijk beeld van de Phra Boeddha Si Hing (Shing). Tegenwoordig staat het origineel in een tempel met de zelfde naam in Chiang Mai en staat er hier slechts een kopie.

De Wat Phra Keo, aan de Trirat Road, dichtbij de Wat Phra Shing, heeft een mooie bot en viharn waarin drie Boeddha’s staan en links van het altaar een portret van de koning hangt. Het heeft een mooie gevel met houtsnijwerken een bronzen beeld daterend van het begin van de periode van Chiang Saen. In zijn nu gerestaureerde chedi zou in de 15de eeuw de beroemde Boeddha van Smaragd zijn gevonden, die tegenwoordig in Bangkok te bewonderen is.

Van groter belang is de witte chedi achter de viharn, waar in 1436 de beroemde Smaragden Boeddha (nu in de Wat Phra Keo in Bangkok) in ontdekt. De chedi zou door bliksem zijn beschadigd en daarbij zou het beeld, bedekt met gips, te voorschijn zijn gekomen. Toen het gips enige tijd later barstte, kwam de werkelijke waarde van het beeld aan het licht.

Twee hoger gelegen tempels zijn de Wat Ngam Muang en de Wat Doi Tong.

De gewijde stenen chedi van de Wat Ngam Muang gelegen op een heuvel ten westen van de Wat Phra Kaeo, bereikt u via een door naga’s geflankeerde trap. De oude stenen chedi werd in 1318 gebouwd door de zoon van koning Mangrai om zijn as te herbergen. In de viharn staat een gouden boeddhabeeld.

Vanaf het tempelterrein van de Wat Doi Thong, gelegen op een heuvel te noorden van de Wat Ngam Muang, heeft u een fraai uitzicht over de Kok-rivier en omgeving. Hier staat ook de City Navel Pillar. Toen koning Mangrai de stad op 26 januari 1263 stichtte maakte hij deze heuvel tot centrum (navel) van de stad en het omringende land. In 1988 werd hier ter herinnering aan de stichting van Chiang Rai door koning Mangrai dit monument opgericht.

Reconstructie.
Chiang Rai kan bogen op een roemruchte geschiedenis, waarvan weinig tastbaar over is. Begin jaren tachtig nam de gemeenteraad de resten van het archeologische en artistieke erfgoed op en besloot, met hulp van kunstenaars, historici en sponsers, de geschiedenis van de stad de reconstrueren. De vestingmuren van de stad werden als eerste herbouwd. Zij waren in 1920 gesloopt op advies van dr. Briggs, een Amerikaanse zendeling en arts die ze niet alleen nutteloos vond, maar ook slecht voor de gezondheid, omdat ze een normale luchtcirculatie verhinderden. Hoewel iedereen ervan uitging dat de reconstructie eenvoudig zou zijn, werden de restaurateurs geconfronteerd met een totale afwezigheid van bronnenmateriaal. Zij moesten zich baseren op een prent van een olifant die bij zonsopgang de stadspoort binnenstapt en namen de dikhuid als uitgangspunt bij het bepalen van de hoogte van de muur. Men schatte dat de olifant ten minste 2,50 meter hoog was geweest en ging al snel over tot de bouw van een muur van cement, bedekt met baksteen: het resultaat, 100 meter lang en 5 meter hoog en onderbroken door een centrale ingang, prijkt tegenwoordig voor een winkelcentrum.

De ‘navel van het universum’.
Het volgende project dat werd uitgevoerd, was de bouw van een lak muang, die Chiang Rai zelfs nooit had bezeten. Een professor in de architectuur van de universiteit van Chiang Mai, Pittaya Boonag, ontwierp de stadspilaar volgens de Thaise kosmologische traditie. Hij werd op de heuvel van Chomthong gezet, in een buitenwijk van de stad: daar staan nu 108 granieten pilaren rond de "navel van het universum" die zelf 1,72 meter hoog is. Het werkstuk dat de voornaamste componenten van de wereld, zoals weergegeven op de muurschilderingen in Bangkok, moet voorstellen, is in feite totaal vreemd aan de cultuur van Lan Na en het oude Chiang Rai.

Het geheel werd op 31 januari 1989 met veel vertoon in gewijd.

naar boven

Chiang Saen.

Een bewogen geschiedenis. Er is weinig bekend over de oorsprong van Chiang Saen: het lijkt erop dat de stad in de 10de eeuw de hoofdstad van een Thais vorstendom was. Vanwege haar noordelijke ligging raakte de stad, na het ontstaan van het koninkrijk Lan Na, in verval. In 1328 werd door Phra Chao Saen Pu, kleinzoon van koning Mangrai, een nieuwe stad gesticht. Deze sloot zich aan bij Chiang Mai en werd bestuurd door de vorsten van Lan Na tot 1558, het jaar van de komst van de Birmezen, die het gebied meer dan twee eeuwen in hun macht hielden. De legers van Rama I heroverden Chiang Saen in 1804 en legden de stad in as. Chao Inta, een zoon van de vorst van Lamphun, bracht 70 jaar later de afstammelingen van de oude bewoners naar de stad terug en liet haar herbouwen. Chiang Saen is nu een kleine stad die rustig voortleeft aan de oever van de Mekong.

Ruines en puin. Het regionale Departement voor Schone Kunsten heeft 66 vervallen monumenten geïnventariseerd binnen de oude vestingstad en 75 buiten de muren. Te midden van de laatste is de met pleisterwerk versierde Wat Pa Sak uit 1295, die de oudste chedi van de stad heeft. Het geheel getuigt van een veelheid aan invloeden, vooral uit de tijd van Harapunchai. Ongeveer 1 kilometer verderop staat op een heuveltop de Wat Phra That Chom Kitti. Als u van het uitzicht op de Mekong wilt genieten, moet u de 350 treden beklimmen die naar zijn chedi voeren. Nog verder staat een 58 meter hoge, achthoekige chedi die in 1331 is gebouwd en in 1515 gerestaureerd. Het is alles wat rest van de Wat Chedi Luang. Bij opgravingen op deze plaats zijn verscheidene voorwerpen gevonden, die zich bevinden in het museum van de stad, samen met bronzen voorwerpen uit de periode van Chiang Saen.

Ga ook de vervallen chedi’s van de Wats Mung Muang en Phra Buat eens bekijken.

naar boven 

De Gouden Driehoek.

Journalisten hebben dit gebied, waarin de grenzen van Thailand, Birma en Laos liggen, enige jaren geleden deze naam gegeven. Het middelpunt van deze mythische driehoek zou de plaats zijn waar de Kok in de Mekong stroomt, vlak bij Chiang Saen. Vijftig procent van alle opium die in de wereld wordt gebruikt, wordt hier geproduceerd. De zuivering vindt plaats in geheime werkplaatsen en de verkregen heroïne wordt vervolgens in het Westen verkocht. Tijdens dit proces is de papaver in goud veranderd en elke schakel in het produktieproces strijkt zijn deel op. Het aandeel van de Thaise produktie is de laatste jaren iets kleiner geworden, dank zij het door koning Bhumibol opgezette programma voor de teelt van andere gewassen, zoals aardbeien. Grote hoeveelheden opium uit naburige landen blijven echter de Thaise zwarte markt overstromen.

De opium: Van het sap van de Papaver Somniferum, een van de 250 soorten papaversoorten, wordt opium gemaakt, dat weer wordt gebruikt voor de produktie van heroïne. Om in commercieel aantrekkelijke aantallen te kunnen worden gekweekt, heeft de plant speciale klimatologische en geografische omstandigheden nodig: hij gedijt goed in een droog klimaat en op hoogten tussen 1.000 en 2.000 meter. Als gevolg van wisselende omstandigheden kan de produktie 300 procent meer of minder zijn dan het voorafgaande jaar. Als de blaadjes van de bloemen vallen, wordt de zaadbol afgesneden om er het sap uit te persen, dat een melkachtig witte kleur heeft. Als het wordt gedroogd, wordt het een bruine paste, die jarenlang kan worden bewaard.

De bergachtige streek ten noorden van Chiang Rai staat onder naam de Gouden Driehoek bekend. Dit drielandenpunt met Birma en Laos spreekt tot de verbeelding van velen. En niet voor niks: in dit gebied produceert men een papaversoort waaruit naar alle waarschijnlijkheid de beste kwaliteit ruwe opium ter wereld wordt bereid. Hoewel de opiumteelt in dit deel van Thailand flink is teruggedrongen, wordt er in Laos en vooral in Birma nog veel opium geproduceerd. De warlord Khun Sa die vlak over de grens, in Birma en Laos opereert , is nog altijd de ‘opiumkoning’ van de wereld.

De Gouden Driehoek vormt bovendien een grote trekpleister omdat hier het grootste aantal verschillende bergvolken leeft die Thailand kent.

Oriëntatie. De eigenlijke Gouden Driehoek ligt 12 kilometer te noorden van de stad Chiang Saen in het uiterste noorden van Thailand. We bevinden ons hier in het stroomgebied van de sfeervolle Mekong, de grensrivier met Laos. Aan de overkant zien we het ondoordringbare berglandschap van Laos.

De Gouden Driehoek is in feite de plaats waar de rivier de Ruak in de Mekong stroomt en waar de grenzen van Thailand, Laos en Birma bij elkaar komen. Het gebied is natuurlijk bekend vanwege de opiumhandel. Aan de Birmese zijde is het gebied in handen van de legendarische warlord Khun Sa en zijn leger van Shans. Dit is een etnische minderheid in Noord-Birma die al jaren tegen de centrale regering van Birma vecht om de autonomie in dit gebied te verkrijgen. De opiumproductie in Thailand is nu overigens vrijwel nihil, vanwege de Amerikaanse invloed op het drugbeleid. Ook in Laos doet zich diezelfde invloed inmiddels gelden. Voorheen werd er nog meer dan driehonderd ton opium per jaar gewonnen. Inmiddels is Birma het grootste opiumproducerende land geworden.

De ‘driehoek’ is op zichzelf niet zo interessant. Eigelijk is het niet meer dan een bocht in de rivier waar langs de weg een hotel en een aantal souvenir stalletjes staan waar onder andere opiumpijpjes en produkten uit Laos en Birma liggen uitgestald. Een goed uitzicht heeft u vanaf de heuvel waarop een chedi en een vervallen viharn staat.

De naam De Gouden Driehoek, is ontleend aan het feit dat de drie hier samenkomende landen verschillende muntsoorten hadden en goud werd gebruikt als internationaal en waardevast betaalmiddel - onder andere voor de handel en smokkel van opium. Vroeger was dit gebied alleen via smalle bergpaden te bereiken, maar in 1920 legden de regering de Phaholyothin Road aan - de weg van Lampang naar het noorden. Het noorden was het traditionele woongebied van de sinds de 8ste eeuw uit Zuid-China getrokken Thai, die pas in de 13de eeuw de waterscheiding van de Mekong-rivier overtrokken naar de centrale Menam-vlakte.

De Phaholyothin Road leidt langs de brede, lichtbruine Mekong-rivier en kijkt uit op de beboste oevers met daarachter, aan de overkant, de heuvelruggen van Laos. Langs veel tabaksvelden eindigt de weg op een punt waar u een mooi uitzicht over de brede en ondiepe Mekong-rivier heeft: links is Birma, rechts is Laos. Hier stroomt de Ruak-rivier de Mekong in, waardoor de drie landen op één punt samenkomen.

Bij de grote witte poort waarop "Golden Triangle" staat, staan aan beide kanten van de weg souvenirstalletjes en restaurants. U kunt ook met een smalle boot een tochtje op de Mekong maken. Het aardigst is eigelijk nog het bord langs de weg: Police is friendly ready to protect (de politie is vriendelijk bereid u te beschermen).

naar boven 

Chiang Saen interessanter dan Gouden Driehoek.

Interessanter dan de Gouden Driehoek zelf is Chiang Saen, dat zuidelijker is gelegen. Chian Saen is een oud stadje dat nog het meest op een openluchtmuseum lijkt, met zijn 19de eeuwse muren, pagoden en gebouwen. De plaats ligt 60 kilometer ten noord-oosten van Chiang Rai (en heeft wat betreft bezienswaardigheden zelfs meer te bieden dan Chiang Rai). Het was vroeger de belangrijke, ommuurde hoofdstad van het gelijknamige vorstendom. De huidige plaats werd in 1261 door koning Mengrai gesticht in een lus van de Mekong-rivier, die nu over een grote lengte de grens met Laos vormt.

Stad en omgeving werden in 1558 ingenomen door de Birmezen, die er bleven tot aan het begin van de 19de eeuw. Toen nam koning Rama I de stad in, die daarbij zwaar beschadigd werd. Chiang Saen bleef daarna zeventig jaar lang verlaten, totdat koning Rama V het liet herbouwen. Het idyllisch aan de grensrivier gelegen plaatsje is ruim gebouwd, met veel bomen en smalle geasfalteerde wegen met aan weerskanten houten huizen op palen. De sfeer doet enigszins aan Indonesië of Maleisië denken. Guesthouses en particulieren verhuren kano’s.

naar boven

Mae Sai .

Mae Sai is de noordelijkste stad Thailand en ligt aan de rivier met dezelfde naam. De brug over deze rivier maakt het mogelijk om de Birmese stad Kentung te bereiken over een moeilijk begaanbaar pad. Aan de kant van Thailand zijn winkels en kraampjes, die de bezoeker heilzame kruiden en in Chiang Mai vervaardigde souvenirs aanbieden.

Doi Mae Salong. Deze berg wordt bewoond door Yao en Akha en biedt mogelijkheden voor interessante uitstapjes. Langs de weg volgen dorpjes vol stalletjes en markten voor toeristen elkaar op. Het laatste, Santa Kiri, wordt bewoond door afstammelingen van rekruten van het leger van de Kwomintang en moslims uit Yunnan. Het plaatsje heeft een Chinees karakter en is erg toeristisch geworden; hotels en pensions liggen er zij aan zij. Het grootste deel van de goederen op de plaatselijke markt wordt uit China aangevoerd over weggetjes die dwars over de berg lopen.

Het verdwenen leger: Toen de communisten in 1949 de macht in China overnamen, werd het 93ste regiment van het leger van de Kwomintang in Yunnan afgesneden van de troepen van Chiang Kai-Shek, die zich naar Taiwan terugtrokken. Het regiment vestigde zich aan de Thaise grens, ging papaver kweken en bedreef de smokkelhandel. Gedurende meer dan 20 jaar bleef Doi Mae Salong een bastion van de troepen van de Kwomintang. Hun aanwezigheid werd door de regering geduld, omdat ze nuttig werden geacht bij het voorkomen van communistische infiltratie. De Kwomintang heeft zich overgegeven en de regering heeft de leden van het regiment en hun nakomelingen de Thaise nationaliteit toegekend.

Over het water naar Chiang Khong.
Vanuit Chiang Saen brengt een klein bootjetochtje van 2 uur u over de Mekong naar Chiang Khong. Tabaksplantages rijgen zich lang de oevers aaneen, onderbroken door ruiger landschap op de Laotiaanse oever. De route die de twee steden verbindt, gaat over een snelstromend deel van de rivier tussen met bos begroeide bergen. De betrekkingen tussen Thailand en Laos worden beter: Chiang Khong zal daarom waarschijnlijk weer een belangrijke grensplaats worden.

naar boven

Mae Hong Son.

Onderweg naar Mae Hong Son. Na Chiang Mai moet u weg nr. 108 nemen naar het zuidwesten langs de loop van de Ping. Bij Hua Yung slaat u rechts af naar het noorden. De hoofdweg slingert tussen de bergen door. Als u afdaalt in het dal van de Pai, waarin Mae Hong Son ligt, wordt het uitzicht spectaculair.

Ob Luang. Enkele kilometers ten noordwesten van Hot ligt de nauwe kloof met steile wanden. Het is een van de mooiste natuurgebieden van Thailand. Van het Ob Luang-park gaan paden 200 m naar beneden, de kloof in.

Mea Sariang. Is een kleine stad met houten huizen en winkels op de grens met Myanmar (Birma), 104 km van Hot, aan de weg van Chiang Mai naar Mae Hong Son. Als u de gammele brug over de Yuam bent gepasseerd, gaat de weg verder naar de bergen in het grensgebied met Myanmar. Twee tempels in Birmese stijl zijn een bezoek waard: De Wat Utthayarom uit 1896 heeft drie Chedi’s, waarvan één met negen spitsen; De Wat Boonruang heeft rijkere versieringen en bied de monniken onderdak in een interessant lang gebouw op palen.

Ten zuiden na Mae Sariang loopt een aarden pad langs de grens met Tak. Deze weg is niet zo veilig en wordt zelden door toeristen gebruikt.

Mae Hong Son. Een schitterend isolement.  
Mae Hong Son
ligt in het dal, waar de Pai en de Yuam samenstromen. De stad wordt bewaakt door een leeuw van de Wat Phra That.
De stad werd in 1874 gesticht door de vorst van Chiang Mai. Na 1893, toen het gebied werd geannexeerd door het koninkrijk Siam, werd Mae Hong Son de hoofdstad van een nieuwe provincie. Toch bleef de stad geïsoleerd, tot in 1965 een verharde weg voor een verbinding met de rest van het land zorgde. Dit langdurig isolement maakte de stad een verbanningsoord voor leden van de regering die in ongenade waren gevallen.

De Shan, Een Shan Ceremonie, begin april voeren de Shan van Mae Hong Son een kleurrijk ritueel op, bekend onder de naam Poi Sang Long; dan wordt de tijdelijke priesterwijding van de jongens gevierd, een belangrijke stap op weg naar volwassenheid. De novicen zijn gekleed in de kostuums van prinsen (net als Sidharta Gautama) en worden de stad door gedragen op de schouders van "mensenpaarden".

Mae Hong Son, ligt op een plaats die ooit door de Shan werd gebruikt om er olifanten te hoeden die zijn op last van de koning van Chiang Mai hadden gevangen. De Shan hebben dezelfde etnische oorsprong als de Thai en kwamen eeuwen geleden uit het noorden van Birma. Vele werkten als seizoenarbeiders in het oerwoud. In de jaren 1850 werden ze verdreven naar het dal van Mae Hong Son waar zij tegenwoordig 50 procent van de bevolking uitmaken .

Dit rustige stadje ligt in een schilderachtige vallei, omgeven door hoge, bosrijke heuvels, 369 km te noordwesten van Chiang Mai, dicht bij de Birmese grens. Het is precies een half uur vliegen van Chiang Mai, hoewel de lange, hoefijzervormige route over land een meer opwindende reis door een spectaculair landschap biedt, terwijl de weg omhoog, omlaag en om de bergen heen kronkelt (dit is echter wel een reis van 9 à 12 uur lang).

Tot de bezienswaardigheden van dit slaperige plaatsje behoren de met een tempel bekroonde Doi Kong Mu, een 424 m hoge heuvel aan de rand van de stad, vanwaar men een weids uitzicht heeft over Mae Hong Son en de bergen overal in het rond; De Wat Phra Non en de Wat Khan Kho, twee tempels in Birmese stijl nabij de voet van Doi Kong Mu; de Wat Hua Wiang, nabij de markt; en de Wat Chong Kam en de Wat Chong Klang, nog twee tempels in Birmese stijl, aantrekkelijk gelegen aan de rand van het meertje van de stad. Ook de ochtendmarkt (het drukst tussen 6 en 8 uur ‘s ochtend) is de moeite waard om er wat rond te lopen.

De stad tegenwoordig. Mae Hong Son ligt aan de voet van de bergen die met bos zijn begroeid en waarvan de toppen zich in nevels hullen. Er heerst een vredige atmosfeer. Deze rust wordt alleen verstoord door de markt achter het Mae Taa-hotel, waar tussen 6 en 8 uur ‘s ochtends levensmiddelen, kleding en gebruiksvoorwerpen worden uitgestald. U ziet daar leden van verschillende bergvolken. Voor een bezoek aan de tempels die in deze streek verspreid liggen rond het JonkHummeer, moet u de koele wintermaanden kiezen.

De Wat Phra That Doi Kong Mu. De Doi Kong Mu, vaak gesluierd door de ochtendnevel, rijst met zijn 424 m boven Mae Hong Son uit. Op zijn top ligt de Wat Phra That Doi Kong Mu, die u bereikt over een trap die wordt bewaakt door een paar Singha’s in Birmese stijl. De tempel bevat boeddhabeelden en heeft twee Birmese chedi’s (uit 1860 en 1874). In de middag trekt de nevel op en onthult dan een schitterend uitzicht op de stad, het dal en de bergen.

Als de avond valt, brengen de verlichte chedi’s licht in de duisternis.

Loy Krathong. In Mae Hong Son en het hele noorden van Thailand gaat Loy Krathong, het Festival van het Licht, gepaard met een ander feest, Yi Peng ("de tweede maan" volgens de Lan Na-kalender).

Terwijl de Siamese Krathong in de vorm van een lotusbloem een nieuw verschijnsel is, schrijft de traditie voor dat tijdens Yi Peng ter hoogte van Soi Kong Mu papieren luchtballons worden opgelaten, waaraan men wensen hangt die zo naar het paradijs worden overgebracht.

naar boven

Andere Tempels.

De Wat Hua Wiang. Dicht bij de plaats waar elke ochtend markt wordt gehouden ligt deze houten, tegenwoordig bouwvallige tempel. Hij bevat een mooi zittend boeddhabeeld van brons, kopie van een beeld uit Mandalay. Dit is het meest vereerde beeld van de streek.

Een waterval van daken, de Hua Wian is de belangrijkste Wat van de stad. Zijn houten dak heeft etages volgens de voorschriften van de Birmese kunst

De Wat Phra Non. Deze tempel is gebouwd aan de voet van de Doi Kong Mu. Er staan grote, met gips bedekte boeddhabeelden. Twee daarvan, een rustende boeddha van 12 m lang en een zittende hebben realistisch beschilderde gezichten in Birmese stijl. Achter de tempel staan twee beelden van leeuwen, gemaakt in de stijl van Birma. Ze bewaken de toegang tot een verlaten pad, dat naar de top van de Doi Kong Mu leidt. Als u dit pad enkele meters volgt, ontdekt u de Wat Muay Toh, waarvan alleen nog een rij van zes chedi’s op een platform over is.

De Majesteit van een Pauw. De Wat Kham Kho (1890) staat tegen over de Wat Phra Non. De goten van de overdekte promenade die van de hoofdingang naar de Vihara leidt, zijn versierd met Filigreinwerk. Van de vijf boeddhabeelden in de vihara verdient de middelste, die de stijl van Birma vertoont, u speciale aandacht. Voor het altaar staat een schitterende troon in de vorm van een pauw, ingelegd met gekleurd glas, van begin van deze eeuw.

Filigreinwerk; versieringen van Filigrein zijn typisch voor Shan-tempels.

Tweelingtempels. De Wat Chong Klang en de Wat Chong Kham zijn, in Birmese stijl, op één terrein gebouwd. Zij steken uit boven een kokospalmbos aan de rand van een meertje. In de eerste bevindt zich een kamertje dat toegang geeft tot de Vihara en een collectie houten polychrome figuren bevat, die in 1857 uit Birma zijn overgebracht. Ze stellen personages voor uit de Vessantara Jataka, een van de verhalen over de vroegere levens van Boeddha. In de naburig Chong Kam kunt u een zeer vereerd 5 m hoog zittend boeddhabeeld zien van steen en gips.

Een uitgelezen plaats: Een meertje onderbreekt het stratenpatroon van Mae Hong Son. De puntige koepels van de tweeling-wats Chong Klan en Chong Kam spiegelen zich er vredig in.

De Giraffevrouwen.

Aan een bezoekje aan de " vrouwen met een lange nek" (Karen ) ten zuiden van de stad zal waarschijnlijk weinig plezier beleefd worden - er zijn vier vrouwen -, die gevangen gehouden worden om speciaal voor toeristen voor geld "tentoongesteld" te worden.

Afdaling van de Pai-rivier tot het dorp Paduang vaar de bekende giraffevrouwen leven.

naar boven

De bergvolken.  

In de afgelegen bergen, in de grensgebieden met Myanmar (Birma) en Laos, leven volken die elk hun eigen cultuur en tradities hebben bewaard. Behalve de Karen, die sinds onheuglijke tijden in Thailand wonen hebben deze groepen zich pas in de 19de eeuw in de rotsachtige heuvels gevestigd die door de Thaise boeren waren verruild voor de vlakten. Er zijn ook volken die pas kort geleden zijn gearriveerd, op de vlucht voor de oorlogen in Indo-China en de onrust in Birma. De totale bergbevolking, die wordt geschat op een half miljoen, kan in twee etnische groepen worden verdeeld: de Hmong en de Yao behoren tot de Chinees-Tibetaanse groep, de Karen, de Akha, de Lisu en de Lahu tot de Birmees-Tibetaanse groep.

Levenswijze. Deze volken kennen geen vast grondbezit en leven in dorpen die op verschillende hoogten verspreid liggen. Het zijn half-nomaden en zij beoefenen de brandkultuur. Zij laten grond die is uitgeput braak liggen. Er zijn maatregelen genomen om deze schadelijke manier van landbouw tegen te gaan en de bevolking werd in lager gelegen gebieden gehuisvest, op gronden die konden worden geïrrigeerd. De volken kunnen de hitte in de dalen echter slecht verdragen en passen zich moeilijk aan.

De opiumteelt. De opium van de oorlog. Met uitzondering van de Karen kweken alle bergvolken papaver. Het verbouwen van dit gewas werd oorspronkelijk door de Franse regering voorgeschreven tijdens de oorlogen in Indo-China. Opium werd heimelijk verkocht aan benden uit Marseille om de kosten van de oorlog te bestrijden. Toen de Hmong tijdens de oorlog in Vietnam naar het noorden van Thailand trokken, verbreidden ze er de opiumteelt. De Amerikanen moedigden de teelt aan door tussenkomst van de CIA met het doel om in hun geheime oorlog tegen de Pathat Lao de steun van de Hmong te winnen. Tegenwoordig gebruiken de bergvolken niet alleen opium, maar ook heroïne. Zelfs jonge kinderen ontkomen er niet aan.

De opiumteelt. De oorlog van de opium. Het westen kreeg in de gaten welke uitwerking de drug in eigen land had en probeert tegenwoordig een einde te maken aan de opiumteelt, die een belangrijke bron van inkomsten en een machtig politiek wapen in de Derde Wereldlanden is geworden. Keurtroepen blijven in bepaalde landen in de regio de opiumhandel die de westerse markt bevoorraad steunen en oefenen zo druk uit op economische hulpprogramma's.

De langzame omschakeling. Om de papaverteelt tegen te gaan en de bergvolken toch een bron van inkomsten te verzekeren, heeft de koning een plan opgesteld om andere gewassen te laten verbouwen, zoals koffie, verse groente, aardbeien, lynchees, perziken en appels. De verbouw van deze gewassen verloopt erg voorspoedig. Deze inspanningen, die hebben geleid tot een belangrijke afname van de opiumproduktie, gaan vergezeld van het aanbieden van medische zorg en sociaal hulpprogramma. In de dorpen ontvangen de kinderen onderwijs; hun ouders vestigen zich een beetje bij beetje in de dorpjes en dalen van het noorden en slagen er langzaam in zich aan te passen aan de rest van de bevolking.

Noord-Thailand onderscheid zich ook in etnisch opzicht, met een sterke Birmese invloed - het sterkst merkbaar in de kunst en de cultuur van de streek -, terwijl ook Laotiaanse elementen aanwezig zijn. Apart van de maatschappelijke hoofdstroom staan ook de minderheden van de bergstammen, volken van verschillende etnische herkomst die hun eigen talen, religies, gebruiken, klederdrachten en half-autonome manier van leven hebben behouden. Hun culturele identiteit is voor een groot deel intact gebleven en hoewel de oprukkende steden hun dagelijks leven tot op zekere hoogte beïnvloeden, bewonen zij aparte dorpen, waar het levenspatroon nauwelijks veranderd is.

Schattingen van het aantal leden van de stammen uit de heuvels variëren van 25.000 tot 500.000. Er zijn zeven grote stammen.

Op basis van een studie naar de taal kan men de bergstammen in twee groepen indelen: een groep is van de Tibetaanse hoogvlakte afkomstig, de andere groep is meer plaatselijk. In de eerstgenoemde, Sino-Tibetaanse groep horen de Karen, Meo, Yao, Lahu, Lisu en Akha-stammen thuis. In laatstgenoemde Austro-Aziatische groep de Lua, H’tin, Khamu en Mlabri-stammen.

De wijze waarop de bergstammen landbouw bedrijven is verschillend. De bergstammen die naar een ander stuk land trekken, als een stuk land tijdelijk uitgeput is, bezorgen de regering veel problemen.

Niet alleen zijn het deze stammen die opium telen (wat alleen op hoogtes boven de 1.000 meter mogelijk is) maar bovendien veroorzaakt hun kap-en-brand methode een aanzienlijke ontbossing in de noordelijke heuvels.

De Lahu. Dit volk leeft op grote hoogten, is monogaam, en teelt opium samen met andere gewassen door middel van de kap-en-brand methode. Ze aanbidden hun voorouders en geloven in één god, genaamd Geushu. De Lahu, zijn oorspronkelijk uit Tibet afkomstig, hoewel ze via China naar Thailand zijn gekomen. Ze omvatten vier hoofdgroepen in het land, die allemaal met de Thaise naar "Muser" worden aangeduid. Ze zijn in kleine aantallen over de streek verstrooid, en leiden een meer nomadisch leven dan de andere stammen. De traditionele dracht voor de vrouwen is een lange, nauwe rok en een jasje. Hals, borst, mouwen en boord zijn versierd met brede stroken gekleurde stof.

De eerste bergvolken: De Lahu waren de eerste groepen die Thailand binnentrokken aan het eind van de 19de eeuw. Daarna kwamen de Akha, die hun eerste dorpje stichtten in 1905. De grootste stroom trok in de jaren zestig en zeventig het land binnen. In 1983 telden alle bergvolken samen 416.000 personen.

De Akha. Naar men aanneemt is deze bergstam rond 1880 in Thailand gekomen; het zijn rondtrekkende boeren, monogaam, met ingewikkelde rituelen die met de verzoening en aanbidding van voorouders verband houden. De Akha, en van de kleinste, armste en minst ontwikkelde stammen, migreerden oorspronkelijk uit Yunnan in Zuid-China via de Shan-staten in Birma, en hebben zich voor het grootste deel gevestigd in de districten Mae Chan en Mae Sai, ten noorden van Chiang Rai.

Karen. Verreweg de grootste bergstam die voornamelijk het gebied in de buurt van de Birmese grens bevolkt. Ze geven er de voorkeur aan om op lagere hoogtes te wonen, ze zijn monogaam, traceren hun verwantschap via de moeder en zijn pas recentelijk met de opiumteelt begonnen. De Karen, van Thibetaans-Birmese afkomst, zijn inheems in Zuidoost Birma en zijn de talrijkste van de verschillende stammen. Men vindt hun dorpen in het grootste deel van de streek, behalve in het oostelijke gedeelte. Het kostuum van de vrouwen (de mannelijke leden van deze stammen dragen tegenwoordig voor het merendeel de kleren van de Thaise boer) is een lang, los gewaad uit één stuk. Kleuren worden alleen door getrouwde vrouwen gedragen; ongetrouwde meisjes gaan in het wit gekleed.

De Karen: De Karen tellen 250.000 mensen en zijn de belangrijkste etnische groep. Zij leven op geringe hoogte en het zijn kundige landbouwers, die onvruchtbare grond bewerken. De Karen-vrouwen weven katoenen stoffen, vooral rood of oranje, die zij borduren of met kraaltjes versieren.

De Meo of H’mong. Een bevolkingsgroep die veel voorkomt in het zuiden van China; ze traceren hun verwantschap via de vader en de mannen kunnen meerdere vrouwen hebben. Ze leven op grote hoogten en houden zich intensiever met de opiumteelt bezig dan welke andere bergstam ook. De Meo, ook wel Hmong genoemd, treden opvallend op de voorgrond en lijken minder schuw dan leden van andere stammen. Ze zijn een minderheidsgroep uit het zuiden van China (waar ze Miao worden genoemd) en hebben zich merendeels gevestigd in de provincies Chiang Mai, Chiang Rai, Phrae, Lampang en Mae Son. De vrouwen dragen jasjes en plooirokken over broeken die met kleurig borduurwerk zijn versierd. Zij maken en dragen ook grote, ruwe zilveren sierraden. Vroeger woonden de Meo in groten getale in de hooglanden van Vietnam en Laos, maar de laatste jaren zijn ze daar lastig gevallen en vervolgd door Vietnamezen als vergelding voor hun anti-communistische activiteiten (volgens de Vietnamezen door de CIA gesteund) tijdens de oorlog in Indo-China. Velen die er in geslaagd zijn naar Thailand te vluchten, zijn naar de Verenigde Staten geëmigreerd, en in verschillende staten leven nu actieve en grote Meo / Hmong gemeenschappen.

De Yao. Deze bergstam verbouwt droge rijst en graan; deze mensen zijn polygaam en de adoptie van kinderen is er gangbaar. Ze zijn beïnvloed door de Chinese cultuur; het populaire taoïsme heeft hun religie beïnvloedt. De Yao, kwamen oorspronkelijk uit centraal China en migreerden in de eerste helft van onze eeuw via Birma en Laos nar Thailand. Ze hebben veel Chinese tradities bewaard en worden over het algemeen cultureel hoger aangeslagen dan de andere stammen. De meeste van hen zijn te vinden in het noordelijk deel van de provincie Chiang Mai, Chiang Rai en Mae Hong Son. Yao vrouwen zien er schitterend uit in hun bont geborduurde zwarte blouses en broeken, met lange lappen gekleurde stof die vanaf hun middel omlaag hangen. Ze dragen ook grote zwarte of donkerblauwe Turbans, en, hun meest karakteristieke kledingstuk, een rode of roze "dons" om de hals van de blouse.

Een Yao-vrouw: de Yao komen oorspronkelijk uit China en zijn in het begin van deze eeuw Thailand binnengetrokken. Het traditionele kostuum van de Yao-vrouwen bestaat uit een wijde, rijk geborduurde broek, een indigoblauw of zwart hemd, een geborduurde tulband en, ten slotte, een soort boa van rode wol langs de kraag van het hemd.

De Lisu. Deze stam valt onder te verdelen in de Flowery Lisu en de Zwarte Lisu; men doet aan rondtrekkende landbouw op een hoogte van ongeveer 1.000 meter, en teelt opium voor de handel. Zij hebben een sterke sociale structuur en de reputatie als individualisten. Zo’n zestig jaar geleden migreerden groepen Lisu vanuit hun vaderland in Zuid-China naar het noorden. Evenals de Meo zijn ze gewend aan opium te verbouwen en men treft hen merendeels aan in bergachtige gebieden rondom Chiang Dao, Fang, Mae Hong Son en Tak. Ze behoren tot de kleurrijkste onder de stammen. De mannen dragen zwarte jasjes, versierd met zilver en met lange mouwen, en een heldergroene of blauwe slobberbroek. De vrouwen gaan gekleed in kleurige blouses met lange mouwen. De blouses reiken tot de knieën en worden over een broek gedragen. Hun typische hoofdtooi is een turban met lange kwasten.

De Lawa. De Lawa, die mogelijk van Mon-Khmer afkomst zijn, bewoonden dit gebied lang voor de Thais. Tegenwoordig zijn ze ten zuiden en westen van Chiang Mai geconcentreerd. Hun kleding is doorgaans een tamelijk sober kiel-achtig kledingstuk, donkerblauw voor gehuwde vrouwen, wit voor jonge meisjes. Pijp roken is bij de vrouwen heel gewoon.

Lua. Anders dan de andere bergstammen komen de Lua alleen in Noord-Thailand voor en is de stam voor het merendeel in de Thaise samenleving Geïntegreerd. Degenen die in de bergen achter gebleven zijn staan als conservatie bekend.

Kamhu. Deze kleine groep vindt men voornamelijk in de Nan-provincie. Het zijn gedeeltelijk boeren en gedeeltelijk jagers. Hun Sjamanen worden in Laos als heilige mannen beschouwd.

Htin. Deze stam bestaat uit rondtrekkende boeren die volgens de kap-en-brand methode werken; zij wonen alleen in de Nan-provincie. Het zijn animisten, hoewel sommige dorpen boeddhistische tempels hebben.

Mlabri. Deze kleine stam bestaat slechts uit 150 leden; het zijn zogenaamde jagersverzamelaars. Ze hebben geen vaste woonplaats en men verplaatst het kamp iedere drie of vier dagen.

De stammen in de heuvels verlenen kleur en variatie aan de etnische samenstelling van het noorden, maar hun aanwezigheid schept wel problemen voor de centrale regering. Aangezien ze voor het merendeel een trekkend bestaan leiden, hebben moderne politieke grenzen voor hen weinig betekenis. Uitgezonderd de Karen en de Lawa zijn de stammen die vanouds gewend de opiumplant als hun marktgewas te verbouwen. Een ander probleem vormt hun gewoonte grond bouwrijp te maken door de begroeiing om te hakken en te verbranden, wat tot verwoesting van bossen en waterscheidingen heeft geleid, met als gevolg erosie van de bodem. Tegelijkertijd staat hun levensstandaard op een uitermate laag peil.

In een poging aan die problemen een eind te maken en de levensstandaard te verhogen zij van regeringswege een aantal projecten gestart om medische, sociale en onderwijskundige hulp te geven en, wat het belangrijkste is, om alternatieve marktgewassen ingang te doen vinden en de opium te vervangen door fruit en groente, die in het noorden goed kunnen gedijen en waarvoor een behoorlijke markt bestaat.

naar boven

Kanchanaburi.

Op korte afstand van Kanchanaburi (130 kilometer ten noordwesten Bangkok) strekt zich een dichtbegroeide jungle uit vol kronkelende rivieren, waar de geschiedenis sporen van tragedies en heldendom heeft achtergelaten.

Het nationale park van Erawan. De oevers van de Kwai Noi en de Kwai Yai zijn sinds kort een zeer dure vakantiebestemming voor de inwoners van Bangkok. Er staan wonderbaarlijke hotels op de oevers, die men over de weg of over het water kan bereiken en die zijn voorzien van al het moderne comfort, maar er zijn ook eenvoudige hotels op vlotten. De Kwai Yai komt uit in een groot stuwmeer dat wordt gevormd door de Srinakharin-dam. De Kwai Noi, bekender als vakantieoord, doorkruist het Nationaal Park van Sai Yok voor hij uitkomt in een meer dat wordt gevormd door Khao Lam-dam.

Het nationaal park van Erawan. Dit 550 km2 grote gebied werd in 1975 uitgeroepen tot Nationaal Park en wordt omgeven door het Nationaal Park van Sai Yok in het westen, het natuurreservaat van Salak Phra in het zuiden, de rivier de Kwai in het oosten en het Nationaal Park van Srinakharin in het noorden.

De voornaamste bezienswaardigheid is de Erawan-waterval, die 1.500 meter naar beneden valt over zeven niveaus. Het volksgeloof wil dat de rotsformatie boven de waterval op de driekoppige olifant Erawan uit de hindoeïstische mythologie lijkt.

Het park biedt bescherming aan zeer veel diersoorten, waaronder 80 vogelsoorten, gibbons, muntjaks en makaken, maar ook aan een uitgebreide flora. Er zijn twee indrukwekkende grotten, Phrahat en Wang Badang, die de enorme stalactieten en stalagmieten bevatten. Bungalows en slaapzalen staan ter beschikking van bezoekers die in het park willen overnachten.

De Birmaspoorlijn. In juni 1942, zes maanden na het begin van de verovering van Zuidoost-Azië, gaf Japan het bevel om een spoorlijn aan te leggen van Thailand naar Birma als vervanging voor de route over zee naar Rangoon door het Nauw van Malakka, dat toen door de geallieerden werd beheerst. De spoorlijn moest een belangrijke rol gaan spelen bij het transport van goederen en troepen voor de invasie van Brits-Indië. Het was een enorm karwei, want het traject liep door het oerwoud, steile bergen en snelstromende rivieren en de imposante Drie-Pagodenpas.

De Drie-Pagodenpas: Deze pas op de grens met Thailand en Birma (300 meter) was het toneel van de historische doortocht van de Birmese legers tijdens de invasie van Ayutthaya. Ook de Birmaspoorlijn liep eroverheen.

Voor de aanleg gebruiken de Japanners 61.000 geallieerde krijgsgevangenen die gevangen waren genomen in Maleisië, Singapore en Nederlands-Indië en ongeveer 270.000 Aziatische contractarbeiders. Drie jaar later was een bijna onmogelijke opgave voltooid, maar er was een gruwelijke prijs betaald: de spoorlijn had het leven gekost aan meer dan 12.000 geallieerde gevangenen en 240.000 Aziaten: 393 man voor iedere kilometer van een project, dat overlevenden " de Dodenspoorlijn" noemden. De lichamen van 6982 slachtoffers liggen begraven op een Geallieerd Oorlogskerkhof bij Kanchanaburi, waar de spoorlijn begon. En museum bevat getuigenissen van deze krankzinnige onderneming, die een schrijver "het uiterste voorbeeld van waanzin" noemde. De spoorlijn zelf werd door de Engelsen na de oorlog gesloopt, maar er ligt nog een stuk langs de Kwai Yai en paar spoorbruggen zijn herbouwd.

Eind november wordt in Kanchanaburi een kermis gehouden, waarbij een lichtshow met geluid wordt vertoond op de plaats waar de "Bridge on the River Kwai" (gebaseerd op de roman met de zelfde naam).

De Kwai rivier: Kanchanaburi is vooral bekend bij de westerlingen door de succesfilm The Bridge on the River Kwai - in feite op Sri Lanka gefilmd -, gebaseerd op het boek van Pierre Boule. Het verhaal van boek en film is geheel verzonnen.

Fire Pass. Een doorgang van 700 treden naar Birma die door de krijgsgevangen werd uitgehouwen in de rots. Tijdens de afdaling komt u terecht in een groene wereld, waar de lianen zich door het bamboe slingeren.

naar boven

Sai Yok Noi- en Sai Yok Yai-waterval.

Deze watervallen zijn indrukwekkender dan die van Erawan . Sai Yok Noi ligt net voorbij het station van Nam Tok, 77 km. ten noordwesten van Kanchanaburi.
Sai Yok Yai heeft als attractie de Kaeng Lawa-grot en is te bereiken per boot, een 2,5 uur durende tocht vanaf de Pak-Saeng Pier.

Afvaart van de Kwai-rivier per vlot

Boottocht:
Per prauw op de Kwai:
Voert ons door het centrum van Kanchanaburi. Op de oevers van de stroom ziet u zoutmijnen en Chinese begraafplaatsen.

Drakentempel: Is een onvoltooide verlaten tempel.
Wat Tham Seua "Tempel van de Tijger": een mengeling van Chinese en Thaise architectuur.
Halte aan de beroemde brug over de Kwai-rivier.

naar boven

Phuket.

Het eiland Phuket (550 vierkante kilometer) is een tropisch paradijs in de Adamanse Zee. Phuket ligt 920 km ten zuiden van Bangkok en is via de Sarasin-brug met het schiereiland verbonden. Het subtropische klimaat en de witte stranden, die met kristalhelder water worden omspoeld, hebben het eiland tot een internationale toeristische attractie gemaakt. Maar lang voordat Phuket van het toerisme ging profiteren was het al een welvarend eiland door de exploitatie van de tinmijnen.

Phuket en het witte doek: Het natuurschoon van Phuket en de Phang Nga-baai heeft heel wat filmmakers aangesproken. Een gedeelte van de film The Man with the Golden Gun is in de Phang Nga-baai opgenomen, terwijl het binnenland van Phuket is gebruikt in Casualties of War van Brain De Palma en het oude districtskantoor van Phuket-Stad in The Killing Fields verscheen als Franse ambassade.

De zuidelijke keuken: De keuken uit het zuiden van het land heeft de naam de scherpste van heel Thailand te zijn. De meeste restaurants hier bieden, behalve typisch Thaise schotels - vaak met extra veel Spaanse peper erin - Maleisische kost, die door de Indische keuken is beïnvloed, wat te merken is aan het gebruik van kerrie en kurkuma.

Plaatselijke specialiteit: De roze garnalen worden op spiesen geregen en op bamboevlechtwerk te drogen gelegd voordat ze worden gegeten.

naar boven

Geschiedenis.

Het eiland was bekend aan vroegere Arabische en Indische zeevaarders en later, in de 16de en 17de eeuw, aan verschillende westerse ontdekkingsreizigers en handelaren.

Het eiland kende veel roem of rijkdom, Phuket staat al lang op de kaart, letterlijk zelfs, aangezien Claudius Ptolemeüs op zijn kaart van Zuidoost-Azië uit de 2de eeuw n.C. een naamloze projectie zette, die vermoedelijk Phuket is

Het eiland werd toen Junkceylon genoemd .

In de 18de eeuw wist kapitein Francis Light niet of hij nu Phuket of het Maleisische eiland Penang moest opeisen voor de Britten. Hij koos voor het laatste eiland, waardoor Phuket een koloniaal lot bespaard is gebleven.

De Birmanen pikten snel op wat de Britten hadden laten liggen en vielen het eiland voor het eerst aan in 1785. Ze stuiten op grotere weerstand dan ze verwacht hadden, in de vorm van de twee zusters Chan en Muk, die het Birmaanse beleg van het eiland braken.

Het monument der heldinnen: Op de weg van de luchthaven naar Phuket-Stad staat en beeld van twee gewapende vrouwen: de weduwe van de gouverneur van Thailand en zijn zuster (De twee vrouwen worden tegenwoordig geëerd met een standbeeld op een van de kruispunten op het eiland). In 1785 stonden de dames aan het hoofd van het verzet tegen de Birmezen en verdreven ze de bezetters. Ze werden door koning Rama I met een adellijke titel beloond.

Na nog een mislukte Birmaanse invasie heerste er in de 19de eeuw vrede en welvaart, in welke tijd de tinmijnbouw explosief groeide. In de 20ste eeuw is de plaats van tin ingenomen door rubber en toerisme als bron van inkomsten, waardoor de positie van Phuket als rijkste provincie van Thailand gehandhaafd bleef.

Zeelui in de 16de en 17de eeuw kenden het grootste eiland van Thailand als "Junkceylon" of "Junkcelaon".

De huidige naam Phuket is vrij recent en is afgeleid van het Maleisische woord Bukit (‘heuvel’ ). Ondanks de piraten die de Andamanse Zee onveilig maakten, brachten de rijkdommen van het eiland (grijs amber, rinoceroshoorn, zeldzame koralen en vogelnestjes) al snel Chinese en Indiase handelaren naar het eiland. Ook de Hollanders dreven handel in parels en tin, waarvan men dacht dat de voorraad onuitputtelijk was. In de 19de eeuw deed de enorme groei van de tinindustrie, die samenhing met de bloeiende Siamese exporthandel, duizenden Chinese mijnwerkers naar Phuket komen, van wie sommigen snel rijk werden. De open groeven raakten spoedig uitgeput maar de ontdekking van onderzeese vindplaatsen bracht de produktie weer op gang.

In 1903 luidde de introductie van de eerste rubberbomen het begin van de rubberindustrie in, wat de tweede bron van inkomsten van het eiland werd, gevolgd door de visserij en de verbouw van kokos en rijst. Zo werd Phuket de rijkste provincie van Thailand: het inkomen per hoofd van de bevolking ligt hier het hoogst. Toen de Sarasin-brug, die het eiland met het continent verbindt, in het begin van de jaren zeventig was voltooid, begonnen de toeristen uit het westen toe te stromen. Wegen werden dwars door de bergen aangelegd naar de stranden van de westkust. Hierdoor werd het een zeer belangrijke toeristische bestemmingen in Azië.

naar boven

Phuket-Stad.  
De hoofdstad van het eiland (50.000 inwoners) werd in 1850 gesticht nadat de Birmezen Thalang hadden verwoest. Ondanks het feit dat er de laatste jaren vele boetieks, flatgebouwen en modern karakterloze hotels zijn neergezet, verlenen de elegante verblijven die de tinbaronnen in deze eeuw lieten bouwen, de overheidsgebouwen in koloniale stijl en de oude Chinees-Portugese boetiekjes in het centrum de stad een geheel eigen charme.

Oude huizen: Phuket-Stad heeft veel van zijn charme te danken aan de oude Chinees-Portugese huizen. De meeste zijn in de 19de eeuw gebouwd door koelies die in de tinmijnen op het eiland kwamen werken.

De Markt op Rasada Road tegenover het minibusstation in bijzonder levendig: tussen de kleurrijke stalletjes met vis, fruit, groente en kruiden verdringen zich bedrijvige kooplui en klanten die aan het afdingen zijn.

Vanaf de berg Khao Rang hebt u een grandioos uitzicht over de stad en de zee met de vele eilandjes

Het aquarium van Kaap Phanwa. Het Centrum van Biologisch Maritiem Onderzoek dat op Kaap Phanwa gevestigd is, 25 km te zuidoosten van Phuket-Stad, in uitgerust met een magnifiek tropisch aquarium. Het centrum beschikt ook over broedmachines waarin de eieren worden uitgebroeid die de reusachtige zeeschildpadden tussen november en februari op de kust komen leggen.

De haven van Phuket. Deze haven ten oosten van de provinciehoofdstad richt zich volledig op de zeevisserij. De plaatselijke vloot telt ongeveer 350 treilers, die ter hoogte van het eiland vissen of op de open zee in de Indische Oceaan. Er wordt ongeveer 40.000 ton vis per jaar gevangen. Het is altijd weer een prachtig gezicht als vroeg in de morgen de schepen terugkeren en de netten worden geleegd.

naar boven

De Chinese Tempels.  
De tempels in Phuket getuigen van de aanwezigheid van een Chinese gemeenschap. De tempel van Put Jam in Phuket-Stad wordt het meest geëerd. Zoals veel Chinese heiligdommen in Zuidoost-Azië is deze tempel gewijd aan Guan Yin, de Godin der Barmhartigheid. In het dorp Katu bevindt zich een ander tempel, waar het eerste vegetarische festival onder het bewind van Rama V werd gehouden. Beide tempels zijn in het bezit van beelden van diverse goden en godinnen.

Het Vegetarische Festival. Dit feest vindt elk jaar in oktober plaats en duurt tien dagen. Het vindt zijn oorsprong in een dansfestijn dat in de vorige eeuw door Chinese mijnwerkers werd georganiseerd om op deze manier kwade geesten te verjagen die een mysterieuze koortsepidemie (malaria) zouden hebben veroorzaakt. Dit festival, dat de aanleiding is tot processies en ceremonies in de verschillende Chinese tempels op het eiland, brengt duizenden gelovigen bijeen die een ‘zuiverend’ vegetarisch dieet volgen. Enkele deelnemers zijn in een diepe trance en stellen zich bloot aan een serie fysieke beproevingen, kennelijk zonder pijn te voelen. Ze lopen over gloeiende kolen of ze doorboren hun wangen met metalen spiesen. Deze praktijken, die weinig verbreid zijn in China, zijn waarschijnlijk uit India afkomstig.

naar boven

De Boeddhistische Tempels
Hoewel Phuket veel moslims telt en er 30 moskeeën te vinden zijn, is ongeveer 60 % van de bevolking van het eiland boeddhist. De Wat Chalong, 6 km ten zuiden van Phuket-Stad, het belangrijkste heiligdom. Hier staan twee beelden van bonzen, die er in 1876 in slaagden een opstand van Chinese mijnwerkers tegen te houden. Aan de beelden worden bloemen en wierook geofferd. De Wat Phra Thong, op weg naar het vliegveld, beschermt een boeddhabeeld, dat naar wordt beweerd, geheel is gemaakt van goud. Nadat het was ontdekt door een boer, heeft men het beeld in de grond gelaten en er een tempel ter bescherming overheen gebouwd.

De grote roker .: Luang Pho Chaem, de priester van de Wat Chalong, die trouwens een verstokt roker was, werd aan het einde van de 19de eeuw beroemd omdat hij zo goed breuken kon zetten. Dit bleek vooral bijzonder handig te zijn bij de opstand van de Chinese mijnwerkers in 1876. Het standbeeld dat men ter ere van hem in het klooster neerzette, wordt nog altijd overladen met offeranden. Vooral aangestoken sigaretten die in de mond van het beeld worden gestopt, zijn een geliefde gift. Door een vleugje wind brandt de sigaret langzaam op en zo lijkt het net alsof het beeld leeft.

Lak Muang: In Tha Rua kunt u de vestingmuren bewonderen van Thalang, de oude hoofdstad van het eiland. Ook ziet u de Lak Muang, een stenen zuil die het centrum van de stad aangeeft en de beschermheilige van de stad herbergt.

naar boven

Stranden.

Aan de westkant van het eiland liggen de allermooiste stranden - enkele zijn helaas gevaarlijk vanwege de stromingen, vooral tijdens de moesson. Binnenkort zullen alle stranden door middel van een weg met elkaar verbonden zijn.

Hat Patong: Dit strand ligt 20 km ten westen van Phuket-Stad en omsluit een uitgestrekte baai die door groene heuvels in omringd. Patong werd beschouwd als het mooiste strand van Phuket en werd daarom ook het eerste geëxploiteerd. In enkele jaren tijd heeft het vissersdorpje plaats gemaakt voor een chique badplaats, waar hotels, restaurants, boetieks en bars uitkijken over een opmerkelijk schone turkooizen zee. U kunt hier duiken, windsurfen en parasailen of u kunt een boot huren om de ruigere stranden te ontdekken. Het uitgaangsleven van Patong trekt bezoekers van over het hele eiland. Het geknetter van de motoren overstemt vaak het geluid van de golven en de charmes van de barmeisjes kunnen u wel eens doen vergeten hoe idyllisch de tropennacht buiten eigelijk is.

Mai Khaa en Nai Yang: Deze twee stranden vormen met zo’n 16 km het langste stuk strand van Phuket. Dit zijn de noordelijkste stranden van het eiland en ongetwijfeld ook de rustigste.

Reuzenschildpadden komen hier elk jaar, tussen november en februari, 
om hun eieren te begraven in het zand van Mai Khao:  
Het langste strand van het eiland (9 km).

Nai Yang: Waar enkele bungalows en een groot hotel staan, leent zich uitstekend voor het diepzeeduiken.

Ban Tao: Een 8 km lang strand waar vier internationale standaardhotels verrassend goed opgaan in het weidse landschap.

Pansea: Een deel van dit schitterende strand hoort bij het Pansea Phuket Bay Resort, dat halverwege de heuvel bungalows op palen heeft.

Surin: Dit lange strand aan de voet van steile hellingen is bijzonder geliefd bij Thaise toeristen. Het zeer luxueuze hotel Amanpuri dat in Thaise stijl is gebouwd, springt direct in het oog.

Pas op, de sterke stromingen maken het hier gevaarlijk zwemmen .

Kamala: Hier bevindt zich een van weinige islamitische vissersdorpen van Phuket, waar men nog een glimp kan opvangen van de traditionele manier van leven.

Karon: Karon bestaat eigelijk uit twee stranden. Karon Noi of Relax Bay, een kleine idyllische baai, waar het hotel Meridien staat, en Karon Yai, een veel langer strand met bungalows en hotels.

Kata: Kata is net als Karon verdeeld in Kata Yai (groot Kata) en Kata Noi (klein Kata). Op Kata Yai is Club Méditerranée gevestigd en Kata Noi wordt bijna geheel in beslag genomen door het hotel Kata Thani en enkele bungalows. U kunt hier zeilen en windsurfen.

Nai Han: Het zuidelijkste strand ligt aan een heerlijke baai aan de voorkant en een lagune aan de achterkant. Er is een luxe hotel, maar er zijn weinig andere projecten.

Op dit relatief rustige strand zijn de Phuket Yacht Club en enkele bungalows te vinden. U hebt hier een fraai uitzicht op de Kaap Phrom Thep.

Leam Phrom Thep: Deze rotsige kaap, is het zuidelijkste puntje van Phuket, biedt u een panoramisch uitzicht op de zee met de vele eilandjes.

Toeristen en eilandbewoners wandelen in een befaamd stuk natuurschoon en een favoriete uitkijkpost om de spectaculaire zonsondergangen van Phuket te bekijken en genieten.

Kah Keo: Dat ter hoogte van Leam Phrom Thep ligt, is het fraaiste kusteiland. Op het eiland bevindt zich een boeddhistisch klooster met een sierlijke Chedi.

Rawai: Rawai is een ongekunsteld strand, omgeven door kokospalmen, die gelegen is aan een ondiepe baai. Rawai leent zich niet voor watersporten aangezien de zee bij eb ontoegankelijk is.

Er woont een kleine gemeenschap van zeezigeuners, maar ze duiken helaas nog maar zelden naar schelpen. U kunt de vissers echter vergezellen bij hun tochten op zee.

De zeezigeuners, of Chao Ley, zijn waarschijnlijk de oudste bewoners van Phuket. Terwijl sommigen nog steeds op hun boten in de Adamanse Zee wonen, hebben anderen zich op het eiland gevestigd. Hun huisjes staan vlak bij de zee die ze zo goed kennen. De zeezigeuners komen aan de kost met vissen, het opduiken van schelpen en het verzamelen van eetbare vogelnestjes, die ze op hoge kalksteenkliffen en boven in grotten moeten zien te bemachtigen.

Schelpen: In de wateren rond Phuket zijn vele prachtige schelpen verborgen. Sommige handelaars die zich niet druk maken over het behoud van dit kostbare natuurschoon, hebben duikers in dienst om op grote diepten naar de zeldzaamste exemplaren te zoeken. Ze verkopen de vondsten aan verzamelaars van over de hele wereld.

naar boven

De rubberplantages. In 1903 stortte, Phuket zich op de rubberproduktie - ongeveer twintig jaar nadat de direkteur van de Botanische Tuin van Singapore de eerste rubberboomzaden in Zuidoost-Azië had geïntroduceerd. De grote plantages (15.000 ha) die u tegenwoordig op het eiland kunt zien, produceren ongeveer 14.000 ton droge latex per jaar. Thailand is tegenwoordig dan ook een van de grootste rubberexporteurs ter wereld.

Het Nationaal Park Khao Phra Thaeo. In dit park van 2.000 ha, ten oosten van Thalang, bevinden zich die laatste resten van het moessonbos waarmee Phuket ooit geheel was bedekt. Sommige soorten zoals de Yang, zijn meer dan 40 m. hoog. Vlak bij de ingang kunt u de waterval Tone Sai bewonderen.

naar boven

De kusteilanden.

De 39 eilanden die verspreid rond Phuket liggen, voor het merendeel onbewoond zijn en met een dicht woud bedekt, zijn gemakkelijk bereikbaar met de boot vanaf Patong en Rawai. Koh Hai, ‘het koraleneiland’, dat 5 km ten oosten van de Kaap Phrom Thep ligt, is bijzonder geliefd bij diepzeeduikers. De oostkust van Koh Mai Thon, 7 km vanaf Kaap Phanwa, heeft prachtige stranden. Meer naar het noorden duiken Nakha Yai en Nakha Noi op. Op Nakha Yai kunt u parelkwekerij bezoeken. Maar nog veel meer andere paradijselijke eilandjes rijgen zich hier aaneen en zijn zeker een bezoek waard.

naar boven

De Phang Nga -Baai.
In het Tertiair was de huidige Phang Nga-baai nog een vlakte vol met kalksteenmassieven.
Meer dan 10.000 jaar geleden veroorzaakte het smelten van de gletsjers een verhoging van het zeeniveau. De valleien stroomden vol water en de vele toppen die boven water uitstaken, vormden een van de uitzonderlijkste landschappen van onze planeet. De Phang Nga-baai ligt 50 km ten noordoosten van Phuket (een tocht van drie uur per boot) en is met het omringende landschap tot nationaal zeepark uitgeroepen.

De berg van de Olifantsgod. De naam Phang Nga verwijst naar de kalksteenberg die zich boven het gelijknamige stadje verheft. Volgens de legende hadden boeren uit de streek bij vergissing een Olifantsgod aangevallen en gedood. Deze zou toen in steen zijn veranderd. Het machtige klif zou dit versteende dier zijn, met de afgehouwen slagtanden aan weerszijden leunend.

In het zuiden van Thailand bedekken de mangroven enorme kalkgebieden, die al miljoenen jaren onder water staan. In de loop van de millennia zijn de mangroven gegroeid of gekrompen, al naar gelang de veranderingen van de zeespiegel.

Dit tegenwoordig beschermde natuurgebied bestaat uit ongeveer 40 spectaculair gevormde eilandjes, vol onontdekte grotten en weelderige begroeiing; enkele eilanden hebben toppen die wel 300 meter hoog zijn. De motorboten waarmee u de baai kunt bezoeken, vertrekken vanuit het stadje Phang Nga.

Natuurlijke beelden: Vele van de eilandjes in de baai hebben door erosie van het kalksteen een speciale vorm gekregen.

De meeste hebben een bijnaam gekregen vanwege hun vorm : het Eiland van de Jonge Hond, van de Olifant, van het Reuzinnenhoofd ... Op sommige zijn ondergelopen grotten met stalactieten te vinden.

Tijdens de tocht komt u eerst door een dicht mangrovebos vol met Java-apen, enorme fruitetende vleermuizen, Aziatische kalongs genaamd (de zogenaamde vliegende honden) en talloze vogelsoorten. Vooral ijsvogels, zeearenden en zilverreigers komen hier veel voor. Dan doemt achter een bocht in de zeearm de schitterend blauwe baai op, waaruit zover het oog reikt massa’s hoge kalkstenen toppen verrijzen. De meeste bezoekers maken een dagtocht vanuit Phuket of Krabi, maar u kunt ook overnachten in Phang Nga of in het vissersdorpje op Koh Panyi.

Doorsnede van een mangrove: De moeras gebieden langs de kust zijn doortrokken van waterstroompjes die meegaan met het tij. De moerasbomen, die herkenbaar zijn aan hun (lucht) wortels, groeien tot de laagste vloedlijn - daarbuiten kunnen hun wortels niet genoeg zuurstof krijgen. Als men de bovenste vloedlijn passeert, begint het landschap steeds meer op een tropische jungle te lijken. In het modderige water leeft een groot aantal zeedieren, waaronder schelpdieren, krabben en weekdieren. De mangrove is een bostype dat voorkomt op moerasachtige kustvlakten in de tropische zone. Op de slijkgrond, onderworpen aan de cyclus van eb en vloed en doordrenkt met zout, groeien moerasbomen met luchtwortels. Deze bomen zijn uitzonderlijk sterk en in staat om afzettingen die door de rivieren worden meegevoerd vast te houden. Zij ontwikkelen zich zeer snel en winnen langzaam terrein op de zee. Meer landinwaarts neemt de vegetatie de vorm aan van een dicht, laag woud. Mangroven en de bossen daarachter vormen zo langs de kust een ondoordringbare gordel van vegetatie, die wel 20 km breed kan worden.

Java-apen, zij leven in groepen in de bomen van de mangroven. Bij laag tij dalen zij af om schaaldieren en vissen te vangen.

naar boven

Het Nationaal Park Phang Nga.  
Het hoofdkantoor van dit zeepark ligt aan de weg nr. 4144. Het is een belevenis om per boot dit moeraslandschap te bezoeken. U vaart door zeearmen waarlangs mangroven en palmbomen groeien. Tussen hun wortels verschuilen zich zeegrondels die door het moeras kunnen lopen (deze vissen kunnen zich met behulp van hun buikvinnen verbazingwekkend snel op het land voortbewegen), wenkkrabben en hagedissen.

Het mangrovebos biedt trouwens onderdak aan talloze kleurrijke vogels.

Kleurrijke vogels: De Bandijsvogels, Blauwe Reigers, Aalscholvers zij behoren tot de veel voorkomende soorten die de moeraslanden aan de kust bevolken.

Van hier kunt u een ontdekkingstocht beginnen naar de eilandjes in de baai, waarop soms Hongs ( Hongs: betekent kamers) te vinden zijn, grotten met ingezakte daken.

naar boven

Koh Khao Khain. Op "het Eiland van de Beschreven Berg"  
bevindt zich een grot waarvan de wanden zijn bedekt met primitieve afbeeldingen van mensen en dieren - dolfijnen, haaien en krokodillen. De grotschilderingen, die zichtbaar zijn vanaf zee, zee waarschijnlijk 3.000 tot 4.000 jaar geleden gemaakt.

Indische krokodil, de mangrove vormt een ideale habitat voor deze krokodil, die net zo goed leeft in zout als in zoet water. Ontbossing en visteelt leiden ertoe dat de soort snel in aantal afneemt.

De nachtboomslang, deze giftige slang is herkenbaar aan de gele ringen en leeft uitsluitend in bomen.

Koh Panyi. Dit islamitische vissersdorpje ligt aan de voet van een kalksteenplateau dat het dorp beschermt tegen moessons. De huizen en winkeltjes zijn gebouwd op palen die in het water staan en zijn door pontons met elkaar verbonden.

Koh Panyi is een verplichte stop voor toeristen die de baai bezoeken.
U treft hier een aantal prima visrestaurants.

Koh Mak. Koh Mak is vlak en rond, tegenstelling tot de andere eilandjes in de baai. Op het eiland vindt u prachtige stranden en een islamitisch vissersdorpje.

Koh Hong . Hong betekent ‘kamer’ in het Thais . Dit vreemd gevormde eiland, dat deel uitmaakt van de gelijknamige archipel, omsluit een kleine binnenlagune. Allen kleine bootjes hebben via een tunnel toegang tot deze ‘kamer’, die een eldorado voor duikers en fotografen is.

Tham Keo. De naam ‘Glazen Grot’ dank de grot aan haar verblindend witte stalactieten die haar doen schitteren. Bezoekers kunnen met kleine bootjes naar binnen varen en hebben dan toegang tot een andere spelonk die over de zee hangt.

Koh Phing Kan. Dit eilandje bestaat uit twee rotsformaties die tegen elkaar leunen - ‘twee geliefden’ zegt men hier - maar Koh Phing Kan is voor alles het ‘James Bond-eiland’ omdat er in 1974 enkele scènes van The Man With The Golden Gun zijn opgenomen. Het kleine eiland wordt voortdurend overspoeld door clandestiene marktkooplui die zich op de toeristen storten die hier komen pauzeren.

naar boven

De Phi Phi-Eilanden.

Ongeveer twee uur per boot van zowel Phuket als Krabi liggen de adembenemend mooie Phi Phi-eilanden. Hun ongerepte stranden en turkooizen baaien nodigen uit tot luieren of snorkelen.

De beide eilanden zijn samen met het strand Nopparat Tahra bij Krabi op het vasteland tot nationaal park uitgeroepen.

Koh Phi Phi Don. I s het grootste van de twee eilanden en wordt gevormd door twee grillige stukken die door een landtong met elkaar verbonden zijn. Bezoekers komen met de boten vanuit Krabi of Phuket meestal aan in het haventje Ton Sai - aan de gelijknamige baai - die aan een kant door begroeide kalkstenen kliffen wordt beschut en aan de andere kant door lage heuvels. Het strand van Ton Sai, omzoomt door restaurants en souvenirwinkels heeft veel van zijn rust verloren.

Excursies naar de Phi Phi-eilanden:
U kunt de Phi Phi-eilanden bereiken vanaf Phuket of vanuit Krabi u vertrekt per boot vanuit Phuket-Stad, Chalong of Rawai tegen 8 uur en u keert op z’n vroegst terug tegen 15.30 uur. U kunt ook een vissersbootje huren.

Informeer eerst naar het weerbericht: de zee kan nogal onrustig zijn. In de moessontijd, van juni tot september, vinden er geen overtochten plaats.

Veel mensen gaan dan ook liever naar Hat Yao (‘het Grote Strand’), aan de zuidoostpunt van het eiland, of ze steken de smalle landtong achter het dorpje Ton Sai over en gaan naar de Lodalam-baai, een lagune vol schelpen en lichtgevende vissen.

naar boven

Koh Phi Phi Le.
Het eiland is kleiner en ook spectaculairder, met steile kalkstenen kliffen die honderden meters hoog zijn. Boven de pier bevindt zich een immense kathedraalachtige grot, bezet met stalagmieten en stalactieten.

Grot behalve de klipzwaluwen leeft er in de grotten een groot aantal holtedieren, waaronder verschillende soorten vleermuizen. Spanrupsvlinders, kakkerlakken en andere insekten leven van de uitwerpselen van de klipzwaluwen en de vleermuizen. Deze insekten zijn zelf weer de prooi van luizen, duizendpoten en hagedissen. Ten slotte worden de grotten bezocht door de natuurlijke vijanden van de klipzwaluwen: slangen, eieretende sprinkhanen en roofvogels.

Deze wordt de " VIKINGSGROT" genoemd omdat de muur vlak bij de ingang versierd is met geheimzinnige primitieve schilderingen van zeilboten die op vikingsboten lijken. Het eiland telt vele inhammen met ivoorkleurige stranden waar de golven zachtjes komen aanrollen. Zo vindt u langs de door kliffen omsloten Maya-baai drie ongerepte stranden. De baai staat bekend om de aanwezigheid van prachtige exotische vissen.

Phi Phi Le is nog niet aangetast door het toerisme dank zij de machtige handel in vogelnestjes die de huizenbouw op het eiland verbiedt, de huizen van de mensen die de nestjes oogsten uitgezonderd.

Vogelnestjes: Thailand is de voornaamste producent van vogelnestjes, de nesten van de klipzwaluwen, familie van de gierzwaluw. Zij zijn sinds de 17de eeuw bij Chinese fijnproevers een gewild gerecht. Plaatselijk zijn de klipzwaluwen bekend onder de naam not kin lom, ‘windvreters’. Zij nestelen in grotten aan de zuidwestkust en op de eilanden. Zij stoten geluidsgolven uit met een frequentie van 20 Hz., waardoor zij in staat zijn zich in het donker te oriënteren door de echo die wordt weerkaatst door de rotswanden. Dit systeem is niet zo geperfectioneerd als bij de vleermuizen en niet gevoelig genoeg om er insekten mee te vangen waarvan zij leven.

De bouw van het nest door kokhalzen roept de klipzwaluw speekselvorming op en door kauwbewegingen met zijn snavel maakt hij een plakmiddel. Hij brengt dit aan op de rand van het nest. De bouw van het nest begint met een bolletje hard geworden speeksel, dat aan de rotswand wordt vastgemaakt. De randen worden gevormd door steeds weer lagen speeksel aan te brengen tot een bolvormig nest is verkregen.

naar boven

Vogelnestjes.
In de talrijke diepe grotten van de grillige rotsen van Koh Phi Phi Le worden de vogelnestjes verzameld. De nestjes, die ongeveer 5 cm in doorsnee zijn, worden door de Callocalia esculente - een soort zwaluw met een gevorkte staart - gemaakt van zijn plakkerige speekseldraden. Ze worden verzameld door de zeezigeuners, die in diepe duisternis steigers van bamboe beklimmen, die tegen de rotswanden staan opgesteld. De nestjes worden door de Chinezen (vogelnestjessoep) hoog gewaardeerd vanwege hun hoge voedingswaarde en worden in geheel Azië zeer duur betaald.

Vogelnestjes verzamelen: Er zijn twee soorten klipzwaluwen die eetbare nesten voortbrengen: die met de zwarte en die met de witte nesten. De witte nesten zijn volledig uit speeksel gemaakt, de zwarte krijgen hun kleur van de veren die de vogel door zijn speeksel mengt om de structuur te verstevigen. Bloedrode nesten de rode kleur van deze nesten, die zeer goed zijn komt niet van het bloed van de vogels, zoals het verhaal wil, maar van een stof die de grotten binnensijpeld.

Het oogsten van de nesten de oogst vindt plaats van februari tot juli, tijdens het broedseizoen . Om bij de nesten te komen, die soms meer dan 100 meter hoog tegen de rotswand zitten, net onder het dak van de grot, hebben de ‘zeezigeuners’ enorme bamboesteigers gebouwd, die ze bij het licht van een zaklantaarn zonder angst beklimmen.

Vogelnestjessoep. De soep wordt gemaakt met traditionele ingrediënten (ramboetan, gedroogde zeeoren, gemberwortel, jujubes, suikerbrood, bruine suiker, haaievinnen en gedroogde kikkers) en al eeuwenlang door de Chinese geneeskunde beschouwd als een middel tegen verkoudheid en tuberculose. De heilzame werking is bevestigd door de recente ontdekking van een glycoproteïnen die groei en celdeling in het immuunsysteem bevordert.

De prijs van de nesten. De prijzen variëren nogal: de witte nesten zijn het duurst, vooral wanneer zij in de broedtijd zijn geoogst. Ze zijn heel dik en doorzichtig wit en worden twintig keer zo groot als zij in water te weken worden gelegd. Een andere soort nesten, fijner en met grauwere kleur, is minder gezocht.

naar boven

Het Nationaal Park Koh Similan.
Ongeveer 100 km ten noordwesten van Phuket in de Adamanse Zee ligt de Similan-archipel, die zich over een oppervlakte van 128 km2 uitstrekt.

Deze bestaat uit negen kleine eilandjes - ‘sembilan’ betekent ‘negen’ in het Maleisisch - en werd in 1982 tot Nationaal Park verklaard.

De eilanden waren lange tijd verlaten, maar werden af en toe bezocht door zeezigeuners, die schelpen en langoesten op de koraalriffen kwamen oogsten. Maar de laatste jaren trekken de onderwaterrijkdommen duiksporters uit de hele wereld. In de wateren van de archipel zijn inderdaad meer dan 200 verschillende koralen en honderden kleurrijke vissen te ontdekken, zoals enorme zeewaaiers, sponsen, mantra’s en potvissen.

Zeeschildpadden komen op de stranden hun eieren leggen en op de eilanden leven Java-apen, slank-apen, vleermuizen en ongeveer 30 soorten vogels.

De zeeschildpadden sterven uit. Met een beetje geluk ziet u als het donker is de lederschildpadden, die aan land komen om een luchtje te scheppen. Maar wees voorzichtig, want iedere verdachte beweging kan hen doen besluiten naar het water terug te keren, waar ze van uitputting kunnen verdrinken. De lederschildpadden komen op deze stranden ook hun eieren leggen (in 50 cm diepe kuilen kunnen ze wel 150 eieren leggen). Na vijftig tot zestig dagen breekt het broedsel uit het ei en kruipt het naar zee, afgaand op de weerkaatsing van het maanlicht.

De jongen zijn door kunstlicht, zoals cameraflitsen en zaklampen, al gauw afgeleid, zodat ze kunnen verdwalen en een gemakkelijke prooi vormen voor de jagers. De lederschildpadden, die worden gevangen om hun vlees en hun leer, zijn momenteel met uitsterven bedreigd.

naar boven

Krabi en de kusteilanden.

De provincie Krabi en het kuststadje Krabi, gelegen aan de gelijknamige rivier op ongeveer 800 km van Bangkok op het vasteland tegenover Phuket en ten zuiden van Phang Nga, heeft vermoedelijk de meeste schilderachtige kustlijn van Thailand en in de nabije toekomst de badplaats van het Thaise schiereiland wordt.

Hij bestaat uit kalksteen dat steile rotsen op het land vormt en eilanden voor de kust. Het binnenland wordt gekenmerkt door heuvels, palmbossen en rubberplantages; de stranden van het gebied worden ontwikkeld ten bate van het toerisme, maar Krabi is momenteel nog steeds een betere keus van Phuket of Samui.

Het eiland is net zoals Phuket en Koh Samui in de zeventig, een paar jaar geleden bij toeval ‘ontdekt’ door trekkers en watersporters. De recente bouw van restaurants, winkels en hotels wijst op de komst van een welgestelder publiek. Krabi en omgeving hebben veel te bieden: prachtige stranden met duizelingwekkende kliffen, helder water dat zeer geschikt is voor diepzeeduikers, een veld met fossiele schelpen van 75 miljoen jaar oud, fascinerende grotten, enorme mangrovebossen, grote rubberplantages, een Nationaal Park (het Khao Phanom Bancha) en de nabijheid van 80 kusteilandjes. Krabi moet de snelle, ongebreidelde ontwikkeling, die vele stranden van Phuket en andere badplaatsen veel schade heeft aangebracht, zien te vermijden.

Hat Noppharat Thara. Dit 2 km lange, door casuarina-bomen omzoomde strand ligt 18 km ten noordwesten van de stad Krabi en is deel van een nationaal zeepark. Het strand is geliefd bij plaatselijke picknickers, maar verder weinig ontwikkeld.

Ao Nang: Dit is het belangrijkste strand van Krabi, een lang zandstrand, dat gemakkelijk over de weg bereikbaar is. Voor de kust liggen talrijke eilanden en op de zuidpunt van het eiland ligt Laem Phra Nang. Deze betoverende kaap is alleen te bereiken per boot en heeft drie schitterende stranden (Ao Phra Nang, het beste strand, en west- en oost-Railae). Op de kaap liggen ook de Phra Nang-grot, aan het strand en met een heiligdom voor de geest van Phra Nang, en de Prinsessepoel’, hoog in de rotsen.

naar boven

De stad Krabi.  
De markt en scheepswerf van Krabi, een bescheiden samenraapsel aan de monding van de rivier de Krabi, zijn leuk voor een wandeling vanwege hun couleur lokale.

Ook een bezienswaardigheid is de berg Khanab Nam , een interessante rotsformatie in de rivier.

Schelpenbegraafplaats. De schelpenbegraafplaats ( Su San Hoi ) wordt veel geroemd in de reclamefolders van Krabi. Het is een strand van fossiele lagen kalksteen en schelpen van 75 miljoen jaar oud. Het blijkbaar een zeldzaam fenomeen, al is het niet opwindender om te zien dan de gebroken betonen palen van een promenade langs de zee.

Hat Su San Hoi. Het strand Hat Su San Hoi, ‘het Schelpenkerkhof’ , ligt 18 km ten westen van Krabi, vlak bij het dorpje Laem Pko. Het strand ligt vol met fossielen van schelpen - sommige zijn 75 miljoen jaar oud - die indrukwekkende concreties hebben gevormd. Dit verschijnsel komt enkel voor in Japan en de Verenigde Staten.

Wat Tham Sua. Het Tijgergrotklooster , zoals de vertaling luidt, ligt vanaf de stad Krabi ongeveer 7 km naar het binnenland. Het is een beroemd bosklooster in een boomrijke vallei, omgeven door hoge rotsen waar monniken meditatiecellen hebben in de monden van grotten. De omgeving is heel bijzonder en sfeervol.

Nationaal Park Tham Bokkhorani. Deze populaire plek aan een afslag van de grote snelweg van Krabi naar Phang Na, ongeveer 46 km van de stad, wordt omsloten door kalksteengrotten die het onwerkelijke karakter van de omgeving versterken. De meeste aandacht trekt een grote lotusvijver, die wordt gevoed door een waterval die van de rotsen er boven naar beneden stort.

naar boven

De stranden
De stranden van Krabi zijn nog ongerept en buitengewoon mooi. Het best bereikbaar vanaf Krabi is Hat Nang, gelegen aan een brede ondiepe baai. U vindt hier ook enkele hotel-bungalows en restaurants.

Als u naar de stad wil gaan, neemt u een van de ‘long-tailboten’ en bevaart u de rivier Krabi, die wordt geflankeerd door mangroven. Ongeveer 2 km ten noorden van Ao Nang en 18 km van Krabi ligt, in de schaduw van casuarina’s, het strand Nopparat Thara, dat samen met de Phi Phi-eilanden deel uitmaakt van een zeepark.

Nog indrukwekkender zijn de stranden die zich aan beide zijden van Kaap Phra Nang uitstrekken en die alleen per boot te bereiken zijn. Hat Re Lai, ten oosten van Laem Phra Nang, wordt omsloten door imposante rotsen en loopt in het zuiden uit in een groot koraalrif.

Na een andere kaap gepasseerd te zijn, komt u op een langgerekt strand met palmbomen, dat door veel bezoekers als het mooiste dan deze streek wordt beschouwd. Een koraalrif, dat goed is voor een mooie duik, verbindt het met het eilandje Koh Nang.

Palmolie. In de buurt van Krabi ziet u uitgestrekte oliepalmplantages. De uit Afrika afkomstige oliepalmen zijn door Hollanders in Indonesië geïntroduceerd. Palmolie wordt in de keuken gebruikt maar wordt ook verwerkt in voedingsmiddelen en cosmetica.

naar boven

De Grotten
In de kalksteenformaties rond Krabi vindt u machtige grotten.

U kunt de Wat Tham Sua bezichtigen, een beroemd boeddhistisch klooster dat 14 km te noordoosten van de stad ligt. In de grotten bevinden zich diverse heiligdommen en meditatiecellen.

Vanuit het dorp Tao Than, in de Luk-baai, kunt u per boot naar de vrij onbekende grotten Tham Lot en Tham Phi Hua To varen.

De rotsen die over het strand Tham Phra Nang hangen, ten westen van kaap Phra Nang, verbergen de ‘Prinsessegrot’ (Tham Phra Nang Nok). In dit grotheiligdom, dat aan een legendarische prinses is gewijd, brengen de vissers hun zoenoffers voordat ze zee kiezen. Kaap Phra Nang bevat nog drie andere fraaie grotten met stalactieten.

naar boven

De andere kusteilanden.  
In Krabi en op het strand Ao Nang kunt u boten huren om de Phi Phi-eilanden te bezoeken, maar er zijn ook vele eilandjes die dichterbij liggen en die net zo schilderachtig zijn. Rond Koh Poda, 30 minuten per boot vanaf Ao Nang, liggen prachtige koraalriffen. De archipel Koh Dam ligt meer de zee in en is hierdoor nog aantrekkelijker. Deze archipel bestaat uit twee grote eilanden die door een reeks van kleine eilanden worden vergezeld. Koh Dam Hok, dat is omgeven door een strand in de schaduw van casuarina’s, telt een paar bungalows en restaurants. Koh Dam Khwan loopt in het noorden uit in een magnifiek koraalrif.

Bedreigde riffen. De koraalriffen vormen fascinerende landschappen onder water, waar een weelde aan waterplanten en zeeanemonen bestaat en waar duizenden

Het Nationaal Park Tarutao. De archipel Turatao - wat in het Maleisisch ‘oud en mysterieus’ betekend - ligt ter hoogte van Satun, dicht bij de Maleisische grens en werd in 1974 tot Nationaal Zeepark uitgeroepen.

De 51 eilanden waren vroeger een schuilplaats voor piraten. Van 1939 tot 1943 bevond zich op Koh Tarutao, het belangrijkste eiland, een kamp voor politieke gevangenen. Deze sombere tijden zijn nu voorbij en u kunt er genieten van de behoorlijke stranden en koraalriffen.

In de kustwateren kunt u dolfijnen, zeeschildpadden en enkele zeldzame walvissen en doejongs (familie van de lamantijn) waarnemen.

naar boven

terug naar begin.