SONDEVOEDING :
Bijna elke fokker is al eens geconfronteerd geweest met het probleem van bijvoeren van kittens, anderen kunnen er vroeg of laat nog wel eens mee geconfronteerd worden. Bij kittens zonder moeder, bij kittens die met een keizersnede ter wereld gekomen zijn en waardoor de melkproductie of contact tussen moeder en kind net iets te laat op gang komt, bij baarmoederontsteking, bij bloedgroep- problemen (een B-moeder met A-kittens) of eender welk ander probleem waardoor er geen natuurlijke voeding mogelijk of onvoldoende is, kan bijvoeren een zaak van leven of dood betekenen. Zelf heb ik vroeger geprobeerd met de fles in alle maten en formaten, met spuitjes enz.. Soms gaat het vanzelf en soms zit je uren te knoeien en dan spreken we nog niet over de slaaploze nachten. En soms is alle moeite voor niets. Moed en alle opofferingen ten spijt, toch nog een kitten dat zich verslikt blijkt te hebben, daarbij een longontsteking oploopt, volgende voedingen weigert, onrustig en voortdurend jankend heen en weer blijft kruipen, snakkend en piepend begint te ademen, in gewicht achteruit gaat in plaats van vooruit. En helemaal alleen in een hoekje van de doos of iets anders kruipt om daar dan vroegtijdig te sterven.
Dit alles op een rijtje gezet is dat niet echt de ideale manier om een kitten groot de brengen de eerste weken. Maar er is een alternatief dat minder vermoeiend en minder frustrerend is sondevoeding. Eigenlijk kan ik alleen maar een heleboel voordelen opsommen van het voeden met een sonde.
· Verslikken is onmogelijk.
· Geen melk die overal behalve in het maagje van het kitten zit.
· Kittens die niet willen eten zijn uit den boze.
· U weet perfect hoeveel voeding uw kitten heeft gekregen
· U kan een schema maken van 6 tot 22 uur waardoor u ook ’s nachts kan slapen.
Persoonlijk begin ik met 9 voedingen van 2 ml om de 2 uur en de laatste en eerste voeding geef ik 3 ml. Dit wil zeggen dat ik 20 ml kittenmelk geef per dag en daar meestal een gewichtstoename krijg van 8 tot 10 gram per dag, wat zeker niet slecht is.
Let wel: als u na het lezen van dit artikel moest besluiten sondevoeding te geven zou ik toch niet te snel uw flesjes, tuttertjes en dergelijke weggooien. Sondevoeding is een uitstekend middel bij zwakke en/of zieke kittens en kittens met onvoldoende zuigkracht. Voor alle andere is de fles het geschikte middel.
Wat is een voedingssonde?
Hieronder worden enkele foto’s getoond van een sonde die ik via mijn dierenarts gekocht heb voor ongeveer 25,00€
Een ongeveer 40 cm lang wit zeer flexibel slangetje met een diameter van 1.8 tot 2 mm en een spuitje van minimum 2 ml (een grotere maat werkt echter wat makkelijker omdat U daar - met één hand werkende - meer 'houvast' aan heeft).Zeer belangrijk is het merkteken op 8 cm van het einde van de sonde, welk u zelf dient aan te brengen.
Het is ook zeer belangrijk te voorkomen dat door spartelende bewegingen de sonde teveel naar buiten terugglijdt.
Het gebruik van de sonde
Vooropgesteld wordt dat U voor elk probleemkitten eerst uw dierenarts raadpleegt over het gebruik van de sonde. Het is immers niet ondenkbaar dat er bij de moeder of bij het kitten een oorzaak kan gevonden (en verholpen) worden waardoor de natuurlijke gang verstoord is en waarbij het gebruik van de sonde geen uitkomst biedt en het kitten alleen maar schaadt. Het is ook mogelijk dat het kitten een onherstelbare afwijking heeft waardoor u met sondevoeding de lijdensweg alleen maar langer maakt.
Is bijvoeren echter toch het advies, dan kan de voedingssonde hierbij een fantastische hulp zijn, waarbij U dan als volgt te werk gaat:
Leg een stevige, zachte, handdoek op tafel.
Zorg voor een potje waaruit U makkelijk met het spuitje de melk kunt opzuigen.
De melk hoort uiteraard vers te zijn en op de juiste temperatuur gebracht en gehouden te worden. 38 graden Celsius is de juiste temperatuur. U kan controleren of de melk te koud of te warm is door wat op de bovenkant van uw hand te druppen.
Voor het vullen van het spuitje zuig je ongeveer 0,5 ml. meer melk op dan u wenst te geven, dit is ongeveer de hoeveelheid die achter blijft in de sonde.
Op de sonde hebt U reeds een streepje gezet op 8 cm van het uiteinde met een niet-afgevende viltstift. Het slangetje moet bij het kitten naar binnen gebracht moet worden tot aan het streepje. Bij een kitten van ca. 100 gram zal dat 8 à 9 cm. zijn.
U plaatst het gevulde spuitje op de sonde en spuit de 0.5 ml teveel opgezogen melk in de sonde zodat er geen lucht meer aanwezig is in de sonde. Neem nu het kitten en plaatst dit gewoon met zijn buikje op de zachte handdoek. De sonde kan nu rustig en gelijkmatig naar binnen geschoven worden. U legt de sonde in het gekrulde tongetje van het kitten en dit zal normaal zelf een slikbeweging maken. In negen van de tien gevallen zal dat soepel en zonder problemen verlopen, ook al werkt het kitten soms tegen. Gaat het in een enkel geval niet meteen, dan vooral niet forceren maar in alle rust gewoon nog eens opnieuw proberen.
Opgepast:
De sonde moet tot aan het streepje op 8 cm naar binnen! Als het maar 4 - 5 cm naar binnen glijdt is de kans zeer groot dat u in de luchtweg zit. En als u daar de melk inspuit is dit fataal voor het kitten en zal het stikken. Dus het is zeer belangrijk dat de sonde zonder veel moeite minstens 8 cm diep wordt ingebracht. Als het slangetje niet vlot tot de merkstreep naar binnen glijdt, trek het dan terug en begin opnieuw!
Zorg dat het slangetje op zijn plaats blijft zitten (9 van de 10 kittens zijn niet gelukkig met zo'n ding in hun keeltje, dus tegenstribbelen zit er dik in) en spuit de melk in een niet te snelle, vloeiende beweging in het maagje.
Ziezo, het kitten is gevoed en heeft twee, hooguit drie, ml voeding naar binnen gekregen. Het lijkt moeilijker dan het is, de praktijk is heel eenvoudig. Na enkele keren kost het daadwerkelijk voeden van een kitten U nog geen minuut. Met uw ene hand het kitten op zijn plaats houden zodat de sonde er niet uit kan glijden, met de andere hand het spuitje ledigen. De eerste keren is hulp natuurlijk welkom: u kan het kitten en de sonde voor uw rekening nemen, en uw hulp kan het spuitje bedienen.
Na en voor iedere voeding de sonde en het spuitje goed doorspoelen met gekookt water. Een darminfectie en/of diaree is het laatste wat we bij een verzwakt kitten nodig hebben.
Probeer het kitten zo snel mogelijk op andere voeding over te laten schakelen. Merkt u dat het kitten sterk genoeg wordt om bij de moeder te zogen, en daarbij ook nog aan gewicht toeneemt, laat het dat dan doen. Lukt dit niet, probeer dan af en toe eens vast kitteneten voor te schotelen. De "ik moet eten!" en de slikreflex mogen niet verwaarloosd worden
KATTENSCHIMMEL :
Kattenschimmel is een huidaandoening die wordt veroorzaakt door de Microsporum Canis. De schimmelinfectie start in de buitenste laag van de huid waar schimmeldraden zich ontwikkelen uit schimmelsporen. De kattenschimmel is zowel besmettelijk voor mensen en andere diersoorten. Bij de mens wordt dit ringworm genoemd. Ook bij honden, paarden en koeien kan deze schimmel optreden. Voor meer informatie over het ontstaan verwijzen we naar de site kattenplaza. Of zoek in google op het woord "microsporum canis".
Hoe krijg je het?
Een nieuwe kat vanuit een (andere) Cattery.
Een poes die bij een andere Cattery ter dekking is geweest.
Een poes of kat die naar een show is geweest.
Een bezoeker die besmette kleding aan had.
Zelf een bezoek aan een manege. Contact met koeien, honden of mensen.
Dit betekent dat er vele mogelijkheden zijn waardoor je kattenschimmel kan krijgen. Hierdoor is het ook heel moeilijk om de besmettingsbron te lokaliseren. Richt je vooral op de bestrijding en daarna de preventie tegen de schimmel.
Hoe kom je er vanaf?
Wij willen je zeker niet ontmoedigen maar wel zo goed mogelijk informeren. Het bestrijden van de kattenschimmel kost veel energie en doorzettingsvermogen. Maar het volhouden loont. Hiermee kan je de kans sterk verkleinen dat je de schimmel na enige tijd weer terugkrijgt. Uit individuele gesprekken komt naar voren dat het niet uitgesloten is dat de schimmel een 2e of een 3e maal de kop opsteekt. Daarom is het beter om de 1e keer de behandeling zo optimaal mogelijk uit te voeren.
Wat je zelf kan doen is schoonmaken en nog eens schoonmaken.
Indien je het nog niet had, koop dan een stofzuiger met een HEPA filter. Dit filter laat alleen maar deeltjes kleiner dan 1 micron door. De schimmels en schimmelsporen zijn groter en zullen daarom in het filter opgevangen worden. Hiermee wordt voorkomen dat je de schimmelsporen verder het huis in verspreidt. Alles wat je wegzuigt hoeft ook niet meer ontsmet of gedood te worden.
Verklein het gebied waar de beesten (katten met schimmel) kunnen komen. Hierdoor wordt de kans op verspreiding verkleind. Indien mogelijk laat de beesten zoveel mogelijk in de buitenlucht komen, zonder dat ze in aanraking met andere beesten komen. Buitenlucht en zonlicht bestrijden de schimmel.
Het schoonmaken van de ruimtes met water en chloor. Indien je een stoom apparaat hebt kan je met stoom ontsmetten. Vloerbedekking, tapijt en andere bekleding kan met Imaverol besproeid worden. Wanneer je verschillende middelen wilt toepassen bij het schoonmaken, bedenk dan dat de ontsmettende werking elkaar kunnen tegenwerken. Dus na het schoonmaken met chloor niet direct daarna met Imaverol aan de gang. Ook niet met een gewoon schoonmaakmiddel na het chloor. Zorg dus dat er tijd tussen zit.
Voor de uitwendige behandeling van de kat wordt door de dierenarts vaak Imaverol voorgeschreven. De fabrikant wijst erop dat het middel alleen bij de andere dieren zoals honden, paarden en koeien gebruikt mag worden en juist niet bij katten. De fabrikant van Imaverol is te vinden op de website Janssen. Kies hierna voor Fungi Jungle. Toch zal een dierenarts Imaverol voorschrijven omdat er geen goed alternatief voor de uitwendige behandeling is. Het is daarom belangrijk om de bijwerking voor de kat van het Imaverol te voorkomen. Katten likken hun vacht schoon en krijgen hierdoor de Imaverol naar binnen. Dit kan schade toebrengen aan de kat. Om dit te beperken kan de kat gesproeid of gewassen worden waarna de vacht drooggewreven wordt met een badhanddoek. Dit droogwrijven zorgt er ook voor de imaverol op de huid komt. Veel katten vinden het wrijven en ingesloten in de handdoek zitten rustgevend.
Voor de inwendige behandeling van de kat zijn een aantal middelen (o.a. grisoral) beschikbaar. Al deze middelen hebben bijwerkingen. Laat u adviseren door de dierenarts wat het beste is. Maar twijfelt u of het middel juist is of te veel kost vraag dit dan na bij een andere dierenarts. Uit gesprekken hebben wij vernomen dat het behandelplan per dierenarts kan verschillen.
In sommige gevallen wordt eerst het middel Program voorgeschreven. Wel wordt dan een grotere dosis voorgeschreven dan normaal bij de bescherming tegen vlooien wordt toegepast. Een 2x dosis is veel te laag. Werkzaam wordt het pas bij 3 tot 5x de normale dosis. Uit ervaring weten we dat het middel Program niet meer die herstellende werking heeft die vermoed wordt. Officieel is het middel alleen maar een antivlooien middel. Onofficieel zou het een bescherming tegen schimmel bieden. Zeker is dat Program geen bescherming tegen schimmel voor de kittens biedt. Dit komt omdat de werking van Program is gebaseerd op de opslag van dit middel in de vetlaag van de huid. Een kitten moet de vetlaag nog opbouwen. Tijdens de hele behandelingsperiode kunnen plekken op de huid van de beesten ook lokaal behandeld worden met zalf. Dit kan goed met Daktarine, 1x per dag. Het middel Lamisil werkt beter dan Daktarine en is verkrijgbaar bij de drogist. Dit gebruik je minstens 1 week elke dag.
Er is in januari 2005 een nieuw inwendig middel op de markt. Dit is Itrafungol en werkt zeer goed, ook voor jonge kittens. Het is een veilig middel, wel kostbaar, maar minder bewerkelijk dan alle andere geneesmiddelen.
De behandeling is een week lang elke dag een hoeveelheid vloeistof in verhouding tot het gewicht van de kat. De tweede week niet behandelen. De derde week weer wel behandelen en de vierde week niet en de vijfde week weer wel. Binnen zeer korte tijd zijn de plekken niet meer te zien. Advies is de schimmeltest te doen na de 2e behandelweek. Als de test dan positief is, is het verstandig nog een 4e behandelweek te doen. Flesje kost +/- 50 Euro. Dat is geschikt voor 1 kat van 4 kilo voor de hele behandeling. Zijn de katten zwaarder dan kom je duurder uit. Zijn ze lichter dan is het goedkoper.
Er wordt gezegd dat je niet meer hoeft te wassen maar het is verstandig het wel te doen.
In veel beschrijvingen over de bestrijding van kattenschimmel wordt ook gesproken over het uitroken van het huis. De zogenaamde rookkaarsen zouden alleen in België verkrijgbaar zijn. Dit hebben wij niet onderzocht. Het middel Koudijs wordt in Nederland als alternatief gebruikt om de woning uit te roken. Wees voorzichtig met vuur. Volg de instructies van de fabrikant. Naderhand goed luchten is absoluut nodig. De stank blijft enige dagen in huis hangen.
Na de hele behandelperiode wil je natuurlijk weten of de katten schimmelvrij zijn. Dit kan alleen door de afname van huidmateriaal bij de dierenarts voor een kweek van 3 weken vastgesteld worden. Hoe langer het duurt voordat de uitslag komt, hoe groter de kans dat de uitslag "schimmelvrij" komt.
Hoe kan je het voorkomen?
Totaal voorkomen is niet mogelijk. De drastische maatregel om al je beesten weg te doen biedt zelfs die garantie niet. Er zijn wel maatregelen te nemen om het risico te verkleinen. Zorg dat het aantal dieren niet te groot wordt. Zorg dat de dieren zo gezond mogelijk zijn. Beperk de mogelijkheden tot contact met andere dieren. Laat de beesten zoveel mogelijk buiten komen en zorg natuurlijk weer voor zo min mogelijk contact met anderen. En blijf de hygiëne maatregelen toepassen. Heb je een Cattery of ben je werkzaam in dierenopvang, asiel of pension dan weet je dat met een groot aantal dieren bij elkaar een vergroting van de kans op een besmetting bestaat. Inmiddels is er een apparaat op de markt dat het aantal bacteriën, virussen en schimmels in de lucht sterk doet afnemen. Zoals dat zo mooi wordt gezegd, het verlaagt de bacterie-, virus- en schimmeldruk. Het neemt niet het totale aantal micro organismen weg maar verlaagt de aantallen naar een niveau dat de kans op een infectie door de lucht heel klein wordt. Klik hier voor meer informatie.
Contactbesmetting kan ook gereduceerd worden door de juiste materiaal keuze van kussens, kleedjes en kattenbakvulling. Zoals eerder gezegd helemaal voorkomen kan je niet. Wanneer je de supermarkt binnenloopt weet je nooit of bijvoorbeeld een veehouder voor je loopt die een aantal koeien met schimmel heeft. Wanneer je de dierenarts bezoekt weet je ook niet welk dier met welke besmetting voor jou is geweest. Natuurlijk neemt een dierenarts maatregelen, maar 100% zekerheid kan niet gegeven worden.
BLOEDGROEPEN BIJ KATTEN
Net als bij de mens (en de rest van de zoogdieren), hebben katten verschillende bloedgroepen.
Er zijn drie bloedgroepen bekend bij katten A, B & AB
- bloedgroep A bestaat uit het genenpaar AA of AB
- bloedgroep B bestaat uit het genenpaar BB
- de bloedgroep AB zeer zeldzaam en er is zeer weinig over bekend. Vermoedelijk wordt het zelfs niet onderscheiden bij een gewoon onderzoek. Deze bloedgroep wordt hier buiten beschouwing gelaten, en mag niet verward worden met het genenpaar AB.
De bloedgroep vererft volgens de erfelijkheidsleer van Mendel.
Hieronder vind u een tabel van de vererving van de Bloedgroepen A en B:
KATER A (AA) A (AB) B (BB)
POES
A (AA) A (AA) A (AA) of A (AB) A (AB)
A (AB) A (AA) of A (AB) A (AA) of A (AB) of B (BB) A (AB) of B (BB)
B (BB) A (AB) A (AB) of B (BB) B (BB)
De bloedgroepen die ons interesseren zijn de rode. De poes heeft hier bloedgroep B en de kater heeft bloedgroep A.
De kittens met bloedgroep A uit deze combinatie lopen het risico om na enkele dagen te verzwakken en uiteindelijk te sterven, zonder aanwijsbare reden. Dit was vroeger bekend als het Fading Kitten Syndrome (fade = verflauwen, wegkwijnen).
Het probleem zit hem in de antistoffen die in de moedermelk aanwezig zijn. De bloedgroep A is voor de B-poes namelijk een lichaamvreemd element, en dient door de antistoffen vernietigd te worden. Met andere woorden: de rode bloedcellen van het kitten worden door de antistoffen uit de moedermeld afgebroken. Het kitten maakt een heel grote kans om te sterven aan bloedarmoede.
Dit verschijnsel is tegenwoordig bekend als Feline Neonatal Isoerythrolysis (F.N.I.)
Feline betekend katachtige, Neo betekend na, Natal betekend geboren en Isoerythrolysis is de term gebruikt voor de vernietiging van de rode bloedcellen. Dus het afbreken van de rode bloedcellen bij pasgeboren kittens.
De zwangerschap blijkt normaal te verlopen. Er wordt aangenomen dat de antistoffen niet via de placenta tot bij het kitten komen.
Uit de tabel is af te leiden dat 50% van de kittens het risico lopen vroegtijdig te sterven. Het enige wat u kan doen om de kittens te redden, is vermijden dat de kittens de eerste 18 tot 24 uur moedermelk binnen krijgen. De eerste moedermelk bevat de antistoffen die fataal kunnen zijn voor het kitten. Ze bevat echter ook antistoffen die het kitten nodig heeft om allerlei aandoeningen te bestrijden. Het onthouden van de eerste moedermelk aan het kitten is dus niet vrij van risico's.
Het is onmogelijk erachter te komen welke kittens wel en welke kittens geen risico lopen, zodat het best is alle kittens uit een B-poes x A-kater de eerste 24 uur zelf te voeren. Hierbij dient zeker vermeden te worden dat de kittens melk in de longen krijgen (zie artikel Sondevoeding).
Problemen kunnen voorkomen of voorzien worden door de bloedgroep van uw poes te laten bepalen voor de dekking. B-poezen laten dekken door B-katers lost een stukje van het probleem op, maar zorgt op zijn beurt weer voor uitsluitend B-kittens, wat de koper van uw kittens in problemen kan brengen. In geval u fokt met een B-poes is het informeren van de kopers van uw kittens een noodzaak en kan problemen voorkomen.
Volgens statistieken (BSH lijst op Internet) zijn er volgens ras katten met bloedgroep B:
Abessijn / Somali 22 %
Heilige Birmaan 16 %
Brits Korthaar 59 %
Devon Rex 43 %
Pers 22 %
Scottish Fold 15 %
Omdat wij voor een verrassing kwamen te staan, onze Bijou heeft bloedgroep B terwijl haar ouders bloedgroep A hebben, willen wij je dit stukje ervaring niet onthouden.
Bij Britten heeft 41% bloedgroep A (AA - AB) en 59% heeft bloedgroep B (BB) Tot voor enkele jaren werden de gevolgen van verschillende bloedgroepen bij de kat niet als zodanig erkend, maar eenvoudig weg ondergebracht als: Fading Kitten Syndrome, zoals je verderop kunt lezen werden er sinds een aantal jaren onderzoekingen gedaan, waaruit men tot de conclusie is gekomen dat er bij katten ook elkaar niet verdragende bloedgroepen bestaan, met als gevolg: F.N.I (FELINE NEONATALE ISOERYTHROLYSI)
Waar staat F.N.I. voor de F staat voor katten, de N voor jonggeborene en de I staat voor vernietiging van de rode bloedlichaampjes
Het zal voor U waarschijnlijk niet onbekend zijn dat mensen verschillende bloedgroepen hebben. In de loop der jaren heeft men dat allemaal uitgeknobbeld en we weten nu bijvoorbeeld hoe de percentages bij de mensen liggen; Bloedgroep A 42%, B 14%, AB 7% en O 37%. Het is bekend dat bij bloedtransfusies alleen bloed van dezelfde bloedgroep gebruikt mag worden, daar anders de rode bloedlichaampjes ‘oplossen’ en een levensgevaarlijke situatie ontstaat.
Ook weet men dat het bloed, ongeacht de bloedgroep, bij 85% van de blanke bevolking nog een ander soort kenmerk draagt, dat bij de overige 15% ontbreekt, de zogenaamde Rhesusfactor. Is een moeder Rh (Rhesus) negatief en de vader Rh positief dan kan dat een proces ontketenen dat leidt tot vorming van antilichamen bij de moeder, die aan het on- of pasgeboren kind ernstige schade kunnen berokkenen. Is de moeder echter Rh positief en de vader Rh negatief, dan ontstaat deze situatie niet.
Van allerlei diersoorten waren bloedgroepen en de specifieke kenmerken daarvan al bekend, maar wat katten betreft daar hebben de onderzoekingen lang op zich laten wachten. Sinds het begin der jaren ’80 in Australië en later in Amerika, Frankrijk en Duitsland heeft men echter onderzoekingen gedaan bij katten. Die onderzoekingen hebben tot de volgende, voorlopige, resultaten geleid:
-De vererving van bloedgroepen bij katten verloopt volgens de erfelijkheidsleer van Mendel. Dit wil echter niet zeggen dat de wijze van coderen overeenkomt met de in de Katten-Genetica m.b.t. tot kleurvererving etc. gebruikelijke coderingen, daar geven hoofdletters aan dat een gen DOMINANT is en kleine letters geven aan dat een gen recessief is. Voor bloedgroepen worden slechts hoofdletters gebruikt plus de mededeling dat de ene bloedgroep (A), de andere (B) overheerst.
N.B. De hoofdletter A heeft niets te maken met de A van AGOUTI en de hoofdletter B heeft niets te maken met de B van BLACK.
- Bij katten bevat het bloedplasma natuurrlijke antilichamen tegen een vreemde bloedgroep. Bij andere diersoorten en bij de mensen worden die antilichamen pas gevormd wanneer bij bepaalde, elkaar niet verdragende, bloedgroepen of andere kenmerken (zoals Rh) het eerste contact heeft plaats gevonden. Een tweede contact kan dan tot overdragelijkheids-reacties leiden.
- Bij katten zijn DRIE bloedgroepen geconnstateerd nl.:
Bloedgroep A gevormd door het genenpaar A/A of A/B, waarbij de eigenschappen van A de eigenschappen van B onderdrukken.
Bloedgroep AB deze bloedgroep komt zeer zeldzaam voor en er is nog weinig over bekend.
AB heeft echter ANDERE eigenschappen dan de combinatie van A/B.
Bloedgroep B gevormd door het genenpaar B/B
Wanneer kunnen er overdragelijkheids-reacties optreden?
1. BLOEDTRANSFUSIE: Bijv. na een ongeval, bij een operatie enz.
Een bloedtransfusie met bloed van een verkeerde bloedgroep zou o.a. een dodelijke shock tot gevolg kunnen hebben. (A-donor/B-ontvanger) Uw dierenarts zal daar beslist wel ervaringen mee hebben opgedaan bij andere dieren. Hopelijk is hij er reeds van op de hoogte dat een kat de antilichamen niet opbouwt, zoals bijv. bij honden, maar reeds natuurlijke antilichamen in het bloedplasma bezit. Bij een hond bijv. gebeurt er bij de eerste transfusie niets, maar een tweede kan dodelijk zijn.
2. ZWANGERSCHAP: Over dat wat er tijdens de zwangerschap kan gebeuren m.b.t. onverdragelijkheids-reacties bestaan nog verschillende meningen. In de ene publicatie wordt gezegd:
"Antilichamen komen terecht in de bloedsomloop van de foetus resp. de pasgeborene, terwijl een andere publicatie vermeldt: "Wanneer een moederpoes met bloedgroep B kittens met bloedgroep A uitdraagt gebeurt er vóór de geboorte niets, omdat de antilichamen van de moeder niet door de barrière van de placenta heenkomen."
3. GEBOORTE: De eerste moedermelk (colostrum) bevat allerlei afweerstoffen, die de kittens beschermen tegen infecties etc., maar in het geval van onverdraaglijke bloedgroepen óók de afweerstoffen cq antilichamen tegen de vreemde bloedgroep.
Beperken we ons tot punt 3, dat is namelijk voor ons, als fokkers, van direct belang en ook het enige waar, voorlopig althans, door ons iets aan gedaan kan worden.
Bij de met ** gemerkte kittens treedt een onverdragelijkheids-reactie op, dat is dus wanneer de Moederpoes tot de Bloedgroep B (= B/B) behoort en haar kittens tot Bloedgroep A (= A/A of A/B). Zo kunt U zien in de opsomming van mogelijkheden speelt de bloedgroep van de dekkater, afgezien van het feit dat hij kittens met bloedgroep A verwekt heeft, geen directe rol in de reactie.
Waaruit bestaat die ‘onverdragelijkheids-reactie?
Door de anti- A -lichamen in de moedermelk van een bloedgroep B poes worden de rode bloedlichaampjes van de kittens met bloedgroep A afgebroken. Een proces dat F.N.I. genoemd wordt.
Hoe is F.N.I. te constateren?
De geboorte zal, afgezien van andere bijkomstigheden, normaal verlopen.
De kittens waarbij de F.N.I. reactie plaatsvindt zullen echter:
- onmiddellijk na de geboorte zonder sporen van ziekte of dergelijke dood gaan.
- vertonen zwakte, hebben geen zin om te drinken
- na een dag (of een paar dagen) steeds mminder gaan drinken,
- scheiden een roodbruin urine af, (het dduidelijkste signaal)
- krijgen geelzucht,
- krijgen bloedarmoede (anemie), enz.
> - sommige kittens overleven, maar na 1 off 2 weken sterven de staartpunten af,
- andere kittens drinken en groeien verdeer en krijgen hoogstens een lichte vorm van bloedarmoede.
Is er iets aan/tegen F.N.I. te doen?
Oh ja, zeer zeker! Als U een beetje van "wanten weet" tenminste.
Voorkomen is beter dan genezen. Door slechts B x B te kruisen zou het probleem helemaal uit de wereld zijn en hoefde er nooit een bloedgroep te worden bepaald. Bij een A x A kruising zal het echter noodzakelijk zijn om van de nakomelingen steeds de bloedgroep te laten bepalen, want; bloedgroep A kan immers ‘fokzuiver’ AA of ‘fok-onzuiver’ A/B zijn en derhalve kittens met verschillende bloedgroepen geven.
De B-kittens kunnen geselecteerd worden, maar voor de A-kittens zal het een schier onmogelijke taak zijn dat recessieve gen B weg te fokken, want het kan generaties lang meegedragen worden.
Bloedgroep B is eigenlijk een beetje te vergelijken met een langhaar-factor of een verdunnings-factor.
Volgens Amerikaanse Statistieken en discussies op de BSH-List op het Internet komt men tot de volgende percentages van katten met Bloedgroep B (in de Verenigde Staten):
20% Abessijn
16% Heilige Birmaan
59% Brits Korthaar (in the UK - 50%)
43% Devon Rex
20% Perzisch Colourpoint
24% Perzen
15% Scottish Fold
22% Somali
Nogmaals F.N.I. is geen (besmettelijke) ziekte, raakt U dus niet in paniek en laat Uw (dek)kater met bloedgroep B, als U dat tenminste heeft laten vaststellen, niet hals over de kop castreren.
Zuiver theoretisch gesproken, zou U na het constateren van de symptomen:
- de urine van de kittens kunnen laten onderzoeken,
- de bloedgroep van de moeder kunnen laten bepalen,
- de bloedgroep van de kittens laten bepalen via de nageboorten,
dat zijn echter, voorlopig althans, nog oplossingen volgens ‘een boekje’ want hoeveel dierenartsen zijn er al met het probleem bekend? Waar wonen zij? Kunnen de testen ter plaatse uitgevoerd worden of moet de Universiteit ingeschakeld worden? Hoe lang gaat dat duren en hoeveel tijd heeft U er voor? De kittens apart met een kruikje o.d. in een warme kamer, is een snelle en zekere weg om de problemen zo snel en goed mogelijk te lijf te gaan.
Het weghalen van de kittens heeft uiteraard wel een aantal gevolgen, want als de moeder de kleintjes niet kan, beter gezegd niet mag, zogen, dan zult U een andere oplossing moeten vinden!
- Een andere zogende poes?
Dat is niet aan te bevelen zolang U niet weet welke bloedgroep díe poes heeft. Stelt U zich eens voor dat het ook een B-poes is, met alleen maar B-kittens, dan komt U ‘van de regen in de drup’.
- De kleintjes zelf gedurende 18 -24 uur zo iedere twee uur - dag en nachtt - voeden.
Met Lactol, K.M.R., of iets dergelijks komt U een heel eind, maar er kleven ook allerlei risico’s aan en ‘t is een klus! Iedere twee uur een voeding maken, met het risico dat door de van poeder gemaakte voeding klontert en het speentje verstopt raakt enz. Bovendien bestaat de grote kans dat de kleintjes zich verslikken, voeding in de longen krijgen etc. met alle nare gevolgen van dien.
NIESZIEKTE :
Niesziekte is de meest voorkomende infectieziekte bij de kat.
Het is een uiterst besmettelijke aandoening die alle slijmvliezen van het lichaam aantast en waar katten flink ziek van kunnen zijn.
Niesziekte is een ziekte die door meerdere kiemen wordt veroorzaakt. De belangrijkste zijn het calici virus, het rhinotracheitis virus en chlamydiae (een bacterie).
De ziekteverschijnselen die deze verwekkers veroorzaken lijken zo sterk op elkaar dat ze samengevat worden onder de noemer "niesziekte". Vaak is er sprake van een menginfectie met meerdere ziektekiemen.
De ziekte wordt verspreid door katten. De belangrijkste manier van verspreiding is via kleine vochtdruppeltjes beladen met ziektekiemen die een besmette kat door te niezen de lucht inblaast. Deze druppels zijn zo klein dat ze uren in de lucht kunnen blijven hangen en over grote afstanden met de luchtstroom mee vervoerd kunnen worden. Vooral op plaatsen waar veel katten bij elkaar zitten in een kleine ruimte, zoals cattery's, asiels of dierenpensions, kunnen epidemieën uitbreken.
Hiernaast kan de ziekte ook worden overgedragen door besmette manden, kooien of via handen, kleding en schoeisel van de mens.
De naam niesziekte is wat misleidend want niet iedere besmette kat niest. Het tast de slijmvliezen van ogen, luchtwegen en het maag/darmstelsel aan. Besmette katten hebben ontstoken ogen, vieze neusuitvloeiing en soms zweertjes op de tong. Vaak gaat het geheel gepaard met diarree. Ze hebben koorts en laten hun eten en drinken staan en niezen of kwijlen vaak.
Dieren die niet drinken, kunnen binnen korte tijd uitdrogen. Ook zijn de aangetaste slijmvliezen van de luchtwegen een vruchtbare voedingsbodem voor allerlei andere kiemen, die onder andere longontstekingen kunnen veroorzaken. Vooral jonge dieren kunnen heel ziek zijn van een niesziekte infectie. Hun afweersysteem is nog niet volledig ontwikkeld en ze zijn vaak nog niet ingeënt. Toch is niesziekte - mits tijdig ontdekt - met een goede behandeling volledig te genezen.
Zoals gezegd wordt niesziekte veroorzaakt door enkele virussen en vooral de chlamydia. Er bestaan nauwelijks medicijnen om de niesziektevirussen te bestrijden, voor chlamydia bestaan die er wel. Dit betekent dat de behandeling er vooral uit bestaat bijkomende infecties te onderdrukken, uitdroging te bestrijden en eventueel de patiënt dwangvoeding te geven.
In onze praktijk betekent dit dat de patiënt antibiotica en indien nodig infuus krijgt, aangevuld met licht verteerbaar en smakelijk dieetvoer. Ook worden ze bestraald met UV licht, dat de virussen en bacteriën afdoende bestrijdt.
Voorkomen is beter dan genezen luidt een oud gezegde. Ook voor niesziekte gaat dit op. Het is goed mogelijk door inenten dieren te beschermen tegen niesziekte. Deze inentingen worden aan gezonde dieren gegeven om te voorkomen dat ze ziek worden. Als ze ziek zijn moeten ze eerst genezen zijn voordat een enting zin heeft.
Jonge katten kunnen vanaf negen weken leeftijd ingeënt worden tegen niesziekte. Voor een goede bescherming is het raadzaam om deze enting binnen een maand te herhalen, hierna is een jaarlijkse herhaling nodig.
Niesziekte is bij de kat een veel voorkomende ziekte. Het is goed te behandelen, maar voorkomen door de dieren in te enten is beter.
Mocht uw dier toch niesziekteverschijnselen vertonen bedenk dan dat hoe eerder een behandeling door uw dierenarts wordt ingesteld, des te groter de kans op genezing is.
KATTENZIEKTE :
Het virus verantwoordelijk voor de Kattenziekte is het Feline Panleukopenia Virus. Het virus zorgt voor een ernstige afname tot vernietiging van de witte bloedlichaampjes. Het immuunsysteem wordt hierdoor ernstig verstoord waardoor andere virussen en bacteriën welig kunnen tieren.
Het veroorzaakt ernstige darminfecties en kan het zenuwstelsel beschadigen. Vooral kittens hebben weining overlevingskans bij besmetting als er niet onmiddelijk ingegrepen wordt.
Het virus is zeer besmettelijk en moeilijk uit te roeien. Niet alleen katten, maar ook marterachtigen (o.a. fretten) kunnen slachtoffer en besmettingsbron zijn.
De eerste symptomen zijn gebrek aan eetlust, depressie en koorts. De tweede koortspiek volgt binnen 24 uur en naast (zware) depressie en niet eten, gaan de dieren braken. Eerst nog half verteerd eten, daarna wit schuim en later geel door de inmenging van gal.
Mede door de hoge koorts en het braken, drogen de dieren erg snel uit en geraken ze uitgeput. Vaak worden deze symptomen aangezien voor vergiftiging omdat kattenziekte in Vlaanderen en Nederland slechts sporadisch voorkomt en het meestal bij een plaatselijke uitbraak blijft.
Opvallend tijdens de tweede koortspiek is, dat de dieren met hun buik plat op de vloer gaan liggen voor verkoeling en ontlasting van de ingewanden. Ze laten hierbij hun hoofdje tussen hun voorpootjes hangen. Ook word vaak gezien dat ze boven de waterbak hangen. Ondanks de grote dorst drinken ze niet, waarschijnlijk door de buikpijn en misselijkheid.
Beter is ook een infuus te laten geven door de dierenarts. Diarree volgt, die soms zwart, groen, of zelfs rood is. Door de heftige infectie aan de darmwand, kan deze loslaten. Hierdoor kan ook bloedarmoede worden veroorzaakt, wat voor kittens dodelijk kan zijn.
Dit is het acute beeld van kattenziekte. De peracute versie verloopt veel sneller en kan de meeste symptomen overslaan, zelfs de koorts.
Wanneer katten die zijn ingeënt aan een hoge infectiedruk worden blootgesteld, kunnen ze de subacute symptomen vertonen. Ze zijn wat sloom of apathisch en kunnen meerdere dagen diarree vertonen. Chronische klachten zoals diarree kunnen ook voorkomen door de beschadigingen aan het darmslijmvlies. De incubatietijd na contact met het virus is 2 tot 10 dagen.
Naast het klinische beeld van kattenziekte, zijn er ook verschillende testen om zeker te weten dat het gaat om kattenziekte. Zo kan de ontlasting worden onderzocht met een parvo-test of de witte bloedlichaampjes worden geteld in het bloed. Een bloedtransfusie zou zelfs nodig kunnen zijn.
Drachtige poezen kunnen natuurlijk ook geïnfecteerd raken. Meestal volgt spontane abortus. In de tweede helft van de dracht kunnen de kittens overleven. Ze lijken dan normaal ter wereld te komen.
Na 3 weken (wanneer ze beginnen lopen) kan het voorkomen dat ze een waggelende gang hebben, minder evenwicht hebben en makkelijker omvallen. Dit gaat niet meer over en wordt veroorzaakt door blijvende beschadigingen in de kleine hersenen. Het geeft geen gedragsveranderingen, de dieren zijn niet psychisch gestoord en kunnen prima huisdieren zijn (niet buiten!).
Hoe ernstig ziek het dier wordt, hangt af van veel factoren. De leeftijd, inenting, de hoeveelheid virus waarmee het dier in aanraking is geweest en natuurlijk de behandeling. Niet ieder dier is hetzelfde en zal ook niet hetzelfde reageren op de ziekte. Het is afhankelijk van de gezondheid van het dier en welke infecties of virussen nog meer de kop opsteken.
Zieke dieren moeten intensief verzorgd worden. Hier is vooral vocht toedienen zeer belangrijk. De symptomen dienen ook behandeld te worden (koortsremmers, antibiotica en eventueel toedienen van vitamines en/of glucose. Koorts en braken kosten enorm veel energie en zorgen voor lichamelijke uitputting.
Het virus is erg besmettelijk en is ook bijna niet dood te krijgen, ook niet met de meeste ontsmettingsmiddelen. Aangeraden wordt schoon te maken met Chloor (bleekwater: 1 deel bleekwater op 32 delen water). Dit zou het virus moeten doden. Chloor is levensgevaarlijk voor katten, dus alles goed naspoelen.
Alles wat een besmette kat afscheidt, is besmettelijk. Dus niet alleen ontlasting, braaksel, spuug e.d., maar ook haren, haarzakjes, huidschilfers en vlooien kunnen het virus dragen. Begrijpelijk dus dat het erg moeilijk is het onder controle te krijgen. Om de infectiedruk binnen een kattenpopulatie laag te houden, dienen zieke dieren apart gezet te worden. Ook door veelvuldig reinigen en ontsmetten kan de druk laag gehouden worden. Niet alleen kattenbakken, maar ook de vloeren, muren, eet- en drinkbakjes enz. moeten grondig gereinigd worden. Het is niet verstandig wanneer er kattenziekte heeft geheerst, voorlopig nieuwe dieren in huis te halen.
Ook voor katten die binnenshuis verblijven is een enting noodzakelijk aangezien bezoekers of baasje zelf mogelijke infectiebronnen kunnen zijn.
Dieren die de ziekte overleven, scheiden het virus extreem sterk uit gedurende 6 tot 8 weken na herstel. In mindere mate blijven zij tot zeker een half jaar tot een jaar besmettelijke stoffen uitscheiden. Ze zijn wel immuun voor kattenziekte, en zullen het dus naar verwachting nooit meer krijgen.
TOXOPLASMOSE :
Wat is Toxoplasmose?
Toxoplasmose is een besmetting door een ééncellige parasiet, Toxoplasma Gondii. Deze parasiet komt voor over heel de wereld. Zeer veel mensen dragen de parasiet, maar slechts heel weinig mensen vertonen symptonen van ziekte omdat het immuunsysteem de parasiet onder controle houdt. Voor zwangere vrouwen en mensen met een verlaagd immuunsysteem kan de parasiet wel voor ernstige problemen zorgen.
Toxoplasma Gondii?
De levenscyclus van Toxoplasma Gondii kent 3 stadia: cyste, oöcyste en tachyzoide. Cysten komen vooral voor in kleinere (zoog)dieren (muizen, vogels, konijnen, ....) in het spierweefsel, maar ook bij grotere diersoorten (de mens, schapen, koeien, ...). Omstreeks 1970 werd ontdekt dat de kat de eindgastheer is van de parasiet. In het darmstelsel van de kat wordt de harde schil van de cyste verteerd en komt de parasiet voor als oöcyste. Deze oöcyste wordt uitgescheiden met de ontlasting van de kat. Na besmetting scheidt de kat deze gedurende een korte periode (1 tot 2 weken) uit. Deze oöcysten zijn niet onmiddelijk infectieus maar worden dit pas na 2 tot 5 dagen. Oöcysten kunnen, zelfs onder slechte omstandheden, tot enkele jaren overleven. Deze worden opgenomen door andere dieren (grazende koeien, muizen, vogels, ....). De tachyzoide vorm van de parasiet gaat migreren door het lichaam van zijn nieuwe gastheer en nestelt zich in het weefsel (spier- of hersenweefsel), en neemt terug de cyste vorm aan. In een zeldzaam geval richt de parasiet schade aan (b.v. in het hersenweefsel, oogzenuw, ....).
Het is bekend dat zwangere vrouwen die voor de eerste keer besmet worden door de parasiet, deze kunnen doorgeven aan de foetus. Een zeer klein percentage van de ongeboren babies heeft hier ernstige problemen mee (prematuur, miskraam, soms ernstig hersenletsel).
Toen bekend werd dat de kat een belangrijke schakel was in het leven van de parasiet, werd het ondenkbaar nog een kat in huis te houden als de vrouw des huizes zwanger was. Ondertussen weten we gelukkig beter.
Seropositief
Diverse onderzoeken naar besmetting tonen het volgende aan (Rijksuniversiteit van Gent):
van 57 personen die één of meerdere katten bezitten hadden 44% antistoffen
bij de niet-kattenbezitters was dit 51%
van 19 personen die regelmatig in de tuin werken hadden er 73.7% antistoffen
regelmatige bijna-rauw-vlees eters zijn 56.6% positief tegenover 36% voor de goed-doorbakken eters. Onvoldoende gebakken schapenvlees verhoogt het risico tot 70.8%
Ook buitenlandse onderzoeken tonen geen verschillen in besmetting aan tussen mensen die met katten leven (of werken - dierenartsen en studenten diergeneeskunde) en mensen die hun huis niet met katten delen. De geringe overdracht van de parasiet van de kat naar het baasje ligt ongetwijfeld aan het feit dat in de meeste huizen de hygiëne hoog gehouden wordt, en dat de faeces normaal uit de kattebak verwijderd worden voor ze besmettelijk worden. Dit is anders in tropische landen waar de hygiëne dikwijls te wensen overlaat.
Runderen (72%) en schapen (80%) vormen een veel hoger besmettingsriciso dan onze huiskat.
Verhitten van vlees doodt de weefselcysten (20 minuten aan 60°C, 5 minuten aan 160°C).
Symptomen
Zwangere vrouwen die besmet worden met Toxoplasma Gondii zullen in de meeste gevallen geen symptomen vertonen van de besmetting. Er is ongeveer 40% kans dat de foetus besmet wordt. Een vroeggeboorte of miskraam kan het resultaat zijn of in ongeveer 10% kan er sprake zijn van een ernstige neurologische afwijking. Vrouwen die reeds vroeger besmet zijn geweest met Toxoplasma Gondii hebben antistoffen tegen de parasiet en lopen geen verhoogd risico bij herbesmetting.
Mensen met een verminderd immuunsysteem (b.v. AIDS patienten of mensen in behandeling tegen kanker) vormen een risicogroep. Symptomen van besmetting kunnen een vergroting van de lymfklieren, neurologische problemen, ademhalingsproblemen en hartkwalen inhouden. De sterftegraad ligt vrij hoog.
Mensen met een normaal immuunsysteem kunnen ook symptomen vertonen bij besmetting: grieperig gevoel, gezwollen lymfklieren en/of spierpijnen (die wel een maand kunnen aanhouden). Een enkeling kan een oogbeschadiging oplopen. De meeste mensen merken echter niets van een besmetting.
Maatregelen
Voorkomen is beter dan genezen, dus als je tot een risicogroep behoort kan je de kans op besmetting zo klein mogelijk houden door op een paar details te letten:
met een kat in huis in het bijzonder:
laat de kat niet buiten loslopen. Besmetting gebeurt vaak door het eten van kleine dieren.
geef de kat geen rauw vlees, maar hou het bij voldoende verhit (gekookt) vlees of commercieel bereid voedsel.
reinig (en ontsmet eventueel) de kattebak dagelijks. Vind je dit toch nog een risico, laat het dan iemand anders doen. Lik vooral duimen en vingers niet af na het schoonmaken van de kattebak.
was de handen na het reinigen van de kattebak en/of draag rubber handschoenen bij het reinigen.
met of zonder kat in huis:
vermijd het eten van onvoldoende verhit vlees, en zeker het eten van rauw vlees
reinig onmiddelijk het materiaal waarmee vlees bereid is (messen, vleesplankjes, ...)
wees voorzichtig bij het werken in de tuin: draag handschoenen en was de handen na het tuinwerk.
hou zandbakken (voor de kindjes) vrij van uitwerpselen van katten
wees voorzichtig met vreemde katten
Laat testen of u seropositief bent: als u reeds antistoffen heeft is het risico op besmetting zeer klein.
Mag de kat nu blijven?
Als u na het lezen van dit artikel uw kat toch nog als gevaarlijke bron van besmetting van Toxoplasma Gondii zou aanzien, raadpleeg dan zowel uw huisarts als uw dierenarts. Deze laatste zal zich waarschijnlijk meer verdiept hebben in de studie van de parasiet, daar deze toch kat-gerelateerd blijft.
POLYCYSTIC KIDNEY DISEASE (PKD) BIJ KATTEN :
Wat is Polycystic Kidney Disease – PKD ?
PKD is een erfelijke nieraandoening, waarbij er reeds van bij de geboorte cysten aanwezig zijn, meestal in beide nieren. Deze cysten zijn holtes gevuld met vocht, die uitgaan van het normale nierweefsel. Bij kittens zijn deze holtes in de meeste gevallen zeer klein (1 à 2mm) en naarmate de dieren ouder worden gaan ze in omvang toenemen (tot meer dan 2cm). In één nier kunnen er 20 tot meer dan 200 cysten aanwezig zijn.
Ook bij de mens is PKD een veel voorkomende erfelijke afwijking met wereldwijd meer dan 5 miljoen aangetaste personen.
Rassen waarbij PKD voorkomt
De Pers is tot hiertoe de meest aangetaste raskat. Aangezien dit ras zeer regelmatig voor outcross gebruikt wordt, zien we PKD nu ook bij vele andere rassen opduiken. Rassen die een percentage perzisch bloed meedragen en dus risico lopen zijn onder andere de Exotic Shorthair, de Selkirk Rex, de Britse Korthaar, de Scottish Fold, de Heilige Birmaan, de Ragdoll, de Amerikaanse korthaar, de Devon Rex en de Maine Coon. Ook bij de Noorse Boskat, de Sphynx, de Oosterse Korthaar, de Cornish Rex, de Abbessijn, de Somali, de Manx en de Burmees werden er ooit Perzen gebruikt.
Symptomen van PKD
Of een kat al dan niet ziek wordt van PKD is afhankelijk van de grootte en het aantal cysten in beide nieren. Een dier gaat tekenen van nierfalen (nierinsufficiëntie) vertonen als de cysten te veel plaats innemen in de nier, zodat het normale nierweefsel als het ware verdrongen wordt. Op het moment dat er te weinig normaal nierweefsel overblijft, kunnen de nieren niet meer normaal functioneren en zal de kat ziek worden. De eerste tekenen van de ziekte treden meestal op tussen 3 en 10 jaar, maar soms ook op veel jongere leeftijd.
In het begin zijn de klachten dikwijls vaag. Een kat zal wat meer drinken en plassen, de eetlust gaat wat verminderen en de vacht ziet er wat dof uit. Als de nier- insufficiëntie vordert gaat het dier steeds minder eten, vermageren en eventueel beginnen braken. Soms is er bloed bij de urine en er kan een zeer slechte muilgeur aanwezig zijn. Eens er nierfalen aanwezig is, kan dit niet meer genezen worden. Met een aangepaste behandeling kan met deze dieren wel nog een ganse tijd in leven houden (zie verder).
Belangrijk om weten is dat niet alle katten met PKD uiteindelijk in nierinsufficiëntie gaan. Dieren met weinig en/of zeer kleine cysten gaan nooit tekenen van PKD vertonen.
Behandeling van PKD
Tot hiertoe bestaat er geen enkel middel om de ontwikkeling van PKD, dus de groei van de cysten tegen te gaan. Preventief kan er buiten het elimineren van PKD-positieve fokdieren (sterilisatie of castratie) dus niets gedaan worden. Een behandeling moet enkel ingesteld worden als een kat symptomen van nierinsufficiëntie ontwikkelt. Uitgedroogde en/of brakende dieren worden best enkele dagen aan een infuus gehouden. Eens de kat stabiel is, is een speciaal nierdieet de belangrijkste behandeling. Dergelijk dieet bevat een lager gehalte aan eiwitten en weinig fosfor. Bij vergevorderde patiënten kan de dierenarts bijkomende medicatie geven, zoals maagzuurremmers, kaliumsupplementen en antibiotica indien nodig. Gemotiveerde eigenaars kunnen hun dieren thuis zelf vocht toedienen onder de huid.
Diagnose van PKD
Onlangs is in de Verenigde Staten het gen geïsoleerd dat verantwoordelijk is voor PKD bij de kat. Een commerciële DNA test, die zeer betrouwbaar zou zijn, is voor het ogenblik in ontwikkeling. Dergelijke DNA test geeft natuurlijk geen idee over het aantal cystes en de grootte ervan.
Voorlopig is echografie de gemakkelijkste manier om PKD te diagnosticeren. De meeste dieren moeten hiervoor niet verdoofd worden.
Ofwel wordt de kat op de rug gelegd en wordt er een rechthoek geschoren ter hoogte van de navel langs waar beide nieren kunnen bekeken worden. Een andere methode is de nieren langs de zijkant in beeld te brengen via kleine geschoren vierkantjes op de beide flanken. De eerste methode is meer aangewezen voor showdieren aangezien de geschoren zone minder zichtbaar is. Sommige katten hebben een zeer dunne beharing zodat ze eventueel kunnen getest worden zonder te scheren. Bij deze dieren wordt de vacht eerst bevochtigd met alcohol om lucht tussen de haren te verwijderen. Het is belangrijk een echo te laten uitvoeren door een dierenarts die vertrouwd is met dergelijk onderzoek en die beschikt over de juiste apparatuur (7.5 – 10 MHz transducer).
Om na te gaan of er bij een kat reeds nierinsufficiëntie aanwezig is, wordt er een bloedonderzoek en eventueel een urine-onderzoek gedaan. Veranderingen worden pas gezien als twee derde van het normale nierweefsel aangetast is. In het bloed wordt vooral gekeken naar de rode bloedcellen (eventueel te laag) en ureum, creatinine en fosfor. Deze laatste drie stoffen gaan stijgen als de nier niet meer normaal functioneert. In de urine kijkt men naar de concentratie (te laag bij slechtwerkende nieren) en of er geen tekenen zijn van een urineweginfectie of eiwitverlies via de nier.
Vererving van PKD
Een kat heeft 38 chromosomen, die telkens per twee liggen, dus 19 paar. Van elk chromosoom zijn er twee omdat er één afkomstig is van het moederdier en één van het vaderdier. Deze chromosomen bevatten genen. Een gen is verantwoordelijk voor bepaalde eigenschappen zoals haarkleur of een normaal gevormde nier en is dus ook telkens twee maal aanwezig. Op een gegeven moment kan er iets fout gaan met een gen waardoor er in het lichaam een abnormaliteit optreedt (bv vorming van cysten in de nieren). We spreken dan van een mutatie. Deze mutatie kan dan eventueel overgeërfd worden door de kittens.
PKD wordt overgeërfd op een autosomaal dominante wijze. “Autosomaal” wil zeggen dat de afwijking niet op de geslachtschromosomen gelegen is. Het geslacht speelt dus geen rol, zowel poezen als katers worden getroffen door de aandoening. “Dominant” wil zeggen dat als een kitten het abnormale gen erft van één van beide ouders, het sowiezo de ziekte zal ontwikkelen. Bij een recessief overgeërfde aandoening moeten zowel moederdier als vaderdier de abnormaliteit doorgeven om de ziekte tot uiting te brengen.
De overerving van een ziekte is ook afhankelijk van het feit of de ouderdieren homozygoot, heterozygoot of vrij zijn voor PKD. Zoals gezegd is elk gen steeds in tweevoud aanwezig. Eén gen is afkomstig van vader en het andere van moeder. Homozygoot voor PKD wil zeggen dat een kitten twee abnormale genen krijgt, dus zowel van vader als moeder. Er bestaat veel twijfel of deze kittens wel voorkomen. Waarschijnlijk gaan ze dood voor de geboorte of kort erna. Heterozygoot betekent dat een kitten één normaal gen krijgt en één PKD gen. Dergelijke dieren kunnen aan hun nakomelingen dus ofwel een normaal gen ofwel een PKD gen doorgeven. Een PKD- vrij kitten erft twee normale genen en zal dus geen PKD kunnen doorgeven aan zijn nakomelingen. Er bestaan dus geen “dragers” die de aandoening niet hebben, maar ze wel doorgeven.
Practisch zijn er dus maar enkele mogelijkheden:
Eén ouderdier vrij van PKD + één ouderdier heterozygoot: kittens hebben 50% kans om PKD te erven.
Moederdier heterozygoot + vaderdier heterozygoot: kittens hebben 75% kans om PKD te erven.
Beide ouderdieren vrij van PKD: alle kittens vrij van PKD
Bij het bekijken van dergelijke percentages is het belangrijk te bedenken dat de kansberekening moet gezien worden op een groot aantal kittens. Bij het gooien met een muntstuk heeft men ook 50% kans om kop of let te gooien, maar het is mogelijk om bv 6x na elkaar kop te gooien. In een nest van 4 kittens dat 50% kans loopt op PKD kunnen dus alle diertjes aangetast zijn of met wat geluk geen enkel.
Wat kan ik doen als kweker ?
Eerst en vooral is het belangrijk om PKD positieve dieren op te sporen via echografie (of in de toekomst DNA test). Ervaren dierenartsen kunnen soms al cysten zien bij kittens tussen 8 en 12 weken. Indien er op deze leeftijd geen cysten gezien worden, is dit geen garantie dat het dier PKD vrij is. Een definitieve diagnose kan maar gesteld worden vanaf de leeftijd van een jaar. Na de test wordt er een certificaat afgeleverd waarop duidelijk de naam en de stamboomnummer van de kat vermeld staat. Naar de toekomst toe moet er gestreefd worden naar het identificeren van alle fokdieren door middel van een chip.
Dieren die zeer intensief voor de fok gaan gebruikt worden en vooral dan dekkaters, worden best nog een tweede maal getest op de leeftijd van twee jaar.
Katten waarbij slechts één cyste wordt aangetroffen in één nier, worden toch best aanzien als PKD positief, omdat de meeste hiervan op latere leeftijd toch meerdere zichtbare cysten gaan vertonen ofwel nakomelingen met PKD gaan produceren.
Eens men verder fokt met enkel PKD vrije dieren, kan men de volgende jaren af en toe “steekproeven” doen, d.w.z. af en toe nog eens een nakomeling testen. Op deze manier is PKD vrij gemakkelijk te elimineren uit een cattery. Indien er dieren aangekocht worden uit andere catteries, is het belangrijk te vragen naar een certificaat en niet af te gaan op een mondelinge garantie dat de dieren PKD vrij zijn. Een andere mogelijkheid is een koopvernietigen-de garantie op PKD vragen en de nieuwe aanwinst zo snel mogelijk zelf laten testen.
Dieren waarbij PKD is vastgesteld worden best gesteriliseerd of gecastreerd. Als er grote cysten aangetroffen werden, kan er jaarlijks bij de vaccinatie een bloedonderzoek gedaan worden. Als de creatinine-concentratie boven de normale waarde ligt, wordt het dier best op een nierdieet geplaatst
H.C.M. :
HCM staat voor Hypertrophic CardioMyopathy. Hypertrofie betekent verdikken, Cardio staat voor hart en Myopathie betekent afwijking of ziekte.
HCM is dus een afwijking van het hart, waarbij een verdikking een rol speelt.
Een kattenhart is, net als ons hart, een pomp met 4 kamers. Zuurstofarm bloed komt aan de rechterkant van het hart en wordt naar de longen gepompt om zuurstof op te nemen. Het zuurstofrijke bloed komt binnen aan de linkerkant van het hart en wordt via de aorta naar het lichaam gepompt. Tussen de kamers zitten kleppen om te voorkomen dat het bloed de verkeerde kant uitgaat.
We hebben een rechter- en een linkerkamer (onder), en een rechter- en linkerboezem (boven), gescheiden door de hartkleppen.
Bij HCM verdikt de spier van de linkerkamer. Dit kan de werking van het hart op verschillende manieren beïnvloeden:
linkerkamer:
- de hartkamer verkleint door de verdikking waardoor er minder bloed in kan
- de wand wordt stijver waardoor de vulling van de kamer minder efficiënt wordt
- de druk tijdens de ontspanning van de spier is niet voldoende waardoor de druk op de bloedvaatjes in de longen verhoogt. Hierdoor kan vocht op de longen komen.
Bij elke hartslag wordt dus minder bloed gepompt dan normaal. Als de bloedtoevoer naar de vitale organen te laag wordt, zal de hartslag versnellen.
Als de bloedtoevoer naar de nieren langere tijd onvoldoende is, wordt er een hormoon vrijgegeven welk de aanmaak van bloed stimuleert. Daardoor verhoogt de bloeddruk en bijgevolg ook druk op de hartkamer nog meer waardoor het hart kan falen.
linkerboezem:
- deze kan vergroten doordat door het verkleinen van de linkerkamer, het bloed niet snel genoeg weg kan. Door deze vergroting vertraagt in de boezem de bloedstroom waardoor klonters kunnen ontstaan. Als deze klonters in de bloedsomloop terechtkomen, kunnen deze aders verstoppen. Een voorbeeld hiervan is verlamming van de achterpoten door een bloedklonter op de plaats waar de hoofdader splitst naar de beide achterpoten.
Hartklep:
- deze kan door de druk in de linkerboezen in de linkerkamer geduwd worden, waardoor de toevoer naar de aorta geblokkeerd wordt
- de klep kan vervormen waardoor bloed terug kan vloeien naar de linkerboezem.
Diagnose
HCM wordt vastgesteld als de afwijking aan de linkerkamer niet het gevolg is van een andere aandoening of ziekte.
HCM is erfelijk. HCM wordt vererft als een polygene, autosomaal dominante eigenschap. Dit wil zeggen dat het voldoende is dat 1 van beide ouders de afwijking draagt om dit aan de kittens door te geven. Afhankelijk van de ouders zal de helft tot het hele nest HCM ontwikkelen. Polygeen wil zeggen dat er meerdere genen in het spel zijn en dat de ernst van de afwijking kan variëren.
Het is mogelijk dat een kat met HCM geen klinische verschijnselen vertoont. De kat kan ademhalingsproblemen hebben of ernstig hartfalen, verlamming in de achterpoten of plots overlijden. De meeste tekenen zijn onopvallend. Sommige katten vertonen een verhoogde hartslag, hartruis of een hartgalop (een extra hartgeluid door het terugvloeien van bloed in het hart) als de afwijking erger wordt.
Een echocardiogram met kleur Doppler is de beste manier om HCM te diagnoseren. Ook een gespecialiseerde dierenarts die de resultaten correct kan interpreteren, is noodzakelijk. Een elektrocardiogram en/of Röntgenfoto’s kunnen bijkomende informatie verstrekken, maar zijn niet geschikt voor een goede diagnose. Aangezien HCM evolueert, is het raadzaam dit onderzoek periodiek te laten uitvoeren, zeker ingeval nestgenootjes of minstens 1 der ouders HCM ontwikkeld heeft. De dierenarts dient ook te controleren of de afwijking het gevolg kan zijn van een andere ziekte. Als het een raskat betreft is het zeer belangrijk dat de eigenaar van een kat met HCM de fokker op de hoogte stelt, zodat die maatregelen kan treffen.
Behandeling
HCM kan momenteel niet behandeld worden.
Als de afwijking het gevolg is van een andere ziekte, kan het behandelen van die ziekte tot een verbetering van de harttoestand leiden.
Medicatie kan voorgeschreven worden in een poging om risico op hartfalen te verminderen. Hierover beslist de behandelende dierenarts. Deze dient dan ook de kat regelmatig te onderzoeken om te zien hoe de kat op de medicatie reageert. Naarmate de afwijking evolueert wordt de behandeling ook moeilijker. De vooruitzichten van een kat met HCM zijn - spijtig genoeg - niet rooskleurig.
De eigenaar van een kat met HCM dient nauw te letten op veranderingen in het gedrag van de kat en een dierenarts te raadplegen als de kat zich niet goed voelt. Veranderingen in de ademhaling (snellere of diepere ademhaling) kan wijzen op hartfalen en heeft onmiddelijke aandacht nodig.
Prognose
Het verloop van HCM is moeilijk te voorspellen. De ziekte kan jaren sluimeren en dan plots toeslaan. Het verloop kan zeer snel gaan of kan in de loop der jaren langzaam verergeren. Een kat met HCM kan een volledig normaal leven hebben of op jonge leeftijd overlijden.
Het is in ieder geval niet verantwoord te fokken met een kat die HCM heeft
KATTENAIDS :
Wat is kattenaids?
In 1986 werd in Californië (VS) het FIV-virus ontdekt, toen bleek dat veel katten ziek werden en hun weerstand ondermijnd werd: allerlei infecties kregen de bovenhand. Na uitgebreid onderzoek kwam men erachter dat het te maken had met een toen nog onbekend verschijnsel: FIV. Dit virus, dat zich verspreidt van kat tot kat via bijtwonden, is een ‘lentivirus’: d.w.z dat het virus zich langzaam vermenigvuldigt. De besmetting vindt dus enkel plaats via bloed-op-bloed-contact tussen katten en NIET door contact tussen katten die elkaar wassen of uit hetzelfde bakje eten.
Het FIV vernietigt een deel van de witte bloedcellen, waardoor het immuunsysteem aangetast wordt. Die witte bloedcellen hebben ze echter nodig om tegen allerlei infecties te kunnen vechten. Bacteriën, virussen e.d. hangen constant in de lucht, maar gezonde katten worden hier niet vaak ziek van. Een FIV-kat is hier echter enorm gevoelig voor; u kunt het een beetje vergelijken met AIDS bij mensen. De FIV-kat loopt allerlei kwalen op zoals longontsteking, huidproblemen, luchtweginfecties, nierproblemen enz. omdat het immuunsysteem zo onder druk wordt gezet. Eenmaal besmet met FIV, blijft de kat ook besmet.
Welke katten krijgen kattenaids?
In principe kan elke kat FIV oplopen, maar de ongecastreerde kater die buiten loopt, loopt het grootste risico. Zoals eerder vermeld, vindt besmetting plaats via bijtwonden. Ongecastreerde katers hebben nou eenmaal de neiging om met elkaar in gevecht te gaan, zeker als een krolse poes zich in hun buurt laat zien, als ze hun territorium verdedigen of voedsel zoeken. Ook voor ongesteriliseerde poezen die buiten lopen vormt het virus een risico. Na ‘gedekt’ te zijn door een kater, zal deze laatste - en dit als onderdeel van het paringsritueel - vaak in haar nekje bijten. Dit kan diepe wonden veroorzaken en kan bloed-op-bloed-contact plaatsvinden. Een besmette moederpoes kan echter meestal ongestraft haar kittens zogen: besmettingsgevaar is in dit geval gering. Toch is het goed om de kittens z.s.m zelf met een flesje groot te brengen. Zwanger mag een FIV-poes echter nooit zijn. Is dit toch het geval, dan is het het beste de ongeboren kittens te aborteren.
Wat zijn de symptomen?
De symptomen van FIV zijn heel verschillend. Meestal hebben besmette katten chronische onstekingen in de bek, last van diarree, veel huidproblemen, zijn ze een stuk magerder, vertonen ze een ander gedrag, krijgen luchtweginfecties en zijn gevoeliger voor tumoren, koorts, oogontstekingen en bloedarmoede. Feline leukemie (leucose) wordt echter ook sterk geassocieerd met FIV: het is dus heel belangrijk dat een FIV-kat ook wordt getest op leucose
Levensverwachting
Het is moeilijk te zeggen hoe lang een FIV-kat te leven heeft. Bij sommigen uit de ziekte zich binnen enkele weken, bij anderen kan dit weer maanden of zelfs jaren duren. Het komt wel voor dat het 5 à 10 jaar duurt eer bij een besmette kat symptomen worden waargenomen. Er bestaan namelijk 5 verschillende types FIV: A, B, C, D en E en sommige types zijn nu eenmaal agressiever.Het is van groot belang dat u FIV-katten aan zo weinig mogelijk stress blootstelt en laat leven in een rustige omgeving, gekoppeld aan de juiste verzorging: gezonde voeding, extra vitamines en een ondersteuning met medicatie, indien nodig. Er bestaat GEEN vaccinatie tegen het FIV-virus.
Diagnose
Via een bloedtest kan men te weten komen of een kat FIV-positief is. Meestal is dit in combinatie met een leucosetest, daar er een duidelijk verband bestaat tussen deze twee dodelijke virussen. Deze bloedtest kan al worden uitgevoerd twee weken na een eventuele besmetting. Kittens kunnen positief testen wanneer ze gezoogd worden door een FIV- positieve moeder. Het is echter heel belangrijk de kittens na twee maanden opnieuw te testen, omdat ze uiteindelijk toch negatief kunnen zijn
Wat te doen als uw kat FIV-positief is?
Veel dierenartsen zijn nog niet vertrouwd met het fenomeen FIV, zodat zij vaak heel snel voorstellen tot euthanasie over te gaan. Dit is heel jammer, zeker wanneer je beseft dat FIV- katten nog makkelijk jaren kwaliteitsvol kunnen leven! Anders is het wanneer de FIV-kat al te ziek en verzwakt is: dan is euthanasie de enige humane handelswijze.Het enige wat men echt voor een FIV-kat kan doen, is ervoor te zorgen dat het diertje zo goed mogelijk verzorgd wordt: zo min mogelijk stress, regelmatige ontwormingen en ontvlooiingen, GEEN vaccinatie (dit onderdrukt immers de weerstand), goede voeding, homeopathische ondersteuning en voedingssupplementen. Er zijn tal van voorbeelden van FIV-katten die 5 tot 10 jaar lang met hun ziekte hebben geleefd.Heel belangrijk is ook om ervoor te zorgen dat er geen besmetting van andere katten kan plaatsvinden, m.a.w. de FIV-kat mag onder geen beding vrij naar buiten. Indien de FIV- kat steeds met andere gezonde katten heeft samengeleefd en de groep is ‘stabiel’, d.w.z dat er niet onderling gevochten wordt, dan hoeft de kat niet van deze andere katten te worden gescheiden. In een harmonieuze groep hoeft u zich dus weinig zorgen te maken over een met FIV besmette kat. Het is anders wanneer deze laatste geregeld een gevecht aangaat: zo een kat zal jammer genoeg in afzondering moeten leven. In dat geval is het belangrijk om een apart, gezellig plekje in te richten voor het diertje, waar zich genoeg verberg- en speeluitdagingen bevinden. Op die manier kunt u de kat nog heel wat levensplezier bezorgen.
Medicatie voor FIV-katten
Meningen verschillen hieromtrent danig. Indien er infecties opduiken, worden ze meestal specifiek voor de infectie in kwestie behandeld. Elke dierenarts blijkt naar een ander geneesmiddel te grijpen. Van sommige medicijnen is echter niet bewezen dat ze doeltreffend zijn, maar er zijn steeds meer aanwijzingen dat ‘Interferon’ dat wel zou zijn. Dit geneesmiddel heeft als doel de weerstand van een FIV-kat kunstmatig op peil te houden. Welk geneesmiddel nu het beste is, laten wij aan de respectieve dierenartsen over. De informatie over ‘Interferon’ geven wij mee omdat gebleken is dat sommige dierenartsen hier nog niet over hebben gehoord. U kunt het dus voorleggen aan uw dierenarts. Daarnaast geven wij onze FIV-katten ook nog dagelijks extra vitamines, vaak ondersteund door homeopathische geneesmiddelen. Belangrijk om weten is wel dat sommige medicaties NOOIT mag worden toegediend, bijvoorbeeld cortisonepreparaten
Tot slot
Indien uw kat FIV-positief is, neem welke beslissing dan ook niet te overhaast. Laat u goed informeren en overweeg alstublieft niet meteen euthanasie. En wees absoluut gerust: FIV is NIET overdraagbaar op mensen, honden enz. Enkel een andere kat kan erdoor besmet worden, maar dan ook slechts na bloed-op-bloed-contact.
Allergie maar toch een kat in huis. Kan dat?
Allergische reakties kunnen onstaan door verschillende oorzaken. Deze oorzaken kunnen weer per persoon verschillen. Tijdens de allergie reaktie testen wordt ook de reaktie op huisdieren getest. Dan kan blijken dat er een allergie voor katten bestaat. Zijn er katten in huis dan worden deze vaak weggedaan om hiermee het probleem op te lossen. Voor de liefhebbende bezitter van de de kat(ten) is dit geen makkelijke beslissing.
Na enige tijd kan er toch de behoefte ontstaan om een kat of poes in huis te nemen. Vooral in gezinnen met nog opgroeiende kinderen, kan dit een belangrijk gespreksonderwerp worden. Er is mogelijk een oplossing voor dit dilemma. Deze oplossing is niet algemeen bekend binnen de groep van mensen met een allergie. In de raskattenwereld worden diverse rassen gefokt op hun specifieke kenmerken. Er zijn rassen die een zodanige vachtstructuur hebben waardoor een allergische reaktie vaak uit blijft. Het gaat hier om de Cornish Rex, Devon Rex en ook de Sphynx.
Bij de fokkers van deze rassen is inmiddels wel bekend dat deze katten vaak geschikt zijn voor mensen met een allergie. Om zeker te zijn dat je als koper van een van deze katten geen allergische reaktie krijgt, maken de kopers een afspraak met de fokker om te "snuiven". Dit snuiven is een paar uur in de woning van de fokker verblijven om te zien of er een reaktie komt. Het is geen waterdichte methode maar geeft wel een indicatie. Dit is alleen uitvoerbaar wanneer de fokker geen andere rassen of andere huisdieren in huis heeft.
De snuiftest is ook uit te voeren bij vrienden die zelf allergisch zijn en een Rex of Sphinx hebben. Het alternatief om een kat voor een week te "lenen" om de test mee uit te voeren zal niet iedere bezitter van de kat met enthousiasme doen. Dit laatste geeft wel de meeste zekerheid. Een punt van aandacht is dat de spullen die bij de kat gebruikt worden mogelijk een reaktie kunnen opwekken. Dat wil niet zeggen dat je allergisch reageert op de kat. Denk hierbij aan het mandje, dekentje en niet in de laatste plaats het kattengrit. Soms levert het stuiven van het grit bij het schoonmaken van de bak al een reaktie op. Op het gebied van de kattenbakvulling staat de ontwikkeling niet stil. Er is een product in de handel dat stofvrij is en geen allergisch reakties bevordert.
FIP
FIP (Feline Infectieuze Peritonitis) is een door coronavirussen overgebrachte ziekte. Infectie treedt op via mond of neus,
direct van kat tot kat of via verontreinigde oppervlakken. Hoewel het virus in de omgeving enkele weken kan overleven, wordt
het goed geïnactiveerd door de meeste huishoudelijke schoonmaakmiddelen.
Coronavirussen zijn veel voorkomende virussen, welke niet allen tot FIP leiden. De verschillende ondersoorten van het virus
noemt men stammen. Veel van deze stammen veroorzaken weinig of geen ziekteverschijnselen. Het voorkomen van verschillende virusstammen binnen de coronavirussen gecombineerd met het feit dat niet alle stammen even sterk ziekteverwekkend zijn, maakt dat FIP via bloedonderzoek moeilijk te diagnosticeren is. Coronavirussen die FIP veroorzaken infecteren en vermeerderen zich in witte bloedcellen (afweercellen). In reactie hierop
treedt een sterke ontstekingsreactie op.
Op het ogenblik denkt men dat het FIP-virus ontstaat door een kleine verandering in een goedaardig coronavirus
FELV
FEL V (Feline Leukemie Virus) is een door (retro )virussen overgebrachte vorm van kanker van het bloed- en immuunsysteem. Besmetting treedt op door directe overdracht van het virus via het speeksel bij onderling likken, blazen of bijten. Daarnaast
kunnen kittens via de placenta en de moedermelk geïnfecteerd worden.
Ongeveer 40% van de geïnfecteerde katten reageert met een effectieve afweerreactie, het virus wordt verwijderd en het dier
IS weer genezen.
30% van de geïnfecteerde dieren wordt latente drager; dieren die drager van 'slapende' virussen (meestal in het beenmerg)
zijn. Deze dieren kunnen bij verminderde weerstand of bij ziekte door andere oorzaak wel ziek worden. In de latentietijd worden ze niet gezien als een ernstig besmettingsgevaar voor andere katten. De laatste 30% van de katten wordt ziek met virusuitscheiding óf kan een persisterende drager worden: hierbij is het virus
in het bloed aanwezig. Deze dieren hebben een zeer grote kans aan het virus te overlijden. Dit zijn ook de dieren die de infectie kunnen overbrengen, gedurende (meestal) 1 tot 16 weken nadat ze zelf zijn geïnfecteerd.