De Blauwe Moskee ( Sultanahmet Camii ) , Aya Sofia , De Hippodroom ( At Meydani ) , De landmuur van Theodosius , Het vijfhoekige kasteel & Yedikule en de Gouden Poort , Tekfur Sarayi , Topkapi-paleis , Grote Bazaar , Van Istanbul naar Iznik , Canakkale , Troje , Ayvalik , Pergamon (Bergama) , Izmir , Efese = Ephesus , Aydin , Pamukkale , Bursa , Goude Hoorn (Haliç) , enkele Turkse woorden.
Istanbul:
Istanbul is een aan de Europese en de Aziatische
zijden van de Bosporus gelegen. De beroemde monumenten liggen bijna allemaal
aan de Europese kant, evenals de welvarende buitenwijken.
De Aziatische kant bestond vanouds uit rustige buurten, maar de laatste tijd
zijn deze overspoeld met migranten van het platteland, wat heeft bijgedragen tot
de verpaupering van de wijken.
Beyoglu.
Deze enorme wijk met grote 19de eeuwse
gebouwen ligt aan de Europese zijde. In de Ottomaanse tijd werd de wijk
Pera genoemd en in latere tijden waren alle Europese ambassades er gevestigd,
tot dat Ankara de hoofdstad werd. De
wijk raakte in verval, maar is er de laatste tijd weer sterk op vooruit gegaan
en er zijn nu talloze jazzcafés, nachtclubs, bioscopen en allerlei winkeltjes
zoals meubelrestaurateurs en boekantiquariaten. Sind 1990 rijdt er weer een
tram en zijn er voetgangerszones gemaakt, vooral in de Istiklal Caddesi.
Aan
het eind van deze straat bevindt zich het Taskimplein, het commerciële
centrum van de stad, met veel verkeersdrukte, moderne hotels en snackbars.
Belangrijke bezienswaardigheden in Beyoglu zijn de kegelvormige Galatatoren, die in 1348 door de Geneuzen werd gebouwd (er zijn nu een restaurant en een nachtclub gevestigd), en het elegante maar verwaarloosde Pera Palas, dat is gebouwd om de reizigers van de Oriënt-express onder te brengen en nog steeds een hotel is.
Bosporus.
Bospurus betekent in de Griekse
mythologie "koevoorde": Zeus veranderde zijn geliefde Io in een koe om
haar zo tegen de wraak van zijn jaloerse gamalin Hera te beschermen. Toen Hera
een horzel uitstuurde, sprong de koe de Bosporus in en stak de zeestraat over.
De 32 km lange zeestraat tussen de Zwarte Zee met de Zee van Marmara, waarvan de grens wordt aangegeven door de Leander-toren is zeer bepalend voor het karakter van Istanbul geweest. Twee bruggen verbinden de Europese en de Aziatische zijden. De eerste, de oude Bosporus (Bogaziçi Köprü) werd in 1973 gebouwd. De tweede, Fatih Sultan Köprüsü, werd in 1988 voltooid en overbrugt het smalste punt, tussen de forten Rumuli Hissari en Anadolu Hissari, waar de Perzische koning Darius in 512 voor Christus zijn bootbrug bouwde.
De belangrijkste bezienswaardigheden in Istanbul.
De Blauwe Moskee ( Sultanahmet Camii
).
De zowat
21.000 blauwe steentjes die de binnenzijde van deze moskee bekleden geven de
Sultanahmet Camii de naam waaronder zij bekend is. Om de geestelijke banbliksems
te vermijden heeft sultan Ahmet I, de opdrachtgever, een zevende minaret aan de
moskee te Mekka geschonken.
Het buitenaanzicht van de Blauwe Moskee, tegenover de Ayasofia, is een toonbeeld van volmaakte orde en harmonie. Vooral s nachts, wanneer de moskee verlicht is, zal wel niemand zich kunnen onttrekken aan de bekoring van dit romantische silhouet met zijn vele met lood beklede koepels en ten hemel reikende minaretten. De moskee is een werk van Mehemet Aga, een leerling van Sinan, die haar tussen 1610 en 1616 bouwde in opdracht van sultan Ahmet I. Tot de verhuizing van het hof naar de Dolmabahça-paleis in het midden van de vorige eeuw gingen de sultans hier elke vrijdag in ceremoniële optocht naar de gebedsdienst. Ook nadien behield de moskee haar prestigieuze positie, en tot ver in deze eeuw riepen vijfmaal daags niet minder dan zestien muezzins - een voor elk minaretbalkon - de gelovigen op tot het gebed.
De voorhof van de moskee is een enorme, serene ruimte omsloten door een overdekte zuilengang met antieke pilaren. De kleine fontein in het midden is weer uitsluitend als versiering bedoeld, aangezien het rituele wassen plaatsvindt in de zuilengangen langs de noord- en zuidmuur.
Het wijdse interieur maakt een rijke, vol kleur en licht wanneer de ochtendzon langs de ramen in de oostwand speelt. De vele koepels en koepeltjes boven de vierkante gebedsruimte worden naar boven toe steeds hoger en groter en monden uit in vier halve koepels die de immense centrale overkoepeling steunen. De vier gecanneleerde steunpilaren in het midden worden wel eens laatdunkend als "olifantspoten" aangeduid, en inderdaad verstoren ze door hun weinig elegante aanzien nogal de ruimte werking. Daar staat tegenover dat de prachtige Iznik-tegels in de zijgalerijen en de mihrab een waar hoogtepunt vormen in de Ottomaanse keramische kunst. Naar verluidt zou een enorme opdracht voor de Blauwe Moskee het kunnen van de Iznikse tegelmakers feitelijk hebben uitgeput, en daarmee de neergang van deze kunst hebben ingeleid.
Het overige moskee-complex: Arasta, Kilim- en Tapijten-museum.
De Arasta is een elegante winkelstraat pal te oosten van de moskee, met
voornamelijk dure souvenir- en tapijtwinkels. De opgang die voorheen toegang gaf
tot de vertrekken van de sultans, huisvest nu een fraaie collectie kilims,
terwijl in de gewelven onder de oostelijke muur tapijten en kleden zijn
tentoongesteld.
Tapijten en kilims. Natuurlijke en chemische kleurstoffen.
Wie Turkije zegt, denkt aan tapijten. Vondsten uit een bijna 8000 jaar oud
heiligdom in Anatolië gewijd aan de moedergodin doen echter vermoeden dat het
weven van kilims een veel oudere kunst is dan het tapijtweven. Het oudste
tapijt, afkomstig uit Centraal-Azië, is slecht 2500 jaar oud. Het verschil
tussen een tapijt en een Kilim zit hem in de wijze waarin ze worden gemaakt.
Tapijten worden uit duizenden stukjes draad geknoopt op een ondergrond van evenwijdige draden en nadien gelijkmatig afgeschoren. In Turkije worden ze meestal voorzien van een Perzisch patroon, bijvoorbeeld in de vorm van een gestileerde tuin of een gebedskleed met boogmotief.
Kilims werden gemaakt door Turkse nomadenstammen uit ruwe zelf geverfde wol. De meeste Turkse tapijten zijn kelims. Kilim betekent "platgeweven". Deze kleine tapijten pluizen vrijwel niet. Ze zijn geweven in plaats van geknoopt en zijn dan ook dun en glad. De patronen zijn meestal geometrisch, hoewel van de Balkan ook bloemmotieven bekend zijn, in Oost-Turkije wordt soms zilver- of gouddraad in de tapijten verwerkt, wat berscherming heet te bieden tegen de duivel en het boze oog. Het materiaal is gewoonlijk schapewol maar soms ook katoen of geitehaar gebruikt. De kelims dienen niet alleen als vloerbekleding, maar ook als gordijn, scheidingswand in tenten, wandtapijt en gebedskleed. Er werden ook grote zakken van gemaakt, die werden gebruikt als kussens en als zadeltassen of om zout, brood, graan of kleren in te doen.
Natuurlijke en chemische kleurstoffen, tradioneel worden natuurlijke kleurstoffen gebruikt. deze werden vaak verkregen door middel aan een langdurig en bewerkelijk proces van bladeren, wortels, schors, bessen en mineralen. In de tweede helft van de 19de eeuw kwamen de industriële anilinekleur-stoffen beschikbaar en deze hebben geleidelijk de meeste oude plantaardige kleurstoffen vervangen.
Als u een tapijt wordt aangeboden dat ouder is dan 1850 en er zit roze of
orange in, wordt u bedrogen,
want deze kleurstoffen kunnen niet van natuurlijke
grondstoffen worden gemaakt.
Aya Sofia.
Op de ochtend voor Kerstmis 563, enkele
maanden voor het einde van zijn 36-jarige regering, ging de bejaarde keizer
Justinianus bij zonsopgang een processie voor ter inwijding van zijn levenswerk,
de Hagia Sophia of Kerk van de Heilige Wijsheid. Aangekomen bij
het pas voltooide godshuis riep hij uit: Ere zij God, die mij waardig
heeft bevonden zulk een werk te volbrengen. Oh Salomon, ik heb u overtroffen!
De Ayasofya, zoals de huidige Turkse benaming luidt, is vanwege haar leeftijd,
invloed op de bouwkunst en historische waarde onbetwist een van de belangrijkste
bouwwerken die de mensheid heeft voortgebracht. Gebouwd in de 6de eeuw, werd de
kerk in de 15de eeuw een moskee; tegenwoordig is de Ayasofya een museum. Hoe
bekend het gebouw ook is, elke keer weer zijn bezoekers met stomheid geslagen
bij de eerste aanblik van het indrukwekkende interieur, een ervaring waaraan
geen enkele beschrijving of foto ooit recht zal kunnen doen. Staande onder de
reusachtige koepel kan niemand zich onttrekken aan de verpletterende
ruimtewerking en de bijna mystieke sereniteit van de strenge symmetrische
aanleg.
De Ayasofya is het absolute meesterwerk van de Byzantijnse architectuur, waarin door middel van geraffineerde licht- en schaduweffekten altijd werd gestreefd naar het scheppen van een spirituele ruimte. Afgezien van de koepel is buiten het oorspronkelijke aanzien goeddeels verloren gegaan door later aangebouwde steunberen, Ottomaanse praalgraven, fonteinen, minaretten en andere toevoegingen. De massieve pilaren, kapitelen en andere bouwdelen bij de ingang zijn afkomstig uit de twee kerken die hier voor de Ayasofya stonden, uit de 4de en 5de eeuw. De oorspronkelijke ingang was overigens via een overdekte binnenplaats.
De nartex en de vestibule van de wacht.
De voorhal of nartex is een indrukwekkende lange zaal bekleed met dunne
marmeren platen. In het midden bevindt zich de keizerlijke poort met zware
bronzen deuren, die toegang geeft tot de kerk zelf en voorbehouden was aan de
keizer en de patriarch. Boven de poort is in de kroonlijst een reliëf
zichtbaar van een duif die uit het evangelie van Johannes vliegt, dat
opengeslagen is op het tiende boek en te lezen geeft: Jezus dan zeide
wederom tot hen: ik ben de Deur der schapen. Daarboven prijkt het
beroemde mozaïek van keizer Leo VI die zich aan Christus onderwerpt,
geflankeerd door medaillons met de Heilige Maagd en de aartsengel Gabriël. Naar
verluidt zou Leo VI ze in 920 hebben laten plaatsen als boetedoening voor zijn
vierde, verboden huwelijk, dat voor de patriarch aanleiding was geweest de
keizer de toegang tot de kerk te ontzeggen. Aan het zuideinde van de nartex
bevindt zich een merkwaardig gevormde toegangsvestibule uit de 6de eeuw, waar de
lijfwacht van de keizer moest achterblijven. Afgezien van de voorstelling boven
de deur dateren de mozaïekfragmenten hier nog uit de zelfde tijd als de kerk
zelf.
Het 10de eeuws deurmozaïek toont de Heilige Maagd en Christus
aanbeden door Justinianus (links) en Constantijn (rechts), die respectievelijk
een model van de Hagia Sophia en van de stad aanbieden.
Het middenschip.
Justinianus
had het ontwerp voor zijn nieuwe kerk toevertrouwd aan de grootste wiskundige en
de grootste natuurkundige in zijn tijd, Antemius van Tralles en Isodorus van
Milete. Hun plan betekende een sensationele vernieuwing in de bouwkunst. Centraal
staan vier zware steunpilaren, die onderaan met lood in plaats van
metselspecie gevoegd zijn en samen vier reusachtige bogen dragen, welke weer
de ronde basis vormen voor een grote, vlakke koepel met 40 lichtramen.
Aan de noord- en zuidzijde zorgen grote halve apsiskoepels voor de nodige steun,
samen met massieve pilaren die in het muurwerk van de lage zijden zijn
opgenomen. Die luchtige scheiding tussen de zijbeuken en het middenschip wordt
gevormd door slanke, bijna te dunne zuilen, die niettemin een bovengalerij en de
hogere muren met lichtramen dragen. In het ragfijne beeldhouwwerk van hun
kapitelen zijn tussen de sierlijke wijnrank- en bladmotieven de keizerlijke
monogrammen van Justinianus en Theodora te herkennen.
Let u vooral een op de muren van de bovengalerijen, waar in fraai inlegwerk van ebbehout en parelmoer subtiele licht- en donkereffekten worden herhaald. De gewelven zijn hier nog goeddeels bedekt met goudkleurige mozaïeken, die waarschijnlijk uit de 6de eeuw dateren. Op deze ondergrond zijn kruisen aangebracht, terwijl de architectuur extra accenten krijgt door begrenzingen van bladmotieven en geometrische sierpatronen. De oudste figuratieve voorstelling is die van de Heilige Maagd en het Christuskind in de oostelijke apsis. Het werd in 867 aangebracht ter gelegenheid van de overwinning van de oude leer op de iconoclasten, die zich zo fel hadden gekeerd tegen het afbeelden van de Heilige Familie en ander figuren uit het christelijke geloof. Hoe majesteitelijk Maria ook op haar troon zit, met links van haar wat vleugelresten van de aartsengel Michaël en rechts Gabriël, ze wekt toch een verrassend menselijke indruk. Jong en kwetsbaar, bijna verward kijkt ze de enorme gebedsruimte in. Hoog tegen de noordelijke muur ziet u nog drie mozaïekportretten, van Ignatius de Jongere, Johannes Chrystostomos en Ignatius van Antiochië.
Onderaan de koepel zijn in de hoeken engelen aangebracht. Die aan de oostzijde zijn 14de eeuwse mozaïeken, aan de westkant betreft het geschilderde kopieën. In de 19de eeuw zijn de gezichten bedekt door vergulde medaillons, toen ook de ronde borden met koranteksten werden opgehangen en de mihrab, die minbar en de afgescheiden gebedsruimte voor de sultan zijn geïnstalleerd. Daarbij werd tevens de vloer van het schip op Mekka georiënteerd. De fraaie koranbibliotheek in de zuider zijbeuk werd in 1739 gebouwd door Mahmut I.
Christenen en moslems hebben door hun aanraking in de loop de eeuwen een diep gat uitgesleten in de steen van de zwetende zuil van Sint-Gregorius de Wonderdoener. Het vocht uit de pilaar heet oogziekten te genezen en de vruchtbaarheid te bevorderen.
De bovengalerij en de mozaïeken.
Om
de mooiste nog bestaande mozaïeken in de kerk te zien moet u op de bovengalerij
zijn, die in Byzantijnse tijd voor de vrouwen was gereserveerd. De troon van
de keizerin stond op het groen marmeren medaillon bij de twee vrijstaande zuilen
in het midden van het balkon. De muren waren bedekt met een weelde aan
mozaïekportretten van heiligen en heersers, waarvan nu nog slecht vier
resteren. De zuidervleugel van de galerij wordt in tweeën gedeeld door een
marmeren scheidingswand, die gebeeldhouwd is als een gewone houten deur,
compleet met sleutel, sloten en panelen. Daarachter ziet u rechts een
prachtig 13de eeuws Deèsis-mozaïek, waarin per traditie Christus tronend
tussen de Heilige Maagd en Johannes de Doper is afgebeeld. Maria is weergegeven
in de Hodegetria-pose, met een karakteristieke zijwaartse blik vervuld van
onderdrukt verdriet om het lot van de wereld, Johannes heeft het lijdende
gezicht en het wilde haar van de mysticus en profeet. Aan het einde van de
zuidelijke galerij prijken twee mozaïeken met keizer portretten. Het oudste
(midden 11de eeuw) toont Christus Pantocrator met keizerin Zoë en haar derde
echtgenoot Constantijn IX Monomachus. De naam van Constantijn en
de gezichten zijn niet origineel, want het mozaïek beeldde aanvankelijk een
eerdere echtgenoot uit. Naar verluidt was het keizerlijke paar na hun
dood enige tijd uit de voorstelling verwijderd. Het andere, veel elegantere
en realistischer mozaïek geeft Johannes II Comnenus (1118 - 1143) en zijn
blonde blozende echtgenote Irene van Hongarije weer, met de Heilige Maagd en het
Christuskind. Johannes en Irene gelden als de meest verheven en verlichte
heersers die ooit de Byzantijnse troon hebben bezet. Men neemt aan
dat het portret van hun zoon Alexius is toegevoegd na diens vroege dood in 1120.
De noordelijke galerij bezit slecht één klein mozaïek, verstopt in een donker
hoekje aan de oostzijde van de noordwestelijke steunpilaar. Het stelt een rijk
uitgedoste keizer Alexander voor, met in de ene hand de rijksappel en in de
andere een tekstrol. Alexander was een verdorven dronkaard, zeer
gewelddadig en bijna een heiden, aan wiens dertien maanden durende regering een
voortijdig einde kwam toen hij na een zwaar maal in de middaghitte polo speelde
en een hartaanval kreeg.
De Hippodroom ( At Meydani ).
Dit langgerekte
plantsoen vol monumenten, naast de Blauwe Moskee, is een zeer bijzonder
historisch overblijfsel. De asfaltweg eromheen volgt bijna precies de
Romeinse wagenrenbaan die keizer Septimius Severus hier in de 2de eeuw liet
aanleggen. Aan de oostzijde bevond zich de keizerlijke tribune,
die een eigen toegang had tot het paleis van Byzantijnse heersers. Door
deze functie als ontmoetingspunt tussen keizer en volk heeft de Hippodroom door
de eeuwen van de Byzantijnse geschiedenis altijd een belangrijke politieke rol
gespeeld. Gedurende de Ottomaanse periode dienden de overblijfselen ervan
als paradeplaats en ook als executie terrein. Waar nu het
toeristisch informatiebureau staat, verrees ooit een siertoren bekroond door de
beroemde bronzen paarden voor San Marco in Venetië, welke hier tijdens de
Vierde Kruistocht zijn geroofd. Het volgende monument op het
middenterrein, dat voorheen een verhoogd terras was, is de Duitse Fontein -
beslist de lelijkste in Istanbul, maar wel een van de weinige die werken.
Het is een lompe kopie van de fontein bij de Blauwe Moskee, die in 1898 te
ere van het bezoek van de Duitse keizer Wilhelm II werd opgericht.
Binnen
ziet u in de koepel diens initialen en de Tugra (gekalligrafeerd monogram) van
Abdül Hamit II.
Verder naar het zuidwesten verrijst de Egyptische obelisk uit de 16de eeuw v. Chr., ter herinnering aan een succesvolle veldtocht in Noord-Syrië, met hiërogliefen zo scherp alsof ze pas gisteren in de granieten zuil zijn gehouwen. Tweeduizend jaar later werd de obelisk naar Constantinopel gebracht, maar in de haven brak de zuil in drieën - wat u nu ziet, is slechts het bovenste deel, dat hier op last van keizer Theodosius I in 390 op vier koperen blokken en een marmeren voetstuk werd geplaatst. Op de reliëfs aan de zuidkant daarvan zijn de keizer en zijn familie te zien terwijl ze de wagenrennen volgen, aan de westkant nemen ze de onderwerping van barbaren aan. Het noordelijke reliëf toont Theodosius die aanwijzingen geeft voor het oprichten van de obelisk, terwijl hij op de oostelijke een winnaar van de wagenrennen kroont.
Een nog eerbiedwaardiger historisch monument is de bronzen zuil ernaast, in de vorm van drie vervlochten slangen. Het is gegoten uit het brons van de wapens van de Perzen die in 479 v. Chr. Door de Grieken in de slag bij Platea werden verslagen; nadien werd het in Delfi aangeboden aan Apollo, als dank voor de behouden onafhankelijkheid. Meer dan zes eeuwen later liet Constantijn de Grote de zuil overbrengen ter verfraaiing van zijn nieuwe hoofdstad. Het ontbrekende bovenste deel is overigen pas in de 18de eeuw door Europese souvenirjagers gestolen.
Het laatste monument, bekend als de Koperen Obelisk, werd eveneens door Theodosius I opgericht in 390. Ooit was de pilaar bekleed met koperen reliëfplaten met allerlei arcadische voorstellingen en werd hij bekroond door een prachtige windwijzer in de vorm van een vergulde vrouwenfiguur. Van deze pracht is niets meer over, tijdens de plundering van de stad in de Vierde Kruistocht werd de bronzen bekleding geroofd, terwijl de overblijvende stenen zuil later door de jonge Janitsaren als klimrots werd gebruikt om hun moed te beproeven.
In het park verder naar het noorden, voorbij het Sultan Sofra-café, vindt u de resten van de 5de-eeuwse paleizen van de hovelingen Antiochus en Lausus, die in de 6de eeuw werden verwoest tijdens de Nika-opstand. Daarna stond hier een kapel gewijd aan de Heilige Eufemia, een martelares van de christenvervolging onder keizer Diocletianus in 303.
De landmuur van Theodosius.
Wie over de vestingsmuren
van deze verdedigingslinie loopt leert Istanbul op een aparte manier kennen. Men
kijkt neer op volkstuintje, oude lage huizen, de ruïnes van Constantijns paleis
( hier rest nog weinig van ), het straatleven enz.. Niet minder dan vijftien
torens maken deel uit van dit bolwerk dat echter niet bestand bleek tegen de
opmars van Mehmet II die de stad op 29 mei 1453 in nam.
Deze enorme stadsmuren, die ooit de Byzantijnse hoofdstad beschermden, strekken zich uit over een lengte van 6,5 km. tussen de Gouden Hoorn en de Zee van Marmara. Op sommige plaatsen zijn ze vervallen of overwoekerd, maar als geheel bevinden ze zich nog in opmerkelijk goede staat. Enkele gedeelten zijn recentelijk grondig gerestaureerd. Wie over voldoende energie beschikt, kan ze over hun gehele lengte bewandelen, al zult u geregeld moeten uitwijken voor illegale krottenwijken, vuilnishopen en drukke verkeerswegen. Een gemakkelijker alternatief is een taxirit langs de muren, met onderweg een bezichtiging van bijvoorbeeld enkele van de oude stadspoorten ( kapisi ), het Tekfur Sarayi of het vijfhoekige kasteel Yedikule (zie hieronder). Binnen honderd jaar na de stichting in de 4de eeuw was de stad van Constantijn de Grote al uit haar eerste muren gegroeid. Een nieuwe muur werd zon 2 km. Verder westelijk opgetrokken, maar al in 447 viel deze ten offer aan een aardbeving, in hetzelfde jaar dat een aanval werd verwacht van Atilla en zijn Hunnen. In allerijl werd de bevolking gemobiliseerd en in vier werkploegen ingedeeld, naar de vier populaire teams bij het paardenrennen, die elk opdracht kregen een deel van de muren te herbouwen. Een inscriptie uit die tijd vermeldt trots: In opdracht van keizer Theodosius II richtte perfekt Constantijn deze sterke muren in minder dan twee maanden op. Pallas Athene zelf zou zon sterke vesting nauwelijks in een zo korte tijd gebouwd kunnen hebben.
Duizend jaar lang boden deze muren de stad effectieve bescherming. De eerste verdedigingslinie was een brede gracht, die door middel van reservoirs binnen de stad gevuld kon worden. Achter deze gracht was een lage borstwering, waarboven een 9 m hoge muur met 96 torens verrees. Daarachter lag een nog massievere, 12 m hoge en 5 m dikke muur met eveneens 96 torens, die afwisselden met die in de muur ervoor. Dankzij een vernuftig stelsel van poorten en toegangen konden overal snel versterkingen worden aangevoerd. Daarnaast waren er vijf grote stadspoorten met ophaalbruggen ervoor, waardoor het niet-militaire verkeer in en uit de stad kon komen.
Een wandeling over de muren.
Op
het strategische punt waar de muren de Zee van Marmara bereikten, waren ze
versterkt met de Mameren Toren (Mermer Kule), die nu in het park langs het water
staat. De toren diende als gevangenis en als buitenhuis aan zee voor de keizers.
De Byzantijnse poort aan de overkant van de Kennedy Caddesi staat bekend als de
Christuspoort. De eerste poort van de burgerij was Yedikule-kapi, pal ten
noorden van het grote kasteel met zijn zeven torens. De Gouden Poort die
er deel van uitmaakte, werd alleen gebruikt voor ceremoniële gelegenheden.
De muren ten noorden hiervan, met ter weerszijden moestuinen en begraafplaatsen,
vormen het aantrekkelijkste gedeelte. Het deel bij de Belgrad-kapi
is geheel gerestaureerd. Deze poort kreeg zijn nieuwe naam toen
Süleyman de Prachtlievende Belgrado veroverde en Servische kunstenaars en
ambachtslieden dwong zich hier te vestigen. Ongeveer 1 km verder
naar het noorden vindt u de Silviri-kapi. In de Byzantijnse
tijd heette deze Poort van de Levensbrengende Bron, naar de bron
in het klooster Zooduchus Pege, 500 m verder westelijk via de begraafplaats van
Seyit Nizam. Net ten oosten van de poort staat Ibrahim Pasa-moskee, die in
de 16de eeuw door Sinan werd gebouwd en momenteel gerestaureerd wordt.
Langs een reeks nogal vervallen muurtorens komt u vervolgens bij de
gerestaureerde Mevlâna-kapi, genoemd naar de mysticus wiens leer werd
aangehangen door de dansende derwisjen. Verderop bevinden de muren zich in
betere staat, maar hier moet u wel de drukke Millet Caddesi oversteken om bij de
Top-kapi (Kanonpoort) en het 1453-monument te
komen. De Byzantijnen spraken van de Romanuspoort, maar na de verovering werd
deze doorgang hernoemd naar het toenmalige superkanon Urbanus, dat in een
batterij pal ten westen van de poort stond opgesteld. Binnen de poort vindt u
taxis en cafés die hun kalandizie krijgen van het reusachtige busstation net
buiten de muren. Zon 200 m oostelijk van de poort verrijst de sierlijke Ahmet
Passa-moskee. Het hierna volgende gedeelte van de muren kreeg het tijdens het
Turkse bombardement het zwaarst te verduren en ligt nog altijd deels in puin. De
Edirne-kapi (Adrianopelpoort) ligt 77 m boven zeeniveau en vormt daarmee het
hoogst punt in de stadsmuur. Dit is poort waardoor Mehmet de
Veroveraar op 29 mei 1453 op een wit paard triomfantelijk de stad binnenreed.
Net binnen de poort ziet u een van de belangrijkste moskeeën van de stad; de
Mihrimah Camii (zie hieronder). Ongeveer 500 m verder verrijst de elegante gevel
van het Tekfur Sarayi. Hier drongen de Janitsaren via een bres net ten zuiden
van het paleis in 1453 als eerste de stad binnen. De rest van de muren dateren
niet uit de tijd van Theodosius, maar uit de 12de eeuw, toen deze hele wijk
opnieuw werd ingericht om plaats te maken voor blachernen-paleis, dat zich van
het Tekfur Sarayi tot aan de Gouden Hoorn uitstrekte. De Egri-kapi
(kromme poort) was toen de achteringang van het paleis, maar leidt
nu naar de begraafplaats rondom het 18de eeuwse mausoleum van Hazret Hafiz, een
Getrouwe van de Profeet. Vanaf hier loopt de stadsmuur steil omlaag naar de
Gouden Hoorn, waar nog een klein gedeelte van de zeemuur bewaard is gebleven.
Het vijfhoekige kasteel & Yedikule en de Gouden
Poort.
Aan de muren van Theodosius bij de Zee van Marmara. Het oude
Yedikule (Kasteel met Zeven Torens) heeft nu zijn bewogen geschiedenis van
meer dan 1600 jaar de rug toegekeerd en is een wat slaperig museum geworden.
De buitenmuur omsluit tegenwoordig een stuk grasland dat door een kleine kudde
schapen kort wordt gehouden. Veel bezoekers beklimmen bij binnenkomst via
het poortgebouw meteen de muren om te genieten van het uitzicht over de stad.
Wilt u meer van de geschiedenis van het kasteel weten, dan kunt u beter beginnen
bij de Gouden Poort (Altin Kapisi)
in de westmuur aan de overkant van de binnenplaats. Hoewel twee van de drie
doorgangen nu dichtgemetseld zijn, is deze poort niet moeilijk te herkennen als
een enorme triomfboog, met aan weerszijden nog grotere marmeren bastions.
Dit bouwwerk van Theodusius I uit 390 stond aanvankelijk vrij op een heuvel
1,5 km buiten de stad. Bij zonsopgang en zonsondergang lichte het als
een baken op, wanneer het zonlicht werd weerspiegeld op de gouden beplanting van
de deuren en de vergulde beelden die de nu niet meer zichtbare derde verdieping
bekroonden. Enkele tientallen jaren later werd de Gouden Poort deel van de
Muren van Theodosius II. Er werden een kleinere buitenpoort, een ophaalbrug over
de stadsgracht en de buitenmuur bijgebouwd, zodat ook in het millennium nadien
de poort haar functie van triomfboog kon blijven vervullen.
Onder Mehmet de Veroveraar werden ten slotte de drie ronde torens aan de oostzijde gebouwd en met de rest samengevoegd tot het huidige veelhoekige kasteel, dat daarna dienst deed als staatsgevangenis en waar ook de goud voorraad van het Ottomaanse rijk werd bewaard. In de ronde toren links van de ingang zijn nog inschriften te zien die buitenlandse gevangenen in de 17de eeuw in de muren hebben gekrast. De cellen in de Gouden Poort zelf waren executieruimten; hier kwam, als eerste sultan, ook de achttienjarige Osman II ellendig aan zijn eind. Het verslag van zijn terechtstelling vermeldt hoe de boogpees om zijn nek kon worden gelegd, terwijl de schout zijn testikels vermorzelde
Tekfur Sarayi.
Tekfur
Sarayi is de indrukwekkende ruïne van drie verdiepingen tellend Byzantijns
paleis, dat omstreeks 1300 tegen de buitenmuur van het keizerlijke
Blachernen-paleis werd gebouwd. De binnenplaats en de daken, tussenvloeren en
balkons zijn sinds lang verdwenen, maar de fraaie façade, met twee rijen ramen
gescheiden door een fries van baksteen en marmer, is nog vrijwel intact. Aan de
kant van de stadsmuur kunt u de ruïne beklimmen en genieten van het schitterde
uitzicht dat de bewoners ooit vanaf de bovenverdieping hadden. Na de Turkse
verovering huisvestte het paleis de verzameling wilde dieren van de sultan;
later was er een werkplaats in gevestigd.
De Mihrimah Camii.
Deze
moskee op een hoger terras bij de aanlegplaats van de veerboten werd in 1548
door Sinan gebouwd voor Mihrimah, dochter van de Süleyman de Prachtlievende.
Van binnen is de gebedsruimte, die vanaf het water nog erg indrukwekkend lijkt,
nogal donker en teleurstellend. De bijgebouwen op de steile helling erachter
maken dit deels weer goed.
Topkapi-paleis.
De Keizerlijke Poort (Bab-i Humayun)
bevindt zich bij de noordoostelijke hoek van het Ayasofya-complex en de
Ahmetfontein. Via deze oorspronkelijke hoofdingang van het paleis komt u in
de eerste hof, die nu in gebruik is als parkeerplaats. Het
uitgestrekte Topkapi-paleis, 400 jaar lang de residentie van de Ottomaanse
sultans, is niet alleen een museum met een volstrekt unieke collectie, maar als
bouwwerk ook het fraaiste nog bestaande voorbeeld van niet-religieuze Ottomaanse
architectuur. Het ligt op de plaats waar in de 7de eeuw v. Chr. Griekse
kolonisten hun stad Byzantion bouwden. In de gloriedagen van het paleis
omvatten de muren een enorm park, dat zich zuidwaarts tot aan de Zee van Marmara
uitstrekte en naar het noorden toe tot aan de Gouden Hoorn. De naam Topkapi
betekent Kanonpoort, naar een poort in de zeemuur die van onder tot boven met
kanonnen was bezet.
Het paleis is kort na 1460 door Mehmet de Veroveraar zelf ontworpen als zetel van het sultan bestuur. Die functie behield het tot 1541, toen het oude woonpaleis van de sultans, op de plaats van de huidige universiteit, door brand werd verwoest. Op aandringen van zijn vrouw Roxelana verplaatste Süleyman de Prachtlievende daarop ook de harem naar het Topkapi-paleis. Mettertijd zou dit een rampzalige vergissing blijken, omdat zo allerlei persoonlijke belangen binnen de harem verstrengeld raakten met de staatszaken.
De huidige Harem is het resultaat van eindeloze verbouwingen en toevoegingen onder de sultans Murat II (1574 - 95), Mehmet IV (1648 - 87) en Osman III (1754 - 57). In zijn hoogtijdagen telde het paleis zon 5000 bewoners, waartoe behalve de sultans met hun families en concubines ook slaven, koks, ambtenaren, leerlingen en studenten behoorden. In 1855 werd onder sultan Abdül Mecit de hele hofhouding overgebracht naar het nieuwe Dolmabahçe-paleis.
De Hof van de Divan.
Elke
volgende binnenplaats in het paleis was weer minder toegankelijk dan de
voorgaande. In de buitenste hof waren bakkerijen, ziekenhuizen, de verblijven
van de dragers en wachters, en de munt ondergebracht. De volgende hof, achter
de Orta Kapi of Middenpoort, was voorbehouden aan degenen die met
staatszaken te maken hadden. Deze Hof van de Divan is al door Mehmet zelf
aangelegd, in de vorm van een serene tuin met schaduwbomen, grazende gazellen en
klaterende fonteinen. Westerse bezoekers merkten op dat er zelfs tijdens
audiëntie dagen, wanneer soms meer dan 5000 mensen op deze hof bijeen waren,
een onnatuurlijke stilte heerste. De ingang tot de Harem is aan het eind
van het meest linkse van de vijf paden die over de hof uitstralen. Hier moet u
in de rij staan voor een kaartje voor de rondleiding van een half uur.
Onder de zelfde brede zuilengang bevinden zich de twee overkoepelde vertrekken
van de Divan, de ministerraad van de sultans. Onder Ahmet III werden deze
ingericht in rococostijl, maar in 1945 zijn in een van de kamers de
oorspronkelijke laat - 16de-eeuwse Ottomaanse versieringen weer in ere hersteld.
De Oude schatkamer daarachter herbergt de collectie wapens en harnassen
van de sultans, merendeels topstukken van Turkse makelij, waaronder het zwaard
van Mehmet de Veroveraar. Het rechter pad in de hof leidt
voorbij een enorm Byzantijns kapiteel naar de paleiskeukens en provisiekamers.
Hier is nu de grote verzameling Japans en Chinees porselein en aardewerk
tentoongesteld, naast een kleine collectie Europees porselein en Ottomaans
keukengerei, glas en zilverwerk. De Chinese keramiek, die naar verluidt
de op twee na belangrijkste collectie ter wereld vormt, is bijeengebracht door
Süleyman de Prachtlievende. De verzameling begint met -- 13de eeuws celadon
goed en eindigt met laat 17de eeuws -- porselein. De metalen tuiten en banden
zijn Turkse toevoegingen, maar dat ook de Chinezen zelf graag allerlei uitheemse
afnemers ten dienste waren, blijkt wel uit de Delftse tegels en de Turkse
kalligrafische tegeltableaus in deze collectie. De tentoonstelling wordt
besloten met een aantal fraaie voorbeelden van Japans imariporselein.
De Harem.
De rondleiding
van een half uur voert u in recordtempo door een aantal van de belangrijkste
kamers in dit labyrint van onderling verbonden vertrekken. Wanneer u
uiteindelijk in de Derde Hof wordt vrijgelaten, zal het u duizelen van al de
Iznik-tegels, vergulde haardomlijstingen, badvertrekken en kleurrijke koepels
die u onderweg hebt gezien. De Harem was het woonpaleis van de sultan
en bestond uit een aantal afdelingen waarin zijn moeder, zijn vrouwen (maximaal
vier), de kinderen en zijn concubines waren gehuisvest. Bij
binnenkomst is het alsof u een onderwaterwereld betreedt, want de eerste kamers
zijn geheel betegeld in blauw, turkoois en aquamarijn. De ingang werd bewaakt
door een korps van zwarte eunuchen, die ook boodschappen voor en van de
buitenwereld overbrachten. Ze woonden in de betegelde slaapzalen terzijde van de
met keien geplaveide gang. De eerste aaneengesloten reeks vertrekken werd
bewoond door de valide sultan, de moeder van de sultan, die in de Harem de
scepter zwaaide. Vooral haar eetkamer, met een vergulde draagstoel en
schitterend tegelwerk met pauwenveermotief, is van een bijzonder pracht, evenals
de betegelde haarden in enkele van haar andere vertrekken. Vervolgens
komt u in de kamers van de sultan zelf, die voor een vorst van zijn statuut
verbazend intiem aandoen. De marmeren badkamer is voorzien van zware gouden
kranen in barokstijl en een groot zitbad, dat werd gevoed door een watervalletje
aan de achterwand. Het Padishah-paviljoen is een overkoepelde
ontvangstzaal met een galerij voor de muzikanten. Voorbij de salon van
Murat III komt u bij de prachtige Bibliotheek van Ahmet I, die in de hoeken van
het dak is versierd met uiterst zeldzame smaragdkleurige Iznik-tegels.
Via een verbindingsdeur wordt een blik gegund in de beroemde kleine eetkamer,
die rondom is gedecoreerd met alleraardigste bloemstillevens. Naast de
woonkamer van de sultan bevindt zich de zogeheten Kooi, de serie vertrekken van
de kroonprins, waarvan de deuren en ramen extra beveiligd waren tegen de
onvermijdelijke moordaanslagen door jongere troonpretendenten of hun moeders.
Ook hier vindt men Iznik-tegels van de allerbeste kwaliteit, terwijl de
koepelgewelven bekleed zijn met verguld en beschilderd leerwerk
.
De Derde Hof.
De derde
poort is de Bab-üs Saadet, de Poort van de Gelukzaligheid,
die toegang geeft tot een hof van intiemere afmetingen en sfeer dan de
voorgaande. De meeste gebouwen in de hoek van de hof, die als kantoren
dienst doen, maakten deel uit van de paleisschool, waar de Ottomaanse ambtenaren
in spe hun opleiding kregen. Direkt voorbij de poort bevindt zich de
troonzaal of Arz Odasi, waar de sultan de besluiten van de Divan formeel
bekrachtigde en ook gezanten van andere mogendheden ontving. Het marmer beklede
bouwwerk dateert uit de 16de eeuw, maar is na een brand in 1856 ingrijpend
gerestaureerd; alleen het prachtige baldakijn boven de troon en de
vergulde bronzen schoorsteenmantel bleven toen intact. Achter de
troonzaal ligt de Bibliotheek van Ahmet III uit 1719, een elegant grijsmarmeren
gebouw, met voor de ingang een dubbele trap boven een veelkleurig marmeren
drinkfonteintje. In de Derde Hof zijn vijf historische collecties te zien
.
Tegen de wijzers van de klok in begint het rechts in de Nieuwe Schatkamer met
een tentoonstelling van hofkleding en kroonjuwelen. Achterin de hof bevindt zich
de wereldberoemde verzameling miniaturen, met ernaast de klokkenverzameling van
het paleis. In de linkerhoek te slotte vindt u het Paviljoen van de Heilige
Mantel, dat een collectie islamitische relikwieën herbergt.
De collectie van hofkleding.
De
kleding van de Ottomaanse sultans en hun familieleden is door de eeuwen heen
zorgvuldig bewaard. Zelf die uit de tijd van de Turkse verovering bevinden zich
ogenschijnlijk nog in perfekte staat. De oudere kaftans, mantels,
pantoffels en kinderkleding zijn meestal van geborduurde af met bont afgezette
zijde. Wanneer in de 19de eeuw de Westeuropese mode haar invloed doet
gelden, verdwijnt het eigene in de Ottomaanse hofkleding.
De Nieuwe Schatkamer.
In
de tweede ruimte van de Nieuwe Schatkamer, de Smaragden Kamer, is een
schitterende collectie edelstenen te zien, al dan niet in combinatie met parels
en ander kostbare materialen ingelegd in tulbandspelden, hangers, halskettingen
en heften van handwapens. Hoogtepunt is de Topkapi-dolk, die in het midden
van de 18de eeuw als geschenk voor de sjah van Perzië was gemaakt, maar
onverrichterzake weer naar Istanbul teruggezonden werd, omdat de ongelukkige
vorst vermoord werd voordat hij het cadeau in ontvangst kon nemen. Verder
ziet u hier geschenken van andere vorsten, christelijke relikwieën en
ook
de 86-karaats lepelmakers-diamant.
Van de vier tentoongestelde sultant-tronen
is er een ingelegd met ebbehout en ivoor, een tweede met parelmoer en schildpad,
terwijl de overige gewoon van goud zijn, ingelegd met edelstenen!
De miniaturen en sultansportretten.
Welke
van de 13.000 stukken uit deze collectie tijdens uw bezoek ook aan de beurt zijn
om getoond te worden, er zullen altijd enkele adembenemende miniaturen bij zijn.
Tot de meest opmerkelijke behoren de series die het Sjamanistische geloof en de
nomadische leefwijze uit Turkestan uitbeelden. Ze zijn in de 14de en 15de eeuw
geschilderd door Mehmed Siyah Quanlem, van wie verder niets bekend is. Let
u eens op de gekleurde miniaturen in het laat -16de - eeuwse manuscript dat de
52 dagen durende besnijdnis-ceremoniën van prins Mehmet beschrijft; heel
duidelijk is hier de Hippodroom met de obelisk en de slangenzuil te herkennen.
Opvallend aan de sultansportretten is de ogenschijnlijk weinig toepasselijke,
maar niettemin aandoenlijke gevoeligheid waarmee ze zijn geschilderd.
De Klokkenverzameling.
Deze
collectie bestaat voornamelijk uit klokken die in de loop der eeuwen door
Europese vorsten aan de sultans te geschenke zijn gegeven.
Er zijn er
uit Duitsland met een compleet orgel, terwijl een Oostenrijkse klok op de hele
uren zelfs een toneelstukje opvoerde, tot groot plezier van de haremdames.
Het Paviljoen van de Heilige Mantel (Hirka-i Saadet).
Deze betegelde suite van vier kamers bevat heilige
mohammedaanse relikwieën die in 1519 na de verovering van Egypte door Selim I
naar Istanbul zijn overgebracht. Daartoe behoren de zwaarden van de
eerste vier kaliefen en een dan de eerste deuren die toegang gaven tot de Kaaba
in Mekka. Van de Profeet zelf zijn er baardharen, een voetafdruk en
een deel van een door hem geschreven brief.
In het binnenste heiligdom
reciteert een imam koranspreuken bij de rijkversierde schrijn die de mantel van
de Profeet bevat.
De Vierde Hof.
Van het
restaurant In de achtermuur leiden twee doorgangen naar de Vierde Hof, een tuin
die grotendeels gesloten is voor het publiek. rechts heeft u een schitterend
uitzicht over de Bosporus en de Zee van Marmara. Links voert een trap
naar een terras en zuilengang die het paviljoen van de Heilige Mantel omgeven.
Hier staan rondom een siervijver drie met tegels versierde paviljoens en ook het
Iftariye, het balkon met verguld bronzen baldakijn vanwaar de sultans genoten
van het uitzicht over de Gouden Hoorn en Galata. Het eerste paviljoen of
kösk heeft een kruisvormig grondplan en is bekleed met marmer en tegels.
Het werd in 1636 gebouwd door Murat IV ter gelegenheid van zijn verovering van
Jerevan in de Kaukasus en draagt dan ook de naam Rivan Köskü. Het
rechthoekige paviljoen aan de rand van het terras, het Sünnet Odasi, is
aan de buitenzijde versierd met ongeëvenaard fraaie vroege Iznik-tegels.
Dit gebouwtje werd in 1641 speciaal opgetrokken voor de besnijdenis van de later
sultan Ibrahim en diende in de twee eeuwen daarna uitsluitend voor dit ritueel. De
twee grote blauwe keramiektableaus ter weerszijden van de ingang, die elk uit
één stuk bestaan, tonen fijn geschilderde vogels en ander dieren temidden van
een fantastische bloemenweelde. Het derde paviljoen, de Bagdad
Köskü, dateert uit 1638 en herinnert aan de verovering van Bagdad in het
voorgaande jaar. Het betegelde interieur, met een koperen haardstuk en
kasten ingelegd met schildpad en parelmoer, bevindt zich nog vrijwel in
originele staat en biedt een aardige kijk op de genoegens van het paleisleven.
Grote Bazaar.
Dit enorme overdekte labyrint met
zijn 4000 winkels is een van de beroemdste marken ter wereld.
Het grondplan is in wezen nog het originele uit de 15de eeuw, maar de Grote
Bazaar is nadien herhaaldelijk afgebrand en weer herbouwd, meest recentelijk nog
in de jaren vijftig. Het huidige aanzien is een nogal gekuist versie van wat het
voorheen moet zijn geweest, maar de aantrekkingskracht op westerse bezoekers is
er niet minder om. Helemaal in het midden bevindt zich de Iç (Oude)
Bedestan, het enige overblijfsel van de bazaar die Mehmet II al liet bouwen.
Net als toen worden in dit gedeelte, dat s nachts extra is beveiligd, de
waardevolste artikelen verkocht. Elders in de Grote Bazaar vindt u de
verkopers van een zelfde soort doorgaans bijeen in een eigen afdeling.
Haliçilar Caddesi is bijvoorbeeld een straat van tapijtwinkels, Kalpakçilar
Caddesi van juweliers. Wie van winkelen houdt, zal hier urenlang ontspannen
kunnen ronddwalen. Behalve winkels zijn er ook cafés, restaurants en openbare
toiletten; elke winkelier zal u graag de weg wijzen.
Rondom de Grote Bazaar.
De markt houdt
overigens niet op bij het gebouw van de Grote Bazaar, maar strekt zich uit tot
ver in de omringende straten. Verborgen achter de straatgevels vindt men
hier een hele reeks binnenplaatsen of hans, waar in vroegere tijden
kooplui van buiten de stad hun waren aflaadden, hun lastdieren stalden en ook
zelf onderdak vonden, tussen de talloze kleine werkplaatsen.
Tegenwoordig worden hier voornamelijk traditionele ambachten beoefend,
bijvoorbeeld weven in de Valide Han en leerlooien in de Iç Cebesi Han.
De ingangen tot deze binnenplaatsen zijn vaak moeilijk te vinden, dus aarzelt u
niet een winkelier naar de weg te vragen.
Met de veerboot van Istanbul naar Yalova over de Zee van Marmara. Vanwege de hier gevestigde industrie kunt u de baai beter met de veerboot van Kartel oversteken naar Yalova, door zijn warmwaterbronnen al sinds de Oudheid een geliefde badplaats. Vanuit Yalova loopt de weg naar het zuiden langs het Iznik-meer, Iznik Gölu naar Iznik. Het is aan te bevelen een omweg te maken van Orhangazi naar Iznik aan de oostoever van het meer. Iznik is het Nicea uit de Oudheid. De naam van de klassieke stad komt van Nikea, de gemalin van de veldheer lysimachus, een van de opvolgers van Alexander de Grote. In de Oudheid stond het meer van Iznik nog in verbinding met de zee en dankzij zijn gunstige ligging op het knooppunt van belangrijke handelswegen kwam de zeehaven Nicea in de Romeinse tijd tot grote bloei. In deze tijd werd een monumentale stadsmuur gebouwd, die in de 8ste eeuw door Byzantijnen werd uitgebouwd om de Arabieren buiten te houden. Ook in de 11de eeuw, na de inname van de stad door de Seltsjoeken, onderging de muur steeds weer veranderingen. Van de oppervlakte binnen deze muren neemt de moderne stad slechts een deel in, het resterende deel wordt benut voor de landbouw.
Constantijn de Grote riep in 325 in Nicea het eerste Oecumenisch Concilie samen, dat moest oordelen over de goddelijke status van Jezus. In 787 kwam hier het zevende Oecumenisch Concilie bijeen, dat bepaalde dat in de erediensten toch weer afbeeldingen aanbeden mochten worden. Toen Godfried van Bouillon er in 1097 in slaagde de stad op de Seltsjoeken te heroveren, was de landtong bij Gemlik al gesloten, zodat de schepen over land naar het meer moesten worden getrokken. In de Latijnse heerschappij in Constantinopel (1204 - 1261) zetelde de Byzantijnse regering in ballingschap in Nicea. Na de verovering door de Osmanen beleefde de stad, nu Iznik genoemd, onder Selim I nog eenmaal een bloeitijd. Selim I bracht van zijn veldtocht in Afganistan en Tebriz Perzische ambachtslieden mee die in Iznik keramiek-werkplaatsen begonnen. In de 16de eeuw maakten ongeveer 600 families in hun werkplaatsen kostbare tegels die op de markt werden gebracht van het zich steed verdere uitbreidende Osmaanse Rijk.
Interessant in het huidige Iznik is de monumentale Stadsmuur met drie (vroeger vier) goed bewaard gebleven torens. Vooral de noordelijke Istanbul-poort en de oostelijke Lefke-poort zijn interessant. Op het snijpunt van de straten tussen de poorten staat de Haghia Sophia, waar in 787 het eerder genoemde zevende Concilie werd gehouden. De oudste overblijfselen dateren van de 6de eeuw, de tijd van Justinianus de Grote. In de noordoostelijk gelegen Nilüfer Hatun Imareti, een gaarkeuken die in 1388 door Murat I voor zijn moeder Nilüfer Hatun werd gebouwd, zijn vondsten uit de stad te bewonderen. Vooral de collectie faience-tegels uit de voormalige werkplaatsen is heel mooi.
Zuidoostelijk van Iznik komt u via Bilecik in Sögut, het kiembed van het Osmaanse Rijk: in deze plaats stichte het Turkse stamhoofd Osman Gazi de eerste vaste permanente nederzetting. Sögut werd het vertrekpunt van de veldtochten tegen het Byzantijnse Rijk.
Iznik-tegels. De keramiek van Iznik behoort zonder twijfel tot de hoogtepunten van de islamitische kunst en is nog op tal van Ottomaanse monumenten in Istanbul te bewonderen. Iznik is een kleine, ommuurde stad 185 km te zuiden van Istanbul, waar omstreeks het jaar 1.500 voor het eerst keramiek werd gemaakt, in de vorm van kopieën van Perzisch en Chinees blauw en wit porselein. In de loop van de 16de eeuw ontwikkelde zich daaruit een geheel eigen stijl met een heel scala aan nieuwe kleuren: turkoois, groen en zacht paars met donkere omlijsting. Rond 1550, tijdens de regering van Süleyman de Prachtlievende, werd daaraan een nieuw pigment toegevoegd, de fameuze Armeense aarde die een helderrood glazuur mogelijk maakte. De halve eeuw nadien geldt als gouden tijd van de Iznikse tegelkunst, waarvan de produkten toen overal in het rijk en ook elders in Europa zeer gevraagd waren. Mede onder invloed van de paleisarchitecten en schilderateliers in Istanbul werden aan het eind van de eeuw vooral bloemmotieven populair: anjers, tulpen, rozen en hyacinten.
Aanvankelijk werden de tegels voornamelijk op bestelling van het hof vervaardigd, maar met de steeds toenemende vraag ging men spoedig over tot massaproduktie. Mogelijk is dit laatste er mede de oorzaak van, dat na 1600 de tegelkunst van Iznik weer even snel in verval raakte als ze een eeuw eerder was opgekomen.
Canakkale , ofwel "Schaalburcht", dankt zijn naam aan het aardewerk dat hier vroeger werd gemaakt. De stad ligt aan het smalste stuk van de Dardanellen. Voor de verovering van Constantinopel door Mehmet II werden de Dardanellen, net als de Bosporus, beheerst door vestingen zoals Kilitülbahir op de Europese oever en Sultaniye Kalesi in Canakkale op de Aziatische oever. Sultaniye Kalesi herbergt nu een marinemuseum met talrijke voorwerpen uit de veldtocht op Galipoli in 1915.
De oude kanonnen van de vesting zijn nog altijd op het water gericht. In het warme seizoen maken sommige mensen in de theetuinen en visrestaurants aan de oevers een wat melacholieke indruk terwijl zij naar de voorbijgaande schepen en de zonsondergang staren. Mogelijk overdenken zij het lot van deze scheidingslijn tussen Avond- en Morgenland.
Zon 3000 jaar geleden werd slechts enkele kilometers zuidelijk van Canakkale een andere verbitterde slag geleverd: de Trojaanse Oorlog. Vanaf de hoofdweg leidt een weg naar rechts naar Truva, het door sagen omgeven Troje. Lang bleven de resten van de mythische stad verborgen, totdat Heinrich Schliemann met zijn speurtocht naar de plaats van de verdwenen Homerische stad begon. Schliemann had speciaal daarvoor Grieks geleerd. Volgens de Ilias van Homerus moest de stad noordwestelijk van Zeybek Dagi (Ida-gebergte) liggen, op de plaats waar de Küçük Menderes en de Dümrek Cayi, in de Oudheid Skamandros en Simoeis genaamd, samenstromen. In de Ilias staat hoe de beide rivieren buiten hun oevers traden toen Achillis de krijgers die hij in zijn drift had gedood in de stroom wierp. Voor de kust moest een klein eiland liggen, Tenedos, waarachter de Achaeërs zich voor hun valstrik met het Trojaanse paard terugtrokken. Schliemann kreeg van de Osmaanse staat een vergunning voor opgravingen en begon op de 40 m hoge heuvel Hisarlik, die de vlakte domineerde, een brede en diepe geul te graven.
Er is geen bewijs dat Hisarlik iets met Troje te maken heeft. De vermoedens omtrent een roemrijk verleden van Hisarlik berusten op het idee dat Tepe Hisarlik in de klassieke tijd Ilion (de oude naam van Troje) heette, zoals ook andere plaatsen in de omgeving. De heuvel lag, zoals in de Ilias wordt beschreven, op zekere afstand van de zee en van daaruit kon de toegang tot de Dardanellen worden gecontroleerd. In de veronderstelling dat het beroemde Troje zich in de onderste lagen zou bevinden, schoffelde hij vrij gedachteloos door de bovenste lagen. Toen stuitte hij daadwerkelijk op een schat, die als de "Schat van Priamus" de geschiedenis zou ingaan. Deze schat werd naar Berlijn overgebracht en is sinds de Tweede Wereldoorlog spoorloos verdwenen. Volgens de moderne wetenschappelijke dateringstechnieken komt de schat uit de laag die we Troje II noemen uit 2500 - 2300 voor Christus. De aangetroffen schat is daarmee 1000 jaar ouder dan de schat die Schliemann zocht, als we er ten minste van uitgaan dat de Trojaanse Oorlog rond 1240 - 1230 voor Christus heeft plaatsgevonden. Bovendien weet men inmiddels dat het Troje van Homerus niet de onderste laag I (3000 - 2500 voor Christus) lag, maar vermoedelijk in cultuurlaag VI of VIIa te vinden moet zijn geweest.
Achter een nagebouwd houten paard staat een plattegrond waar de rondwandeling over de vindplaats begint. Het pad langs de oostmuur voert via de oostpoort naar een terrein van cultuurlaag VI (1900 - 1240 voor Christus). De vondsten in de laag tonen aan dat er zich in de loop der eeuwen een welvarende stad heeft ontwikkeld. Dat kan de reden zijn geweest voor het lange beleg van de Achaeërs. Sommige archeologen zien Troje VIIa als stad van de Trojaanse Oorlog. Bij de opgravingen achter de oostpoort werden enkele aangrenzende huizen aangetroffen, met dubbele vloeren voor de opslag van voorraden en de sporen van provisorische verbouwingen zoals die in crisistijd zouden kunnen uitgevoerd. Vervolgens komt u bij delen van de vroeger zo machtige steunmuren van de duidelijk jongere, hellenische Athena-tempel (Troje IX, 350 voor Christus - 400 na Christus). Omdat Eneas, die zich uit de brandende Troje kon redden, als "stamvader van Rome" gold, breidden de Romeinen Troje verder uit. Vanaf een platform kijkt u uit over de heuvels van de archeologische vindplaats, het rivierlandschap, het voormalige slagveld en de Dardanellen. Over het wandelpad daalt u af tot de diepste lagen van de opgravingen: Troje I en II. In Troje I zijn resten van een poort en een huis te zien. Schliemann vond de "Schat van Priamus" naast een opgang van Troje II. Men vermoedt dat het Trojaanse Paard door een houten luik in een verbeterde muur in het uiterste westen van het terrein de stad ingetrokken is. In zuidelijke richting ziet u het zogenaamde offerplein uit Troje VIII (1070 - 350 voor Christus), waar Xerxes 1000 stieren offerde voordat hij de Dardanellen overstak. Langs een Romeins bad (rechts) en een theater (links) loopt u naar de Dardanus-poort, vanwaar Priamus en Helena moesten toezien hoe de woedende Achilles de dood van zijn vriend Patroclus wreekte en het lijk van zijn vijand Hector, de zoon van Priamus, driemaal rond de muren van de stad sleepte. In het odeon, een klein theater met goed bewaard gebleven zitplaatsen, vindt u vaak schoolklassen. Soms zit daar ook een stille genieter die verdiept is in zijn Ilias.
Troje is geen monumentale opgravingsplaats. Wie Troje aan het begin van zijn reis door Turkije bezoekt, nog niet verwend door archeologische hoogtepunten, kan nog iets opsnuiven van de sfeer van de plaats, de genus loci. Misschien vindt men bij de nieuwe opgravingen steun voor de veronderstelling dat de "strijd om de mooie Helena" zich niet voor in een dorp van 180 m doorsnede heeft voltrokken, maar dat men tot nu toe alleen de koningsburcht heeft opgegraven, waaromheen de meeste bewoners vrijstaande huizen bouwden. Veel van de jeugddromen die in Troje door de treurige realiteit zijn verstoord, zouden zo nieuw leven ingeblazen kunnen worden. Het houten paard bij de ingang maakt een wat komische indruk op de bezoeker, maar is niettemin het symbool van de zeegod Poseidon die de "aarde omvat houdt". En misschien is wel zo dat na een beleg van tien jaar de murw geworden Achaeërs kort voor de definitieve terugtocht naar Griekenland werden geholpen door een aardbeving, die het mogelijk maakte om de stad in te nemen.
De weg loopt in zuidelijke richting verder naar Alexandria Troas. Deze kustplaats ligt westelijk van Ezine en was ooit een belangrijke haven en de verblijfplaats van apostel Paulus op zijn tweede zendingsreis. Tegenwoordig zijn nog resten van de Romeinse thermen te zien. Vanuit de vissershaven Odun Iskelesi kunt u met toestemming van de gouverneur van Canakkale met de veerboot oversteken naar Bozcaada, het oude Tenedos. Op deze "Poort naar Byzantium", vroeger een belangrijke vertrekhaven voor Arabische en Venitiaanse invasielegers, ligt de gelijknamige, als sinds mensenheugenis door wijngaarden omgeven stad. U vindt er bovendien prachtige eenzame stranden. In het oostelijke van Ezine gelegen Skepis bevond zich de beroemde bibliotheek van Aristoteles, die later naar Pergamon en Alexandrië werd overgebracht. In Ayvalik voert een smalle zijweg naar Behramkale, dat in de Oudheid Assos werd genoemd. Die plaats kunt u via een iets avontuurlijker route ook vanuit Alexandria Troas bereiken. U rijdt dan langs de kust, maar op een deels zeer slechte weg.
De akropolis kunt u best te voet bezoeken. U wandelt dan ook door antiek aandoende plaatsje omhoog naar de terrassen van de vulkaankegel, die zich 290 m boven de zee verheft. De onder het stadje naast de rijweg gelegen boogbrug (17de eeuw) en de onder de akropolis gelegen Moskee van Murat I (14de eeuw) stammen uit de Osmaanse tijd. Op de akropolis staan nog resten van de zuilen van de Athena-tempel, als stille getuigen van de Griekse geschiedenis van deze plaats. De tempel is een van de zeldzame voorbeelden van Dorische architectuur is Anatolië. Assos werd rond 1000 voor Christus als handelskolonie gesticht door Aeolische Grieken van het eiland Lesbos.
In de 4de eeuw voor Christus was de stad zo belangrijk dat Aristoteles hier een school voor filosofen stichtte (348 - 345 voor Christus). Zijn beroemde definitie van de essentie van de democratie werd hier ontwikkeld. Ook apostel Paulus bezocht Assos (58 na Christus).
Van de akropolis hebt u niet alleen een prachtig uitzicht over het Griekse eiland Lesbos, maar ook op de in het westen en zuiden op de hellingen gelegen resten van de antieke stad, waarvan de monumentale westpoort en de necropolis nog goed bewaard zijn gebleven. Weer terug kunt u eten in een dan de gezellige vis-restaurants aan de haven. Vanuit Assos loopt de weg langs de zee naar Küçükkuyu; de weg zou worden verbreed.
Het oude Troas wordt in het zuiden begrensd door de Golf van Edremit. Evenwijdig aan de kust ligt de Zeybek Dagi, in de Oudheid Ida-Gebergte genoemd. Hier zou de mooie Paris als schaapherder hebben geleefd tot dat Zeus hem bij de schoonheidswedstrijd tussen Hera, Athena en Aphrodite als scheidsrechter aanstelde. Zijn beslissing ten gunste van Aphrodite zou later tot de Trojaanse Oorlog leiden.
De kustweg loopt aan de voet van het Ida-gebergte door mooie denne- en olijfbossen. Een omweg naar Gürekaplicalari brengt u naar de warmwaterbronnen van Artemis, die al bij de Romeinen zeer geliefd waren. In de moerassige delta van de rivier de Havran ligt Edremit, het oude Adramyttion dat was vernoemd naar Adramys, de broer van de Lydische koning Croesus. Dit is een van de oudste nederzettingen aan de Klein-aziatische kust, die door zijn strategische ligging aan de Golf steeds weer belegerd en vernietigd werd. In de nette kleine stad Edremit staan tegenwoordig nauwelijks nog gebouwen van enig historisch belang.
Zuidelijk van Edremit ligt het grootste olijfbouwgebied van Turkije. Het centrum is de havenstad Ayvalik, waar u oliemolens en zeepfabrieken vindt. In Ayvalik vindt u de duidelijkste sporen van de meer recente Griekse geschiedenis: in 1773 kreeg het stadje door een decreet van de sultan, een ferman, de status van onafhankelijke Griekse staat. De reden daarvoor was de hulp die de stad had geboden aan Gazi Hasan Pasa, de held van de veldtocht in Algerije, die de terugweg door de Russische vloot werd verslagen en door de bewoners van de stad werd gered. De nieuwe status betekende voor de stad een vrijstelling van belastingen een vestigingsverbod voor islamitische burgers. Ayvalik, dat toentertijd Kydonia heette, groeide snel uit tot 30.000 inwoners en ontwikkelde zich tot een bloeiend handelscentrum. Er werd een Griekse Academie gesticht. Toen de Grieken zich in 1821 tijdens de onafhankelijkheidsoorlog tegen de Turkse heerschappij keerden, werd Ayvalik verwoest en de bewoners werden uitgewezen. Na 1827 mocht de bevolking uit ballingschap terugkeren, maar de stad kwam nooit meer tot eenzelfde bloei.
Na de Eerste Wereldoorlog blies de regering in Athene met steun van de geallieerden de idee van de Groot-Griekse Staat weer nieuw leven in. Op 29 mei 1919 landen Griekse troepen op Lesbos en daarna in Ayvalik, wat het begin betekende van de Griekse aanval. Onder leiding van Mustafa Kemal werden de Grieken in 1923 in Izmir definitief verslagen en werden de Griekse bewoners gedwongen Anatolië te verlaten. In de door de Grieken verlaten plaatsen vestigden zich moslims uit Saloniki en van de Griekse eilanden.
Wanneer u de smalle kronkelende straatjes naar de haven volgt, lijkt het alsof de tijd hier heeft stilgestaan. De Saatli Cami, klokketoren-moskee, de Cinarli Cami, de voormalige Agios Yannis-kerk, en de Taksiyarhis Kilisesi getuigen nog van de korte Griekse bloeiperiode aan het begin van de 19de eeuw. Het laatstgenoemde bouwwerk is nu een museum waarin op vissehuid afgebeelde scènes uit het leven van Christus te zien zijn. Via een dam bereikt u het eiland Alibey, in het Grieks nog Cunda genoemd en het grootste eiland van de Ayvalik-archipel. De gelijknamige kleine vissersplaats Alibey telde rond de eeuwwisseling nog zon 12.000 inwoners. De voormalige kathedraal Aya Nicola stamt uit de Griekse tijd en is als gevolg van aardbevingen erg vervallen. Als u Ayvalik in zuidelijke richting verlaat, komt u bij een dam die leidt naar de Seytan Sofrasi, de "duivelstafel", die zijn naam dankt aan de voetafdruk van de duivel op deze berg. Vanaf de top hebt u een prachtig uitzicht over de eilanden voor de kust. In oostelijke richting ligt een schoon zandstrand dat door steeds meer toeristen wordt bezocht. Verder zuiderlijk is het havenstadje Dikili toegegroeid tot trefpunt van de alternatieve reizigers. Vanuit Dikili werden de beroemde reliëfs van het Zeus-altaar van Pergamon naar Berlijn verscheept. Tussen Dikili en de door een Venitiaans kasteel gedomineerd Candarli bevindt zich een nog nauwelijks ontsloten duikersparadijs.
Bergama, het antieke Pergamon, ligt 40 km stroomopwaarts in de vallei van de Bakir Cayi. Vanuit de verte herkent u de akropolis, kasteelheuvel van Pergamon. De Griekse stad ligt tegen de helling van de vulkaan; de Romeinse stad ligt grotendeels begraven onder het landelijke stadje Bergama. In de oudheid was Pergamon hoofdstad van het Pergameense rijk, handelsknooppunt tussen Oost en West en een van de belangrijkste culturele centra van de wereld. De plaats was in de 4de eeuw v. Chr. Een kleine nederzetting, maar maakte een sterke groei door onder Lysimachus (305 - 281 v. Chr.), de machtige veldheer en opvolger van Alexander de Grote, die zich na de dood van Alexander met een flink deel van de krijgskas op de kasteelhelling verschanste. Schatbewaarder werd de Pontiër Philetaerus, die erin slaagde om de schat uit handen van de Seleuciden te houden.
Onder Lysimachus neef Eumenes (263 - 241 v. Chr.) en diens neef Attalus I (241- 197 v. Chr.), die zich ook koning noemde en naar wie de dynastie de Attaliden is genoemd, ontwikkelde Pergamon zich tot een machtscentrum. De overwinning van de Keltische Galaten en de steun aan de Romeinen in de slag bij Magnesia aan de Sipylos in 190 v. Chr., onder Eumenes II (197 - 159) bepaalden de grenzen van het rijk en had een welwillende houding van de Romeinen tot gevolg. Daardoor kon het kleine rijk een onbeperkte ontwikkeling doormaken. Zelfs de Bithynische koning Prusias II kon dankzij hulp van Rome de opkomst van Pergamon en de Attalus II (159 - 138) niet tegenhouden. De laatste heerser van de Attaliden, Attalus II, liet Pergamon in 133 v. Chr. na aan Rome omdat hij geen opvolger had. Tijdens de Pax Romana in de 1ste en 2de eeuw na Christus breidde de stad zich onder Eumenes II uit tot buiten de stadsmuren, die aan de voet van de berg lagen. Het inwonertal groeide tot 160.000 en er ontstond een van de eerste christelijke gemeenschappen. Tijdens de neergang van het Romeinse Rijk en later het Byzantijnse Rijk, toen Arabische, Seltsjoekse en Osmaanse aanvallen dreigden, trok men zich steeds verder achter de muren van de citadel terug. In de 14de eeuw namen de Osmanen de stad in, de antieke gebouwen vervielen en aan de zuidelijke voet van de berg ontstond de stad Bergama.
Bij toeval werd ingenieur Carl Humann in 1873 gewezen op bijzondere steenreliëfs die op het punt stonden om als bouwmateriaal in de kalkovens te verdwijnen. Hij ging de herkomst na en ontdekte zo het beroemde Zeus-altaar in de bergstad. De vondsten zijn nu te zien in het Berlijnse Pergamon-museum. De opgravingen werden voortgezet onder Conze, Dörpfeld en Boehringer, zodat tegenwoordig een goed beeld kan worden gegeven van de stad van Pergamon.
Het doel van de opgravingen was niet alleen om de individuele gebouwen tot hun recht te laten komen, men wilde ook de harmonische eenheid van de als kunstwerk beschouwde stad onderstrepen. Men is nog steeds bezig met de reconstructie van het Trajaneum en de opgravingen te noorden van de Demeter-tempel, die worden uitgevoerd volgens de modernste wetenschappelijke archeologische opvattingen. Wanneer u door de hoofdstraat langs de bont beschilderde huizen van het mooie stadje rijdt, passeert u ook de markante rode basiliek en de oprit naar de citadel: een S-vormige weg die rond de berg naar de hoog gelegen parkeerplaats leidt. Na een korte klim bereikt u de bovenste kasteelpoort, de Koningspoort en de Pergameense bovenstad. Links ligt een groot plein dat men vroeger betrad door propyleeën en dat werd omgeven door een zuilenhal van twee verdiepingen. Aan de westzijde daarvan verhief zich de Athena-tempel, die onder Eumenes II schitterend werd versierd. De bovenverdieping van de hallen gaf toegang tot de Bibliotheek, die door de verzamelwoede van de Attaliden met 200.000 handschriften een van de belangrijkste bibliotheken van de Oudheid werd. Plinius meldt dat de Egyptenaren om de concurrentie te schaden een exportstop van papyrus instelden en dat de Pergamenen daarom geitehuid, het zogenoemde Pergameens papier of perkament gingen gebruiken. De boekenschat werd in 41 v. Chr. door Antonius aan Cleopatra geschonken en overgebracht naar de bibliotheek van Alexandrië, die in 391 na Christus bij een opstand werd verwoest. Rechts van de weg bergop lagen de paleizen van de Pergameense heersers. Van het paleis van Eumenes II zijn nog resten van mooie vloermozaïeken herkenbaar. Enorme cisternen dienden voor de watervoor-ziening. Het water kwam de stad binnen via een 45 km lange waterleiding, waarbij gebruik werd gemaakt van de wet van de communicerende vaten. Om aan groeiende behoefte aan water te kunnen voldoen, bouwde men in de Romeinse tijd een aantal aquaducten.
Achter de noordelijke muur ligt de Tuin van de Koningin, genoemd naar een tempel van Faustina, de gemalin van keizer Marcus Aurelius. Hier bevonden zich vroeger de arsenalen en opslagplaatsen. U hebt er een mooiuitzicht op de Kestel Cayi, in de Oudheid Ketios genoemd, een zijrivier van de Bakir Cayi in het oosten. De weg langs de noordwestzijde van de helling loopt terug naar de ommuurde wijk met de Trajanus-tempel. Dit heiligdom, dat werd gebouwd ter ere van de keizer Trajanus en Hadrianus, rust op machtige fundamenten en wordt aan drie zijden omsloten door zuilenhallen. Met gebruikmaking van de bouwresten slaagden archeologen erin het bouwwerk iets van zijn voormalige pracht terug te geven. De witmarmeren zuilen van de tempel waren op Korintische wijze ingedeeld (9:6) en het heiligdom kon worden betreden via een groot bordes. De façade keek uit op het dal en was de verre omtrek te zien.
Via het Athena-terras en een trap komt u bij het lager gelegen theater . Het is een van de steilste theaters uit de Oudheid en bood plaats aan 10.000 toeschouwers. Het uitzicht over het dal van de Bergama Cayi, in de Oudheid Selinus genoemd, ook een zijrivier van de Bakir Cayi, is fantastisch. In de Griekse tijd deed een lage houten, semi-permanete wand dienst als decor. Rechts van het toneel werd onder de heerser Caracalla een tempel gebouwd voor de theatergod Dionysus waarin Caracalla zich liet uitroepen tot "Nieuwe Dionysus". Als u het theater halverwege de helling verlaat (links), dan komt u bij een smal terras dat naar de resten leidt van het Pergamon-altaar, dat zich tegenwoordig in het Pergamon-museum in het Berlijn bevindt. Twee pijnbomen die na de opgravingen werden geplant, wijzen u de weg. Slechts de fundamenten (34 x 34 m.) van dit unieke bouwwerk zijn overgebleven. Het aan Zeus opgedragen hoefijzervormige altaar dateert van de tijd van Eumenes II en herdacht de veldtocht tegen de Galaten. Op een 120 m lange en 2,30 m hoge fries is de strijd van de Pergamenen tegen de Galaten symbolisch weergegeven door het gevecht tussen de Olympische goden en de giganten. Het beeldhouwwerk kenmerkt zich door een grote expressiviteit en verbeeldingskracht.
Daaronder ligt de bovenste agora, het hooggelegen marktplein met de hut en het graf van Carl Humann. Als u de weg bergaf volgt (aangegeven met blauwe punten), komt u uit op de weg die in de Oudheid naar de middenstad liep. Hier woonden de armen. De opslagruimten, baden, winkels en gaarkeukens die bij de opgravingen werden blootgelegd, geven een indruk van de levenswijze van de bevolking in de Griekse en Romeinse tijd. Later werden op een meer naar het zuidoosten gelegen terrein laag voor laag wijken uit de Byzantijnse tijd opgegraven. Deze resten geven inzicht in de ontwikkeling van de stad tot in de middeleeuwen. Zuidelijk daarvan ligt op een groot terras het Demeter-heiligdom, dat werd gebouwd onder Philetaerus en tot de oudste gebouwen van de stad behoort. Het heiligdom lag buiten de muren van de akropolis en was daarom verstrekt. De mysterie-cultus van Demeter onderscheidde zich van de verering van de goden van de Olympus door de reinigingsriten, die de mensen de hoop op een beter leven na de dood gaf. Op de tribunes konden de ingewijden, waaronder ook vrouwen en slaven, de rituele offers bijwonen.
Zuidoostelijk daarvan ligt het bovenste gymnasium, het mooiste van de drie. Ieder gymnasium was bestemd voor een bepaalde leeftijdscategorie. Hier vond de lichamelijke en geestelijke opvoeding plaats van jongens boven de 15 jaar, de neoi, voordat zij de burgerplichten- en rechten op zich namen. Tot het complex behoorden met marmer beklede wanden, verwarmde baden, een auditorium met 1000 plaatsen en een overdekt stadion. Daaronder lag het middelste gymnasium voor de efeben (10 tot 15 jaar), met weer daaronder de onderste gymnasium voor de paides (6 tot 9 jaar). Door een hellenistische poort, die in de Romeinse tijd het middelste met het onderste gymnasium verbond en later in de middeleeuwse verdedigingswerken werd opgenomen, verlaat u de terrassen en komt u uit bij de onderste agora. Het Huis van de consul van Attalus dat daar rechtsboven ligt, is een typisch Pergameens huis van rijke burgers. U ziet een door zuilen omgeven binnenplaats en met frescos versierde woonruimten. De onderste agora werd omringd door een twee verdieping tellende zuilengalerij, aan de achterzijde waren winkels gevestigd. Een stenen plaat met een verordening toont de strenge voorschriften op het gebied van woning- en wegenbouw, het onderhoud van de fonteinen, cisternen en waterleidingen. De steenplaat is nu in het museum van Bergama te zien. De stenen kogels op de Agora stammen uit het arsenaal. Onder de weg staan de resten van de hoofdpoort, die aangeven in welke mate de stad onder Eumenes II werd uitgebreid. Door de weg te volgen, komt u uit bij de parkeerplaats. U kunt ook dezelfde weg terug nemen.
Het opvallendste bouwwerk van het huidige Pergamon is de Rode Hal, Kizil Avlu. Deze werd waarschijnlijk onder keizer Hadrianus (117 - 138) gebouwd en deed dienst in de Serapis-cultus, een mengeling van Egyptische en Griekse riten waarvoor kooplieden en soldaten uit het hele Middelandse-Zeegebied in Pergamon samenkwamen. De drieschepige hal, die tot de grootste gebouwen van de stad behoorde, heeft galerijen en de onderste delen van de muren zijn bekleed met marmeren platen. In de christelijke tijd diende het gebouw als kerk. In een van zijn zeven brieven richtte Johannes, die toen op het eiland Patmos woonde, zich tot de gemeenschap van Pergamon, waar zich de "troon van Satan" bevond (openb. 2.12), ofwel het Zeus-altaar. In de centrum staat aan de rechterkant van de straat het interessante archeologisch museum. Dit herbergt de vondsten van de opgravingen bij de burchtberg en het heiligdom van Asklepius, die een goed beeld geven van de stad in de Oudheid. De weg naar het Asklepeion loopt van het centrum de stad uit, waarna een smalle straat rechts de heuvel oploopt langs de militaire kazernes. (Fotograferen van de kazerne en omgeving is verboden.) Vanaf de parkeerplaats komt u via de Heilige straat in de buurt van het Asklepeion. De straat werd omzoomd door zuilengalerijen met winkels waarin religieuze artikelen werden verkocht. Door het propylon betreedt u het binnenste van het heiligdom.
Het Asklepeion van Pergamon behoorde in de Oudheid samen met de heiligdommen van Epidaurus en Kos tot de belangrijkste tempelcomplexen gewijd aan de god Asclepius . De Pergameese heerser Aristarchus liet artsen uit Epidaurus komen nadat hij daar van zijn beenbreuk was hersteld. Er ontwikkelde zich een soort sanatorium, waar de patiënten met behulp van natuurgeneeswijzen, warme en koude baden, modderbaden, diëten, bewegingstherapie, slaapkuren met droomduiding en hypnose ambulant werden behandeld. In de 2de eeuw na Christus woonde hier de beroemde arts Galenus, lijfarts van keizer Marcus Aurelius, die naast Hippocrates de belangrijkste arts van de Oudheid was. De voornaamste prestatie van Galenus was dat van de gezamenlijke medische kennis van de Oudheid in een allesomvattend en logisch systeem samenbracht. Zijn omvangrijke geschriften werden tot in de moderne tijd beschouwd als medische standaardwerken. Volgens een opschrift boven de ingang had de dood geen toegang tot het Asklepeion; ongeneeslijke zieken en stervenden werden uit het complex geweerd. Een ronde steen in de voorhof met daarop een uit een schaal drinkende slang symboliseert de heilzame en levensvernieuwende krachten van de god Asclepius. De ronde Asclepius-tempel bevond zich links van de Propyleeën. In de Athene-bibliotheek rechts van de Propyleeën konden de patiënten zich tijdens de rustperioden tussen de behandelingen laven aan verheven literatuur. De binnenhof was aan drie zijden omsloten door een overdekte zuilengang, waar op een lemen ondergrond bewegingstherapie werd gegeven. Een klein theater, waar tegenwoordig tijdens het Bergama-festival klassieke theaterstukken worden opgevoerd, diende ook toen al die patiënten ter verstrooiing en vermaak. In het midden van het plein klaterde de Heilige Bron. Van hier loopt een onderaardse gang naar de zuidoostelijke hoek van de hof, waar de slaaptherapie plaatsvond in de Telesphorus-tempel. Aan de zuidzijde lagen zonneterrassen, in de zuidwestelijke hoek latrines met constante spoeling.
Via de Heilige Straat loopt u van het Asklepeion door de Viran-poort naar het centrum van de stad. Halverwege komt u bij het grote Romeinse Theater en daarna bij het stadion. Westelijk daarvan lag het amfitheater, boven een beek die in de rivier de Selinus uitliep. Het water kon worden gebruikt om zeeslagen en waterspelen op te voeren. Oostelijk van de kruising van de weg naar het Asklepeion met de hoofdweg liggen drie grafheuvels uit de Pergameense tijd: de tumuli. Volgt u de weg in zuidelijke richting naar Izmir, dan lopen achter de raffinaderijen van Aliaga rechts wegen naar het schiereiland Foça. In het westen van dit schiereiland, aan de noordelijke ingang van de Golf van Izmir, komt u bij het havenstadje Foça, gelegen op de plaats waar vroeger het antieke Phoceae lag. Phoceae was de noordelijkste stad van de twaalfsteden-bond waarin de Ioniërs zich hadden verenigd nadat zij zich als gevolg van de grote Egeïsche volksverhuizing aan het begin van het eerste millennium voor Christus hadden gevestigd aan de westkust van Klein-Azië. De inwoners waren koene zeevaarders en bevoeren de westelijke Middellandse Zee, waar zij op de kusten steden stichten als Massalia, het huidige Marseille (ongeveer 600 voor Christus). Het stadsbeeld wordt tegenwoordig bepaald door de ruïne van een middeleeuwse Genuese vesting.
Yenifoça , gelegen in het noorden van het schiereiland, werd in de 14de eeuw gesticht door de Genuezen voor de winning van aluin, dat werd gebruikt bij het beitsen en looien. Ook Yenifoça is een kleine, voor toeristen ontsloten havenplaats met mooie stille baaien. Over de weg naar Izmir komt u bij Menemen bij de afslag naar Manisa, het oude Magnesia aan de Sipylos. Wie vanuit Bergama de weg door het schitterende binnenland neemt, kan via Soma en Akhisar direct naar Magnisia rijden of vanuit Akhisar een omweg maken via Sindirgi, Simav, Usak, Kula en Sardis (westelijk van Salihli). De omweg loopt door een gebied dat bekend is om zijn warmwaterbronnen en tapijten. Tussen Simav en Usak komt u bij een afslag die naar Kütahya loopt, langs de beroemde Zeus-tempel van Aezani. Kütahya is net als Iznik beroemd geworden vanwege zijn faience-tegels.
Izmir maakt uit de verte altijd de indruk van een enorme inktvis, met tentakels die zich uitstrekken tot in de omliggende heuvels en de bergen van het achterland. In enkele tientallen jaren nam het aantal inwoners van 400.000 inwoners (1960) tot bijna 2 miljoen. Vanaf de heuvels hebt u een goed uitzicht op de schitterende ligging van de stad aan de Golf van Izmir. De oude naam Smyrna verbindt de stad met een roemruchte, maar ook noodlottige geschiedenis. De stad werd geteisterd door tal van oorlogen, aardbevingen en branden en wie goed kijkt, ziet in het moderne stadsbeeld nog de littekens van het pijnlijke verleden.
De oudste sporen van bewoning aan de golf dateren van het 3de millennium voor Christus en zijn te vinden in het noordoosten van de baai op een heuvel in Bayrakli. Rond 1000 voor Christus verschenen Eolische Grieken, gevolgd door Ioniërs, en stichten een kolonie die werd vernoemd naar de daar groeiende myrrhe (mirre). Smyrna is de stad van Homerus, de plaats waar hij in de 8ste eeuw voor Christus de Ilias geschreven moet hebben. Alexander de Grote liet zijn veldheer Lysimachus de berg Pagos (in het zuiden van de baai) versterken met een burcht. De hellenistische stad ontstond later aan de voet van de berg.
Daarna maakte Smyrna een bloeiperiode door die tot onder de Romeinen zou voortduren. Door de aardbeving van 178 na Christus werd de stad verwoest, maar onder keizer Marcus Aurelius weer in al zijn pracht herbouwd. Onder de Byzantijnen, Seltsjoeken, Genuezen en Osmanen was de stad een felbegeerde zeehaven met vele werven. In het Osmaanse Rijk was Smyrna een van de belangrijkste haven- en handelssteden, maar aan het einde van de 19de eeuw dreigde de vanuit het noorden komende rivier de Gediz, in de Oudheid Hermos genaamd, de baai te verzanden en de stad van open zee af te sluiten. Daarom werd de rivier naar het westen omgeleid.
Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog werd Smyrma bezet door de Grieken, die bij het vredesverdrag van Sèvres in 1920 het bestuur over de stad kregen toegewezen. In 1922 heroverde Mustafa Kemal de stad in het laatste stadium van de bevrijdingsoorlog. Daarbij ging de noordelijke stadswijk - de wijk van de Europeanen, Grieken en Armeniërs - in vlammen op.
De wederopbouw werd uitgevoerd volgens een plan dat uit een prijsvraag als winnaar naar voren kwam. De in 1923 onder Atatürk uitgeroepen Republiek Turkije oriënteerde zich heel bewust op de moderne westerse stedebouw. In het cultuurpark, ondanks zijn beursgebouwen toch de groene long van de moderne stad, vindt u laat in het zomerseizoen de grootste Turkse handelsbeurs plaats, die wordt bezocht door vele exposanten en klanten uit het Nabije- en Midden-Oosten. De belangrijkste doorgaande wegen lopen in stervorm naar het beursplein.
Zuidelijk van de beurs ligt het Basmane-station. Van hieruit liep een van de eerste spoorlijnen naar het dal van de Grote Meander, de tegenwoordige Menderes, dat het agrarische achterland van de stad vormt. Ook nu nog zijn produkten als tabak, katoen, rozijnen, vijgen en olijven de belangrijkste exportartikelen. Ze worden in de haven van Izmir verscheept.
Wanneer u vanuit noordelijke richting langs de kust de stad binnen rijdt, dan komt u in de Alsancak-wijk aan de noordwestelijke oever van de baai. Hier liggen het Alsancak-station en de grote container- en veerboothaven. Dit was vroeger de wijk van de Grieken en Armeniërs. Een van de weinige oude huizen aan de boulevard die vòòr 1922 zijn gebouwd, herbergt het Atatürk-museum. Andere oude gebouwen vindt u in de parallel lopende Cumhuriyet Bulvari, zoals het Selcuk Yasar-museum met moderne Turkse kunst, het Yengeç-restaurant en de Mavi-bar. Aan de boulevard liggen ook een aantal consulaten en het Navo-hoofdkwartier voor de strijdkrachten in het zuidoosten. Aan het Plein van de Republiek, Cumhuriyet Meydani, vindt u het hoofdpostkantoor en in de richting van het beursgebouw de grote hotels. Aan de Cumhuriyet Bulvari staan ook veel banken.
Het hart van de stad is het Konakplein aan de haven, waar ook de kantoren van de douane staan. De Konak Camii en de klokketoren zijn de enige overblijfselen uit het Osmaanse verleden. Aan de noordzijde van het plein staat het moderne raadhuis, aan de oostzijde ziet u grote winkelcentra, in het zuiden het grote busstation voor de stadsdiensten en daarachter het "schip" van het Atatürk-cultureel centrum. Aan de bochtige weg liggen verder naar het zuiden het archeologisch museum, met de van de agora afkomstige, beroemde beelden van Poseidon en Demeter, het etnologisch museum en vele klinieken. Via de Esrefpasa Caddesi bereikt u de oude stadswijk onder de burcht. Aan de Konak-plein ligt ook de bazaar, met oude Osmaanse gebouwen zoals de tot hotel omgebouwde Kizlaragasi-Han uit de 18de eeuw en de Hisar Camii uit 1597. Oostelijk daarvan ligt de agora, waar onder de zuilengangen en in de winkels schatten uit Oost en West van eigenaar wisselden.
De mooiste verblijfplaats van Izmir is de "fluweelvesting" op de bebouwde heuvel, de Kadifekale, met een gezellige theetuin en een schitterend panorama. In westelijke richting ligt het schiereiland Cesme, dat de Golf van Izmir insluit.
Het huidige Selçuk, een kleine stad met ongeveer 20.000 inwoners, ligt vlak bij het antieke Ephesus. Het stadje ontwikkelde zich op de oostelijk afzettingen van de Küçük Menderes ("Kleine Meander"), de antieke Kaystros. Ten noordwesten van het centrum ligt op de helling van de citadelheuvel de Johannes-basiliek, vanwaar u een schitterend uitzicht hebt over het Kaystros-dal. U betreed het complex van de Johannes-basiliek door de Poort der Vervolging. Aan de linkerkant ziet u een reliëf dat de veelbewogen geschiedenis van de antieke Ephesus verbeeldt. In de loop der eeuwen moest Ephesus herhaaldelijk worden verplaatst omdat de Kaystros de baai steeds verder verzande.
De eerste nederzetting.
In het 2de millennium voor Christus vestigden zich Carische bewoners aan de
voet van de citadelheuvel, die toen aan zee lag. Zij bouwden een heiligdom
ter ere van de Anatolische vruchtbaarheidsgodin Cybele. Rond 1000 voor Christus
vestigden er zich Ioniërs onder leiding van Androclus; de Grieken vermengden
zich met de Cariërs en de cultus van de jachtgodin Artemis versmolt met die van
Cybele, aan wie rond 700 voor Christus de eerste tempel werd gewijd. Een zuil in
het zuidwesten van de burchtheuvel geeft de plaats aan waar de tempel werd
gebouwd. De krentenzische bouwmeester Chersiphron schiep de eerste
beroemde tempel, die door de Lydische koning Croesus liefdevol werd versierd.
Tijdens de Perzisch-Griekse oorlog in de 5de eeuw werd de tempel verwoest en
weer herbouwd. In deze periode leefde de filosoof Heraclitus in Ephesus, die met
de uitspraak "Alles stroomt" het oude beeld van een
statische wereldorde ondergroef.
De tempel werd in 356 voor Christus door Herostratus in brand gestoken en brandde geheel af; de rijke inwoners van Ephesus gaven de grote Deinokrates opdracht om een nieuwe tempel te bouwen, die alle eerdere gebouwen moest doen vergeten. De pracht en de praal van dit heiligdom, dat tot de zeven wereldwonderen van de Oudheid werd gerekend, lokte daarna ontelbare pelgrims naar de stad, die Ephesus zo een onmetelijke rijkdom bezorgden .
De bloeiperiode.
In de loop der tijd zette de Kaystros steeds meer zand in de baai af, zodat
de haven steeds verder dichtslibde en het moerassige achterland te kampen kreeg
met malaria.
Lysimachus ontwierp daarom een nieuwe stad die ongeveer 2 km
verder naar het zuidwesten moest komen te liggen, op de plaats van de toenmalige
necropolis. Maar de bevolking weigerde zich bovenop hun doden te vestigen,
waarna hij de verplaatsing van de stad met een list bewerkstelligde: hij liet de
waterleidingen dichtstoppen.
Het nieuwe Ephesus ontstond tussen de bergen Pion (Panayir Dagi) en Koressos (Bülbül Dagi) en beschikte in het westen over een goed bevaarbare haven. Over de bergkammen liepen sterke verdedigingsmuren die de Artemis-tempel, het Artemision, echter niet omsloten. Onder keizer Augustus (27 voor Christus - 14 na Christus) werd Ephesus hoofdstad van de Romeinse provincie Asia Minor, en onder Hadrianus (117 - 138 na Christus) kwam de stad tot grote bloei. Dit was de tijd van de Pax Romana, waarin Ephesus profiteerde van de levendige handel: de stad lag immers aan het einde van de grote handelswegen door Anatolië. Ephesus groeide en telde uiteindelijk meer dan 200.000 inwoners. In 56 na Christus ontstonden de eerste grote conflikten tussen de christenen en de aanhangers van de Artemis-cultus. Op zijn tweede zendingsreis preekte apostel Paulus in Ephesus en sprak de volgende woorden: "met handen gemaakte goden zijn goden". De zilversmeden, die door verkoop van zilveren Artemis-tempeltjes zeer rijk waren geworden, begonnen in het theater bijna een volksopstand. Ondanks zeer uitgebreide baggerwerkzaamheden slibde ook de nieuwe haven dicht en in 263 na Christus richten de Goten enorme verwoestingen aan. Daarbij kwam dat de stad door het uitroepen van Constantinopel tot nieuwe hoofdstad van het rijk aan macht inboette. De nieuwe verdedigingsmuren strekten zich minder ver uit en beschermden alleen de haven, de lager gelegen agora was al buitengesloten. Ondanks de geleidelijke neergang vond in 431 na Christus het belangrijke derde Oecumenisch Concilie in Ephesus plaats.
Maria werd een goddelijke status toegekend en werd niet langer slechts als moeder van Christus beschouwd. Maria was het instrument waarmee de macht van de heidense vruchtbaarheidsgodin Artemis definitief gebroken zou worden. Haar aanwezigheid in Ephesus is nog steeds voelbaar: aan de andere zijde van de berg de Koressos ligt het zogenoemde Maria-huis, waar Maria en enkele jaren Johannes, de vertrouweling van Jezus, zou hebben gewoond en ook zou zijn gestorven.
De volksverhuizing.
Aan het begin van de 6de eeuw, toen Ephesus eigelijk een onbeduidende
plattelandsgemeenschap was, wilde Justinianus in deze voormalige heidense
wereldstad een symbool van het christendom plaatsen. Op de burchtheuvel liet hij
boven het Artemision de Johannes-basiliek bouwen, met een grondplan in de vorm
van een kruis. Het godshuis diende onderdak te bieden aan het graf van Johannes,
aan wie Christus op Patmos de opdracht had gegeven de Klein-aziatisch
christelijke gemeenschap in de moeilijke beginperiode met raad en daad terzijde
te staan. Rond de Johannes-basiliek ontstond een nieuw Ephesus en de heuvel
waarop de kerk stond, werd versterkt met een muur en een burcht. Na de
11de eeuw namen de invallen van de Turken in aantal toe en later vormde zich
onder de dynastie van de Turkse Aydinogullari een kleine staat. Aan de voet van
de burchtheuvel bouwde men de hoofdmoskee, de Isa Bey Camii, en de stad werd
vernoemd naar Hagios Theologos Ayasoluk. Pas in 1914 kreeg het stadje de naam
Selcuk
.
Het tegenwoordige Efese (Ephesus).
De Johannes-basiliek werd vroeger overdekt door zes koepels. Volgens
de overlevering ligt het graf van Johannes onder het snijpunt van het
kruisvormige grondplan. Aan de wand ziet u de tekst van zijn brief aan de
gemeente in Ephesus. Rond de persoon van Johannes hangt een waas van
geheimzinnigheid. Het is niet zeker dat de Johannes die met Maria naar
Ephesus kwam, de apostel en vertrouweling van Christus, dezelfde persoon is als
de Johannes die vanaf Patmos zijn brief verstuurde. De met goud bekleed
kapitelen aan de zijkant zijn gedecoreerd met het monogram van Justinianus.
Onder de op zijn machtige steunmuren rustende basiliek staat de Isa Bey Camii, die onder emir Isa Bey uit Aydin in 1375 werd gebouwd. Het rijk versierde portaal van het verder eenvoudige gebouw vertoont Seltjoekse invloeden. De beide koepels boven de mihrab steunen op vier grote zuilen uit de thermen in de haven van Ephesus. De weg naar het zuiden loopt naar de resten van het Artemision, die pas in het midden van de vorige eeuw zijn ontdekt omdat metershoge zandafzettingen het antieke gebouw in de Kaystros-vlakte bedekten. Door een opschrift op het theater slaagde de Engelsman Wood er in 1866 in de loop van de processieweg te vinden, waardoor hij uiteindelijk de tempel ontdekte. Een van de beroemde zuilen van Croesus is nu in het Britisch Museum te zien.
Een afslag van de weg naar Kusadasi loopt in zuidelijke richting naar de opgravingen van de hellenistisch-Romeinse stad. Aan de linkerkant, voor de ingang, liggen het Vedius-gymnasium en het grote stadion. Achter de ingang, direkt rechts, loop een pad naar de Maria- of Dubbelkerk, waar het beroemde Concilie van Ephesus plaatsvond. Het 260 m lange gebouw, dat oorspronkelijk was bedoeld als academie (museion), werd later uitgebreid tot dubbelkerk. Hier vond in 431 het concilie over de status van Maria plaats.
Weer op de door pijnbomen omzoomde hoofdweg komt u bij een marmeren dwarsstraat, de zogenaamde Arcadiana. Deze werd rond 400 na Christus onder keizer Arcadius aangelegd als pronkstraat en was s nachts verlicht. De haven lag vroeger aan de westelijke zijde van de weg en het feit dat de kustlijn ongeveer 8 km verderop ligt, geeft een idee van de ongelooflijke hoeveelheid sedimenten die de Kaystros hier in de loop de eeuwen heeft afgezet. Destijds omringde de Byzantijnse stadsmuur het terrein tussen de Arcadiana, het theater, het stadion en de haven. Ten noorden van de Arcadiana lagen de thermen en het gymnasium van de haven. In het oosten ligt het 25.000 zitplaatsen tellende theater, dat nog steeds een uitstekende akoestiek heeft. Helaas is het toneel niet volledig bewaard gebleven. Nog ieder jaar is het theater s zomers tijdens het Ephesus-festival uitverkocht. Men vraagt zich af hoe apostel Paulus zich moet hebben gevoeld toen hij hier bij de opstand van de zilversmeden werd weggehoond na zijn woorden "Groot is de Artemis de Ephesers!".
Over de Marmerstraat loopt u in zuidelijke richting naar de Celsus-bibliotheek. De restauratiewerk-zaamheden hebben de vroegere luister van de oostelijke façade weer weten op te roepen. Het bouwwerk werd door Concul Aquila opgericht ter ere van zijn gestorven vader, Celsus Polemaeanus, de stalhouder van de provincie Asia. Onder de middelste nis ligt de grafkamer van de overledene, wiens deugden zijn verbeeld in de vier beelden aan beide zijden van de ingang. Met de bibliotheek van Alexandrië en Pergamon behoorde de Celsus-bibliotheek tot de grootste van de Oudheid. Na de inval van de Goten in 263 na Christus gingen de kostbare geschriften in vlammen op. Op het voorplein staat de poort van de onderste agora, het handelsplein, en in de zuidwestelijke hoek ziet u het Serapis-heiligdom. De poort werd gebouwd door twee voormalige slaven: Mazaeus en Mithridates.
Tegenover de Celsus-bibliotheek loopt de Kureten-straat de helling op. Links verheft zich de Hadrianus-tempel, met zijn overdadige versieringen uit de tijd van de grenzeloze mogelijkheden onder Hadrianus. De fries in het voorportaal toont de stichtingslegende: Androclus en everzwijn sluiten zich aan bij een godenprocessie.
Daarachter liggen de Thermen van Scholastika, ooit een enorm, twee verdiepingen tellend badhuis met koud- en warmwaterbaden, de laatste met vloerverwarming. Het verwarmingssysteem is ook nu nog te zien . In het portaal staat het beeld van de rijke christen Scholastika, die het badhuis rond 400 liet renoveren. Verder westelijk staan het bordeel (een wegwijzer, askevi, vindt u halverwege de Marmerstraat) en de luxueus uitgevoerde latrines.
Zuidelijk van de Kuretenstraat vindt u de hangende huizen. In het als museum ingerichte, overdekte complex geven reconstucties en kopieën van de gevonden voorwerpen (de originelen kunt u zien in het Selçuk-museum) een indruk van de leefwijze van de rijke Ephesers in de Romeinse tijd. De opgravingen duren nog steeds voort.
Tegenover deze weg, die weer naar de Keretenstraat afloopt, ligt de Trajanus-bron, een niet al te best gereconstrueerd bronmonument met in de middelste nis een enorm beeld van keizer Trajanus, omgeven door goden en familieleden. De Kuretenstraat of Embolos was vroeger de belangrijkste winkelstraat. De winkels bevonden zich in de overdekte zuilengangen, waarvan de vloeren waren versierd met kostbare mozaiëken. Beelden van rijke burgers stonden aan beide zijden van de straat. Een trap, die wordt geflankeerd door Hercules met de huid van de Nemeïsche leeuw, leidt naar het hoger gelegen deel. Links liet Memmius, een kleinzoon van Sulla (138 - 78 voor Christus), voor zichzelf en zijn familie een monument plaatsen dat later tot een fontein werd omgebouwd. Daar tegenover staat de op een enorme sokkel rustende Domitianus-tempel. In de steungewelven van de tempel is een monumentaal beeld van Domitianus (81 - 96 na Christus) aangetroffen, op de plaats waar tegenwoordig het inscriptie-museum gevestigd is. Van de unieke versieringen resten nu nog slechts enkele kariatiden, meisjes die ter ere van Artemis dansten. Oostelijk daarvan bevinden zich in de fundamenten van de bovenste agora de kelders, voormalige winkels en de Pollio-fontein, een indrukwekkende fontein waarvan de gevel ooit de sage van Polyphemus verbeeldde.
De door rijke burgers aan de stad geschonken fonteinen werden door een uitgekiend systeem van aquaducten van water werden voorzien. Resten van de Romeinse waterleiding zijn nu nog bij het spoorweg-station van Selçuk te bezichtigen . Rond de bovenste agora, ofwel de staatsagora, lagen vroeger de bestuurscentra van de stad. Achter een drieschepige zuilengang ter ere van keizer Augustus en zijn vrouw Livia lag het prytaneion, een soort raadhuis waarin ook het heilig vuur van de stad werd bewaard. Daarnaast lag het ongeveer 2000 zitplaatsen tellende, overdekte odeon, dat voornamelijk als bouleuterion (vergaderzaal) werd gebruikt. In oostelijke richting lagen de thermen en het oostelijke gymnasium, vanwege de daar aangetroffen beelden ook wel Meisjesgymnasium genoemd. Wie vroeger uit het oosten kwam, betrad de stad door de Magnesische Poort, die buiten de vindplaats rechts van de weg naar Selçuk lag.
Als u deze weg in tegengestelde richting naar het zuiden volgt, komt u bij het Maria-huis op de Ala Dagi. In 1891 leidden de lazaristen opgravingen op aanwijzing van de visioenen van de gestigmatiseerde non Katharina van Emmerich, die de kerk en plaats precies beschreef zonder er ooit zelf te zijn geweest. Inderdaad werden de fundamenten van een kerk blootgelegd. Omstreden onderzoek dateert de oudste muurdelen in de 1ste eeuw. Schriftelijk bronnen leveren sterke aanwijzingen dat Maria lange tijd in Ephesus heeft gewoond en hier ook is gestorven. Terug in het dal ziet u achter de Magnesische Poort een weg die naar links leidt, naar de Zevenslapersgrot. Daar versholen zeven jonge christenen zich voor keizer Decius (250 - 253 na Christus) en vielen in een twintig jaar durende slaap. Toen zij wakker werden, was het christendom al staatsreligie. Vele inwoners van Ephesus lieten zich hier begraven in de hoop ooit op dezelfde manier te verrijzen.
Tot slot is een bezoek aan het relatief kleine, maar rijk ingerichte Selçuk-museum zeker de moeite waard. Bijzonder zijn onder meer de op de bovenste agora gevonden busten van keizer Augustus en zijn vrouw Livia, delen van de Domitialus-altaar, het reliëffries van de Hadrianus-tempel, beelden van de Trajanus-fontein, de beeldengroep van de Pollio-fontein, de Socrates-muurschildering uit een hangende huizen en vele interessante gebruiksvoorwerpen. Hoogtepunt van het bezoek vormen de cultusbeelden van Artemis, die in het prytaneion zijn gevonden. De bolle vormen van hun bovenlichaam kunnen op vele manieren worden geïnterpreteerd, maar recente opvattingen zien hierin een mannelijk vruchtbaarheidssymbool, namelijk de teelbal van de stieren die aan de godin werden geofferd. Mannelijke en vrouwelijke elementen gaan op deze wijze samen in deze vruchtbaarheisgodinnen, die zorg droegen voor het voortbestaan van het leven.
Vanuit Ephesus loopt de weg door de Kaystros-delta en buigt daarna naar het zuiden af, om langs de kust naar Kusadasi te leiden. Fruitboomgaarden, schaduwrijke pijnbossen en olijfboomgaarden omzomen de weg. Kusadasi is sinds het midden van de jaren tachtig enorm gegroeid. Grote hyper-moderne hotelcomplexen met zwembad dringen steeds verder op langs de kust en in de olijfboomgaarden.
Nog maar enkele jaren geleden was het een interessant havenstadje, maar langzaan krijgt Kusadasi het karakter van een druk toeristisch centrum. Kusadasi is een pleisterplaats van grote cruiseschepen en het beginpunt van boottochten naar Samos of Patmos; de plaats heeft dan ook een behoorlijke jachthaven. Rond de haven heeft zich een groot winkelcentrum ontwikkeld, maar in het koele, rustige seizoen kan men nog genieten van de oude charme van het plaatsje. Genuese kooplieden stichtten hier in de 13de eeuw een haven, Scala Nova of Nea Ephesos genaamd, omdat de oude haven van Ephesus was dichtgeslibd. In de Osmaanse tijd noemde de plaats Kusadasi ("Vogeleiland"), naar het via een dam bereikbare, voor de kust gelegen eiland Güvercin Ada ("Duiveneiland"). Dit wordt s nachts verlicht en glinster dan als een juweel in de baai van Kasadasi. In het centrum domineert een oude Karavanserai uit de 17de eeuw, die tegenwoordig in gebruik is als hotel. Op de binnenplaats kunt u in een schitterend decor onder palmbomen raki drinken.
Raki , door de Turken ook wel "leeuwemelk" genoemd, is een van rozijnen gemaakte anijsdrank die wit kleurt als hij met water wordt aangelengd.
In het zuiden van Kasadasi ligt de baai Kadinlarplaj, met een smal zandstrand dat wordt omzoomd door vakantiedorpen en hotels. Verder naar het zuiden vindt u schitterende stille stranden, die echter moeilijk bereikbaar zijn. Het eiland Samos ligt ongeveer 1,7 km verwijderd van het ver in zee uitstekende schiereiland van het Samsund-gebergte (1237 m), dat vanwege de oorspronkelijke mediterrane begroeiing tot nationaal park is uitgeroepen. In de Oudheid droeg het gebergte de naam Mykale. Aan de noordzijde bevond zich het centrum van de Ionische Stedenbond, het zogenaamde Panionion. De archipel voor de Turkse westkust ontstond door een daling van de Egeïsche plaat en daarna door de postglaciale stijging van de zeespiegel, waardoor aaneengesloten bergruggen werden onderbroken en de hogere delen van de westelijke uitlopers eilanden werden.
De weg door het schitterde Egeïsche landschap buigt in oostelijke richting van de kust af. Bij Söke bereikt de weg het dal van de Büyük Menderes, de Grote Meander. Söke is een welvarend agrarisch stadje en het katoencentrum van het Meander-dal. De textielindustrie is er in ontwikkeling.
De weg loopt door de ruïnen van het oude Magnesia aan de Meander (niet te verwarren met Magnesia aan de Spylos). De tiran van Samos, Polycrates (bekend door friedrich Schillers "Ring van Plycrates"), werd hier rond 522 voor Christus aan het kruis genageld. In 480 voor Christus heerste de uit Athene verbannen veldheer Themistocles als Satraap over de stad.
Aydin , het antieke Tralles, de geboortegrond van de Seltsjoekse Aydinoglu-dynastie en ook Anthemius, de bouwmeester van de Hagia Sophia, is het centrum van de teelt van vijgen en fruit. Goede grond, voldoende water en een mild klimaat hebben van het dal een paradijselijk oord gemaakt. Noordwestelijk van Sultanhisar ligt het antieke Nysa, dat onder de Romeinse keizers een bloeiperiode doormaakte. De stad ligt tegen de zuidelijke helling van de Aydin Daglari en biedt een mooi uitzicht van het goed bewaard gebleven theater. In het noorden van Denizli ligt het antieke Laodiceia, dat te tijde van het Romeinse Rijk door zijn wol- en stoffenateliers een van de rijkste steden van Klein- Azië was.
Verderop, in het noorden, ziet u al de witte terrassen liggen van Pamukkale ("Katoenkasteel"). Dit unieke landschap dankt zijn ontstaan aan het 35 ° Celsius warme water van de onder hoge druk staande bronnen. Als gevolg van het verschil in temperatuur en druk geeft het water kalk af. De terrassen zijn vermoedelijk ontstaan in de tijd dat de helling diende als steengroeve voor de bouw van het erboven gelegen antieke Hierapolis. Aan de terrasranden vormden zich kalklagen die steeds verder aangroeiden, waardoor langzaan kleine bekkens ontstonden. De natuur blijkt hier op een mooie zomernamiddag bijzonder rijk aan contrasten, zeker wanneer u van beneden opkijkt naar de witte kalkvormen, die dan prachtig afsteken tegen de bloeiende roze oleanderhagen en diep blauwe hemel. Het gebied staat onder natuurbescherming en er is een bouwverbod van kracht.
Heirapolis werd in ca. 190 voor Christus gesticht door Pergamon om het Seleucidische Laodiceia te kunnen beconcurreren. De stad ontwikkelde zich in Romeinse tijden tot het centrum van de wolindustrie en groeide door de heilzame werking van de bronnen uit tot een van de belangrijkste kuuroorden van het hele Rijk. De heilige bron klaterde vroeger bij een Apollo-heiligdom, die ook fungeerde als regionaal orakel. Tegenwoordig bevindt de Bronvijver zich op de binnenplaats van een motel, waar men zich tussen de antieke zuilen kan ontspannen in het water van lichaamstemperatuur. Rondom het heiligdom van de bron werden enorme thermen (nu archeologisch museum) en fonteinen aangelegd. Iets daarboven ligt het grote theater, met achter het toneel kuntsmatige marmeren reliëfs met scènes uit de sagen van Niobe, Artemis en Apollo. Verder naar boven ligt op een terras noordoostelijk van het theater de Graf van Philippus, de vroeg-christelijke martelaar die hier met zijn kinderen zou zijn gestorven. Volgens de apocriefe - de niet in het Nieuwe Testament opgenomen - handelingen van Philippus zou het hier de apostel Philippus betreffen. Maar ook de prediker Philippus, een van de zeven diakens van Petrus en stichter van het Ethiopische christendom, heeft hier in de omgeving gepredikt. Het in Hierapolis in de 5de eeuw gebouwde martyrium van Philippus, een achthoekig gebouw met kleine ruimten aan de zijkanten en een groot bordes, werd vroeger door veel pelgrims bezocht. Als u verder naar boven wandelt naar het graf van Philippus, dan wordt u beloond met een prachtig uitzicht op de antieke stad en het dal van de Cürüksu, een zijdal van de Meander. De kloof is ontstaan door vulkaanuitbarstingen, wat ook het voorkomen van de warmwaterbronnen verklaart. Grote delen van de stad liggen echter nog verscholen onder een laag klaksinter, die de opgravingen zeer bemoeilijkt. Als u parallel aan de antieke Zuilestraat naar het noordelijk gelegen terras rijdt, komt u buiten de muur bij een van de grootste dodensteden van Klein-Azië, met hellenistische tumulus-graven, sarcofagen met inscripties en huisgraven uit de Romeinse tijd. Vele van de vaste kuurgasten brachten hun levensavond in Heirapolis door en werden er begraven. In het verder noordelijk gelegen dorp Karahayit vormden de bronnen door het hoge ijzergehalte rode en bruine kalkafzettingen. Wiel langer in Pamukkale wil blijven, vindt onderdak een van de hotels. Het motel Tusan heeft een zwembad dat in een natuurlijk bekken is ingebouwd; hier kan u uw baantjes trekken met uitzicht op het prachtige Cürüksu-dal en het daarachter gelegen 2300 m hoge Akdagi-gebergte. Het hoge waterverbruik van de motels heeft echter een negatieve invloed op de waterhuishouding van de kalksteenterrassen .
Vanuit Danizli loopt een goede weg in oostelijke richting door het binnenland naar Antalya, langs de twee zoutmeren Açigöl en Budurgölü.
In de 11de eeuw troken een aantal Turkse stammen uit Noordoost-Perzië weg en trokken op hun weg naar het westen de uitgestrekte steppen over. Bursa, dat ook de bijnaam "Goede Stad" draagt, ligt aan de noordelijke voet van de Ulu Dagi, de 2543 m hoge berg in de Oudheid ook de Olympus van Mysië en Bithynië werd genoemd. De stad wordt van water voorzien door tal van kleine bergketens, die een weelderige vegetatie doen opbloeien. De warmwaterbronnen in het westen van de stad maakten van Bursa door de eeuwen heen een geliefde badplaats. Toen de Osmanen Bursa in 1326 op de Byzantijnen veroverden, moet de stad op hen de indruk van een aards paradijs hebben gemaakt.
Bursa zou in 185 voor Christus onder koning Prusias I van Bithynië zijn gesticht op aanraden van de Cathaagse veldheer Hannibal, toentertijd enige jaren verbonden aan het hof van Prusias. In de Romeinse tijd, toen Plinius de Jongere stadhouder van Bithynië was, werden de baden verder uitgebreid. Justinianus bouwde er een paleis en de Byzantijnse keizerinnen kwamen hierheen om tijdens de hete zomermaanden te kuren. Na de verovering van de stad door de Osmanen werd Bursa de eerste hoofdstad van het jonge Osmaanse Rijk. Ook na de verplaatsing van het hof naar Edirne groeide de stad sterk.
Op het pas in het midden van de jaren tachtig opnieuw vorm gegeven plein aan de Atatürk Caddesi ligt de Grote Moskee, de "Ulu Cami". De legende vertelt dat de stichter Beyazit I met de bouw van deze moskee een belofte inloste: hij had voor de slag bij Nicopolis is Servië beloofd dat hij bij een overwinning 20 moskeeën zou laten bouwen. Omdat dit echter te duur bleek, gaf hij in plaats daarvan de opdracht tot de bouw van een moskee met 20 koepels: de Ulu Cami. De machtige pilaren en de relatief kleine koepeldoorsnede (9m) herinneren aan de Seltsjoekse hallenmoskee. Heel bijzonder is de reinigingsfontein die in het midden van de moskee onder een glazen dak is geplaatst. In het duister van de mihrab ziet u schitterende geglazuurde tegels, die sterk doen denken aan de eenvoudige groene Seltsjoekse tegels. Nergens zijn sporen te zien van de latere bloemrijke motieven van de faience-tegels van Iznik. Rechts daarnaast verheft zich een mooie, uit cederhout gesneden minbar, waarvan de stervormige zijkanten de oneindigheid van het universum verbeelde. Op de wanden ziet u enorme geabstraheerde "schrifttekens", zoals bijvoorbeeld het teken voor de Ark van Noach.
Bursa is een conservatieve stad; op vrijdag en tijdens de ramadam, wanneer de gelovigen hun plichten getrouw vervullen, is de moskee het geestelijk middelpunt van de stad. Onder de Ulu Cami ligt de grote bazaar. In de zogenaamde Koza Hani direkt onder het groene plein wordt in april de zijde geveild. Noordelijk van de stad, in het Nilüfer-dal, worden zijderupsen geteeld. Nadat de rupsen zich in de cocons hebben ingesponnen, worden deze in de bazaar geveild. Op de eerste verdieping van de Koza Hani tonen de groothandelaren hun collecties stoffen en in de kleine winkels in de bazaar bieden de kooplieden hun zijde aan.
In de bazaar worden niet alleen luxe-goederen zoals zijde en sieraden aangeboden, in de winkeltjes kunt u ook laarzen, handdoeken en de bekende zware kielen met witte kraag kopen. Voor hongerige magen brengt de specialiteit van de gaarkeukens en restaurants van Bursa uitkomst: iskender kebab, vlees van het spit, dat op vers gistbrood wordt gereserveerd met tomaten en yoghurt en wordt overgoten met hete boter. Daarbij wordt ayran gedronken, een verfrissende yoghurt drank. Als toetje kunt u in een van de populaire pastahaneler (banketbakkerijen) in de straatjes onder het stadsplein kestane (suikerkastanjes) bestellen. Ook dit is een specialiteit van Bursa.
Wanneer u de Atatürk Caddesi is oostelijke richting afloopt, komt u bij het complex van de Yesil-külliye van Mehmet I (1413 - 21), met de Yesil Cami. Mehmet I was de grootvader van Mehmet II de Veroveraar. In de vroeg Osmaanse tijd werden grafmonumenten hoog geacht: de Türbe van Mehmet I staat hoog verheven boven de moskee. De naam Yesil Türbe - Yesil betekent "groen" - is afgeleid van de vroegere groene faience-versiering. Het interieur van het grafmonument is bijzonder mooi. Mehmet I werd temidden van zijn familie bijgezet in een kunstig met kelligrafieën en faience versierde sarcofaag. De dode ligt volgens islamitisch gebruik in de aarde begraven. De rechterzijde van zijn lichaam is naar de mihrab toegedraaid, waarvan de faience-tegels het licht van Allah symboliseren.
Onder de Türbe ligt de door Mehmet I in Bursa-stijl gebouwde "Groene Moskee", die een T-vormig grondplan heeft. Tussen de beide koepels van de middenas is een triomfboog gebouwd, waarin het restant van het voor de bouw bestemde goud zou zijn ingemetseld. Volgens de legende wilde bouwmeester Ilyas Ali zich zo beschermen tegel roddels dat het resterende goud na de dood van Mehmet zelf zou hebben gehouden. Een trap leidt naar het hoger gelegen voorste gedeelte van de moskee, dit is de eigenlijke gebedsruimte. Wanneer via de trap de hoge mihrab nadert, laten de uit gipsstaafjes samengestelde venters van de voorgevel minder licht door en krijgt u vrij uitzicht op de mihrab. In het midden van de wanden aan linker- en rechterzijde geven deuren toegang tot kleine ruimten die dienden als verblijfplaats voor de rondtrekkende derwisjen, de islamitische monniken. De overkoepelde open zijden boden ruimte voor Koran-onderwijs en de rechtspraak. Boven de ingang ligt, naar voorbeeld van Byzantijnse keizersloge, de sultanloge. Achter de getraliede vensters aan de rechter- en linkerzijde liggende gebedsruimten voor de vrouwen. Later baden de sultans links van de mihrab. In een van de theetuinen in de omgeving van de moskee kunt u onder het genot van een Turks glas thee of koffie genieten van het uitzicht op de stad en het dal, maar ook op de Byazit-moskee in het oosten.
Loopt u in westelijke richting door de stad, langs de Ulu Cami, dan komt u op een gegeven moment bij een kronkelend straatje aan de linkerkant, dat naar de voormalige citadelheuvel leidt. Resten van de Byzantijnse muur en de klokketoren zijn nog herkenbaar. Boven bevindt zich het grafmonument van de stichters van het Osmaanse Rijk, de türben van Osman en zijn zoon Orhan, die na de dood van zijn vader kort na de kapitulatie van de stad de heerschappij van zijn vader overnam . Volgt u de straat langs de heuvel naar het westen, dan ziet u aan uw rechterhand een klein park met een mooi uitzicht over de Muradiye, het complex van de graven van de sultans. Dit complex bereikt u door de straat beneden te volgen. Murat II, vader van Mehmet II, stichtte dit complex en leidt naast de in Bursa-stijl gebouwde moskee ook een indrukwekkende türbe voor zichzelf en zijn familie bouwen.
Het ver uitstekende dak, dat is versierd met kunstig houtsnijwerk, herinnert aan de daken uit de nomadentijd. Door een opening in de koepel kan er regen op de aarde van het graf vallen, wat wijst op de grote symbolische betekenis van water voor het leven na de dood in de Osmaanse samenleving. Na 1453 werden hier meerdere türben gebouwd voor prinsen die stierven door broedermoord of andere intriges, zoals het graf voor de dichter Cem Sultan, de lievelingszoon van Mehmet II en broer van Beyazit II. Niet alleen de doden , maar ook de levenden vinden een oase van rust in deze door wachters liefdevol verzorgde türben-tuin met zijn hoge platanen, magnolias en cipressen.
De meeste hotels van de stad liggen in de westelijke stadswijk Cekirge. Als u de Cekirge Caddesi volgt, dan liggen rechts twee oude Turkse badhuizen. De eerste is het Yeni Kaplica, het Nieuwe Bad met zwavel-houdend water dat in de 16de eeuw werd gebouwd door Rüstem Pasa, de grootvizier van Süleyman de Pracht-lievende. Daarna ziet u het Eski Kaplica, die in de 14de eeuw onder Murat I op byzantijnse fundamenten werd gebouwd. Mannen en vrouwen baden gescheiden, kleine jongens mogen met hun moeder mee. Onder de hoge koepels, die van vensters zijn voorzien om licht tot de ruimte toe te laten, worden in een vochtige, zwoele atmosfeer lichaam, geest en ziel door het uit de aarde opborrelende warme water gereinigd. Als u daarna een opwekkende massage ondergaat en ontspant in de rustruimte voelt u zich weer als herboren. Vroeger moet zon bad na een lange rit door de steppen helemaal een paradijselijke ervaring zijn geweest. Ook uit de kranen van de meeste hotels in Cekirge stroomt bronwater en vele hotels beschikken over een eigen hamam of zwembad. De hoofdstraat, die heel Cekirge doorkruist, loopt omhoog tot op de Ulu Dagi, waar men s zomers heerlijk kan wandelen. In de winter is de berg een geliefd skigebied van de bewoners van Istanboel. Liften ontsluiten er de pistes.
Onze tocht voert verder in westelijke richting. Wie rechtstreeks naar Bergama, het klassieke Pergamon, wil rijden, moet de weg volgen die achter het Uluabat Gölü (Apollo-meer) in zuidelijke richting naar Balikesir afbuigt. De weg leidt via Savastepe en Soma naar Bergama.
Wie wat meer tijd in het noordwesten van Turkije wil doorbrengen, moet de weg langs de Dardanellen en de zuidkust van de Zee van Marmara nemen, in de richting van de Egeïsche Zee. Zuidwestelijke van Bandirma ligt het Meer van Manyas, ook wel Kus Gölü, "Vogelmeer", genoemd, een paradijs voor vogels en ornithologen. Het visrijke kustmeer is in de lente de ideale voedselbron voor enorme aantallen reigers, aalscholvers, pelikanen en vele andere vogelsoorten. Wanneer u het bord Manyas Kusceneti Milliparki volgt, komt u in het nationaal park. In de maanden maart tot mei is het bezoek aan dit park een bijzonder belevenis; vanaf een houten uitkijktoren kunt u met verrekijkers het broedgedrag van de vogels bestuderen. In de winter is het meer de rustplaats van trekvogels uit de Donau-delta. In het kleine informatieve museum kunt u de vogelsoorten van zeer nabij bekijken aan de hand van opgezette vogels die een natuurlijke dood zijn gestorven. De omweg van Bandirma naar het noordelijk gelegen Kapidagi-schiereiland is zeer zeker de moeite waard.
Erdek ; dat op het zuidwesten van het schiereiland ligt, is een aantrekkelijk havenstadje van waaruit motorboten een aantal eilanden aandoen. Het grootste eiland is het Marmara-eiland, belangrijk is de Oudheid vanwege de marmergroeven. Verder westelijk steek u bij Birga een kleine rivier over, de antieke Granikos die nu Can Cayi heet. Hier vond in 334 voor Christus de eerste grote slag plaats tussen Alexander de Grote en de Perzen onder Darius III. Via een mooie route bereikt u de oostelijke toegang tot de Dardanellen en Lapseki.
Lapseki , het antieke Lampsakos, werd door Phoceae als kolonie aan de Dardanellen gesticht en was een belangrijk steunpunt voor de ontsluiting van de vruchtbare kusten aan de Zwarte Zee. In de Oudheid was Lampsakos bekend door de uitstekende wijn en de Priapus-cultus. De vruchtbaarheidsgod Priapus, zoon van Dionysus en Aphrodite, zou hier volgens de sagen zijn geboren. Hij wordt meestal afgebeeld met een enorm geslachtsdeel. Vanuit Lapseki vertrekken veerboten naar Gelibolu.
De Dardanellen vormen een 65 km lange verbinding tussen de Zee van Marmara en de Egeïsche Zee. Aan het einde van de IJstijd waren de zeestraten niet meer dan smalle rivierdalen, maar door de stijgende zeespiegel werden ze steeds breder. De Dardanellen zijn tegenwoordig op de breedste plaats 7,5 km breed en op het smalste stuk 1,3 km. In de Oudheid noemde men de zeestraat de hellespont, ofwel "Zee van Helle". Volgens een oude Griekse legende staken Phrixus en zijn zuster Helle op een gevleugelde ram met een huid van goud de zeestraat over om aan Helles boze schoonmoeder te ontsnappen. Helle viel daarbij in het water en verdronk. Het was de huid van deze gouden ram, het Gulden Vlies, dat de Argonauten uit Kolchis wilden halen. Waarschijnlijk was de strijd om de macht en controle over de Dardanellen de direkte oorzaak voor het uitbreken van de Trojaanse Oorlog.
In 480 voor Christus stak de Perzische koning Xerxes de Hellepont over en trok tegen Griekenland op. Rond 150 jaar later viel Alexander de Grote de Perzen aan. In 1356 staken de Osmanen op vlotten de Dardanellen over en betraden voor het eerst de Europese bodem.
De sage van Hero en Leander speelt zich af op de plaats waar de Dardanellen uitkomen in de Egeïsche Zee. Friedrich Schiller en Franz Grillparzer hebben deze schitterende gedichten beschreven: Hero, een priester van de Aphrodite-cultus in Sestos (aan de Europese oever), en Leander, een jongeling uit Abidos (Klein-Azië), waren van elkaar gescheiden door de golven van de Hellepont. Leander zwom elke nacht naar de andere oever, maar verdronk in een storm. Uit wanhoop stortte Hero zich in de golven.
Deze baai van de Bosporus, die het oude Stambul van Beyoglu scheidt, vormde oorspronkelijk de veilige natuurlijke haven van Constantinopel . Nu wordt de baai overspannen door drie bruggen in het noorden de Haliç-brug, in het centrum de Atatürk-brug, die onder het Aquaduct van Valens loopt, en in het zuiden de nieuwe Galata-brug in de plaats kwam nadat een explosie in een van de kleurige drijvende restaurants ernstige schade hed toegebracht.
De oevers van de Gouden Hoorn zijn een prettig wandelgebied.
Eyüp (westoever van de Gouden Hoorn) .
De Moskee en het Mausoleum van Eyüp.
Ongeveer op de hoogte van de Haliç-brug, de derde brug over de hoorn, komt de Byzantijnse landmuur uit de zeemuur. Daarachter begint de wijk Eyüp, die is genoemd naar de vaandeldrager van Mohammed, Eyüp Ensari, die bij de eerste Arabische belegering van de stad (674 - 678) vóór de muur stierf. Na de verovering van de stad door de Osmanen bouwde men hier voor hem een grafmonument. in Eyüp werd de troonsbestijging het zwaard van Osman, de stichter van de dynastie, feestelijk aan de nieuwe sultan uitgereikt;
achter de türbe ligt op de hellingen een enorme islamitische begraafplaats, vele gelovigen wilden in de nabijheid van hun illustere voorganger worden begraven. Een mooie wandeling de helling op voert naar het café van de Fransman Pierre Loti (1850 - 1923), die hier zijn literaire werken schreef. Onder het genot van een Turkse koffie of een glas thee kunt u hier uw blik over het silhout van de stad laten dwalen: hier ligt Istanbul aan uw voeten.
Eyüp is vernoemd naar Eyüp Ensari, de banierdrager en de trouwe metgezel van Mohamed, die hier overleed toen hij aan het hoofd van de Arabieren het vergeefse beleg van Constantinopel leidde (674 - 78). De Byzantijnen zegden toe zijn graf te zullen eerbiedegen en zo was het na acht eeuwen van christelijk bewind nog altijd onaangetast, toen de Turken het tijdens het beleg van 1453 herontdekten. Die ontdekking betekende een geweldige opsteker voor de belegeraars en na de uiteindelijke overwinning werd Eyüp dan ook als schutspatroon van de Ottomaanse dynastie uitgeroepen. Mehmet II liet de tombe vergroten en er een fraaie moskee en enkele leifdadige instellingen bijbouwen. Spoedig werd het complex een belangrijk bedevaartsoord en een bergaafplaats van notabelen, waar ongelovigen geen toegang hadden. Eyüp speelde ook een grote rol in het opvolgingsritueel van de Ottomaanse sulyans. Een nieuwe sultan moest vanuit de stad op een wit paard naar het graf zijden, waar het hoofd van de plaatselijke derwisjen hem "kroonde" door een kus op zijn linker schouder te geven en hem het zwaard van Osman om te gorden.
De gebouwen van Mehmet II werden vernield door de aardbeving van 1766; het huidige complex dateert van opmstreeks 1800. In de grote, door populieren beschaduwde buitenhof klatert een fontein en spelen kinderen tussen de talloze vette duiven. Vie een barokke poort komt u op de binnenhof met het graf, dat door een hoge, strakke zuilengalerij is omgeven. Zowel binnen als aan de buitenkant is het mausoleum van Eyüp bekleed met een weelde aan kleurrijke tegels uit Iznik en Kütahya. Het blankgewreven vanster voor de pelgrims is toegevoegd door Ahmet I. De moskee ertegenover heeft een opvallend rijkelijk versierd en beschilderd interieur.
Een aardige wandeling leidt via de enorme Turkse begraafplaats verder heuvelopwaarts naar het Pierre Loti-theehuis, dat een prachtig uitzicht over de Gouden Hoorn heeft. Het is genoemd naar de schrijvende Franse marine-officier, die hier vaak kwam in de tijd dat hij een heimelijke affaire had met een haremdame. Deze tragische liefdesgeschiedenis verwerkte hij later in zijn beroemde oriënttalische roman Aziyade.
|
Nederlandse uitdrukkingen |
|
|
Caddesi |
Straat |
|
Cami ( i ) |
Moskee |
|
Carsi |
Bazar, markt |
|
Cesmesi |
Fontein |
|
Cirit Oyunu |
Speerspel |
|
DicPe |
Tigris |
|
Efe |
Symbool van Moed |
|
Firat |
Euphraat |
|
Hamam ( i ) |
Badhuizen - Turkse badhuizen |
|
Han |
Binnenplaatsen |
|
Hisar ( i ) |
Ottomaanse versterking |
|
Hoca |
Leraar die les geeft in de lagere school bij de moskee |
|
Horon (volksdans) |
Zwarte Zeegebied (volksdans, uitgevoerd door in het zwart geklede mannen) |
|
Iç |
Oude |
|
Imaret |
Armenkeuken |
|
Imbat (zie "Meltem") |
Deze wind die gewoonlijk uit het zuiden komt, is de brenger van mooi weer (windkracht 4/5 in de middag). |
|
Iskele |
Aanlegsteiger |
|
Kahve |
Koffiehuis |
|
Kapesi |
Stadspoorten |
|
Kapi |
Poort |
|
Kasik Oyunu (volksdans) |
Lepeldans (volksdans, wordt gedanst van Konya tot Silifke) |
|
Kiliç Kalkan (volksdans) |
Zwaard- en schilddans (volksdans) |
|
Kilise |
Kerk |
|
Kösk ( u ) |
Kiosk of Paviljoen |
|
Külliye |
Moskeecomplex binnen in dit complex staat vaak een türbe |
|
Masafir |
Gasten |
|
Medrese |
Hogere koranschool met een binnenplaats bij de moskee |
|
Mektep |
Lagere school die zich bevindt bij de moskee |
|
Meltem (zie "Imbat") |
Een noordoostenwind die ongeveer 20 dagen lang meestal s middags de kop opsteekt. Buiten de periodes van de meltem waait er een zeewind langs de Egeïsche kust, die bekend staat als Imbat. |
|
Mescit |
Kleine gebedsruimte zonder minaret, minbar en mihrab |
|
Meze |
Voorgerecht |
|
Mihrab |
Versierde boog die de richting van Mekka aangeeft |
|
Minbar |
Trapvormige preekstoel |
|
Muezzin |
Oproep tot gebed |
|
Müzesi |
Museum |
|
Nargileh |
Turkse waterpijp |
|
Ninaret |
Gebedstoren met een balkon van waarde muezzin oproept tot het gebed |
|
Orman ( i ) |
Bos - woud |
|
Orta Kapi |
Midden poort |
|
Raki |
Anijsdrank |
|
Sadirvan |
Fontein voor de rituele wassing voor het gebed |
|
Saray ( i ) |
Ottomaans paleis |
|
Sebil |
Wasbekken tegen de buitenmuur van de grotere moskeecomplexen |
|
Serefe |
Balkon |
|
Tabhane |
Verblijf voor Derwisjen op doorreis |
|
Tauri |
grote holle bronzen stier waarin misdadigers werden gebraden |
|
Tavia |
Spelen |
|
Tekke |
Gemeenschapsruimte voor Derwisjen |
|
Tugra |
Gekalligrafeerd monogram |
|
Türbe |
Ottomaans praalgraf, mausoleum staat vaak in een moskeecomplex |
|
Tuvalet |
Openbare toiletten |
|
Yagli Güres |
Olieworstelen |
|
Yali |
Zomerpaleis |
|
Yesil |
Groen |
|
Zeybek (volksdans) |
Egeïsche dans (volksdans, uitgevoerd door kleurrijk geklede mannen (zie "Efe") |
terug naar het begin.