Tellen is een gewone dagelijkse bezigheid.
Het is handig dat we het aantal leerlingen in een klas kunnen bepalen.
Zo kan een school zorgen dat er genoeg stoelen en tafels in een klas staan.
Rekenen met getallen laat ons toe zowel heel gewone als heel ingewikkelde
problemen op te lossen.
Daarom bekijken we in een apart deeltje het gebruik van getallen.
|
tiendelig getallenstelsel
In het voorbeeld van de blauwe ballen telden we van 1 tot 10.
Zonder problemen kunnen we verder tellen: 11, 12, 13 ...
Toch hebben we hiervoor maar 10 cijfersymbolen nodig.
In ons tiendelig stelsel vormen 10 eenheden een tiental.
10 Tientallen vormen een honderttal.
10 Honderdtallen vormen een duizendtal.
10 Duizendtallen vormen een tienduizendtal ...
zo kunnen we willekeurig grote getallen heel overzichtelijk schrijven.
Klik in het applet op de knop 'init': je krijgt telkens de opbouw van een
ander natuurlijk getal.
Dat 21 een andere waarde heeft dan 12 vindt je misschien normaal, maar dat was niet altijd zo.
Bij de Romeinen was de waarde van een een cijferteken altijd hetzelfde.
I stond voor 1, V voor 5, X voor tien, C voor honderd, D voor 500 en M voor
1000.
De waarde van een getal was de som van de waarden van alle
tekens: MMV I I stond voor 2007.
In de volgend applets kan je nagaan hoe de Romeinen telden:
binair talstelsel
Een computer werkt in het tweetallig of binair getalstelsel.
Dit talstelsel gebruikt maar twee cijfersymbolen: 0 en 1.
We werken nu niet met tiental, honderdtal enz. maar met tweetal, viertal,
achttal, zestiental, tweeëndertigtal enz.
getallenas
We kunnen getallen voorstellen op een getallenas.
We vertrekken van twee punten 0 en 1.
De afstand tussen 0 en 1 gebruiken we als teleenheid.
Zo kunnen we elk natuurlijk getal voorstellen.
orde
Twee blauwe ballen is minder dan drie blauwe ballen.
Op de getallenas komen we het getal 2 eerder tegen dan het getal 3.
We zeggen: "2 is kleiner dan 3".
We noteren dit als: 2 < 3.
Zo kunnen we ook zeggen:
"3 is gelijk aan 3".
We noteren dit als: 3 = 3.
"4 is groter dan 3".
We noteren dit als: 4 > 3.
|
tellen |