Tunesië

De rivier  ,  Golf van Gabès  ,  De rotskust  ,  De visserij  ,  De Sebkha Kelbia  ,  Het Ichkeul-meer  ,  Khroumirie  ,  De oase  ,  De woestijn  ,  Geschiedenis  ,  De laatste dagen van Carthago  ,  De Heilige Augustinus  ,  Het Sadiki-college en de opkomst van het islamitisch reformisme  ,  Economie en staatsinrichting van het hedendaagse Tunesië  ,  De islam  ,  Het volksgeloof  ,  De positie van de vrouw  ,  Het maatschappelijk leven  ,  Traditionele kleding  ,  Sieraden  ,  Weefkunst  ,  Aardewerk  ,  De chechia  ,  Traditionele boerderijen  ,  Punische bouwkunst  ,  Romeinse bouwkunst  ,  Romeinse mozaïeken  ,  De medina, de stedelijke omgeving  ,  Soeks en fondouk middelpunt van handel  ,  De dar, het woonhuis

Klimaat en reliëf
Tunesië, gelegen in het subtropische deel van het Middellandse-Zeegebied, heeft van mei tot september een warme droge zomer en van oktober tot april een koele, regenrijke winter.

De zomerse warmte, veroorzaakt door de subtropische hogedrukgebieden, verandert door de sirocco periodiek in een hittegolf.

In de koelere herfst is de lucht vochtiger en is er vaak onweer, terwijl de noordwestelijke luchtstromen vanaf de Atlantische Oceaan in de winter voor wind en regen zorgen. Aan de kust zijn de temperaturen draaglijk.

De Sirocco: Deze schrale wind ook bekend als chehili, komt uit het zuiden of zuidwesten en voert zand en stof mee. De warme opstijgende lucht is vochtig en koelt op grotere hoogte af; het begint te regenen. De koele, droge lucht die daalt, wordt opnieuw warm en veroorzaakt hitte.
De warme valwind: De sirocco droogt uit als hij over het Tell-gebergte waait en veroorzaakt daarna hittegolven op de vlakten in het bergland. Dit effect is merkbaar van het Mejerda-dal tot aan de noordkust.
De Gharbi: Een koele, droge wind die vaak in de winter waait en afkomstig is van het bergland van Algerije
De noordwestenwind: Deze overheersend vochtige wind wordt veroorzaakt door de tlantische atmosferische storingen die ‘s winters de Middellandse Zee bereiken.
De neerslag: Door de vochtige noordwestenwind valt er vooral in de bergen een neerslag van tussen de 500 en 1500 mm per jaar. De invloed hiervan wordt gestuit door de Dorsale, waardoor er meer naar het zuiden, in halfwoestijnen, niet meer dan 150 en 450 mm regen valt.
Dorsale: Vanaf het midden van Cap Bon verheft de Tunesische Dorsale zich over de hele breedte van het land. De kalksteenformaties hebben een gemiddelde hoogte van 1000 m.

De Jebel Ressas is de eerste berg die 30 km ten zuidoosten van Tunis opdoemt.

De bio-klimatologische zones : De zonering is het gevolg van het samenspel tussen temperatuur, neerslag en luchtvochtigheid. Er vindt een geleidelijke overgang plaats van het enigzins vochtige klimaat in het noorden naar het landklimaat in het zuiden; de zee beïnvloed de oostkant.

naar boven

De rivier

De onregelmatige neerslag bepaalt met name Midden-Tunesië, de loop van de rivieren. Ten noorden van de Dorsale en bij Cap Bon monden de rivieren uit in zee of in een meer. In het centrum en het zuiden van het land daarentegen verdwijnen ze onder de grond om de sebkha’s en chotts van water te voorzien. Met talloze stuwdammen probeert men de kortstondige, maar hevige overstromingen te bedwingen en het kostbare zoete water vast te houden.

De rivier de Mejerda en haar zijtakken zijn het belangrijkste rivierenstelsel dat het hele jaar water bevat. Het bestrijkt een oppervlakte van 23.700 km2, verplaatst 1 miljard m3 water per jaar en maakt de irrigatie van groente en fruit mogelijk.

naar boven

Golf van Gabès

De Golf van Gabès, die zich uitstrekt van het zuiden van Sfax tot Libië, is uniek in het Middellandse-Zeegebied;
er wordt soms een springtij waargenomen van twee meter hoogte.

Als gevolg van dit natuurverschijnsel en door de aanwezigheid van ondiepe delen, zijn er enorme slikvelden ontstaan. Het meest unieke gebied is te vinden op de Kneïss-eilanden, waar de slikvelden een oppervlakte van 14.500 ha hebben. In de uitgestrekte zand-slijkgebieden, die worden doorsneden door stroompjes, gedijen week- en schaaldieren en borstelwormen. De helft van de watervogels die in het Middellandse-Zeegebied overwinteren, vinden er een toevluchtsoord - ongeveer 350.000 exemplaren, waaronder talloze strandlopers, meeuwen en grote steltlopers.

naar boven

De rotskust

Met name de noordkust van Tunesië is rotsachtig. De zandstenen kliffen eroderen er door de golven die uit noordwestelijke richting komen. Op het neergestort rotspuin leeft een rijke, kleurige fauna: sponsen, zakpijpen, zeekomkommers en zeeëgels. Hier tussen zwemmen vissen zoals de firelle, de zeebaars en de gewone slijmvis. Dieper verscholen onder gesteente, leven scholen zeebrasems, lipvissen en solitaire zeeraven. Woestere roofvissen, zoals de zeewolf en de tandbrasem, dolen ook rond in dit type kustgebied.

naar boven

De visserij

De kuststrook van 1300 km lengte en de territoriale wateren met een oppervlakte van 25.000 km2 op het uitgestrekte continentale plat vormen met de grote lagunen de belangrijke visgronden van Tunesië. Aangezien de visserij nog grotendeels ambachtelijk gebeurt, is dit economisch gezien een activiteit van minder belang. Het meest wordt de kustvisserij beoefend, gevolgd door het vissen met behulp van lampen en de zeevisserij met treilers. In twee havenplaatsen wordt meer dan de helft van de visopbrengst van Tunesië binnengebracht: Sfax, de thuishaven van driekwart van de treilers, en Mahdia, de belangrijkste haven voor de sardienenvisserij.

naar boven

De Sebkha Kelbia

Tijdens de winterregens verandert de Sebkha Kelbia in een meer, en blijft dat soms tot de lente. In droge jaren zakt het water en onstaat er een barre ondiepte van gebarsten modder. Het enigzins zoutige substraat bevordert de ontwikkeling van een rijke water- en oevervegetatie, waaronder riet, lisdodde en tamarisken. Ook nestelen er veel vogels. Drie rivieren beinvloeien het wetland, waar talrijke vissen, amfibieën en schildpadden leven. Hun voortbestaan wordt bedreigd door de drooglegging, die wordt versneld door de zomerse hitte.

naar boven

Het Ichkeul-meer

Het Ichkeul-meer in ‘s winters een uitgestrekt zoetwatermeer. In de zomer wordt het kleiner en wordt het water zouter. Het is een gebied met een vegetatie van biezen en fonteinkruiden, en van oktober tot maart foerageren er zo’n 200.000 eenden, ganzen en meerkoeten. Het meer is een van de belangrijkste overwinteringsplaatsen voor watervogels in het Middellandse-Zeegebied. Het is sinds 1980 een nationaal park. Desalniettemin wordt het bedreigd door de stuwdammen in de rivieren die zoet water aanvoeren.

De hydrologie van het meer : ‘s Zomers dringt zout water vanuit het Meer van Bizerte het Ichkeul-meer binnen. Door de sterkte verdamping blijft het waterniveau laag 1 tot 1,4 meter en wordt het zoutgehalte 20 g/l. ‘s Winters wordt er zoet water aangevoerd door de rivieren en daalt het zoutgehalte naar 5 g/l. Het meer wordt dan 2 tot 3 meter diep. De drassige grond met biezen is dan ondergelopen.

naar boven

Khroumirie

Ten zuiden van het kustgebied van Tabarka ligt het gebergte Khroumirie. Het is een buitengewoon regenrijk gebied met een weelde aan groene en beboste landschappen. Tussen de diepe dalen bereiken de bergen een hoogte van 800 tot 1000 meter. De kurkeik, met daartussen een struikgewas van boomheide en aardbeiboom, tiert er welig. Deze vegetatie grenst aan de hoogopgaande Algerijnse eiken en gedijt vooral op de koele noord- en oosthellingen boven de 700 meter hoogte, maar ook in de dalen en langs de rivieren.

naar boven

De oase

De uitgestrekte ondergondse waterbekkens van Zuid-Tunesië zorgen voor natuurlijke watertoevoer naar de talloze bronnen van de Jerid en de Nefzaoua. Daar zijn door mensenwerk oasen gecreëerd: mozaieken van kleine gecultiveerde perceeltjes, een koninkrijk van dadelpalm. De tuinen met een gemiddelde oppervlakte van 30 tot 50 are zijn omringd door aarden scheidingsmuurtjes, de tabia’s, waarboven droge palmbladeren, zarb, uitsteken. Het water wordt in de oase verspreid via de séguia, een dicht netwerk van kanaaltjes met sluisdeurtjes.

Het irrigatiesysteem van een oase : Vanaf de bron of waterput verdelen de séguia’s het water in een secundair en tertiair netwerk dat doordringt tot in de uithoeken van de oase. Via een afvoerkanaal wordt het gebruikte water verwijderd om verzilting van de bodem tegen te gaan.

naar boven

De woestijn

In Noord-Afrika bedoelt men met het woord woestijn’ meestal streken die onder invloed staan van de bio-klimatologische zone van de Sahara en waar minder dan 100 mm neerslag per jaar valt. Deze omschrijving omvat evenwel een veelheid aan milieus: tafelvormige reliëfs, de rotsplateaus van Jebel Tebaga en Matmata, de grindwoestijn van Dahar, de gipshoudende zoutkorst van de chott en de duinen van de zandwoestijn - symbolen van onherbergzaamheid. Er heeft zich in elk biotoop een specifieke fauna ontwikkeld die zich heeft aangepast aan de extreme omstandigheden. Om woestijndieren waar te nemen, dient men geduldig te zijn. In deze uitgestrekte gebieden leven zeldzame en weinig talrijke diersoorten die zich goed kunnen camoufleren en vaak pas, ‘s nachts actief worden.

Regs : Regs zijn monotome vlakten met een bodem die slib of klei bevat, of steenachtig is. De halfwoestijnvegetatie bestaat uit soorten die zich hebben aangepast aan een buitengewoon geringe hoeveelheid neerslag en zeer arme grond, die zelfs zo goed als afwezig is.

Halfwoestijn met zoutplanten : Rondom de chotts groeien, in de zoutige, kalkachtige grond, houtige bosjes zoutplanten (halofyten). Aan hun basis hoopt zich zand op - nebkha - waar het dierenleven zich concentreet in een waar ondergronds netwerk.

Zandwoestijn : In de uitgestrekte massieve duinen van de zandwoestijn, de oghourds, leven op en in de kleine zandhopen van de barkhane-veldjes specifieke dieren en er groeien karakteristieke planten. De ruimten tussen de duinen worden gekenmerkt door een grote soortenrijkdom.

Bergen en cuesta’s : Rotsachtige heuvels, kloven van rivieren, klippen, cuesta’s en tafelvormige rotsgebieden verschaffen dieren schuilplaatsen en plekken om zich voort te planten.

Woestijndieren : Woestijndieren moeten niet alleen weerstand bieden aan de hitte, maar ook aan watergebrek. Daartoe hebben zij zich op vele manieren aangepast aan de barre omstandigheden. Via de grote oren kan overtollige lichaamswarmte worden afgevoerd. Insekten en reptielen hebben een huid die overdadig vochtverlies tegengaat. Haren en veren zijn licht gekleurd en weerkaatsen daardoor het zonlicht. Tal van soorten mijden de brandende zon; ze leiden een verborgen bestaan of zijn alleen ‘s nachts actief. Vogels en reptielen verschuilen zich in struiken of holen om de gloeiend hete grond te vermijden.

De dadelpalm : De palmboom beschermt de oase tegen de felle zon en schrale woestijnwind. Zijn dunne stam kan 30 meter hoog worden en krijgt een schubbig uiterlijk doordat de verdorde bladeren regelmatig worden afgesneden. De boom is een belangrijke natuurlijke hulpbron en levert niet alleen vruchten met een hoge voedingswaarde - de dadels - maar ook materiaal voor handwerkslieden. In de oasen in Tunesië, die ongeveer 20.000 ha beslaan , groeien in totaal zo’n 650.000 palmbomen. Sommige bomen worden geknot ten einde het plantesap - het legmi - te oogsten, dat men consumeert. Van de bladeren worden visvijvers en omheiningen gemaakt, matten en manden. Van de stammen maakt men goten, dakbalken en brandstof.

naar boven

Geschiedenis

7000 - 4500 v.C.

Capsien beschaving

 

6000 v.C.

Begin van het Neolithicum

814 v.C.

Stichting van Carthago

 

3150 v.C.

Eerste farao van Egypte

264 - 241 v.C.

Eerste Punische Oorlog

 

753 v.C.

Stichting van Rome

218 - 202 v.C.

Oorlog van Hannibal

 

58 - 51 v.C.

Caesar verovert Gallië

146 v.C.

Val van Carthago

 

30 of 33 n.C.

Kruisiging van Jezus in Jeruzalem

146 v.C. tot 439 n.C.

Africa, Romeinse provincie

 

395

Stichting van het Oost-Romeinse Rijk in Byzantium

363 - 374

De Heilige Augustinus geeft onderwijs in Carthago

 

omstreeks 570

Mohammed wordt in Mekka geboren

439

De Vandalen veroveren Carthago

 

610

Mohammed wordt tot profeet geroepen

533

De Byzantijnen veroveren Carthago

 

680

Afsplitsing van de Sjiieten

647 - 698

Islamitische troepen veroveren Noord-Africa

 

732

Karel Martel stuit de Arabische opmars bij Poitiers

698

De Arabieren veroveren Carthago

 

751 - 987

Karolingische dynastie

800 - 909

Regeringsperiode van de Aghlabiden

 

987

Hugo Capet wordt koning van Frankrijk

909 - 1159

Regeringsperiode van de Fatimiden en de Ziriden

 

1099

Eerste kruistocht en verovering van Jeruzalem

1050 - 1060

Invasie ven de Banou Hilal

 

1187

Einde van het Latijnse koninkrijk van Jeruzalem

1159 - 1230

Regeringsperiode van de Almohaden

 

1453

De Turken veroveren Constantinopel

1230 - 1574

Regeringsperiode van de Hafsiden

 

1529

Suleiman II de Prachtlievende bij Wenen tot staan gebracht

1270

Lodewijk de Heilige sterft bij Carthago

 

1600

Begin van het kolonialisme

1535

Karel V verovert Tunis

 

1720 - 1780

Tijdperk van de Verlichting in Europa

1574

Tunesië wordt een provincie van het Osmaanse Rijk

 

1739

Russische expansie in de Balkan

1705 - 1881

Husseinidische dynastie

 

1789

Bestorming van de Bastille

1837 - 1855

Ahmed Bey, de hervormer

 

1815

Troonsafstand Napoleon

12 mei 1881

Instelling van het Protectoraat

 

1843

De Fransen slaan de opstand van Abd el-Kader neer

1907

Oprichting van de partij Jong-Tunesië

 

1878

Verdeling van Afrika in Berlijn

1920

Oprichting van de Nationalistische Destour-partij

 

1914 - 1918

Eerste Wereldoorlog

1934

Oprichting van de Neo-Destour-partij

 

1939 - 1945

Tweede Wereldoorlog

1955

Binnenlandse autonomie

 

1943

Conferentie van Teheran

20 maart 1956

Onafhankelijkheid

 

1954

Mendès France wordt premier van Frankrijk

1957 - 1987

Regeringsperiode Habib Bourguiba

 

1955

Conferentie van niet-gebonden landen in Bandung

7 nov. 1987

Zine el-Abidine Ben Ali wordt president

     

naar boven

De laatste dagen van Carthago

In 150 v.C. liet Cato de Oudere de Romeinse senaat een verse vijg zien die twee dagen eerder in Carthago was geplukt. Terwijl hij deze vrucht omhoog hield, besloot hij zijn redevoering met de woorden ‘Ceterum censeo Carthaginem esse delendum’, (‘overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden’). Voor deze stad, die haar rijkdom te danken had aan haar vruchtbare achterland en haar snelle vloot, had het uur van de waarheid geslagen.

- De Eerste Punische Oorlog was gewonnen door Rome, dat Sicilië en Sardinië had bezet. - Ondanks de heldenrol van Hannibal won Rome ook de tweede oorlog.

- De derde, van 149 tot 146 v.C., eindigde met de vernietiging van Carthago.

naar boven

De Heilige Augustinus

De jonge Agustinus, die in 354 was geboren in Tagasta (het huidige Souk Ahras is Algerije), voltooide zijn studie in Carthago. Aanvankelijk voelde hij zich aangetrokken tot het Manicheïsme, vervolgens tot de Neoplatonische leer, die ook invloed heeft uitgeoefend op het Soefisme. Hij liet zich in Milaan dopen en keerde terug naar Afrika, waar hij in Hippone (het huidige Annaba in Algerije) bisschop werd. Noord-Afrika heeft een belangrijke rol gespeeld in de opkomst van het christendom, maar werd verscheurd door schisma’s. Hier stelde Augustinus de leerstellingen op die later tot dogma’s van de Katholieke Kerk zouden worden.

naar boven

Het Sadiki-college en de opkomst van het islamitisch reformisme

Eind 19de eeuw had de macht van Europese mogendheden haar hoogtepunt bereikt. Overal broeide echter het verzet op de militaire, instellectuele en economische middelen om zich los te maken van Europa: Mehmet Ali Pasja in Egypte (1805 - 1848), keizer Meiji in Japan (1867 - 1912), de Jonge Turken in Istanbul (1865) en premier Khereddine in Tunesië. Hij was van 1873 tot 1877 premier onder Mohammed es-Sadok. Een van zijn belangrijkste hervormingen was de stichting van het Sadiki-college in 1875.

naar boven

Economie en staatsinrichting van het hedendaagse Tunesië

Toen Zine el-Abidini Ban Ali op 7 november 1987 aan de macht kwam, begon een nieuw tijdperk. De nieuwe regering kreeg meteen te maken met grote politieke en economische problemen, die men trachtte op te lossen door maatregelen die braken met de negatieve aspecten van het bewind Bourguiba. De economische successen van het nieuwe regime zijn geprezen door de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds, en de grote vooruitgang op het gebied van burgerrechten leverde Tunesië de Louis Michel-prijs (1989) en een felicitatie van de Verenigde Naties op (1990).

‘De handelsgeest van Carthago lijkt voort te leven in Tunesië,

dat zo lang het middelpunt is geweest van de Afrikaanse macht en beschaving.

naar boven

De islam

De islam is een monotheïstische godsdienst, gebaseerd op het Goddelijke woord in de koran , de heilige boodschap die de engel Gabriël aan de profeet Mohammed openbaarde. De islam roept op tot onderwerping aan God (Allah) en belijdt diens eeuwige bestaan als Opperwezen. Het geloof is gebaseerd op de koran, de ‘Overleveringen’ (de Hadith, een verslag van de daden en vooral van de woorden van de Profeet) en de principes van de belangrijkste orthodoxe juridische stromingen:

de consensus;
het gemeenschappelijk belang;
de persoonlijke interpretatie;
het redeneren aan de hand van analogieën.

‘En aldus hebben Wij u gemaakt tot een gemeente in het midden opdat gij getuigen zoudt zijn 
over de mensen, en de boodschapper over U getuige zou zijn’

Koran, II, 143

Godsdienstige verplichtingen :   de vijf pijlers van de islam zijn:

- de getuigenis dat er geen God is, dan God en dat Mohammed zijn profeet is;
- het rituele gebed;
- het betalen van de religieuze belasting;
- het vasten tijdens de ramadam;
- de bedevaart naar Mekka.

De dogma’s van de islam :   de belangrijkste dogma’s van de islam zijn:

- het geloof in God, de Barmhartige;
- het geloof in de Eeuwige God, ongeschapen en zonder nakomelingen;
- het geloof in het eeuwige leven en de Openbaringen van Mohammed.

Orthodoxe juridische scholen :

De soennieten, de volgelingen van de traditie van de Profeet, kennen vier juridische scholen:
   
- de malikiten, in de Maghreb, West-Afrika, Egypte en Soedan;
    - de hanefiten, in Turkije, India en China, maar ook in de Maghreb;
    - de chafi’iten, in Egypte, Syrië, West-Afrika, delen van Saoedi-Arabië en Indonesië;
    - de hanbaliten, voornamelijk in Saoedi-Arabië.

Het gebed : De dagindeling van de gelovige moslim wordt bepaald door de vijf dagelijkse gebeden. Vóór het gebed dient men zich ritueel te reinigen.

De gebeden worden uitgesproken :

- bij zonsopgang;
- op het middaguur;
- in de namiddag;
- bij zonsondergang;
- en ‘s avonds.

De qibla : De qibla is de richting waarheen de islamieten zich tijdens het gebed behoren te wenden. Deze wordt in de moskee aangegeven door een nis, de mihrab. In de jaren waarin Mohammed zijn prediking begon, richtten de gelovigen zich naar Al Qods (de heilige stad Jeruzalem). Maar de profeet veranderde dit later op goddelijk bevel in de richting van Mekka, waar de kaaba staat, het ‘huis van God’.

Volgens de koran is de kaaba gebouwd door Abraham, de ‘vader der gelovigen’.

De hedsjra : Mohammed (570 - 632) begon zijn prediking in 610. In 622 moest hij naar Medina vluchten. Het eerste jaar van deze ballingschap of hedsjra vormt het begin van de islamitische jaartelling.

De Profeet mag alleen worden afgebeeld als een vlam.

De hadj (pelgrimage naar Mekka) : De pelgrimage naar Mekka is het hoogte punt in het leven van de moslim. Er trekken jaarlijks vele tienduizenden naar deze Arabische stad.

naar boven

Het volksgeloof

Het Tunesische volksgeloof is nauw verbonden met de islam. De ramadam, de aïd (het feest ter afsluiting van de ramadam) en de hadj (pelgrimage naar Mekka) vormen de hoogtepunten van het godsdienstig leven. Maar ook heiligenverering, religieuze broederschappen en pre-islamitische ideeën (die soms teruggaan tot de oudheid) spelen een belangrijke rol in het dagelijkse leven. De soennitische islam tolereert dergelijke praktijken voor zover ze een vorm van verering van Allah zijn en geen doel op zich.

‘Diegenen [de dienaren van Allah, de zuiveren] zullen van leeftocht worden voorzien,

van heerlijke vruchten uit de garden der verrukking.’

Koran, soera 37

Pre-islamitische invloeden : Overal in Tunesië spelen waarzeggers, astrologen en magiërs een belangrijke rol in het sociale leven. Op het platteland organiseert men rituelenen waarbij om regen wordt gesmeekt. Hieraan mogen alleen vrouwen en kinderen meedoen. Veel Tunesiërs geloven in beschermgeesten, boodschappers tussen engelen en mensen (jinns) en het boze oog, dat men kan afweren door het teken van de hand (khomsa), de vis of het kruis.

Heiligen en broederschappen : Een (maraboet) of heilige (sidi) is een man die uitblinkt door vroomheid, menslievendheid, kennis van de godsdienst of zijn gaven als genezer. Na zijn dood wordt hij bijgezet in een mausoleum (zaouä of maraboet), dat dikwijls wordt onderhouden door zijn nakomelingen en waar zijn volgelingen samenkomen. De islamieten hebben rituelen overgenomen waarin muziek, dans en trance een rolspelen, zoals de dansende derwisjen.

Stappen op weg naar volwassenheid : De belangrijkste rites de passages zijn de besnijdenis (vóór het twaalfde levensjaar), de verloving en het huwelijk. Het huwelijksfeest duurt drie dagen. Op de derde dag zette men vroeger een tent op de binnenplaats op, waarin de pasgehuwden hun bruidsnacht doorbrachten.

naar boven

De positie van de vrouw

Wie is geïnteresseerd in de dynamiek van sociale verandering, zal letten op de positie van de vrouw. Tunesië is het enige land in de Arabisch-islamitische wereld waar man en vrouw voor de wet gelijk zijn. Een wet van die strekking werd na de onafhankelijkheid aangenomen en de in 1987 aan de macht gekomen president Ben Ali heeft zich ingezet om de positie van de vrouw te verbeteren. Nog afgezien van deze ontwikkelingen toont de godsdienstige, politieke en sociale geschiedenis van Tunesië aan dat veel vrouwen zich hebben afgezet tegen het archetype van de Arabische vrouw, die alleen gesluierd het huis mag verlaten.

Het beding van Kairouan : Gebaseerd op de koran verleenden Malikitische geleerden in de 9de eeuw de vrouw het recht om te scheiden als haar man met een ander wilde trouwen. Als ze niet op de hoogte was gesteld, kon ze hem dwingen van zijn tweede vrouw te scheiden.

Heilige vrouwen : Aziza Othmana wordt sinds de 17de eeuw in Tunis vereerd vanwege haar grote naastenliefde. Haar mausoleum is geopend voor bezoekers. Op de heuvel Manoubia kijkt een heiligdom met een schitterende oude koepel over Tunis uit. Dit is de zaouia van Saïda (‘de heilige’) Manoubia, de bekendste vrouwelijke heilige van Tunesië en een getuigenis van de rijke maraboet-traditie van Tunesische vrouwen.

Wettelijke bescherming : De Code du statut personnel (1956) heeft het leven van de Tunesische vrouw veranderd. De minimumleeftijd om te trouwen werd op vijftien jaar gesteld, de vrouw moet zelf instemmen met het huwelijk, polygamie en verstoting zijn verboden en bij scheiding hebben man en vrouw gelijke rechten.

naar boven

Het maatschappelijk leven

De kosmopolitische levenshouding en de tolerantie van de Tunesiërs, die is gebaseerd op de door de islam geprogrameerde waarden van solidariteit en wederzijdse hulp, is diep verankerd in het maatschappelijk leven, zoals onder andere blijkt uit de grote gastvrijheid. In de hamman en het kofiehuis, lopend door de soeks en tijdens de vele feesten, leert u de Tunesiërs pas echt kennen.

Een leven vol feesten : ‘O gij mevrouw Tunis, die de helft van u tijd met feesten doorbrengt’, aldus een verhaal waarin een man in Tunis komt wonen, er trouwt, en weer vertrekt omdat hij niet is staat is het leven met de talloze feesten en de exorbitante kosten die deze met zich meebrengen vol te houden.

De grote feesten : Het islamitische Nieuwjaar (Ras el-Am), het jaarfeest van de Profeet, het einde van de ramadam (Aïd), dat volgt op het ‘grote feest’ (Aïd el-Kebir) waarop het offer van Abraham wordt herdacht, en de besnijdenis worden in de islamitische wereld uitbundig gevierd, onder andere door het offeren van een schaap. In Tunesië viert men ook het Kerstfeest en Nieuwjaar op 25 december en 1 januari.

Koffiehuizen, hammams en soeks : Voorname personen ontvingen hun gasten in het portaal van hun woning. Later ontmoette men elkaar in een koffiehuis, onder het genot van Turkse koffie of een narguileh. Ook de hammam was een belangrijke ontmoetingsplaats; koppelaarsters gingen er op zoek naar huwelijkskandidates en er werden familiebanden aangeknoopt. In de soeks, bij uitstek het domein van de man, heerste een grote solidariteit. Het maatschappelijk leven werd echter gekenmerkt door strenge sociale controle.

naar boven

Traditionele kleding

In het traditionele Tunesië gaf kleding niet alleen de plaats van het individu in de sociale hiërarchie aan, maar ook het onderscheid tussen nomaden, stedelingen en boeren. Ook de verschillende regio’s en godsdienstige stromingen waren herkenbaar aan hun kleding. De populariteit van westerse kleding heeft een eind gemaakt aan deze verschillen, hoewel traditionele kledij bij bijzondere gebeurtenissen, zoals huwelijken, feesten en godsdienstige ceremonies, dikwijls weer uit de kast komt. Vele traditionele kledingstukken zijn afgeleid van die uit de oudheid.

Kleding van mannen in de stad: In de traditionele kleding van mannen zijn zowel Osmaanse als Andalusische invloeden te herkennen. De oorsprong van de jebba (een halflang gewaad zonder mouwen met aan de voorzijde een V-vormige uitsparing) gaat terug tot de oudheid, terwijl de serouel (een pofbroek die wordt opgehouden door een brede ceintuur van katoen of zijde) en de kiswa (de kledingstukken die onder de jebba worden gedragen) van Osmaanse oorsprong zijn.

Kleding van vrouwen in de stad: Het meest kenmerkende kledingstuk is een wijd, recht, eenvoudig, met de hand genaaid gewaad de qmijja, al dan niet met mouwen, maar altijd geborduurd. De hoofddoek "de taqrita", de kap "de quffiya" en de sluier, die soms rijk versierd zijn met borduurwerk, vormen onmisbare accessoires.

De sluier: Vroeger hulden vrouwen in de stad zich in een sluier en een gawaad dat het gehele lichaam bedekte. Welgestelde vrouwen uit Tunis gebuikten zijde. Het gewaad de safsari was gemaakt van witte stof, de sluier de ajar was versierd. Dorpsvrouwen dragen nog dikwijls een sluier malhafa, bakhnug, die per regio verschilt.

Kleding van plattelandsvrouwen: Het belangrijkste kledingstuk van de plattelandsvrouwen is de malya, die om het lichaam wordt gewikkeld en bijeengehouden door een ceintuur die met een zilveren sierspeld of een knoop is vastgemaakt. Enkele andere soorten gewikkelde kleding zijn de huli (in Jerba en het zuiden) en de hram (in de Sahel en enkele dorpen op Cap Bon). De stof is dikwijls zelf in het dorp zelf geweven (omgeving van Bizerte, Cap Bon en de Sahel). In grote dorpen aan de kust draagt men geschikte gewaden, zoals een tuniek een qmijja , Kafkan, jebba, vest of een kadroun (een jurk waar een ceintuur omheen wordt gewikkeld).

Berberkleding: Een ruim vallende tuniek en een gedrapeerde boernoes (Zuid-Tunesië).

Kleding uit Tunis: De mannenkleding stond bekend om de hoge kwaliteit van de stoffen, zoals zijde, linnen en moiré, en om het prachtige borduurwerk op de jebba, dat werd gemaakt door de bransi (kleermaker). De kiswa werd gemaakt door tarzis.

naar boven

Sieraden

De kunst van de sieraden maken gaat terug tot de antieke wereld, maar heeft in de loop der tijd ook invloeden ondergaan uit het Midden-Oosten, Turkije en Europa. Sommige motieven zijn al terug te vinden in de Punische grafzuilen en Romeinse mozaïeken. Aan veel sieraden wordt beschermende kracht toegeschreven. Sieraden hebben echter ook een economische functie: ze maken, als geschenk van een verloofde aan zijn toekomstige bruid, deel uit van de bruidsschat. Sieraden worden op het voorhoofd, om de hals en om de polsen of enkels gedragen. Deze wijze van kapitaalvorming wordt tegenwoordig steeds vaker vervangen door een gewone spaarrekening.

De bruidschat: Vroeger droegen alleen getrouwde vrouwen sieraden, die ze bij hun huwelijk hadden gekregen van hun ouders of hun verloofde. Om het huwelijk wettig te maken, betaalde de verloofde een bruidschat (mahr) in de vorm van geld of waardevolle voorwerpen. Tunesische sieraden worden dikwijls beschouwd als een vorm van beleggen en kapitaalvorming. Tegenwoordig wordt deze kapitaalvorming vervangen door een spaarrekening.

Verschillende stijlen: Tunesische sieraden kunnen in vier stijlen worden onderverdeeld: sieraden uit Tunis, geïnspireerd op Turkse en Europese ontwerpen, sieraden van de ooskust, beïnvloed door stijlen uit Egijpte en Syrië, die uit West-Tunesië, die op sieraden uit Algerije lijken, en die uit de omgeving van Medenine in het zuiden.

Gelukbrengende sieraden: Halskettingen van vrouwen zijn dikwijls ontworpen rond het cijfer 5, dat volgens het volksgeloof veschermt tegen ongeluk. Andere khomsa-motieven die bescherming bieden en geluk brengen zijn de hand, de vis en de hoorn.

Geëmailleerde joodse sieraden: de kunst van het emailleren was vroeger onbekend in Tunis en Sfax, de twee belangrijkste centra voor de vervaardiging van sieraden in Tunesië, er werd er geïntroduceerd door islamitische en joodse edelsmeden die uit Spanje waren verdreven en hun toevlucht hadden gezocht in Jerba.

Armband uit Jerba van geëmailleerd filigreinwerk: Gouden sieraden, versierd met rood, groen en blauw email werden (en worden) alleen gemaakt door joodse edelsmeden uit Moknine (vroeger) en Jerba (tot op heden).

Ketting uit Jerba met parel: Deze sieraden hebben vijf hangers, waarbij de uitsparingen van de boogjes soms zijn opgevuld met gekleurd materiaal of met stof.

naar boven

Weefkunst

De weefkunst, die duizenden jaren geleden via karavaanwegen uit Egypte in Tunesië werd geïntroduceerd, is lange tijd het belangrijkste Tunesische ambacht geweest. Aanvankelijk maakten de vrouwen schitterend versierde kleden voor in de eigen woning, en de mannen eenvoudiger kleden van gestikte banen, die voor de verkoop waren bestemd. De tapijtwevers waren in gilden georganiseerd en werkten in de medina. De traditiole verschillen beginnen te vervagen, maar de Tunesische tapijtwevers hebben niets aan hun vitaliteit verloren; de jaarlijkse produktie van tapijten kan in honderdduizenden kilometers worden uitgedrukt.

Bewerking van de wol: Dit tijdrovende werk wordt alleen door vrouwen gedaan. De wol wordt eerst gewassen. Daarna slaan de vrouwen met een kernafa, een soort vlegel, op de wol, terwijl ze deze regelmatig omkeren. Vervolgens laat men de wol enkele dagen drogen. Ten slotte wordt ze gekaard en gesponnen. De verfstoffen worden soms nog ambachtelijk gemaakt, hoewel de warme, natuurlijke kleuren steeds vaker worden vervangen door fellere chemische kleurstoffen. Ambachtslieden in de soeks weven wol, katoen en zijde op de noul, een horizontaal weefgetouw met pedalen.

Wandtapijten en spreien: Wandtapijten worden voornamelijk door vrouwen gemaakt. In de uitzet van meisjes is dikwijls een groot aantal wandkleden opgenomen. Ze zijn bijna altijd in mooie motieven geweven en in de meeste gebieden voorzien van een rand. Tapijten uit Gafsa zijn versierd met gestileerde menselijke figuren en kamelen (dromedrarisen), die uit de Sahel en Zuid-Tunesië met geometrische motieven. De betekenis van de ingewikkelde motieven is een gesloten boek voor de niet-ingewijde, maar kan door de plaatselijke bewoners zonder moeite worden ‘gelezen’.

Tunesische tapijten: De meeste tapijten worden door de vrouwen gemaakt, met uitzondering van de gtif, grove, hoogpolige tapijten die men in tenten gebruikt en door mannen worden geweven. Vroeger waren tapijten altijd lang en smal, maar tegenwoordig is hun vorm aangepast aan moderne woningen. Tapijten worden onderverdeeld in de kelim, die bestaat uit effen banen, en de mergoum, waar effen banen zijn afgewisseld met banen met geometrisch patroon. Geknoopte tapijten zarbiy zijn de specialiteit van Karouan. Het office national de l’artisanat heeft werkplaatsen opgezet, waarin de kwaliteit wordt bewaakt.

naar boven

Aardewerk

Er worden in Tunesië als sind het Neolithicum gebruiksvoorwerpen gemaakt. De pottenbakkers uit het Afrika van de oudheid hadden al bijzonder grote vaardigheden. Zo is de keramiekvan terra sigillata te herkennen aan haar fraaie helderrode glazuur, de verscheidenheid aan decoraties en haar elegante vorm. In de loop der eeuwen zijn de decoratieve motieven verrijkt met respectievelijk Arabische, Andalusische, Osmaanse en Itilaanse invloeden, die Tunesië bereikten via handelscontacten of imigranten. Na een periode van verval maakt de Tunesische pottenbakkerskunst momenteel een opleving door.

Bloeiperiode in de middeleeuwen: Aardewerk uit de Aghlabidische (9de eeuw) en de Hafsidische tijd (13de eeuw) wordt gekenmerkt door de grote volmaaktheid van het glazuurwerk, een grote verscheidenheid aan decoraties (kalligrafische motieven, gestileerde geometrische motieven en bloemversieringen), en het gebruik van de kleuren groen, geel, blauw en bruin.

De bijdragen van de Andalusiërs: Uit Spanje verdreven Andalusiërs hebben in Tunesië de zogenaamde azulejos geïntroduceerd. Deze polychrome geglazuurde tegels werden vooral gebruikt voor vloer- en wanddecoratie in wooningen.

Osmaanse invloeden: De Osmanen introduceerden veelkleurige wandtegels met geometrische, bouwkundige (moskeeën en minaretten) of bloemmotieven. Bovendien namen ze veel motieven over van de Andalusiërs. De meeste lambrizeringen van faiencetegels dateren van deze tijd.

Handgevormd aardewerk: In Sejenane in de Sahel en enkele dorpen in Centraal- en Zuid-Tunesië wordt nog handgevormd aardewerk vervaardigd, zoals kookpotten, borden, kommen, koppen en vazen. Dit type aardewerk werd voor het eerst in het Neolithicum gemaakt en in de protohistorie voorzien van een handvat, een schenktuit en geschilderde decoraties op rode of witte ondergrond.

Gedraaid aardewerk: De eerste ateliers waar men gedraaid aardewerk maakte, stonden in Jerba. Het belangrijkste pottenbakkerscentrum op het eiland is Guellala. De pottenbakkers produceerden allerlei soorten aardewerk, van reusachtige kruiken tot kleine geglazuurde en beshilderde vaasjes.

Beschilderd aardewerk (Qallaline): Dit type aardewerk met polychrome figuratieve motieven wordt sinds de 17de eeuw gemaakt. Het wordt gekenmerkt door duidelijk herkenbare figuratieve voorstellingen, een grote verscheidenheid aan kleuren en geometrische motieven die zijn ontleend aan aardewerk uit de middeleeuwen (de tijd van de Aghlabiden en de Fatimiden).

naar boven

De chechia

De rode wollen Chechia, al dan niet voorzien van een zijden kwastje, wordt al sinds de 13de eeuw gedragen als steun voor de tulband, maar ontwikkelde zich later tot een volwaardig hoofddeksel. In de 18de eeuw decentraliseerden Andalusische vluchtelingen de fabricage van deze muts, die alleen in Tunis werd gemaakt, waarmee ze echte industrietak schiepen, in tegenstelling tot het traditionele handwerk. De chechia is enige tijd verdrongen geweest door Europese produkten, maar wordt tegenwoordig weer beshouwd als een kenmerkend symbool van Tunesië.

De vorm: Tussen 1830 en 1850 was de chechia hoog en groot, en had hij en ronde versiering van blauwe zijde (kubbita). In de loop der tijd werd het hoofddeksel steeds kleiner. De kubbita verdween omstreeks 1930.

De aristocraten onder de ambachtslieden: De vervaardigers en verkopers van chechia (chaoucachi) vormden de aristocratie van de soeks. De amîn van deze beroepsgroep was een van de notabelen van de medina van Tunis. In de prachtig ingerichte winkels van de twee soeks van chechia in Tunis wordt dit ambacht nog steeds uitgeoefend.

Hoofdbedekkingen chechia en fez: Tot in de jaren dertig was het ondenkbaar dat een man zich zonder hoofddeksel in het openbaar vertoonde. Het belangrijkste was de chechia, niet te verwarren met de tarbouchei of fez, de afgeplatte cilindrische hoofdbedekking die de vooruitstrevende elite van het land sinds de vorige eeuw droeg.

Industriële produktie: De chechia was zeer geliefd in de Magreb, het Nabije Oosten (inclusief het Osmaanse hof) en delen van Europa. Ze werden veel geëxporteerd, maar ook nagemaakt, waardoor het handwerk begin deze eeuw dreigde uit te sterven. Momenteel is er sprake van een opleving. De chaouachi maakten gebruik van geïmporteerde grondstoffen, zoals wol en vermiljoen.

Gedecentraliseerde produktie: Er komen minsten twaalf personen aan te pas om een chechia te maken. Afhankelijk van de produktiefase wordt het werk al dan niet in de soeks gedaan:

- het voorbereiden van de wol;
- het breien;
- het vollen in de vollerij van Tebourba;
- de kroudhou, het gevolde materiaal, komt terug in de soek om te worden geklaard;
- vervolgens gat het naar het huis van de chaouachi, waar vrouwen het fabricagemerkje (nichän) erin naaien;
- dan wordt het geverfd in Zaghouan;
- het komt weer terug naar de soeks om geklaard en geperst te worden;
- nadat er een bevestigingspunt voor de kwast op is gemaakt, wordt het zijden kwastje er in de soeks op bevestigd.

naar boven

Traditionele boerderijen

Een van de kenmerken van de bouwkunst in de Maghreb is de grote overeenkomst tussen huizen in de stad en op het platteland. In beide gevallen komen vertrekken uit op een binnenplaats. De basisvorm op het plattland is de gourbi, die is gebouwd van aarde of leem. Naarmate de bewoners rijker werden, vervingen ze de lemen muren door muren van baksteen of breuksteen. Een aantal huizen bij elkaar vormde een douar (gehucht).

De borj: tussenstad en platteland: Rond de medina’s (zoals in Sfax) lag een groot aantal moestuinen, die eigendom waren van handelaren en ambachtslieden uit de medina. Midden in ieder tuin stond een borj, een torentje met op de begane grond één of meer opslagruimten en op de eerste verdieping twee woonkamers rond een binnenplaatsje. Bijna al deze borj zijn verdwenen.

De bled: het dorp: De meeste bled zijn ontstaan in de buurt van een zaouïa, waaromheen de eerste huizen werden gebouwd. Deze huizen waren groter en minder regelmatig van vorm dan huizen in de stad.

Baksteen: Bakstenen werden gemaakt van toub, een plaatselijke grondsoort, en gemengd met stro en water. Men deed het in een mal en liet het in de zon drogen. Dit was het basismateriaal van de gourbi.

Bouwmaterialen: De muren bestonden uit bakstenen van toub, bedekt met een pleisterlaag van leem. Het huis had een puntdak met een nokbalk die van de ene naar de andere gevel liep. Hierop rustten kleinere balkjes waarop de rieten dakbedekking was bevestigd. Het riet was beschermd door een laag gedroogde aarde.

Nieuwe bouwmaterialen: Naarmate de bewoners welvarender werden, begonnen de muren van kwetsbare materialen te vervangen door de muren van breuksteen en cement, tot het hele complex, inclusief stallen en schuren, was herbouwd.

De maamra van het plattland: De maamra is een vrijstaande boerderij met een aantal vertrekken die rond een binnenplaats zijn gebouwd. Door de in de zon gedroogde stenen en het rieten dak hadden ze dezelfde bruine kleur als hun omgeving. Het woongedeelte, dat het eerst was gebouwd, stond tegenover de ingang. Stallen en schuren waren in de zijvleugels ondergebracht.

naar boven

Punische bouwkunst

De Punische architectuur, die zich tussen de 7de en de 2de eeuw v.C. ontwikkelde in Carthago en andere Punische steden, kwam voort uit de Fenicische bouwkunst. Er zijn Egyptische invloeden in te herkennen, zoales de eenvoudige, massieve vormen, de stileringen en de hoeklijsten. Naarmate de Puniërs verder naar het westen trokken, namen ze elementen over uit andere stijlen, zoals die uit Mycene, Cyprus en Griekenland. De kosmopolische bouwkunst die hieruit voortkwam, waarin invloeden uit de hele destijds bekende wereld waren te herkennen, bepaalde het gezicht van Carthago.

De haven: De kracht van de Puniërs lag in hun zeemacht. De havenwerken van Carthago bestonden uit een aanlegplaats buiten de muren, die uitsluitend was bedoeld voor buitenlandse schepen, de door muren beschermde haven voor Carthaagse koopvaardijschepen en een marinehaven voor de oorlogsvloot. Door deze indeling waren de haven en de indrukwekkende infrastructuur onttrokken aan de blikken van buitenlandse concurrenten en spionnen van de vijand.

Een magische haven: Het kanaal dat toegang gaf tot de haven was grotendeels aan het oog onttrokken door vestingwerken. Bovendien was de marinehaven onzichbaar vanuit de haven voor de koopvaardijvloot en de buitenhaven. Als de Carthaagse vloot de thuishaven had bereikt, leek ze te verdwijnen. Tijdgenoten van de Puniërs dachten dan ook dat ze over magische krachten beschikten.

Marinewerf: Aan de marinehaven van Carthago lagen tussen 170 en 180 scheepshellingen, die vermoedelijk waren bedoeld om oorlogsschepen te repareren. Iedere werf bestond uit een aantal pijlers waarop een dak rustte. De schepen werden omhoog getrokken over een houten helling.

naar boven

Romeinse bouwkunst

Toen de Romeinen Noord-Afrika hadden veroverd, introduceerden ze er niet alleen hun levenswijze, maar ook hun bouwkunst. Ze bouwden een groot aantal steden, die door in totaal 20.000 kilometer weg met elkaar verbonden. De steden hadden een rechthoekige plattegrond, soms geheel (Carthago), soms alleen het monumentale centrum (Utica). Hier stonden de burgelijke en religieuze openbare gebouwen, waar zich het dagelijks leven van de Romeinse burgers afspeelde: het forum en het capitool, de tempels, markten, theaters en amfitheaters.

Het forum en de tempels van het capitool: Sbeïtla, 2de eeuw n.C.. Het forum was het politieke en godsdienstige centrum van de Romeinse stad. Het werd gedomoneerd door het capitool, een tempel met meestal drie nissen (zoals in Dougga). Iedere nis was gewijd aan een van de drie belangrijkste godheden Jupiter, Juno en Minerva. In Sbeïtla hebben de drie nissen zich ontwikkeld tot vrijstaande tempels. Deze bouwwijze was echter zeldzaam. In Tubernuc stond een tussenvorm tussen de tempel nissen en de drie vrijstaande tempels; de tempel die daar aan het capitool stond, had drie afzonderlijke zalen, maar vormde wel één geheel.

Triomfboog: Sbeïtla, eind 3de eeuw. Triomfbogen werden opgericht ter ere van een overwinning of om de stadsgrens aan te geven. Bovendien dienden ze dikwijls als herdenkingsmonument, bijvoorbeeld ter ere van Afrikaanse keizers.

Stads en platteland: De romanisering van nieuw veroverde gebieden vond onder andere plaats door middel van het kadaster. Zo lag in Carthago de stad met loodrecht op elkaar staande straten tussen de op ‘klassieke’ wijze ingedeeelde landerijen. Deze bestonden uit vierkante percelen van 50 ha en zijden van 710 meter. Alle veroverde gebieden werden op deze wijze verdeeld en vervolgens uitgeroepen tot ager publicus populi romani (openbare staatsdomeinen). Daarna besloot de Romeinse overheid of het land ter beschikking zou worden gesteld van de voormalige eigenaars of aan Italiaanse kolonisten.

Amfitheater: De romeinen bouwden in de 3de eeuw het amfitheater van El-Jem, het op twee na grootste van de antieke wereld. Het was een van de laatste amfitheaters die werden opgericht. Voor de bouw maakten men gebruik van de modernste technieken. Het amfitheater is opgetrokken met behulp van Punische maten en in een stijl waarin Afrikaanse elementen en Romeinse invloeden zijn te herkennen.

Afrikaanse kerken: Pas na de bekering van keizer Constantijn verschenen de eerste officiële kerken in de Romeinse steden. Aanvankelijk waren ze weinig meer dan verbouwde woningen, maar later ging men basilieken bouwen die plaats boden aan een groot aantal gelovigen. Ze waren rechthoekig en bestonden meestal uit drie beuken en een apsis. Soms was hier tegenover een twee apsis gebouwd, waarin graftomben lagen of relieken van heiligen werden bewaard.

naar boven

Romeinse mozaïeken

De mozaïekkunst kon zich pas ontwikkelen na de uitvinding -- vermoedelijk in Alexandrië -- van het opus tessellatum, waarbij kleine stukjes natuursteen, baksteen, marmer of glaspaste als een legpuzzel in elkaar werden gepast als vervanging van de tot dan toe gebruikelijke kiezelstenen. De vloer van grote particuliere en openbare gebouwen werd versierd met steeds ingewikkelder mozaïeken, gemaakt door groepen rondreizende ambachtlieden, die bestonden uit een tekenaar, een meester-mozaïeklegger en een aantal leerlingen.

De ondergrond:
    - Statumen = fundering;
    - Rudus = harde puinlaag;
    - Nucleus = egaliseringslaag van ruwe cement;
    - Mortelbezetsel.

Het leggen van een mozaïek: De tekenaar (pictor imaginarius) maakte zijn ontwerp op de nucleus. De meester-mozaïeklegger (tesselalarius) zocht vervolgens tessellae van de juiste kleur uit, die hij naar kleur gerangschikt in manden naast zich had staan. De witte tessellae van de rand werden door een leerling gelegd. Als het mozaïek gereed was, werd hij gepolijst.

Thema’s van de composities: De pictor imaginarius kan vermoedelijk teruggrijpen op een scala aan bestaande composities, die overal in het uitgestrekte Romeinse Rijk in zwang waren. De bekende thema’s werden echter aan de plaatselijke smaak en stijl aangepast. De mozaïekkunst stond vooral ten dienste van de welgestelde burgerij.

Mozaïekmaker: Mozaïekmakers waren reizende ambachtslieden, die in groepen rondtrokken al naar gelang de plek waar vraag was naar hun werk. Dit verklaart de overeenkomsten tussen vloermozaïeken in de verschillende regio’s van het Rijk.

De tessellae: Tessellae werden met een kaphamer gemaakt. Ook legde men de plaat op de scherpe kant van de beitel, waarna men er met een houten hamer een tik op gaf.

Kleuren en materialen: Rode tessellae werden gemaakt van terracotta. Voor de andere kleuren gebruikte men marmer of andere soorten steen. Als de gewenste kleur niet in steen voorkwam, nam men zijn toevlucht tot glaspasta. Vooral vanaf de 2de eeuw werd veel van dit materiaal gebruik gemaakt. In christelijke mozaïeken uit de 4de tot 6de eeuw is soms zelfs goud verwerkt.

Opus tessellatum: Deze techniek hield in dat kleine, vierkante steentjes (de tessellae) van bijvoorbeeld 2 bij 2 centimeter dicht tegen elkaar werden gelegd, zodat een aaneensluitend geometrisch patroon ontstond.
Opus vermiculatum:
Volgens deze tweede techniek werden zeer kleine tessllae zo gelegd dat ze de lijnen van het ontwerp volgden. Het effect van het geheel had iets weg van een schilderij.
Opus sectile: deze derde techniek hield in dat grote, op maat gesneden platen polychroom marmer in geometrische motieven werden gelegd. Op deze wijze maakte men prachtige vloeren.

naar boven

De medina, de stedelijke omgeving

De traditionele of Arabische stad -- medina -- is volgens een geheel eigen patroon gebouwd. Ronde de stad staat en rechthoekige (Sousse en Sfax) of eivormige (Tunis) muur. Deze heeft enkele poorten (de enige toegang tot de stad) die s’nachts en op vrijdag gesloten waren, dit laatste om de stad tijdens het gebed niet onverdedigd te laten. Er bestond een duidelijk onderscheid tussen het stedelijke Tunesië en het platteland, waar de semi-nomadische bevolking de beschikking had over een schijnbaar ongelimiteerde hoeveelheid land, dat als gemeenschappelijk bezit werd beschouwd.

Het centrum met de soeks: Naarmate men dieper in de medina doordringt, verschijnen er steeds meer verschillende winkeltjes. Het centrum wordt gevormd door de soeks rond de grote moskee. In de steegjes met winkeltjes staat de fondouk, het ‘hotel-pakhuis’ van ambachtslieden en handelaren.

Godsdienstige en openbare gebouwen: Instellingen als de medersa, zaouïa en hamman versterken het openbare en godsdienstige karakter van dit deel van de stad, waar geen mens woont, met uitzondering van nachtwakers die de soeks en openbare gebouwen bewaken.

De kasbah op een van de hoeken van de stadsmuur: De kasbah, een versterking waar vroeger de heerser en zijn uitgebreide hofhouding woonde, bestond uit kazernes, pakhuizen en winkels. Dit complex completeerde het verdedigingsstelsel van de stad. De kasbah van Sousse is op het hoogste punt van de stad opgetrokken en kijkt uit over de hele medina.

Woonwijk: Een van de belangrijkste kenmerken van de medina is de rigoreuze scheiding tussen woonwijken en de centraal gelegen soeks met hun winkels, bedrijven en godsdienstige instellingen. Door deze structuur hadden de bewoners in hun huis geen last van het lawaai en de drukte van het centrum.

Een eenvoudige indeling: De gebouwen in de medina hebben een eenvoudige indeling en bestaan uit kamers, cellen en een gebedsruimte. De wijze waarop de vertrekken rond de centrale binnenplaats zijn gerangschikt, bepaalt de functie van een gebouw. Een medersa heeft bijvoorbeeld hetzelfde grondplan als een fondouk, maar beschikt bovendien over een gebedsruimte.

Godsdienstige bouwwerken: De hoofdstraten van de medina komen uit op de Grote Vrijdagsmoskee, die meestal in het centrum staat. De zogenaamde moskeeën van alledag, komen tegemoet aan de godsdienstige behoeften van de bewoners van de woonwijken.

Poorten en stadsmuren: De twee zware deuren van de stadspoort geven toegang tot een binnenruimte met een zigzagdoorgang, die uitkomt op een pleintje waaraan een kleine moskee en één of meer fondouk staan. De stadsmuren met kantelen zijn gebouwd van natuursteen of baksteen (Karouan) en versterkt met torens (borj) en steunberen.

De voorsteden buiten de stadsmuren: In de buurt van een poort onstond dikwijls een voorstad met een moskee, een fondouk en een dagelijkse of wekelijkse boerenmarkt, die soms het centrum werd een voorstad. De begraafplaatsen lagen aan de rand van de stad, al dan niet binnen de muren. Europeanen, die niet in de medina mochten wonen, bouwden hun eigen wijk met woningen en fondouk buiten de stadsmuren. Als de stad aan de kust lag, kozen ze altijd een locatie zo dicht mogelijk bij zee. De meeste akkers rond de stad waren in handen van rijke stedelingen. De Fransen bouwden later dikwijls hun eigen stadswijken op deze landbouwgronden.

naar boven

Soeks en fondouk middelpunt van handel

De soeks liggen in het centrum van de medina rond de Grote Moskee, die soms geheel door de winkels aan het oog wordt onttrokken. De wijk bestaat uit -- dikwijls overdekte -- straten waaraan smalle, diepe winkeltjes liggen. In principe woont er niemand in deze wijk, die uitsluitend een openbare en commerciële functie heeft. Iedere soek heeft zijn eigen specialiteit. Winkels met ‘edele’ koopwaar, zoals parfums en stoffen, liggen in de buurt van de moskee, terwijl winkels met meer alledaagse produkten of werkplaatsen van ambachten die overlast veroorzaken, zoals ververijen, smederijen en pottenbakkerijen, bij de stadspoorten zijn gevestigd.

De soek: De soek bestaat uit een groot aantal winkeltjes aan al dan niet overdekte straten en steegjes.

Langs de hoofdstraat: De door winkels omzoomde hoofdstraat loopt tussen de poort en het stadscentrum. Soms zijn de winkeltjes uitgebouwd tot op de straat, waardoor deze smaller wordt, of gevestigd in een aan de straat gelegen verbouwd vertrek van een woning. In de buurt van de moskee liggen de meest prestigieuze winkels, terwijl handelaren in minder waardevolle artikelen in de omgeving van de poort zijn gevestigd.

In de buurt van de poorten: Aan het begin van de hoofdstraat naar de Grote Moskee bevinden zich een kleinere moskee en één of meerde fondouks, waardoor in de buurt van de poort een klein stedelijk centrum is ontstaan.

Winkels: De lange, smalle winkels liggen iets hoger dan het straatniveau. Er worden zowel produkten vervaardigd als verkocht. Als de deur tussen de winkeltjes is gesloten, verraadt niet de aanwezigheid van de fondouk.

De fondouk: Een fondouk is een herberg voor kooplieden van het platteland of uit het buitenland. Het gebouw bestaat uit een rechthoekige binnenplaats waarop een aantal kleine vertrekken uitkomen. Die op de begane grond dienden als de stal voor rij- en lastdieren of als opslagplaats voor koopwaar, de kamers op de eerste verdieping waren bedoeld als onderkomen voor de kooplieden. Vóór de vertrekken op de begane grond loopt een galerij met bogen, op de eerste verdieping een galerij met rechte latei.

Fondouk voor boeren: Boeren die in de stad hun produkten kwamen verkopen, logeerden in een speciale fondouk in de buurt van de poorten. De bouwwijze is gelijk aan die van de stedelijke fondouk, maar het gebouw heeft geen galerijen.

naar boven

De dar, het woonhuis

De stedelingen woonden in wijken buiten de soeks in het centrum. In de oude stadswijken bevinden de woonblokken zich aan straatjes die zich als een boom lijken te vertakken, waardoor het mogelijk was de deur van een groot aantal huizen op dezelfde straat te laten uitkomen. In meer recente wijken staan de woningen aan evenwijdige doodlopende straatjes, die loodrecht op een hoofdstraat zijn aangelegd. In beide gevallen staan in de wijken alleen woonhuizen en nooit winkels of openbare gebouwen.

Multifunctionele woningen: Grote woonhuizen bestonden uit drie afzonderlijke delen, die elk op een binnenplaats uitkwamen:

- Het woonhuis (dar) met de rond de centrale binnenplaats (wast el dar) gelegen woonvertrekken;
- Het deel met de dienstvertrekken (dwiriya), waarin zich de keuken, de opslagplaatsen en de hammam bevonden;
- De gastenverblijven (dar el diaf) op de eerste verdieping of naast de dar. Deze waren direct via de sqifa toegangkelijk.

De kamer: De kamer heeft aan weerszijden van de deur een symmetrische alkoof met een paneel van bewerkt en beschilderd hout (tej), waaronder een zitbank staat. Huizen van welgestelden hadden tevens een nis tegenover de ingang, de (kbu). Naast deze ontvangstruimte lagen twee privé-vertrekken.

Het dakterras: Het dakterras bestond uit balken van olijfstammen, waar stenen platen overheen waren gelegd. In rijke woningen maakte men gebruik van een verlaagd plafond van beschilderde planken. Het deel boven de kbu is gedecoreerd met een symmetrisch motief.

De binnenplaats: De binnenplaats is meestal vierkant en al dan niet met marmer tegels geplaveid. Aan alle zijden komer er vertrekken op uit. De vier gevels aan de binnenplaats zijn identiek. Ze hebben een deur in het midden, aan beide zijden geflankeerd door een venster met een traliewerk van smeedijzer. De onderkant van de gevels is verfraaid met natuursteen en faiencetegels. In paleizen is het bovenste deel voorzien van gebeeldhouwd pleisterwerk. De symmetrische stijl van de vier gevels accentueert het besloten karakter van de binnenplaats. Binnenplaatsen van zeer grote woningen en paleizen hebben soms een of meerdere zuilengalerijen.

De sqifa: Voordat men de binnenplaats betrad, moest men door de sqifa, die de overgang vormde tussen de straat en het huis. In dit zigzagvormige vertrek stonden banken van metselwerk. Door deze bouwwijze kon de eigenaar van het huis gasten ontvangen, zonder dat zij de binnenplaats hoefden te betreden.

De driba: In paleizen wordt de sqifa voorafgegaan door een vestibule (driba), die dienst deed als rechtszaal.

Water: Ieder huis had een eigen put (bir), waaruit de bewoners hun drinkwater putten. Onder de binnenplaats lag ook een cisterne (majin), waarin het regenwater werd opgevangen. Dit gebruikte men voor de was en andere huishoudelijke doeleinden. Door een in de muur uitgespaarde nis kon men het water in de put en de cisterne bereiken.

Verschillende verdiepingen: De cisterne lag meestal in een kelder onder de binnenplaats. Als de woning een verdieping had, was deze net zo ingedeeld als de begane grond.

naar boven

terug naar het begin.