|
|
HET CHRISTENDOM
VAN EEN KERK DER ARMEN NAAR EEN APPARAAT VAN DE
MACHT.
WOORD VOORAF
Jean Delumeau, hoogleraar aan het Collège de France haalt in zijn boek
'Le Christianisme, va-t-il mourir?' het incident aan waarmee abbé Dubois, pastoor te
Umegies, in het begin van de 18e eeuw werd geconfronteerd. Zijn parochie was afhankelijk
van de naburige abdij van Sint-Amandus die jaarlijks de traditionele tienden hief, te
weten: zeven schoven op de honderd, terwijl de achtste schoof voor de pastoor was.
In 1702, op het moment dat het pachtcontract van de tienden afloopt, meent de
pastoor dat hijzelf dan toch maar de achtste garve moet blijven heffen, zonder
tussenkomst van de abdij. De dorpelingen vermoeden een nieuw last en de pastoor
wordt het voorwerp van een hevige lastercampagne. Strikt genomen had abbé Dubois
geen onrechtvaardigheid begaan. Hij eiste alleen maar zijn zogenaamd verschuldigd
aandeel op. Maar het was een aandeel binnen onderdrukkende structuren die niets meer te
maken hadden met het wezen van de leringen van Jezus. Een typisch incident dat tekenend is voor
het soort van uitstraling van een katholieke kerk die was gaan glijden vanaf het
Constantijns tijdperk omdat zij de valstrik niet had weten te ontlopen van een
verbond met de politieke macht. Toen de prille kerk de vinger in het raderwerk van
de macht stak, laadde zij problemen, taken en verplichtingen op zich, die haar alleen
maar konden verwijderen van haar oorspronkelijke zending. Dat de 'Kerk der Armen'
gezonken was tot dit bedenkelijk peil veronderstelt een hele voorgeschiedenis. Deze
is tamelijk complex maar laat toch een zekere historische reconstructie toe, gezien het
feit dat wij kunnen beschikken over vrij oude documenten. Moeilijker wordt het wel
wanneer wij ons willen terugplaatsen in het toenmalig denkpatroon, de voorstellingswereld
uit die tijd. Wij weten dat de lichtgelovigheid groot was in het Keizerrijk, maar ook dat
er een algemeen zoeken was naar een nieuwe denkwijze waarin het individualisme een grote
kans kreeg zoals in de Stoa en het Epicurisme enerzijds en in de initiatiecultussen anderzijds.
Dit waren evenwel denkrichtingen die vaak voorbehouden waren aan de welstellende of die gegund werden
aan de echte ingewijde in de verborgen mysteriën.
Eigen aan een bepaald soort individualisme is het scepticisme, een vorm van realisme dat soms wel eens
hand in hand gaat met een verdoken machteloosheid en gelatenheid. Een ingesteldheid die ons de dag van
vandaag niet geheel vreemd is. En sommige grafschriften uit de eerste eeuwen spreken dan ook boekdelen.
Zo lezen wij op enkele graven het volgende:
Non fui, fui, non sum, non disedero. ( Ik was er niet, ik was er, nu ben ik er niet, het laat me koud. )
of nog
Ga mijn grafschrift niet zomaar voorbij reiziger,
maar blijf staan na het volgende te hebben vernomen:
In de Hades is geen veerboot, geen veerman Charon,
geen sleuteldrager Aeacus, geen hellehond Cerberus.
Alle gestorvenen hier beneden, wij zijn tot beenderen en as vergaan en anders niets.
Ik heb het je rechtuit gezegd. Ga verder reiziger,
anders lijk ik je, zelfs na mijn dood, nog een zwetser.
De eerste christenen evenwel waren - volgens de overleveringen - overwegend onvermogende mensen die zich, uit miserie, afzetten tegen de
bestaande orde en die hun hoop stelden in een andere existentie. Zij deden dit, in het begin althans,
volledig in de lijn van het traditionele eschatologisch joodse denken. Hoe zo'n onooglijke sekte kon
uitgroeien tot een te duchten machtsapparaat wil ik trachten te verduidelijken in dit kleine vulgariserend opstel dat, vooralsnog,
de traditionele geschiedkundige lijnen volgt van het ontstaan en evolutie van het prille christendom.
Terug naar indeling.
HOOFDSTUK I: INLEIDING
De eerste christenen: meestal zeer eenvoudige
mensen.
Er is vaak gesuggereerd dat de eerste christelijke gemeente
oorspronkelijk uitsluitend bestond uit lieden van uiterst eenvoudige
komaf. Dit is natuurlijk voor een groot stuk waar en ik zal op dit
gegeven regelmatig en tot vervelens toe moeten terugkomen. Nochtans is
het een stelling die door hedendaagse historici niet meer unaniem wordt
gedeeld. Zelfs wanneer de eerste brief van Paulus aan de
Corinthiërs ons een duidelijke hint geeft hieromtrent (Cor. I,
1, 26: 'Denk maar aan uw eigen roeping, broeders. Naar menselijke
maatstaf waren er niet velen geleerd, niet velen machtig, niet velen
van hoge afkomst' dan geldt dit hier natuurlijk specifiek voor de
gemeente van de Corinthiërs. En al is het juist dat de sociale
status voor vele christenen van het eerste uur toch over het algemeen
vrij pover was, toch moet de geciteerde uitspraak van Paulus, op zijn
minst, genuanceerd worden. Het Paulinische christendom was geen sekte, het
werd snel een cultus.
Recent sociologisch onderzoek wijst uit dat een nieuwe
cultus eveneens rekruteert uit midden- en hogere milieus. En het vroege
christendom deed wellicht niet anders want er hoorden inderdaad vanaf
het prille begin ook begoede mensen bij en personen van een zeker
intellectueel niveau. Zo was Paulus zelf een vrij gecultiveerd iemand,
alhoewel we hem ook kennen als een persoon die gewoon was handenarbeid te verrichten
(later moest hij wel aan de kost komen als tentenmaker of als zadelmaker).
Ben Chorin omschrijft hem gevat als 'een Romeins staatsburger van Joods geloof en Hellenistische cultuur'.
De proloog
van het Johannesevangelie getuigt van enige filosofische onderlegdheid.
De 'heidense' christenen die behoorden tot de eerste bekeerlingen,
hielden zich als ‘godvrezenden’ op in de synagogen
en zij waren vrijwel zeker geen echte minus habensen. Bovendien weten
wij uit de evangeliën zelf dat de volgelingen van Jezus reeds
vanaf het begin konden rekenen op enkele sympathisanten -soms zelfs
adepten- uit de hogere klasse, waarvan er minstens enkelen bekend zijn:
de raadsheer Jozef van Arimathea (in het geheim), de notabel
Nikodemus, (1)
(hij brengt de luxeproducten mirre en aloë mee bij de
begrafenis van Jezus) die een zoon had, Gorion, die politiek zeer
veel invloed had in Jeruzalem. Verder Johanna, de vrouw van Chuzas,
rentmeester van Herodes Antipas. Naar Lucas ons vertelt was zij
één van de eerste volgelingen die Jezus
financieel ondersteunde. (Luc. 8,3) (2).
Maar er is meer. Paulus in zijn brief aan de Romeinen (Rom. 16,
24) groet een zekere 'Erastus, de beheerder van de stedelijke
financiën', denkelijk geen onbemiddelde persoon. In zijn
brief aan Filémon stellen we vast dat diezelfde
Filémon op zijn minst één (gevluchte) slaaf
(Onésimus) in dienst had. Filémon die tot de
vroege bekeerlingen hoorde, was alleszins geen armoezaaier. De
'Handelingen' - lees: een verkapt propagandistisch geschrift - spreekt
van de bekering in Thessalonica van 'godvrezende Grieken en niet weinig
aanzienlijke vrouwen'(3).
(Hand. 17, 4) De schrijver van 'Handelingen' begint met een groet aan Theofilus en
spreekt hem aan met 'hoogedele', hetgeen doet vermoeden dat Theofilus een hooggeplaatste Romeinse
ambtenaar is. In de brief aan de
Corinthiërs wordt Chloë vernoemd als zijnde een vrouw
die verschillende mensen in dienst had. (Cor. 1,11) Het is zelfs
mogelijk dat de proconsul Sergius sympathiseerde met Paulus en dat zijn
dochter Sergia Palla, samen met haar zoon C. Caristanus Fronto
volgelingen werden van 'De Weg'. Dit was een aanzienlijke familie in
Antiochië (Wilson noten , 20, p 300, citeert Bruce, die
Ramsay's Bearing of Recent Discoveries aanhaalt). Jezus en de
apostelen schijnen niet helemaal onbemiddeld te zijn indien we Marcus
mogen geloven en zij werden materieel ondersteund. Zo weet Marcus te
vermelden (Marcus 1,20) dat de zonen van Zebedeus, Jacobus en Johannes,
'hun vader in het schip achterlieten met de dagloners' toen Jezus hen
riep. De vader van Jezus' eerste apostelen bezat liefst twee boten en
hij had werknemers in dienst. We vernemen dat de eerste volgelingen
van Jezus na zijn dood samenkwamen in huizen en dit in
privé-vertrekken van een beschermer. Deze huizen moesten
ter beschikking zijn gesteld door eigenaars, die blijkbaar het
nieuwe geloof gunstig gezind waren of mogelijk behoorden
tot
de eerste medewerkers en dit moeten (eigenaar zijnde) relatief
bemiddelde mensen geweest zijn. Van één zulk
geval zijn we in ieder geval op de hoogte: Lydia, zakenvrouw uit het textielstadje Thyathira in Macedonië op de weg van Pergamos naar Sardes
(in die tijd betekent het heel wat zakenvrouw te zijn).
Zij verschafte Paulus onderdak en zo lag ze misschien
aan de basis van één van de eerste
huiskerken voor de christenen in de diaspora. De 'gezamenlijke maaltijden' die aangeboden
werden aan de eerste christenen, veronderstelden soms aanzienlijke giften, die ergens vandaan
moesten komen en die niet louter te verklaren zijn door de aansporing
van Jezus 'verkoop alles en volg mij'. Later, maar toch nog zeer vroeg in de geschiedenis
van de jonge christelijke gemeenschap, kunnen er reeds invloedrijke personen christenen zijn geweest en dit tot in Rome toe. Zo vraagt
Ignatius van Antiochië (115) aan de christenen van Rome niet tussen te komen om zijn eventuele terechtstelling te verhinderen.
Dit kan betekenen dat in er in bepaalde (hoge) ambtelijke (?) kringen mogelijke sympathisanten zaten.
Alhoewel er waarschijnlijk heel
wat meer welstellenden van het eerste uur waren dan men vroeger geneigd
was te doen geloven, toch waren zulke volgelingen, in hun geheel
genomen, niet zo talrijk en gedroegen zij zich in ieder geval vrij discreet. Zelfs aan
het einde van de tweede eeuw tot in de derde eeuw waren er onder de
mensen uit de hogere stand verhoudingsgewijze weinig belijders. Dit
wordt bevestigd door de latere kerkvaders (al moeten we deze apologeten
met de nodige - historische - kritiek lezen). Zoals Eusebius (volgens Jacob Burckhard de eerste door en door
onoprechte geschiedschrijver, maar volgens Trouillez naar de normen van zijn tijd behoorlijk objectief),
die ons weet te vertellen dat de christelijke gemeente in de tijd van
keizer Commodus (180-192) er gevoelig op vooruitging, omdat de vrede
tijdens die periode 'zeer bijdroeg tot hare uitbreiding, zodat ook
verscheidene mannen, hooggeplaatst door rijkdom en geboorte, zich met
geheel hun huis en geslacht tot het nieuwe heil wendden'. Ook de meer betrouwbare Origines
schrijft in die zin. Hij meldt dat onder Alexander Severus (222-235)
'ook rijken en veel hoogwaardigheidsbekleders, zowel als in weelde
levende edelvrouwen, de christelijke boden van het woord aannamen'. A
contrario kunnen we afleiden dat vóór die
tijd het aantal welgegoeden dun gezaaid waren. De christenen (4)
vormden tot in de derde eeuw nog een vrij kleine minderheid (5). Rodney
Stark biedt ons interessante gegevens op dit vlak (6). Hoe het ook zij,
deze minderheid bestond voor het overgrote deel uit de onderste lagen
van de maatschappij (7). De Syriër Tatianus (170), zelf bekeerd, schetste zelfs
een alleszeggend portret van de christen uit zijn tijd: 'hij (de
christen) schuwt macht en geld; hij was voor alles arm en
pretentieloos'.
Misschien geldt de uitspraak van Tatianus ook voor de zogenaamde
evangelisten, maar dit is allesbehalve zeker. En wie ze ook mogen geweest zijn(8), het waren kennelijk
bescheiden mensen, maar ze konden lezen en schrijven,
hetgeen ons weer doet vermoeden dat zij (in die tijd zeker) niet tot de
allerarmste behoorden. Men kan hen overigens moeilijk beschouwen als
prototypes van wat wij 'accurate’ geschiedschrijvers zouden
noemen. Dit gebrek aan historische nauwkeurigheid leidde vaak tot
verkeerde voorstellingen van de feiten. De evangelies wemelen dan ook
van grove onnauwkeurigheden (9)
(10).
Dergelijke onwaarheden zijn ergens te
begrijpen. Men moet immers altijd in gedachten blijven houden dat de
zogenaamde evangelies geen geschiedkundige werken zijn. De op schrift
gestelde citaten van Jezus (perikopen) steunden op de traditionele
mondelinge overlevering. Bovendien wilden deze schrijvers aantonen dat
Jezus de uiteindelijke vervulling was van de beloften die Jahweh ooit
aan de joden had gedaan en stelden Jezus voor als de ultieme maar
universele redder. Daarbij komt nog dat de ietwat late(re)
'evangelies' berichtten over gebeurtenissen welke minstens enkele
decennia geleden zouden hebben plaatsgevonden. In die zin waren deze
naverhalen niet geschreven om het nageslacht te informeren, over wat er
nu precies gebeurd was. Om die reden misschien had Papias van
Hiërapolis volgens Eusebius zo zijn eigen methode om uit te vissen hoe het
precies allemaal in zijn werk was gegaan ten tijde van Jezus (11)
(12).
De 'Blijde Boodschappen' waren vooral stichtelijke geschriften die
pasten in de joodse heilsgeschiedenis. Dit is zeker het geval voor
Mattheüs en Lucas. De evangelisten geven weinig uitsluitsel over het verloop van de gebeurtenissen.
Natuurlijk vinden we in deze dictaten misschien ook
een relaas van voorvallen die zich er echt hebben voorgedaan, die waarlijk
gebeurd zijn, maar de auteurs waren niet op dezelfde manier als wij
geïnteresseerd in de historische authenticiteit ervan
(13) (16).
We mogen nooit uit het oog verliezen dat het altijd
vrij moeilijk zal blijven het leven van Jezus te beoordelen naar de
normen van nu. Zijn wereld en de onze verschillen té veel.
Welke waren de 'echte' woorden van Jezus? W. Fricke meent dat het probleem van de historiciteit (echtheid) van de woorden
van Jezus wordt vergroot door het feit dat er geen eigen leer voorhanden is die zijn oorsprong bij de meester zelf vindt. Voor zover we weten
heeft Jezus nooit iets geschreven.
Op eigen houtje proberen de historische woorden van Jezus te achterhalen is toch
wel wat naïef of zelfs wat dom zoals R. L. Fox het stelt
omdat: "de uitspraken variëren in de verschillende
evangeliën en ze vallen niet precies samen. Heel vaak worden
we niet geplaatst tegenover wat Jezus heeft gezegd of bedoeld, maar
tegenover wat hij betekende voor auteurs of voor de bronnen die zij
aanvaardden."
Tevens moet het optreden van Jezus zelf gezien worden in een zekere farizeese traditie (14)
(15):
lapidaire uitspraken, parabels, spreuken en vergelijkingen dwongen de toehoorders tot aandacht
en oefenden meteen ook het geheugen, belangrijk in een maatschappij waar de zo-even vernoemde
orale traditie primordiaal was onder het gewone volk. En toch kunnen deze geschreven documenten
ons interessante geschiedkundige indicaties verschaffen. Zij geven ons een eerste inzicht
in het dagelijkse reilen en zeilen van een volksgemeenschap uit die tijden, meer bepaald hier
van de oerchristelijke gemeenten. Het allereerste christendom (Jezus en zijn apostelen) bestond uit
joden, die opereerden binnen het joodse volk en meer bepaald in het Palestina van die dagen.
Erg kosmopolitisch kunnen we het niet noemen.
Terug naar indeling.
HOOFDSTUK II: ENKELE ASPECTEN VAN DE OERCHRISTELIJKE LEER.
1. Tegen de rijken.
Om te kunnen begrijpen hoe het christendom evolueerde, moeten we eerst enkele aspecten belichten die typisch
waren voor het primitieve christendom, dat zich, een beetje arbitrair weliswaar, situeert tot het einde van de
apostolische tijd, tussen de jaren 35 tot 120. Zoals reeds boven gesteld waren aanvankelijk vele eerste volgelingen van Jezus
arme mensen, eigenlijk meer precies de verschoppelingen, de berooiden van de toenmalige maatschappij.
De evangelies en andere oude geschriften van de eerste christenen moeten dan ook de armoede
(lees ook: uitbuiting, verpaupering) zeer duidelijk etaleren om hun achterban (én de rekrutering)
veilig te stellen. De teksten liegen er dan ook niet om (17)
(18). Zonder dubbelzinnigheid maakten
zij duidelijk dat zij het niet konden vinden met de welgestelde. De rijke wordt letterlijk verdoemd
(19)
(20) (21).
Zoals voor de vrome joden was gierigheid ook voor de vroege christenen een hoofdzonde.
Maar ook de mensen die materieel een goed en aangenaam leven konden leiden, hebben niet veel heil
te verwachten (22)
(23).
Alhoewel Jezus zelf eerder een bon-vivant leek volgens de teksten (24),
hekelen de vroegchristelijke schrijvers op een bijna haatdragende en fanatieke wijze alles wat met
rijkdom te maken heeft. Een menselijke reactie nochtans. Immers, het moet worden gezegd: in de tijd
van het Keizerrijk werd een oproerige bevolking van een moeilijke provincie zonder scrupules, systematisch
uiterst gewelddadig (25) onderdrukt op alle vlakken met de gekende technieken: kuiperijen, knevelarij,
corruptie, juridische spitsvondigheden allerhande, drukkende belastingen en zo meer. De rijkdom stapelde
zich toen op in handen van enkelen; de handel was voor een groot stuk een weeldehandel die uiteindelijk
diende voor een gigantische verkwisting van enkele uitbuiters in Rome. In het toenmalige broeierige
Judea, waar bovendien de inheemse cultuur dreigde te versmachten door de Griekse-Romeinse (26)
(zelfs Saul van Tarsus veranderde zijn naam in 'Saulus') en Oosterse invloeden, werd zonder pardon
een sociaal en structureel onrecht opgelegd door de bezetter (27).
Dit in collaboratie met de plaatselijke wereldlijke vazallen (het huis van Herodes)
en hun geestelijke handlangers (de aristocratische priesterkaste van
de Sadduceeërs, meer bepaald de 'Herodianen')
(28). Het ervarene onrecht kreeg aldus een masker van
normaliteit, zelfs van legaliteit. Hiertegen streden de fundamentalistische Zeloten (Kanaïm) met hun guerrillageweld.
De Farizeeërs (29),
die korter bij het volk stonden
(30), voerden ook oppositie, weliswaar zonder geweld,
maar met de hun zo eigen intriges (31)
(32) alhoewel we deze aantijging fors moeten temperen.
De hoopvolle Essenen verzetten zich in het begin niet echt tegen de oppressor. En als ze dat al deden dan was het op
een manier die kenmerkend is voor vele sekten. Bepaalde groepen trokken zich terug uit de bewoonde wereld om hun ideale
maatschappij op te bouwen ergens in de woestijn of op een andere al dan niet verlaten plaats en dit in
afwachting van de Wederkomst (33).
Bovengenoemde stromingen moeten toch ook gerelativeerd worden.
D.S. Russel merkt in dit verband terecht het volgende op: 'ongetwijfeld waren dit zeer invloedrijke partijen
binnen het kader van het jodendom gedurende deze periode. Willen wij echter de juiste verhoudingen in
het oog houden, dan dienen wij te bedenken, dat zij slechts een kleine minderheid vormden in
Palestina. Men heeft uitgerekend dat de Farizeeën, Sadduceeën, en Essenen tezamen slechts een getal
bereikten van 30.000 à 35.000 op een totaal van 500.000 tot 600.000 joden uit Jezus' dagen.
De Farizeeën vormden waarschijnlijk 5% van de totale bevolking, de Sadduceeën en Essenen samen
ongeveer 2%. (DS Russell, Tussen Maleachi en Mattheus, blz.43).
Tevens moeten we ons niet laten misleiden door de opstelling van de eerste christenen tegenover de rijkdom.
Zulke opvattingen lagen precies in het verlengde van deze van het Oude Testament.
De toenmalige profeten hadden reeds een rechtstreeks verband gelegd tussen de rijkdom en de gewelddadigheid, tussen de opulentie en de immoraliteit,
tussen de vermogende en de 'boosaardige mens'. God hield in het Oude Testament van de arme, de nederige, de vrome.
Renan merkt in dit verband op dat men deze profeten moet zien als een soort van volkstribunen die de rijkdom vervloekten zoals in het Boek van Henoch.
Luxe werd er afgeschilderd als een misdaad en de koningen werden zonder pardon onttroond en in het Vuur geworpen.
Het woord 'arm' werd hier synoniem van 'heilig'. De arme werd de 'vriend van God' (Renan) en zo werd het
denkelijk ook beleefd door de Ebioniem van Bethanië of van Jeruzalem.
De meeste volgelingen van de Nazarener bleven in de stad (lees: in het begin hoofdzakelijk
Jeruzalem) (34). Eigenlijk is dit eigenaardig, want de beweging had moeten wortel schieten
in het geboorteland van Jezus, in het land waar hij gepredikt had: Galilea. Misschien werd Jeruzalem
uitgekozen om de -voor hen- voor de hand liggende redenen. In deze stad stroomden jaarlijks veel pelgrims
binnen en zo konden de eerste volgelingen de leer van Jezus overdragen en bekeerlingen maken. Dit zou
later zorgen voor problemen, aangezien deze niet-Palestijnse groepen joden, die de boodschap van Jezus
hadden aangenomen, zich niet zo verzoenend opstelden tegenover de Tempel als Jacobus en zijn entourage.
(Vrij naar Trocmé, 37). Een tweede reden waarom Sion werd uitgekozen was dat de eerste volgelingen van
Jezus er van overtuigd waren dat de parousie zou plaatsgrijpen in Jeruzalem. Ging het gerucht niet in de stad dat de rabbi uit Galilea
slechts enkele dagen na zijn kruisiging op verscheidene plaatsen levend was teruggezien door verschillenden mensen? Dat hij de dood had
overwonnen en dat sommigen van zijn volgelingen meer dan ooit geloofden dat hij wel degelijk de lang verwachte heiland was geweest en dat
men nu zeer vlug Zijn Glorierijke Wederkomst in een schitterende wolkennevel kon verwachten? Met deze eschatologische ingesteldheid vormden deze eerste christenen
(naast menige andere -al dan niet apocalyptische- gezindheden in deze toenmalige joodse meerdimensionale
religieuze maatschappij) (35)
(36) een kleine, zoveelste onbelangrijke stroming.
Ook de nieuwe 'christelijke' groep zette
zich af in dit broeierig politiek klimaat tegen de meedogenloze koloniale- en andere machthebbers.
Zij deden dit, noodgedwongen (lees: uit zwakheid), binnen de legaliteit. En toen reeds trad er verscheidenheid op
binnen deze kleine groep. Zo schijnt er zich vanaf
het zeer prille begin een groep gevormd te hebben in Palestina, en wel rond de persoon van de
apostel Johannes, de zogenaamde 'Kring rond Johannes'. Deze marginale groep schijnt echter nooit
met de meerderheid van de kerk te hebben gebroken. De twee stromingen hadden veel met mekaar gemeen,
met name het lijdensverhaal dat in het vierde evangelie de versie uit de eerste drie evangeliën heel
dicht benadert. Deze groep legt wel meer de nadruk op de persoon van Jezus. (Trocmé).
Een kern van heterodoxie was toen reeds initieel aanwezig in de persoon van de Samaritaan Simon de Tovenaar
die met een groot aantal volgelingen op de Berg Gerizim afgeslacht werd door de troepen van Pilatus.
Simon ontving het doopsel uit de handen van Filippus, die, na de verdrijving der Hellenisten uit Jeruzalem,
in Samaria terechtgekomen was. Het is zeer waarschijnlijk dat een aanzienlijk deel van de christengemeente
in Samaria Simoniet was want Simon had een onmiskenbaar succes en hij maakte opmerkelijk veel bekeerlingen
onder de Samaritanen. Dit vernemen we van Justinus die zelf een Samaritaan was. Ook wordt in deze zienswijze
Simon gezien als de niet eens zo verre vader van het gnosticisme (37).
Bovengenoemde Filippus had zeer vroeg reeds zijn hoofdkwartier in Caesarea en hij hield zich, zeker
wat de rekrutering betreft, niet altijd aan de richtlijnen van de 'moederkerk' van Jacobus
en Petrus in Jeruzalem. (zie Hnd.8,4-14).
We mogen zelfs aannemen dat ook Marcus de kerk van Jeruzalem niet zo gunstig gezind was, hij stelt immers de eerste leiders
van de kerk in Jeruzalem in een wat ongunstig daglicht.(Mc. 8,32-33; 10,35-40) Bovendien aarzelt Marcus
zelfs niet de familie van Jezus zelf (met inbegrip van Jacobus) deftig op de korrel
te nemen (38), (Mc. 6,1-6)
hetgeen op zijn minst wijst op een slechte verstandhouding met
Jacobus. Ook valt het op dat in Handelingen na 1,14 noch de moeder noch de broers van Jezus nog ooit
één keer worden vermeld. Op zijn minst een eigenaardige zaak tenzij men aanneemt dat
Hand. 1,13-14 later toegevoegd werden. We stellen nochtans vast dat er in de meeste
evangelies en ook in Handelingen regelmatig kleine venijnige opmerkingen te vinden zijn aan het adres van de 'desposunoi' (desposyni)
(39). Nochtans speelde de joods-christelijke kerk van Jeruzalem
een doorslaggevende rol tot aan de val van Jeruzalem.
2. Gemeenschap van consumptiegoederen.
We moeten het nogmaals herhalen: het gros van de eerste christenen was hulpbehoevend. Meestal waren de eerste
adepten randfiguren, de verworpenen vanwege hun oorsprong, beroeps- of levensomstandigheden. De kans is
zeer groot dat Jezus zelf tot deze maatschappelijke groep behoorde (40).
De kleine ambachtslui hadden het
beslist niet onder de markt en stonden qua sociale klasse zeker beneden de boeren. Toch zijn de meningen
hierover verdeeld en moet er een onderscheid gemaakt worden voor wat betreft het ambachtsvolk. Leerlooiers bijvoorbeeld
stonden niet hoog in aanzien (nu nog niet in de Oosterse landen), maar een ander (hoger) respect genoten
bepaalde ambachtslui. Zo meent Jaques Duquesne in zijn boek 'Jezus', dat de vader van Jezus behoorde
tot de notabelen van het stadje Nazareth omdat handwerk heilig was bij de joden (41).
In de tijd van Jezus'
optreden waren er al in de kleine groep volgelingen tendensen te merken van een soort van gemeenschappelijk
eigendom, omdat het gemakkelijk en efficiënt was, maar misschien ook omdat de Eindtijd in het onmiddellijke verschiet lag en de
persoonlijke eigendom in dit perspectief nog maar weinig zin had.
Ook het voorbeeld van de Habouroth (joodse broederschappen) kunnen de gemeenschappelijke eigendom hebben gestimuleerd natuurlijk.
Het begon al met het feit dat Judas de
gemeenschappelijke kas hield (42).
De inhoud ervan besteedde hij aan noodzakelijke uitgaven of aan het uitdelen
aan de armen, tenminste als er geld overschoot. Zoiets als sociale zekerheid bestond bijna niet, wel
een vorm van liefdadigheid. De discipelen aten samen met de meester, een traditie die later werd voortgezet.
De gezamenlijke maaltijden (een Mediterraans gebruik?) en het onderlinge ondersteuningswezen
(43)
(44)
vormden in ieder geval het krachtige bindmiddel in de bijeenkomsten van de eerste christelijke gemeente,
waardoor er een soort van solidariteit ontstond. Voedsel verdelen vormt vaak het begin van een gemeenschap.
Het delen van het meest essentiële consumptiegoed voor de verpauperde mens mondt vaak uit in een samenhangend
complex van wederzijdse betrekkingen. Reeds vroeg ontstond de drang naar een zekere opheffing van privaat bezit
om de ellende van de volgelingen een beetje te verzachten en dit kon door collectief bezit of toch bijna
(45).
Oorspronkelijk was het in feite niet meer dan het delen van het eten. Zelfs al wilde men in de verdeling der goederen verder gaan,
praktisch gezien was dit zeer moeilijk. Gezamenlijk een huis kopen bijvoorbeeld zou opgevallen zijn in een
periode waar de achterdochtige keizers elke vereniging van twijfelachtig allooi verboden
(46). Samenleven op
een zelfde landgoed of in een huis was dan zonder meer uitgesloten. Alleen al het regelmatig samen eten was niet altijd
zonder gevaar want het kon door de Romeinse bezetter beschouwd worden als een vorm van samenscholing.
Het welzijn van de Romeinse staat hing erg samen met de staatsreligie. Een aantasting hiervan kon de overheid niet dulden.
In de tijd van het eerste christendom behoorde, strikt genomen, eigenlijk elke christelijke gemeente tot de 'ongeoorloofde verenigingen'
Rome was constant bezig zich te zuiveren van mystici, 'filosofen' en religieuze sekten die het als een gevaar voor zijn stabiliteit beschouwde.
Om die reden moesten deze agapen vaak discreet plaatsvinden. De gezamenlijke maaltijden beperkten zich tot de stadsmensen.
(venters, bedelaars, leerlooiers - onzuiveren -, marskramers, dagloners, gebrekkigen, wat ons doet vermoeden
dat het eten er wel navenant zal zijn geweest). Natuurlijk zullen er enige eerlozen tussen gezeten hebben: de
traditionele tafelschuimers, de klaplopers. Wat de slaven aanging, zij konden wat het culinaire betreft in
principe voldoende aan hun trekken komen in het huis van hun meester. Het begin van het christendom kende
overigens niet veel slaven. Niet dat men iets tegen slaven had, maar toch deze nuance: in principe kon een
slaaf, zelfs in de eerste christelijke gemeente, slechts iets gaan betekenen nadat hij vrij (-gelaten of -gekocht)
was. Het vroege christendom hield eigenlijk de slavernij in stand al was het uit respect voor de staatsorde,
maar het probeerde de menselijke conditie van de slaven te verbeteren. (Chadwick 59).
De apologeet Aristides in een 'brief,' (47)
gericht tot keizer Antoninus Pius (138-161), schrijft het volgende over de houding
van de christenen tegenover de slaven: " … De slaven en de slavinnen en de kinderen, als ze die hebben, onderwijzen zij
(de christenen) opdat zij Christenen zouden mogen worden, vanwege de liefde, die ze (christenen) tot hen hebben.
En wanneer ze Christenen geworden zijn, noemen ze (christenen) hen broeders en zusters. Ook de brief van Paulus
aan de Corinthiërs spreekt boekdelen in dit verband (48)
(49). Zelfs in de eerste eeuwen, maakten de christenen geen
bezwaar tegen de slavernij. Zo vindt Clemens van Alexandrie (180) het niet fatsoenlijk dat christelijke echtgenoten elkaar
kussen in het bijzijn van slaven, maar dat diezelfde (christelijke) echtgenoten slaven bezaten vormt blijkbaar voor hem
(én voor dito echtgenoten) geen enkel moreel probleem. De ethiek van de christenen was primair naar
binnen gericht, d.w.z. de christenen hielden zich vooral bezig met de vraag hoe zij zich ten opzichte van elkaar behoorden
te gedragen. De gemeente kende tevens weinig landbouwers die het nieuwe geloof aanhingen omdat de eerste
christelijke gemeente ontstaat in de stad en omdat boeren in principe aan voedsel geen echt gebrek hadden.
Nu moet men met zulke vaststellingen voorzichtig zijn want de zwarte armoede was reeds lang doorgedrongen in bepaalde
plattelandsstreken van Judea (50).
Duquesne merkt in dat
verband op dat 'de kleine boeren bezaten wel eigen erven, maar ze werkten tevens als landarbeiders,
samen met slaven (niet veel en meestal buitenlanders) op de grote landgoederen. Als ze tenminste arbeid
konden vinden. De opmerking van Mattheüs in dit verband laat ons vermoeden dat er werkloosheid heerst
op het platteland wanneer hij het heeft over de 'werkers van het elfde uur'
(51).
De reden waarom er zo weinig boeren - zeker in het begin - zich aansloten bij de christenen ligt vermoedelijk
elders (52).
Om terug te komen op de maaltijden: deze waren van een grote betekenis. Samen (ogenschijnlijk
kosteloos) aan de dis zitten, verhoogde het gevoel van gelijkheid. Overigens, als we de evangelies mogen geloven,
schijnt het er best gezellig te zijn geweest, maar het verplichtte de aanzittende (aanliggende) tot een zekere
sociale reciprociteit, tot een groepsverplichting. Daarom tekende er zich vanaf het begin een trend af die eiste dat
ieder lid der gemeente veel zou verkopen van wat hij bezat en dit geld zou beschikbaar stellen aan de armen
(lees: de armen van de eigen christelijke gemeente) om onder hen verdeeld te worden. Hier zijn de evangelies
zeer duidelijk (53)
(54).
De optimale vrijgevigheid tussen de broeders en zusters van de gemeente was in principe
spontaan, maar wee de broeder of de zuster die in zijn intentie om te verdelen tekort schoot en probeerde iets
achter te houden, zoals Ananias en Saffira. Zij beiden in ieder geval moesten hun bedrog bekopen met de dood
(55)
tenzij men deze passage als een stichtelijke beschrijving moet beschouwen.
3.De tweespalt tussen de 'joodse' christenen en de 'heidense' christenen.
De adepten van Jezus schijnen vrij vroeg succes te hebben geboekt met hun 'Goede Boodschap', binnen
(56)
maar ook buiten Jeruzalem (57).
Dit blijkt duidelijk uit de Handelingen. In het eerste jaar (Bennet Peter, 136) reeds
begonnen de gemeenten snel toe te nemen: Arameessprekende gemeenten in Jeruzalem, door heel Judea en Galilea.
Griekssprekende gemeenten in Caesarea, Ptolemaïs, Tyrus, Sidon en Antiochië. Er waren waarschijnlijk gemeenten
in Samaria. (Hnd. 9,31). Niettegenstaande er tussen Jeruzalem en de overige delen van het
Levantijnse deel van het Romeinse Rijk er een druk verkeer allerhande heerste, wist geen enkele andere cultus in
het keizerrijk zich zo vlug uit te breiden als het christendom (58)
, zo heeft men lange tijd beweerd. Sommige historici betwisten meer en meer deze vlugge verspreiding
van het christendom. Het tegendeel zou waar zijn geweest (59).
De meeste allereerste christenen bleven echter zeer vrome joden
(60), die zich strikt hielden aan de joodse wet.
De kleine gemeente van Jeruzalem deed dus geen afstand van de Thora
(61) maar schijnt deze naar de letter
gevolgd te hebben (62). Jeruzalem
was in die tijd het centrum van het joodse geloof en vele joden, soms zelfs uit Brittanië, het Rijn- en Donauland, vervulden er hun religieuze plicht en bezochten
minstens éénmaal per jaar de Tempel in Sion. De streek van Galilea (in het Hebreeuws gelil-ha-goyiem, het land der heidenen)
was het meest gehelleniseerd en werd daarom wellicht wat minder in de gaten gehouden door de Romeinen. Het gebied was uiterst
geschikt om als vrijhave te dienen voor joodse revolutionaire gedachten en groeperingen.
Strobel meent zelfs dat 'Pilatus natuurlijk wist dat Galilea het thuisland en de brandhaard was van fanatieke, Rome-vijandelijke groepen'.
De Zelotenbeweging zou gesticht zijn in het jaar 6 door Judas de Galileeër.
Veel Sicariërs ('dolkmannen') waren dan ook Galileeërs. Volgens Pinchas Lapide waren er sinds de Makkabeeën tot het einde
van de joodse onafhankelijkheid onder Bar-Kochba niet minder dan 62 oorlogen en opstanden geweest
tegen de heerschappij van de Grieken en Romeinen. Daarvan begonnen er 61 in Galilea... De vergrieksing van Galilea was vooral te vinden in de grensstreken.
Het binnenland bleef joods. De hellenisering bleek overigens lang niet altijd uit het geloofsleven van de Galileeërs
(zie opmerking van Renan noot 33). Evenmin was er sprake van een georganiseerde heidense cultus.
Niet iedereen echter schaart zich achter de bovenstaande visie en volgens sommige deskundigen zou het
zelfs zo zijn dat Galilea zeer laat werd 'verjoodst' (63)
Toch waren er ettelijke joden, zelfs in Jeruzalem,
die in hun dagelijkse bedoeningen de 'Griekse' (heidense) manier van leven in grote mate hadden overgenomen. Vergeten
we niet dat, ruim twee eeuwen voordien reeds, de vrij sprankelende en soepele Griekse vertaling van het
logge en eerder somber hebreeuwse Oude Testament door de (legendarische) tweeënzeventig mannen (Septuagint),
onder meer bijgedragen had tot een minder strakke joodse leefcultuur en dit weerspiegelde zich zeker bij
de zogenaamde joden uit de toenmalige diaspora. Antiochië, Korinthe, Damascus, Efese, Edessa, Babylonië en vooral
natuurlijk in Alexandrië waar vele joden een comfortabel bestaan hadden opgebouwd.
In Alexandrië ontmoetten Oost en West mekaar. De Romeinen noemden het 'Alexandria ad Aegyptum', oftewel Alexandrië bij Egypte.
Dit gevoel gescheiden te zijn van de rest creëerde voor de denkers en dichters een klimaat van vrijheid, dat wil zeggen
vrijheid om theorieën te ontwikkelen of te verbeteren, om dingen uit te vinden en om algemeen aanvaarde ideeën aan te vechten…
( Vrij naar Churton, 35). Maar deze stad was tevens van heinde en verre bekend om zijn bloeiende joodse cultuur.
Men schat het aantal joden in het toenmalige Palestina op 600.000 tot 2.5 miljoen, terwijl de joden in de hele diaspora
ruim boven de 4 miljoen lag. Een behoorlijk aantal van deze joden zou men kunnen bestempelen als de meer 'liberale' joden en zij zaten
geprangd tussen Judaïsme en Hellenisme. Als Alexandrijnse joodse filosoof besefte Philo (30 v. C.- ca. 32 na C.)
dit maar al te best en hij had geprobeerd het jodendom te herinterpreteren in termen van de Griekse wijsbegeerte.
Zoals de toenmalige 'moderne' Grieken hun godenverhalen allegorisch uitlegden en lieten kloppen met nieuwere
filosofische inzichten, zo begon Philo de Thora in dit opzicht te verduidelijken door bijvoorbeeld aan te
tonen dat Mozes veel meer bedoelde dan dat men uit zijn geschriften meende te moeten lezen. Zonder het te willen,
anticipeerde Philo op de latere onderrichtingen van Paulus. Bovendien ging Philo er van uit dat God slechts
begrepen kon worden door de krachten die hem vergezellen, dus aan zijn emanaties. De eerste emanatie van God
noemde hij de Logos, de bedoeling van God, die de mensen kenbaar werd gemaakt door het woord. Vanuit de Logos
zijn er weer vele emanaties die tussen het goddelijke en het aardse zweven en die aangeduid worden met
'engelen' .We zien hier reeds overeenkomsten met de joodse mystiek en de latere
gnostiek (Slavenburg,VE,blz. 27). De situatie van de joden in de diaspora was
dubbelzinnig in menig opzicht: velen onder hen vereerden nog Jahweh, baden in hun synagogen, maar hadden
kennelijk moeite met bepaalde voorschriften zoals de besnijdenis, de sabbatrust, het verplichte bezoek aan
de Tempel, de spijswetten...Dit alles bemoeilijkte immers hun dagelijks leven, zeker 'in het buitenland'.
Maar er waren er ook ettelijke die het geloof van de voorvaderen hadden opgegeven en eigenlijk geen alternatieve
religie hadden gevonden, noch de behoefte voelden om daar echt op zoek naar te gaan, alhoewel zij openstonden voor elke nieuwigheid op dit vlak.
Zij waren het nochtans bij wie de vroegchristelijke 'zendelingen'
vrijwel zeker één van hun initiële successen boekten. En de dag van vandaag is dit niet anders
(64). Maar evenzeer bij de 'gematigde'
gelovige van de hellenistische joden was het paulinische christendom een gelukkig compromis, want
al brak het met een zekere joodse traditie, toch was er een zekere continuïteit, meer nog, de nieuwe leer
bood hun een uitweg, zonder dat zij hun culturele eigenheid echt moesten prijsgeven: Jezus was jood en de
Nieuwe Boodschap was niets anders dan de voltooiing, de bekroning van de Oude. Vooral bij de zogenaamde
'Godsvrezenden' schijnt Paulus aanvankelijk succes geboekt te hebben, tenminste indien we
Handelingen mogen geloven. Het verhaal van Lydia is zeker illustratief in dit
opzicht (Hand. 16,12-13) De Vereer(s)(t)ders van God waren heidenen
die zich wel aangetrokken voelden tot het jodendom, maar niet volledig tot het joodse geloof bekeerd waren.
Zij volgden op hun manier de Thora, namen deel aan synagogendiensten, maar onderwierpen zich niet aan de doop,
noch aan de strenge rituele geboden van de joodse wetsvoorschriften zoals deze door
nauwlettende schriftgeleerden opgelegd werden. Ten tijde van Nero bijvoorbeeld was het Judaïsme uitgegroeid
tot een rage omdat vele niet-joden zich aangetrokken voelden tot het overzichtelijk monotheïsme. Zo schijnt
het dat Nero's vrouw, Popaea, ook behoorde tot de groep van de 'Godsvrezenden'
. (Wilson ,13). Tegen het einde van de 1ste eeuw, tijdens de joodse oorlogen achtten
de Flavische keizers het noodzakelijk wetten uit te vaardigen die het besnijden van niet-joden tot een halsmisdaad
maakten.(Wilson,125). Het jodendom bleef blijkbaar de niet-joden aantrekken. De synagogen in
de diaspora waren maar al te blij (in tegenstelling tot de meeste Jeruzalemse schriftgeleerden!)
deze gehelleniseerde joden of sympathiserende niet-joden te kunnen verwelkomen.
Deze mensen waren niet altijd eenvoudige lieden: Lydia, was een niet-joodse en had een handel in purper,
in die tijd een zeer winstgevende zaak. Zij zal zeker een vrij zelfstandige vrouw geweest zijn, want
ze stelt haar huis in Filippi ter beschikking, nadat zij en haar huishouden zich heeft laten dopen door Paulus.
Alhoewel er ook mannen waren die 'Godsvereerders' waren, toch schijnt dit geloof vooral vrouwen te hebben aangetrokken.
Steeds weer duikt het verhaal op dat vele vrouwen van heidenen een 'penchant' hadden voor het jodendom.
Josephus vermeldt dit terloops in zijn
'Joodse Oorlog' (65).
Bij de toenmalige joods-christelijke Jeruzalemse christenen deden de verschillen in een al dan niet orthodoxe
levenswijze zich dan ook vlug voelen. Van de ene kant had men de plaatselijke hebreeuwse groep onder de leiding
van Jacobus, de Tsaddiek (Rechtvaardige), de broer van Jezus. Zo stelt Daniélou: 'De Handelingen beschrijven
ons niet alleen het milieu waarin de gemeente van Jeruzalem zich ontwikkelde, zij laten ons ook een
glimp zien van de wijze waarop de eerste christenen leefden. Dezen bleven deelnemen aan het godsdienstig
leven van hun volk (J. Daniélou, blz.18).
Deze kring stond op een nauwkeurige naleving van de
Mozaïsche wet en deze aanhangers waren zeker sadocietisch want ze namen deel aan de godsdienstoefeningen die iedere dag in de Tempel plaatsvonden.
Hiertegenover plaatsten zich de helleniserende christenen
(66) onder de leiding van de welbespraakte
maar heetgebakerde Stefanus. Deze laatste schoot er uiteindelijk het leven bij in na een confrontatie met het
Sanhedrin (67). Hevige discussies laaiden
op tussen de twee strekkingen maar na de dood van Stefanus en ook wegens de manifeste opgezweepte sfeer en
de vijandige stemming in de Jeruzalemse omgeving, verliet een aantal 'Griekse' jodenchristenen Jeruzalem
rond het jaar 38. Het is zelfs helemaal niet uitgesloten dat sommige van deze 'hellenistische' christenen
lid waren (of geweest waren) van een inwijdingscultus en dit zou dan wel kunnen verklaren waarom de gnostiek
al zeer vroeg de christelijke rangen infiltreerde. Dat dit wel degelijk het geval zou kunnen geweest zijn blijkt uit het feit dat Paulus
onrechtstreeks verwijst naar mogelijke 'vroegchristelijke gnostische'
opvattingen (I, Cor. 14) die probeerden ingang te vinden in 'zijn' gemeenten. Sommige auteurs ( zie Freke en Gandy
, blz. 191 e.v.) gaan hier zeer ver in en postuleren zelfs dat Paulus een gnosticus was. Zij menen dit te kunnen afleiden, bijvoorbeeld,
uit de terminologie die Paulus gebruikt in zijn brieven.
Ook bij Marcus is er een zeer enigmatisch vers dat zou kunnen verwijzen naar de gnostiek
(68) (69).
Hoe het ook zij, sommigen van deze gehelleniseerde vroege christenen vestigden zich in Damascus en in Antiochië. Zij gaan zich in hun proselitisme
vooral richten tot mensen die zich dezelfde Griekse cultuur hebben eigen gemaakt en boeken een behoorlijke
bijval.
Kortom, 'het' slaat aan (70),
omdat zij de nieuwe leer uitdragen op de 'Griekse' wijze (niet meer op
een 'Joodse' manier) en dit doen
ze eenvoudigweg omdat zij zich in vele opzichten Grieks voelden. Het vrijmoedig gedrag echter (lees - niet-hebraïsch -) van deze
Antiochese christenen deed de moederkerk in Jeruzalem meer dan eens de wenkbrauwen fronsen want de nieuwe
gemeente in Antiochië werd erg vrank. Er werd een delegatie gezonden naar deze stad met o.a. Barnabas, een Cypriotische leviet.
Barnabas wordt echter zodanig overtuigd 'van de oprechtheid' van de Antiochese christenen, dat hij zich
daar vestigt en hij zich verder laat bijstaan door een andere jood, een pas bekeerde christen, afkomstig
uit Tarsus in Cilicië. Antiochië was zoals vele metropolen uit die tijd. Ze trok mensen van alle streken aan met alle gevolgen
van dien (71). Trouillez
stelt : "aan de ontwortelden die in die smeltkroezen (steden) hopeloos naar een identiteit op zoek waren,
had het christendom niet alleen een nieuwe identiteit te bieden als het ‘ volk van God’, maar ook het gevoel bij
een hechte gemeenschap te horen en mee te tellen…” (Vrij naar Trouillez, Van Petrus tot Constantijn, blz. 33).
De stad was verdeeld in wijken waaronder een joodse en in de Romeinse tijd telde Antiochië een hoog percentage joodse inwoners.
Het was een grote kosmopolitische stad, voor een groot deel gehelleniseerd en waar het evangelie buiten het
kader van de synagoge trad. Predikers afkomstig uit Cyprus en Cyrenaica verkondigden er aan de Grieken,
of aan heidense joden. We kennen zelfs enkele 'hellenistische' predikers bij naam: Simon Niger, Lucius
van Cyrenaica en Manaën, de zoogbroeder en jeugdvriend van viervorst Herodes Antipas. ...Kortom de kerk van deze stad bestond
voor een stuk uit verjaagde hellenisten en deze kerk had andere kenmerken dan de moederkerk van Jeruzalem.
Het was een gemeenschap die ontstaan was onder de druk van de complexe omgeving die een grote kosmopolitische
stad uitoefende. Toch laat Jeruzalem het hier niet bij.
De vrijgevochten houding van de Antiochiërs moet kost wat kost bijgestuurd worden. Er komt een duidelijke
waarschuwing uit Jeruzalem: als iemand niet trouw blijft aan de observantie van de Wet mét de besnijdenis en
al de overige plichtplegingen die er bij horen, dan is het geloof in Christus vruchteloos en is er geen enkele
hoop op het Heil! Eerst probeert men ter
plaatse tot overeenstemming te komen, maar geen van beide partijen wil wijken. Er wordt besloten het twistpunt
voor te leggen aan de beslissende uitspraak van de apostelen en de oudsten in Jeruzalem. Om die redenen wordt dan rond 48-49
een eerste
vergadering (een synode of een eerste concilie?) gehouden. Na hevig heen en weer gepraat, bindt Jacobus in,
tot iedereens verrassing (72) (alhoewel
Paulus in geen enkele van zijn brieven ooit zal gewagen van een echt compromis of iets wat er op zou
wijzen) (73). De Mozaïsche wetsobservanties
zijn niet meer noodzakelijk voor het heil van (let wel) de heiden-christen. Had Jezus niet gezegd (of Paulus?)
dat bij de parousie het voorhangsel van de tempel zou scheuren (die de joden scheidt van de heidenen) zodat er
in de ogen van God geen verschil meer zou zijn tussen de volkeren ? (Wilson,I) Het prille
christendom breekt hier uit zijn joods-etnisch carcan en wordt overvloedig overgoten met een hellenistische saus.
Paulus, de revisionist (74)
(75), zal hier optimaal gebruik van maken wanneer hij de
opdracht krijgt het 'Woord' te brengen bij de (echte) heidenen. Volgens hem had Jezus het Oude Verbond
vervangen door het Nieuwe Verbond. Jezus was de verwachte Messias. Immers, zijn dood en opstanding hadden
een nieuwe fase ingeluid in de verlossingsleer want Hij incarneerde het Nieuwe Verbond. En wat meer was:
Zijn Komst was immanent. Deze wederkomst van Jezus werd door de eerste christenen gezamenlijk en
in optimale solidariteit afgewacht. Besnijdenissen, spijswetten en dergelijke hoefden niet meer. Paulus
gaat door die non-conformistische houding geregeld problemen hebben met orthodoxe joden op zijn rondreizen.
Evenmin zou het christendom nog ooit haar basis kunnen hebben op één plaats
(Jeruzalem) zoals Jacobus de Tsaddiek dacht (76).
Wellicht is het niet altijd wat op het eerste zicht lijkt. Goguel oppert dat Paulus zich nooit helemaal heeft kunnen
losmaken van zijn joodse oorsprong noch van het Oude Testament. Zo stelt Paulus in zijn brief aan de Romeinen I, 16:
"Voor dit evangelie schaam ik mij niet. Het is een goddelijke kracht tot redding van ieder die erin gelooft, allereerst
(!) de Joden maar ook de Grieken." Volgens Goguel moet men dit letterlijk verstaan. En alhoewel Paulus zich permanent
moest verdedigen tegen de 'Judaïsten' en tegen de judaïserende christenen, toch laat hij in Hand 16, 1-3 Thimotheus
besnijden. Er was vanaf het begin een strijd over de vraag of de heidenen moesten toegelaten worden tot een tot
dan toe uitsluitend joodse messiaanse beweging en hoe ze geïntegreerd dienden te worden. Het is pas wanneer de
Joden de Nieuwe Boodschap niet aanvaarden, dat deze wordt opengesteld aan niet-joden. Ook bleven de regels van
de Wet gelden voor de Joden tot aan de wederkomst van Jezus. Dan pas zouden de wetsvoorschriften vervallen want
na de parousie zou deze wetsobservantie volstrekt overbodig worden. Vandaar dat het helemaal niet uit te sluiten
is dat de echte gangmaker van het vernieuwend paganochristendom niet alleen Paulus was, maar misschien
nog meer Barnabas. Hij zou wel een Cyprioot (een Griek) geweest zijn maar geen 'leviet' en de feitelijke
bezieler van de kerk van Antiochië. Het zou vooral Barnabas geweest zijn die zich als niet-jood veel 'liberaler'
zou hebben opgesteld tegenover het ritualisme van de Joodse Wet. Ook komt het aan Barnabas toe de initiële
initiatieven genomen te hebben voor de eerste zendingsmissies en deze zouden zich niet louter beperkt hebben
tot de synagogen van waaruit de Jood Paulus meestal rekruteerde.
In die eerste jaren zou er zelfs een evangelie van Barnabas geweest zijn dat verloren is gegaan. Er is ook de brief van
Barnabas, een geschrift misschien uit het einde der eerste eeuw. Hierin wordt zonder pardon afgerekend met de Joodse religieuze gebruiken.
In ieder geval aan de eerste samenkomst te Jeruzalem hing toen al een prijskaartje vast: Paulus en zijn medestanders verbonden zich ertoe het geld, dat hij
zou verzamelen tijdens zijn reizen, te sturen naar de Armen van Jeruzalem hetgeen hij deed rond het jaar 57
toen hij terugkeerde naar Jeruzalem met het geld van rijke christenen uit Macedonië en Achaje.
Voorgaande bevestigt misschien onrechtstreeks het bestaan van Ebionieten (ebioniem: de armen in Jeruzalem in die tijd.
Zie ook noot 124). Maar tot
wie ging Paulus zich richten? Gezien Paulus' persoonlijkheid en geestesgesteldheid ligt het voor de hand
dat zijn eerste gehoor voor een groot deel gehelleniseerde joden moeten geweest zijn vermits zij het best
ontvankelijk waren voor de nieuwe leer omdat deze voor een groot stuk aansloot op hun culturele achtergrond.
Bovendien kon Paulus, die daarbij jood was, gebruik maken van de netwerken die de joden in de diaspora
hadden opgebouwd. En dat waren er heel wat! Sommige hedendaagse schrijvers gaan heel ver op dit punt.
Want indien tot nu toe aangenomen werd dat de joden de christelijke boodschap al gauw verwierpen, meent
Rodney Stark integendeel dat de grootste aanwas van het christendom bestond uit joden en zelfs tot het
midden van de tweede eeuw (77).
Het feit dat Suetonius terloops meldt dat er rellen uitbraken tussen de joden in Rome (rond het jaar 50)
'op instigatie van een zekere Chrestos', zou er op kunnen wijzen dat joden en christenen veel op
mekaar geleken. Het gevolg van die rellen was dat Keizer Claudius de joden (en christenen?) uit Rome
verbande. En het is inderdaad opmerkelijk dat de snelle uitbreiding van het christendom zeker rond die
tijd plaats heeft in streken waar de joden uit de diaspora uitzonderlijk goed vertegenwoordigd zijn.
Dat er een concurrentie plaats greep tussen joden en christenen is duidelijk in Judea waar de Rabbijnen
in hun synagogen tegen het einde van de eerste eeuw, een tijdje na de val van Jeruzalem, een anathema
('verwensing' maar eufemistisch een 'zegen') invoegden in de achttien dagelijkse gebeden en
lofprijzingen en wel de volgende: "dat de Nazoreeërs (78)
en de ketters plots mogen vernietigd worden en verwijderd uit het boek van het Leven." Deze grote antipathie
van de toenmalige rabbijnen tegenover de volgelingen van Jezus, werd versterkt door het feit dat de
rabbijnen de christelijke joden verweten vaandelvlucht te hebben gepleegd tijdens het beleg van Jeruzalem
toen diezelfde christenen massaal naar Pella (in Gilead) vluchtten vóór de val van de stad in plaats het heilige Sion
en zijn Tempel mee te helpen verdedigen. Het absolute breekpunt met de Joden kwam er na de opstand van Bar
Kochba in 135. Dit was een messiaanse revolutie en velen dachten dat Ben Kochba de langverwachte
Messias was. De christenen namen niet deel aan deze messiaanse opstand vermits zijn geloofden dat Jezus
de ware verlosser was en niet Ben Kochba. De joodse christenen streden niet mee in deze bloedige oorlog
en weer werden zij beschouwd als verraders en volstrekt onbetrouwbaar. Celsus, die het niet al te hoog ophad
met de joden, had respect voor hen omdat zij tenminste het geloof van hun voorouders bleven aanhangen,
terwijl de christenen geen enkele voorouderlijke religieuze traditie hadden noch deze van de joden volgden,
alhoewel de christenen toch beweerden dat hun religieuze moraal zijn oorsprong vond in de joodse
traditie'. Een interessant gegeven blijkt uit archeologische opgravingen. We stellen vast dat
in één geval alleszins, de christelijke vergaderplaats niet ver lag van de synagoge, meer bepaald in
Kafarnaüm. Hier lagen de beide plaatsen tegenover elkaar in dezelfde straat en dit tot in de 7de eeuw, zo beweren archeologen.
Terug naar indeling.
HOOFDSTUK III: DE GERUISLOZE METAMORFOSE VAN DE OERCHRISTELIJKE GEMEENTE.
1. De beperkte gemeenschap van de goederen was niet vol te houden.
We zeiden reeds dat een beperkte goederengemeenschap één van de kenmerken was van de oerchristelijke gemeenten.
Dit veronderstelde dat ieder lid van de gemeente alles (of heel veel) zou verkopen van wat hij bezat om
het onder de broeders en zusters te verdelen (sommige specialisten menen hier een duidelijke Esseense
invloed te bespeuren en een navolging van de habouroth) (79).
Dit was op termijn natuurlijk niet vol te houden om verschillende redenen.
Op de eerste plaats zou dit veronderstellen dat minstens de helft van de toenmalige maatschappij ongelovig
moest blijven, omdat er anders niemand zou zijn waarvan de christenen de goederen konden kopen die ze nodig
hadden. Er moesten immers altijd mensen overblijven die produceerden.
Op de tweede plaats was het aantal gelovigen dat wat eigendom bezat in deze periode gering. Er viel dus niet
zovéél te verdelen, zeker niet als men de rijke of zelfs de begoede mensen bleef uitsluiten. Een belangrijke
reden lag eveneens verscholen in het eschatologisch gedachtegoed van de eerste volgelingen van Jezus. Ook voor
de Essenen lag de Eindtijd, een nakende nieuwe orde, in het verschiet. Johannes de Doper waarschuwde de mensen
dat ze zouden vernietigd worden bij het komend oordeel indien zij zich niet bekeerden.(Sanders, Jezus ) (
Mt. 3,7-10 en Lc.3,7-9). Was het Koninkrijk Der Hemelen niet aanstaande
(80) ? Had Jezus niet verkondigd dat het
Koninkrijk van God zou komen, zoniet tijdens hun leven, dan zeker kort erna
(81)
(82)
(83) ?
De jonge christenen gaven uiting aan dit rotsvaste geloof door de uitroep: 'Maran Atha': de Heer komt! Of was het een smeekbede: Here, kom toch!
Een gemeenschap der goederen, de onderlinge ondersteuning was bij de eerste christenen vooralsnog een
tijdelijke maatregel in afwachting van de parousis, of de tweede komst van de Mensenzoon
(84). De eerste
eeuw van de christengemeenschap kenmerkte zich dan ook door een hooggespannen verwachting in 'een zeer
spoedige wederkomst van de Heer' (85).
Zelfs Jozef van Arimathea leefde in de verwachting van het toekomstig
koninkrijk (Mc. 15, 43) dat een spirituele ommekeer inhield, een metanoia, een ommezwaai naar alleen het goede
(86)
(87).
2. Het aantal christenen groeit.
De enkele vroegchristelijke gemeenten waren onderling verbonden. Zij onderhielden vrij regelmatige contacten met elkaar.
Maar in feite worden we onnauwkeurig ingelicht over de eerste gemeenschappen.
In het begin was er geen echte georganiseerde verspreiding van de christelijke boodschap.
De allereerste volgelingen van Jezus waren rondtrekkende predikers die, hoogstwaarschijnlijk bezitloos,
van gemeente tot gemeente trokken om nieuwe mensen te overtuigen of om de plaatselijke christenen te
onderrichten en aan te moedigen. Zij bevonden zich trouwens in goed gezelschap, want zij waren niet de enigen die
op ronde waren (88).
Aangezien ze als voormalige eenvoudige mensen uit Galilea de bron van hun inkomsten hadden verloren mogen
we veronderstellen dat zij en bijna zeker ook vergezellende familieleden -Paulus bevestigt
dit laatste onrechtstreeks in Corinthiërs in (Cor. 9,3-6) - onderhouden werden door de
door hen overtuigde luisteraars of sympathisanten. Door de enkele reeds bestaande christelijke
gemeenten wordt hun praktijk verlicht op dit vlak. Immers, het was een eer een naaste medewerker
van de Heer te kunnen ontvangen en niets mocht hem ontbreken op materieel vlak. Dit was zo
in het prille begin. Maar nu moest de blijde boodschap worden verkondigd ver buiten Palestina.
En zo ontstaat nu een nieuw type zendelingen die zich het stichten van (christelijke) gemeenschappen
tot taak stellen. Op hun verre reizen door de landen rond het oostelijk deel van de Middellandse
Zee vinden ze in deze gemotiveerde gemeenschappen (die er zeer vroeg moeten geweest zijn)
veel meer steun dan de kring rond Jezus, die het zonder de hulp van gelijkaardige 'gemeenten' moest
stellen, alhoewel dat laatste misschien toch niet helemaal zo is
(89). Als zendeling van deze tweede soort hoefde hij
(en zij) bovendien niet voortdurend onderweg te zijn, maar kon hij een poos in een gastvrije gemeente
verblijven, misschien een ontwikkeling die de medewerking van vrouwen met gezin vergemakkelijkte.
"Naast de rondtrekkende predikers van het 'oude type' en de zendelingen van het 'nieuwe type ' kunnen nog een derde soort zendelingen van 'het nieuwe type' worden
genoemd, die zoals Prisca en Aquila niet naar nieuwe zendingsgebieden trokken, maar in de reeds bestaande
gemeenten door stichting van een eigen huisgemeente aan gemeenteopbouw te doen. Zo krijgt het leven der
christenen rond het midden van de eerste eeuw op allerlei manieren gestalte en geeft het mensen van verschillende
herkomst, verschillende status en verschillend geslacht de mogelijkheid hun overtuiging naar de mate van hun
eigen vaardigheden en mogelijkheden te ververwerkelijken. De bijdrage van de vrouwen is daarbij onmogelijk
weg te denken." (vrij naar S.Heine). De eerste kernen gaven eerder de indruk nogal op zichzelf gekeerd te
zijn hetgeen door -al dan niet- christelijke auteurs schijnt bevestigd te worden
(90)
(91). Deze christenen
zouden op hun manier zelfs wat elitair geweest zijn (92)
en verdacht van allerlei praktijken (93), wat later
door Origines vanzelfsprekend wordt bestreden
(94). Reeds veel vroeger had Tacitus betoogd dat christenen niet
geliefd waren bij de inwoners van Rome. Hij wrijft hen vooral de 'haat tegen het menselijk geslacht' aan. De christelijk fanatieke
Carthager, Tertullianus, beklaagt zich er over dat de christenen de schuld van alles en nog wat krijgen.
(95)
Tegenstanders noemden hen spottend 'het derde geslacht', omdat ze geen joden waren en evenmin heidenen.
Sommige auteurs gaan nog verder en stellen dat christenen in de onmiddellijke na-apostolische tijd zich
niet op grote schaal inlieten met het bekeren van de heidenen. Dit is hoogst onwaarschijnlijk want het
nieuwe geloof breidde zich gestadig uit, al is het natuurlijk zo, dat lang niet iedereen die enige interesse
vertoonde voor het nieuwe geloof, effectief christen werd of als christen stierf. Naast de successen
werden er verliezen geboekt. Het is ook mogelijk dat er periodes waren waarin men streefde
naar een consolidatie van de gemeenten. Voorgaande moet worden gezien in het licht der christenvervolgingen,
die toen op bepaalde plaatsen schering en inslag waren. Als gevolg hiervan kunnen nieuwsgierige niet-gelovigen
(spionnen, verklikkers) wel eens geweerd zijn bij de ceremonieën
(96). De plechtigheden waren overigens nauwelijks aantrekkelijk
in die tijd voor de wat bemiddelde of ontwikkelde mens. We weten dat christenen samenkwamen in privé-huizen
want tempels hadden ze niet. Iedere man of vrouw kon in principe als prediker optreden en sprak zoals hij/zij
gebekt was. Gezien hun achterban kon men zich op hun religieuze samenkomsten verwachten aan een preek in
een vrij platte taal die uitpuilde van volkse- en eerder naïeve gezegden. Simpele, uiterst ongecompliceerde
populaire parabels, die in de smaak vielen van de evenzeer (meestal) argeloze gelovige volgelingen
(97).
Kortom een soort 'spekpaterstijl'. En toch, soms kon, hoe paradoxaal ook, deze manier van optreden juist wél
bekoren en leiden tot bekeringen
(98), precies omdat de taal zo ongecompliceerd was en spontaan uit het hart
kwam. Daarenboven boden de christenen een eenvoudig en daarom aantrekkelijk monotheïsme aan en dit vaak in
tegenstelling tot de wirwar van het algemeen geldend polytheïsme dat, psychologisch (en therapeutisch) gezien,
mogelijkerwijze niet meer helemaal voldeed en geleidelijk disfunctioneel aan het worden was
(99).
En dit was zeker zo in perioden waarin het Rijk geteisterd werd door epidemieën. Zo brak er tijdens de
regering van Marcus Aurelius (165) een niets ontziende besmettelijke ziekte uit (waarschijnlijk pokken)
en het aantal slachtoffers schat men tussen de 10% (Litman) en 25 tot 30% (McNeill) van de totale bevolking.
Honderd jaar later werd het imperium alweer geteisterd door verschrikkelijke epidemie (mazelen?) waarvan we
meer getuigenissen hebben. Zo weet Cyprianus (251) te vermelden dat 'velen van ons stierven... De
rechtvaardigen stierven en de onrechtvaardigen...' en volgens sommige berekeningen zouden één- tot tweederde
van de bevolking van Alexandrië er aan bezweken zijn. De ziekte breidde zich razendsnel uit en maakte minstens
evenveel slachtoffers op het platteland als in de steden. Hele gebieden werden gedecimeerd, het land bleef braak
liggen. De reactie op zo'n omvangrijk onheil is veelvoudig van aard. "Waarom moet zoiets gebeuren??" zal de bedenking
zijn geweest van menigeen. De filosofen wisten het niet. "Waarom worden mijn broers en zusters getroffen en
ik niet? Waarom moesten zonodig mijn kinderen zo jong sterven? Wat is de bedoeling van de goden?" En dat was,
gezien de omstandigheden, een uiterst pertinente vraag. De heidense goden gaven weinig uitleg en hoe men ook
alles in het werk stelde om hen gunstig te stemmen, de ziekte woedde in alle hevigheid verder. De priesters
stonden machteloos, hun krediet brokkelde vlug af. Bij de christenen lag het anders. Hun godsdienst leende zich
beter om soelaas te brengen in deze barre omstandigheden. Deze altruïstische ethiek lag verankerd in hun leer
en dit vanaf het eerste begin. Had Jezus geen garantie gegeven aan de barmhartige volgelingen die zich op de
dag deze oordeels voor Hem zouden verschijnen en had Paulus niet gezegd dat 'als één lid lijdt, lijden ook de
andere leden' ? Mattheüs kon al niet duidelijker zijn: (Matth. 25:37-40): 'Dan zullen de rechtvaardigen hem
antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken
gegeven? En wanneer zagen wij U als vreemdeling en hebben wij U opgenomen, of naakt en hebben wij u gekleed?
En wanneer wij U ziek zagen of in de gevangenis, zijn we U komen bezoeken? De Koning zal hun ten antwoord geven:
Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringste hebt gij voor Mij gedaan.'. De christenen
hadden in al die jaren stevige sociale netwerken opgebouwd
(100) die geschraagd werden door een ijzersterke -en
goddelijke- doctrine, terwijl de relatie van de heidenen met hun goden vrij egocentrisch was. Dit in tegenstelling
tot de grote opofferingsgezindheid van de Nazareeërs. Bij het uitbreken van de plaag in Alexandrië meldt bisschop
Dionysios (248-265): '…Maar het gedrag van de heidenen was daarmee wel in schril contrast. Zelfs hun naaste
familieleden lieten zij in de steek. Half dood wierpen zij hen op straat en behandelden de onbegraven
lijken als walgelijk vuilnis, in hun poging de besmetting van de
om zich heen grijpende dodelijke ziekte te ontlopen.'. Natuurlijk stelde men altruïsme op prijs bij de
heidenen, maar het werd niet door de goden opgelegd. De goden lieten het aan de mensen over om hun medemensen
bij te staan.
Op de vraag van een mogelijk leven na de dood boden de Christenen een hoopvol antwoord aan.
Algemeen hield het joodse geloof ongetwijfeld zowel de strengheid in van een morele code als de eenvoud
van een monotheïstische filosofie (Wilson I,126). Daar kwam nu bij dat de christenen duidelijk stelden dat er een
beloning te verwachten was na de dood. Het ontbrak in die tijd niet aan een ruim aanbod van
verlossingsgodsdiensten, maar de vrije heldere hiernamaalsvoorstellingen van de christenen, de bewijzen
die ze konden leveren voor hun geloof (profetieën en het 'wonder' van Christus' opstanding), deden menig
eenvoudige ziel besluiten het voorvaderlijk geloof op te zeggen. Het christendom, zeker in de beginperiode,
beantwoordde aan de magie, de 'cultus van de wonderen', een cultus, die onontbeerlijk was in die tijd
(101).
Toch kunnen wij ons met een beetje verbeelding de toenmalige soort van bijgelovigheid voorstellen
(nihil novi sub sole) (102).
Het massale vertrouwen van mensen van generlei slag in de orakels van Didyma
en Claros bijvoorbeeld getuigt hiervan. En net zoals Asclepius, de Oosterse Isis, Serapis, Cybele en anderen
wonderen verrichtten, (zelfs de half-goddelijke en 'heidense' -en toch ook erg menselijke- Appolonius van Tyana
was een wonderdoener van formaat!) zo moest de god der christenen en zijn apostelen op dat vlak niet onderdoen. De 'leer
der mirakelen' is een typisch product van die tijd, zoals het christendom dat is. Het magisch denken was
bijhorig bij deze samenleving. Met andere woorden, het was adherent aan de toenmalige mentaliteit en het
was één van de vele factoren die bijdroeg tot de verspreiding van de leer van Jezus
(103)
(104).
3. De parousia blijft uit.
De eerste christenen keken vol verwachting uit naar signalen die de wederkomst van hun heiland aankondigden.
De voortekenen, die zeer spectaculair zouden zijn (105)
, lieten echter op zich wachten. En dit wachten
werd een vervelende zaak voor deze christelijke gelovigen. Daarbij kwam dat wat Jezus zeer duidelijk had gesteld
-namelijk dat sommigen de wederkomst nog in levende lijve zouden meemaken- niet uitgekomen was.
De Thessalonicenzen maken zich hierover zoveel zorgen dat Paulus in zijn brief(-ven) deze gemeente
probeert gerust te stellen door hen op het hart te drukken dat diegenen die reeds gestorven waren zouden
herrijzen wanneer de Heer zou terugkomen, zodat zij wel zouden opgenomen worden in het Koninkrijk.
Aan het einde van de eerste eeuw hadden de eerste volgelingen nog steeds moeite met het uitblijven van de
Wederkomst. De tweede brief van Petrus getuigt hiervan
(106). Ondertussen moesten zij zich permanent op de
laatste dag voorbereiden want deze zou komen 'zoals een dief in de nacht' (1 Thess. 5, 2 e.v). Dat God op
een dramatische wijze zou ingrijpen is een bijna zekere authentieke gedachte van Jezus zelf (en die we
vanzelfsprekend moeten terugplaatsen in een algemeen eschatologisch joods denken waarvan Johannes de Doper
één van de exponenten was) want zoals boven vermeld, vinden wij het geloof aan de parousia zeer regelmatig terug
bij Paulus (dus zeer vroeg reeds). En zoals wij weten kon Paulus geen voorkennis hebben van de evangeliën
(waren nog niet als dusdanig geschreven). Hoe langer dit wachten duurde, des te meer de gemeente zich noodgedwongen
moest gaan instellen op een langer verblijf op aarde. Tot nu toe waren de gemeenschappelijke maaltijden en een soort
mutualistische verbondenheid er in geslaagd de massa bijeen te houden, maar de gemeenten groeiden en zij hadden grotere
fondsen nodig om hun liefdadigheidswerken te kunnen voortzetten. Een nieuwe geesteshouding doet dan geruisloos zijn
intrede. Mogelijkerwijze vinden wij deze mentaliteitswijziging reeds terug bij de evangelist Mattheüs.
De tekst die aan de orale traditie, van (maar dan van een tweede Mattheüs?) Mattheüs wordt toegeschreven, werd vermoedelijk
op schrift gesteld rond de jaren 70-80. Mattheüs zou geput hebben uit andere bronnen zoals misschien uit deze van Thomas
(geschreven tussen de jaren 55 en 66, dus 15 à 20 jaar vroeger dan deze tweede Mattheüs.) (107)
Hoe het ook zij, het lijkt dat de geschriften van de nieuwe Mattheüs soms behoorlijk 'opgepoetst' zijn,
'gepredisponeerd tot' (108). Het is helemaal niet ondenkbaar dat het publiek tot wie deze
(X zoveelste versie van) Mattheüs zich
richtte een ander (joods) publiek was dan dat van een vroege Marcus of van een Ebionietische Mattheüs. Vermits men in het begin
de parousia verwachtte waren er in de kleine gemeenten geen echte bestuurders. Er waren wel personen die erg
gewaardeerd werden, naar wie men opkeek, om hun wijsheid of hun krachtige persoonlijkheid, hun rechtvaardigheid,
hun correctheid. Zij leidden feitelijk de plaatselijke gemeenschappen. Maar zelfs deze leiders hadden, op
uitzondering misschien van de echte apostelen, een eigen beroepsbezigheid. Reeds vroeg na de vestiging van
de Paulinische Kerk ziet men een andere soort christen opduiken: de rondtrekkende zendelingen, die
ook apostelen genoemd worden
(109). Daar zij dagelijks op reis waren, konden zij natuurlijk geen vast beroep
hebben en daarom voorzagen zij zich doorgaans in hun levensbehoeften door de bedelstaf, maar de woorden van
Jezus indachtig: niet als beroepsbedelaars
(110). Dit laatste kon men niet altijd weerhouden voor de heidense predikers
(111). Meestal werden de christelijke verkondigers door de gemeenten onderhouden
waar zij op bezoek kwamen en dit werd zelfs spoedig als een soort zedelijke verplichting opgelegd aan elke gemeente
die door een apostel werd aangedaan. Paulus is zeer spitsvondig hierover wanneer over dit onderwerp een
meningsverschil ontstaat met de Corinthiërs (112).
Edoch, dezelfde brief aan de Corinthiërs (113)
legt ook de vinger op de wonde. Een kwaal die een smet gaat
werpen op de latere zogenaamde 'apostelen', met name: de schuinsmarcheerders. En die waren er, zeer vroeg zelfs.
De Didache (Onderricht van de Heer overgeleverd door de twaalf apostelen aan de heidenen -hellenistsche
christenen-), een geschrift tussen 135 en 170, probeert duidelijk paal en perk te stellen aan deze uitwassen.
De Didache is een beknopte handleiding voor de rondreizende prediker. Hier is er wel sprake van een zekere
organisatie van het gemeenschappelijk leven, in het bijzonder die van de gastvrijheid
(114). Men achtte
het noodzakelijk dat de gemeente niet overstroomd en uitgebuit werd door pseudo-apostelen of bedriegers.
Heidense schrijvers, zoals de cynicus Lucianus, vinden in dit soort toestanden een gretig voer. Zijn verhaal
over Peregrinus Proteus spreekt boekdelen (115). Zulke anekdotes geven ons echter
een glimp van wat er
werkelijk loos was in de vroege christelijke gemeenten en dat een degelijke organisatie zich meer en meer opdrong.
4. De rekrutering verlegt zich.
De zogenaamde 'apostelen' hadden geen vaste woonplaats. Zolang het aantal gemeenten gering bleef, was het hen
vooral te doen om nieuwe gemeenten te stichten of te bezoeken. Op een gegeven ogenblik waren deze christengemeenten
zo talrijk dat deze apostelen ze onmogelijk allemaal konden aandoen. Bovendien werden de stadsgemeenten omvangrijker.
Er ontstond een behoefte om iemand 'vast' aan te stellen in een grote (en minder arme) gemeente op haar kosten.
Een persoon die als uitsluitende taak had zelf de 'boodschap' in de stad en omliggende uit te dragen en uit te
leggen. Hij werd aangesproken met de titel 'profeet'. De profeten kwamen natuurlijk al ras in concurrentie met
de zwervende apostelen, want ook deze laatste moesten op kosten van de gemeente onderhouden worden.
Niettegenstaande de grotere omvang van de gemeenten waren de middelen toch nog relatief beperkt.
De zogenaamde apostelen werden niet meer als echt nodig aangevoeld, ja zelfs niet meer zo gewenst.
Zij voldeden niet meer aan een maatschappelijke behoefte en waren stilaan een anachronisme aan het worden.
Kortom, men wilde ze liever kwijt dan rijk. Een profeet (profetes?)
(116) echter, die was zijn (haar)
voedsel waard: hij (zij) zette zich permanent én ter plaatse in voor de achterban.
De blijvende aanwezigheid in de gemeenten van de profeten verkleinde overigens de invloed van de rondtrekkende apostelen.
Dat de profeten geen slecht leven hadden bewijst weer eens de Didache
(117) maar ook hier moest men zich
hoeden voor valse profeten en in dit opzicht geeft de Didache evenzeer richtlijnen
(118). Zoals men kan
merken waren er toen reeds fricties merkbaar binnen de grote gemeenten
(119) en we stellen vast dat er
zeer vroeg al problemen ontstaan van allerlei aard. Die hadden vaak te maken met de plaatselijke
machtsverhoudingen in de jongchristelijke gemeenten. Zo bijvoorbeeld bij de voornoemde christelijke Corinthiërs.
De inwoners van deze stad, blijkbaar niet de gemakkelijkste mensen, kregen het aan de stok met hun eigen
'Raad van Oudsten', presbyters genaamd. Deze laatsten vormden de invloedrijke mensen uit de gemeenschap en zij kozen
de leider van de gemeente, die opziener of bisschop genoemd werd
(120). Wat er juist gebeurd is, kunnen wij
moeilijk achterhalen, maar we kunnen wel afleiden dat de gewone leden de Corinthische presbyters uit hun
functie willen ontzetten. De 'bisschop' van Rome Clemens tracht te bemiddelen maar Clemens van Rome is voorzichtig.
Hij maakt duidelijk aan de (christelijke) Corinthiërs dat de gelovigen niet onverantwoord
mogen handelen als ze presbyters willen ontslaan. Maar Clemens verbiedt het niet echt.
Er is al vroeg een soort machtsstrijd aan de gang in de gemeenten. Ook het overdragen van de leer was niet
altijd zoals het moest en gaf al zeer snel aanleiding tot dwaalleren. Zo dachten sommige inwoners van
Colosse dat de gemeenschap van de christenen door engelen werd bestuurd. Epafras die deze gemeente had
gesticht en leerling van Paulus, vraagt dan ook aan deze laatste zoveel mogelijk te weten te komen over de
engelen, want men moest deze wezens toch absoluut te vriend kunnen houden
(121). De 'crisis' bij de Colossensen was vermoedelijk
te wijten aan de invloed van een judeo-hellenistische gnose gepropageerd door bepaalde predikers die een eigen kosmogonie had opgebouwd.
Deze misvattingen stonden vaak rechtevenredig met een zekere culturele 'bijgelovige' traditie en met een alomverbreid
magisch denken van de apostelen en de profeten. Het weerspiegelt weer eens een onbevangen maar algemene
soort lichtgelovigheid en geeft ons een aanduiding van het soort van verbalisme die deze christelijke gemeenten bezigden.
Dit alles was eigen aan die tijd maar toch laat Celsus geen enkel moment voorbijgaan om tegen zulke verkondigers te fulmineren
(122). Maar zoals de 'apostelen' moesten gaan, zo
ook zijn de dagen van de vaak onwetende profeten geteld. In het algemeen bestonden deze beide categorieën
uit goedbedoelende mensen, die doorgaans wel meenden wat zij zeiden, maar die even vaak er zo maar op los
redeneerden. Toenmalige academici, zelfs indien zij al een initiële of matige interesse vertoonden in dit
eigenaardige geloof, werden al vlug afgeschrikt door de bijna boerse taal van de volgelingen van die
zogenaamde Christus. Er zullen zeker tal van uitzonderingen geweest zijn, maar de voorgangers die de plechtigheden
misschien op een serene manier konden leiden of met een zekere uitstraling, zij vielen vaak door de mand wanneer
zij begonnen te spreken. Dan kwamen zij primitief en infantiel over voor de wat ontwikkelde mens. De allereerste
literatuur van de oudchristelijke geschriften was strikt genomen ronduit abominabel (sermo sordidus). Zowel in de Griekse als in de Latijnse documenten vinden we
een uiterst eenvoudig stijlniveau en taalgebruik en het was meer een omgangstaal die dan toevertrouwd werd aan
de papyrus zonder enige consideratie voor grammaticale regels. Augustinus (123)
in zijn tijd (354-430) is zich nog
steeds bewust van dit euvel, maar het schijnt hem ogenschijnlijk niet erg te deren en
Ambrosius (339-397) (124) had er
zelfs een verheven uitleg voor. De eerste schrijvers waren nauwelijks op de hoogte van de klassieke retorica
en haar dwingende regels en menig latere christelijke auteur zette er zich zelfs tegen af en dit zeer vroeg al
zoals in de Didache en heel duidelijk zoals bij Tertullianus, maar ook veel later bij Hiëronymus
(125)
(126).
Bovendien waren sommige evangelisten met hun geschriften meer met de Semitische dan met de Grieks-Romeinse gedachtewereld
vertrouwd, het waren geschriften geschreven door joden voor joden. Het is zonder twijfel zo dat de sociale achtergrond en ook 'psychotechnische' (propagandistische)
motieven verantwoordelijk waren voor dit pover taalgebruik. De massa moest immers overtuigd worden. En dan doet
een derde soort voortrekkers zijn intrede: de leraars. Dit verreist enige uitleg. Het op het voorplan komen van
de 'leraars' doet veronderstellen dat er duidelijk iets aan het veranderen was
(127). Wij weten dat de rijken
nooit echt welkom waren in de vroege tijd. De enige welgestelden die men tot dan toe had weten te overhalen,
waren de enkele rijken die oprecht geloofden, of deze mensen die uit extreme philantropische motieven afstand deden van hun persoonlijke fortuin of een gedeelte
daarvan, of een idealistische jongere en minder jongere, doorgaans geblaseerd door een weelderig leven met
nihilistische omlijsting. Het waren dezen die vaak dreigden te stikken in hun eigen opulentie en daardoor een aversie hadden ontwikkeld tegenover
het materiële bezit. Bovendien waren er, die na een volgehouden losbandige jeugd, een haast pathologische afkeer voelden voor
elke vorm van lichamelijk of materieel genot. Zij verkochten alles wat ze bezaten en gingen de ascetische toer
op en probeerden een morele hergeboorte te beleven. Later, toen het Romeinse rijk zelf tekenen van verval begon
te vertonen, werd dit een vrij courante aanzet om het geloof van de voorvaderen vaarwel te zeggen. De vaak onbesuisde Tertullianus
verwijst er onrechtstreeks naar in zijn werk (!) ‘De patientia’ (over het geduld).
Cyprianus trad om die beweegredenen toe tot de leer van de Galileeër
(128). Van Augustinus horen we hetzelfde verhaal.
De vroege kerken bleven vooralsnog alleen bijval hebben bij de (zeer)lage middenklasse met af en toe
een rijkere geloofsgenoot. Maar de welstellenden die zo tot de eerste gemeenten toetraden bleven
uitzonderingen en het hielp de gemeenten niet veel verder. Hoe groter de gemeenten werden, hoe stringenter
de materiële nood zich deed voelen. Stilaan kwam een kentering op gang in de rekrutering. De mogelijke gronden
hiervoor zijn veelvuldig en niet altijd meer gemakkelijk te reconstrueren, maar een eerste fase naar de
vervreemding van de oude idealen werd hierdoor ingezet. We mogen nooit uit het oog verliezen dat de meeste
Jeruzalemse bekeerlingen van het eerste uur vrij orthodoxe joden
(129) waren die nog tot het einde van de eerste eeuw
geregeld de synagoge bezochten. Hun wereldbeeld was joods en ze namen deel aan de apocalyptische bewegingen
van die tijd. De verwoesting van Jeruzalem en verdwijnen van dito kerk, de geslaagde zendingsmissies van
Paulus en zijn acolieten in een vergriekste 'diaspora', had ontegensprekelijk zijn gevolgen, zelfs op betrekkelijke
korte termijn. Paulus immers haalde niet alleen de mensen binnen, maar ook hun heidense antieke cultuur en
sommige nieuwelingen stoorden zich behoorlijk aan die typische christelijke 'visserstaal'. Overigens, om de
permanente aanvallen van de heidense intellectuelen schriftelijk en met een zeker brio te kunnen beantwoorden,
moesten geschoolde christenen het voortouw nemen. Tatianus, wat ontmoedigd, zucht: ‘Men gelooft de heilige Schriften niet omdat
ze retorisch vernuft ontbreken’. Hij zal later de sekte der Enkratieten helpen stichten.
Deze nieuwe kerkleraars trachtten apologieën op perkament (papyrus) te zetten van een zeker gehalte. Hier speelde hun culturele achtergrond
(de kennis van de Griekse wijsbegeerte en retoriek) in hun voordeel
(130). Diezelfde Tatianus en de latere apologeten
zullen dan niet nalaten 'de geschriften van de heidense auteurs te plunderen om hun eigen gelijk te
bewijzen' (131).
Soms zelfs (maar lang niet altijd) deden ze dat niet eens ter kwader trouw
(132). Ook
tegen de Gnostiek moesten deze leraren zich weren. Gnostische opvattingen (133)
die, onder meer, vanuit
Klein-Azië de kerken waren binnengeslopen, samen met de schare nieuwe Oosters-Griekse bekeerlingen.
Als verdedigers van de (kerkelijke) traditie gingen deze nieuwe geestelijke leiders een stap verder
want zij poneerden dat het christendom dé echte filosofie was die een zodanige morele waarheid inhield,
die zelfs Plato en de Stoa nooit hadden kunnen ontdekken. De strijd om de éne en enige vorm van het
latere christendom werd hier in de tweede en derde eeuw gevoerd. De apologeten waren dus duidelijk
mensen van een ander slag en kaliber dan de 'leraars' van het eerste uur. Hun doel was om met behulp
van de profane filosofie de geschoolde heidenen te bereiken en zo droegen ze bij tot de
universalisering van het christendom. Men was nu ver af van de eigenlijke mislukking van Paulus in zijn
confrontatie men de Epicuristen en Stoïcijnen in Athene
(134). Maar het gehalte van diepzinnigheid
en spitsheid van deze aankomende christologische filosofasters was nog verre van volmaakt. Volgens spotter
Celsus grensde het bijna aan cretinisme. Hun betogen misten doorgaans vernuft, finesse, diepgang, kortom,
het was vaak een vulgair en slecht geformuleerd intellectualisme. Maar het signaal was gegeven naar het
over-(binnen)halen van meer gefortuneerde en ondernemende individuen. Clemens van Alexandrië (180) een
geschoold christen filosoof probeerde dan ook rijke nieuwkomers gerust te stellen met zijn werk 'Welke
rijke zal gered worden?'.
Clemens was een rasecht produkt van de Alexandrijnse intellectuele traditie, en leerling van de gekende
Pantaenus die hij later opvolgde. Clemens en zijn leerling Origines slaagden er in om voor het nog jonge
geloof respect af te dwingen. Daar kwam bij dat de wervingsmechanismen van het christendom ongewild werden
bijgestaan door de eeuwenoude kritiek van de Griekse (natuur)filosofen op het godenpantheon en het
traditioneel antropomorfisch polytheïsme.
Het henotheïsme maakte (135) duidelijk
opgang maar ook het religieuze scepticisme binnen het Romeinse rijk bleef groeien.
Het hing er maar vanaf van welke plaats men bekleedde in de toenmalige maatschappij. Gibbon verwoordt
op treffende wijze: 'Alle goden werden door de filosofen als even echt beschouwd, door politici als even vals en door de magistraten als even nuttig'.
De nieuwe godsdienst speelde hier ongewild op in en bood een
bijna (136)
uitgezuiverd monotheïsme aan. Ook het begrip Messias, meer bepaald in de betekenis van
'godmens', sloot aan bij de heersende opvattingen hieromtrent. Was Alexander soms geen god en waren de
Romeinse keizers geen goddelijke mensen (137) ?
De ode aan Augustus gevonden op een Klein-Aziatische inscriptie uit het jaar 9 vóór onze tijdrekening beantwoordt duidelijk de gestelde vraag
(138).
Zelfs Appolonius van Tyana werd beschouwd als een 'zoon van Zeus' volgens Philostrates. En zei men niet dat Pythagoras de zoon was
van de goddelijke Apollo en de sterfelijke maagd Parthenis? Het Platonisme kende in die tijd een hernieuwd succes
(139)en
beweerde Plato niet dat de ziel bleef leven na het afsterven van het menselijk lichaam? De christelijke
ideeën over het leven na de dood haakten wat dit betreft in op het algemeen gevoel van existentiële
onzekerheid, van aliënatie van een deel van de elite in een tijd van beklemming en het maakte bovendien
schoon schip met het overaanbod van inwijdingsculten die voor vele mensen toch maar een mysterie bleven.
De (katholieke!) christenen boden een duidelijke boodschap aan. Van hun kant bevrijdden zij het individu van de zware
last van de vrijheid want één duidelijke keuze werd aangeboden, één duidelijke weg naar het heil dat in
eenieders bereik lag. Men kan daar aan toevoegen dat de christenvervolgingen niet het gewenste resultaat hadden.
Niet altijd (140),
maar in menige gevallen bereikte men het averechts effect. De vroege eerder sporadische mishandelingen gingen later over tot meer persistente, hardvochtige en
vaak zinloze persecuties (christenvervolgingen) ten tijde van Commodus (180-192), Septimus Severus (193-211), Decius (249-251), Valerianus (253-260) en
Diocletianus (283-305)
(141). Deze terechtstellingen verhoogden vaak de cohesie bij de getroffenen.
Meer nog, zij wekten soms heimelijke bewondering (142)
op bij de tegenstanders, zeker als de opgejaagden in grote getale beginselvast bleven.
Zo schrijft Tertullianus (143)aan de Romeinse gouverneur van Afrika (en notoire christenvervolger)
Scapula: "U moet weten dat het christendom juist een machtiger bouwwerk wordt, wanneer het er op lijkt dat het afgebroken wordt.
Immers iedereen die de enorme volharding van de christenen ziet,
vraagt zich ongerust af wat hier aan de hand is. En zodra hij de waarheid ontdekt, sluit hij zich zelf
ook onmiddellijk bij de beweging aan." En verder : "Maar het behoort niet tot het wezen van de religie om
iemand door dwang daartoe te brengen: zij moet vrijwillig aanvaard worden, niet door geweld." Deze
emotioneel-taktische bespiegelingen verraden een ingesteldheid die, samen met de toenemende geruisloze
desintegratie van een aflopend Romeins Rijk, ertoe leidden dat de jonge Kerk er uiteindelijk versterkt
uitkwam en gestadig aan invloed won. De consequentie hiervan was dat een andere administratie nu niet
lang meer kon uitblijven.
Terug naar indeling.
HOOFDSTUK IV: DE KERK DER ARMEN WORDT EEN MACHTSAPPARAAT.
1. De prijs van het eerste succes: zoveel hoofden, zoveel meningen.
Op het einde van de tweede eeuw was het christendom al aardig gegroeid, maar het bezat geen echte structuur
om uit te maken wat al of niet aanvaarbaar was voor het geloof. Meer nog, er was geen gerichte eenheid in de diversiteit. Vooral de gemeenten in het Oosten
met hun hang naar mystiek gaven
reden tot bezorgdheid. Het krioelde daar van wedijverende groepen, zoals bijvoorbeeld de Doceten
(144), waarvan de meeste gnostisch waren en
die geloofden Christus slechts 'in schijn' als mens was geboren en dus ook maar in schijn had geleden, terwijl
de Judaïsten (zie ook noot 129)zich
nogal opvallend hielden aan de joodse gebruiken en die Ignatius van Antiochië veel last
bezorgden. (145)
De Carpocraten, de woorden van Paulus indachtig (146) meenden dat,
als ze eenmaal verzekerd waren van hun heil, het hun vrij
stond te doen wat ze wilden, wat al vlug leidde tot seksuele uitspattingen
(147) en zo bezorgden ze àlle
christenen een slechte naam. Marcion stelde dan weer dat de profetieën van het Oude Testament niet van
toepassing waren op Jezus, dat men slechts één van de evangeliën
(148) (nl. dat van Lucas) moest aanvaarden
en dat de leer van Jezus alleen vervat was in de brieven van Paulus, en meer bepaald in de brief
aan de Galaten. Marcion kende gauw een grote aanhang. Zijn leer was aantrekkelijk voor de niet-joodse christen omdat
Marcion de joodse elementen van het christendom probeerde weg te poetsen. Hij kwam zo tegemoet aan
de reeds aanwezige anti-joodse stemming die leefde bij een zekere achterban van de toenmalige christenen. Dan was er
Montanus, wiens adepten door Gods’ toedoen in vreemde talen spraken en profetieën deden onder de zogenaamde invloed
van de Heilige Geest. Montanus predikte ascese, zij het met een tikkeltje extravagantie
(149). Blijkbaar was hij,
zoals sommige 'profeten' van het eerste uur, een charismatische persoonlijkheid want hij wist uiteindelijk
zelfs Tertullianus (160-225) voor zijn leer te strikken.
De Gnostici (150)
van hun kant verkondigden aan iedereen die het maar horen wilde dat zij beschikten over een
geheime lering, rechtstreeks afkomstig van de apostelen en dus van Jezus zelf. Het was een soort esoterische kennis, die elkeen
zich nochtans eigen kon maken op voorwaarde dat hij zijn hart er voor openstelde want in zichzelf kon men de Levende Jezus vinden, dààr bevond zich het Licht.
De Manicheeërs ten slotte
(want we kunnen nog een hele tijd zo doorgaan) waren wel geen christenen
(151) maar naast hun heilige boeken,
deden ze beroep op de door hen aangepaste (lees: vervalste?) 'Handelingen van de apostelen'. Ze sloten bovendien
op bepaalde punten aan bij de Montanisten, zodat ze verkeerdelijk wél voor christenen werden gehouden en zo
verhoogden de adepten van Mani met hun doorgaans identieke organisatie en kloosters de al heersende verwarring
in dit mozaïek van de ontelbare christelijke tendensen, partijen, interpretaties en gevoeligheden.
(152)
2. Een machtsstructuur tekent zich af.
Het christendom in die dagen was in de eerste plaats een netwerk van gemeenten, dat zich in een sliert over een
reusachtig gebied uitstrekte langs kleine en grotere, - vooral Griekse - kuststeden. Al vlug drong zich een
noodzakelijke arbeidsdeling op in die gemeenten. De (echte) apostelen beklaagden zich al over het feit dat
zij het aantal praktische taken niet meer goed aankonden
(153). Een normale reactie want zij waren voortdurend
op pad en veelvuldig waren de toespraken (preken) die ze moesten houden. Dit werd ook verwacht van de naaste
medewerkers van Jezus. Bovendien stonden ze in voor de correcte verdeling van de goederen en de spijzen en
dit kwam in de praktijk vaak neer op de bediening aan tafel! Toen het aantal volgelingen toenam was dat niet
meer vol te houden. Op hun verzoek werden zij ontheven van deze twee laatste taken. Er werden diakens
(154)
aangesteld, maar ook deze simpele (be)dienaren waren niet altijd opgewassen tegen hun taak. Want het beheren
van de ledenbijdragen was natuurlijk wat anders dan het schoonmaken van de tafels. Zeker toen het aantal
leden bleef stijgen, werd het beheer van geld en goederen een zaak van vertrouwen. Diakens behoorden voor
alles eerlijke lieden zijn (155).
Zij moesten bovendien kennis van zaken hebben en billijk blijven bij de
toewijzing van goederen. Om de taken van de diakens te coördineren (én te controleren), maar ook om geschillen
tussen de 'oudsten' te beslechten, werd een toeziener aangesteld, ook bisschop genoemd. Deze bisschop, als pastor loci, moest
daarbij onberispelijk zijn, kortom een degelijk persoon, algemeen gerespecteerd door de groep, aanvaardbaar
voor elkeen, met andere woorden: hij moest kunnen bemiddelen en verzoenen en zijn uitspraak moest uitmonden
in wijsheid. In de derde eeuw gaf men volgens een oud-Syrische tekst de voorkeur aan een bisschop die zoals
gezegd kon beschikken over een uitstekende reputatie, ouder dan 50 jaar en getrouwd was met een christelijke
vrouw. Hij mocht niet hertrouwd zijn en zijn eigen kinderen behoorden goede christenen zijn.
Hij moest zachtmoedig en kuis zijn, zich barmhartig tonen en in staat zijn om vreedzame oplossingen te vinden.
Indien mogelijk behoorde hij belezen en onderlegd te zijn. Als dit niet zo was, mocht hij weliswaar ongeletterd
zijn zolang hij de bijbel maar kende. Als het een kleine kerk was en als alle leden achter hem stonden, mocht
de bisschop een jonge man zijn. Bovendien gedroeg de bisschop zich in de dagelijkse omgang als een vrij eenvoudig
iemand en wij weten dat de bisschop vóór de tijd van Constantijn geen speciaal gewaad droeg en het was
iemand die nauw betrokken was bij het wel en wee van de plaatselijke (kerk)gemeente. Alhoewel hij door zijn
gemeente voor het leven gekozen werd, was het strikt genomen toch God die op de eerste plaats zijn bisschop
uitverkoos en dit uitte zich in de plechtigheid die met de aanstelling (inwijding) werd gehouden, maar
soms ook door een onverwacht (goddelijk) teken. 'Toen Fabianus bijvoorbeeld als bisschop van Rome moest
worden aangesteld, streek er een duif neer op het hoofd van de dubieuze Fabianus, wat als een goddelijke
bevestiging van zijn uitverkiezing werd gezien. Maar ook de bisschoppen uit de naaste omgeving werden bij de
verkiezing betrokken en ten tijde van Cyprianus dienden minstens drie bisschoppen uit de naaste omgeving
aanwezig te zijn. Dat in de grote steden 'de spontane verkiezing' van de bisschop zou verwateren in het
voordeel van de welstellende, was nauwelijks verwonderlijk, zeker als deze laatsten bereid waren aanzienlijke
schenkingen te doen aan de plaatselijke gemeente. Ook het nepotisme tierde welig. Reeds in het midden van de
tweede eeuw was er een bisschop die zeven andere bisschoppen in zijn familie telde.Aan het einde van de vierde
eeuw was dit 'voortrekken' van kandidaten uit de rijkere lagen van de bevolking vaak aanleiding tot zeer
profane twisten. In het midden van dezelfde eeuw vaardigden verschillende concilies het verbod uit
tegen 'claques' die tussen de mensen werden ingezet om een eventuele verkiezing te verstoren'(Sanders).
Op de bisschop rustte een grote verantwoordelijkheid. In latere eeuwen werd het ambt in bepaalde streken
erfelijk en ging het over op broers en begon hier en daar een ouder wordende bisschop zijn opvolger aan te
duiden. Zeer vroeg al beschikte hij over een zekere feitelijke macht. Bovendien hield het ontluikende
christendom een grote verbondenheid in met een bepaalde groep mensen. Het was groepsverbonden en
veronderstelde een spontaan engagement. In de gemeenten stond voorop dat broeders en zusters elkaars
gelijke waren en het kwam neer op een levensstijl die schril afstak tegen toenmalige aanvaarde menselijke
omgangsvormen want men kende geen echte meester-slaaf verhouding. Tussen de volgelingen van de verschillende
steden ontstonden natuurlijk wel geregeld conflictsituaties, ja zelfs openlijke concurrentie, maar
conflicten werden doorgaans bevredigend opgelost via synodes en dit in een geest van eerbied voor de verschillende
plaatselijke tradities (156).
Het gezond verstand primeerde boven een of andere autoriteit, kortom, men hield
rekening met de geplogenheden van de basisgemeenschappen. Het behoud nu van deze zo gekoesterde autonomie
van de gemeenten werd steeds meer gehypothekeerd.
De christenen zagen op den duur in dat zij om praktische redenen vroeg of laat aangewezen waren op een degelijk
organisatiemodel. De vraag was natuurlijk: welk model? Ze hoefden nochtans geen grote verkenningstocht te
ondernemen op dit punt. Het Romeinse bestuursapparaat was zeer efficiënt en dwong bewondering af voor vriend en
vijand. Dit administratief model echter was gebaseerd op het territoriumprincipe. Het Rijk bestuurde geen
volkeren, maar gebieden en het was Diocletianus die dit systeem perfectioneerde. Hij deelde de gebieden in
101 provincies die elk geleid werden door een gouverneur. Elke provincie telde 17 diocesen. Aan het hoofd van
elk diocees stond een vicarius. Elk diocees vormde 4 prefecturen. Naast het civiele bestuur had elke provincie
een militair bevelhebber. Indien de Republiek nooit een omvangrijke ambtenarenstand had gekend, vormde er zich
nu een bestuurlijk apparaat waar men niet naast kon kijken. Een bureaucratische kaste had weliswaar zijn nadelen
maar hier tegenover stond een ontegensprekelijk voordeel: de ordelijke gang van zaken werd gegarandeerd.
De christenen moesten inderdaad niet ver op zoek gaan naar een aangepaste en doelmatige structuur.
Ze adopteren geleidelijk het keizerlijk bestuurssysteem. Deze (onvermijdelijke) keuze hield echter weer
een fase in naar een verdere verwijdering van het oerchristendom. Immers, indien de groepsverbondenheid door
de toename van de volgelingen reeds eerder geruisloos losgelaten werd -de kerk van de Corinthiërs werd de
kerk van Corinthe- toch kreeg het territorialiteitsprincipe een geweldig impuls door het nieuwe kerkelijk
bestuurssysteem. Dit is een (vaak onderschat) keerpunt. De 'oude' Kerk was gedoemd om op termijn te verdwijnen
omdat, administratief gezien, de 'gemeenschapskerk' ten dode was opgeschreven. Sommige kerkleiders uit die tijd
hadden dit gevaar reeds meteen onderkend (157)
maar deze critici moesten in haast geen tijd het onderspit delven. Ze werden
gemarginaliseerd of geëxcommuniceerd. De nieuwe Kerk, het Katholicisme verdrong de Traditie.
3. De Katholieke Kerk: apparaat van de macht.
De allereerste (christelijke) groepen mondden niet uit in een hecht christianisme als dusdanig
maar eerder in 'christianismen'! Dit kwam omdat een groot aantal gemeenten ver uit elkaar lagen en vermits
ze geïsoleerd leefden, hadden ze een beetje hun eigen geloof ontwikkeld in de loop der jaren. Niettegenstaande
ze allen op hun manier wel in Christus geloofden, werd de eenheid en de uniformiteit in de leringen tegengehouden
zolang de jonge beweging beïnvloed werd door of geconfronteerd werd met het pneumatisme
(158) en de 'Leer der Laatste Dagen'.
En zo het kon gebeuren dat afgevaardigden van verschillende kernen uit de diverse streken en plaatsen elkaar ontmoetten
op een al dan niet formele vergadering. Meer dan eens ontstonden daar geschillen over de juiste interpretaties van
deze of gene uitspraak van Jezus of van Paulus. Zulke samenkomsten leidden helaas op regelmatige tijdstippen tot
klinkende ruzie's die weinig verheffend waren en die weinig strookten met het begrip van de christelijke naastenliefde.
Bovendien deden er zich in de steeds groeiende christelijke gemeenten natuurlijk problemen voor van verschillende aard. De
bisschop kon dan wel een bewonderswaardige persoonlijkheid hebben, maar hij mocht niet naïef zijn. Hij moest de
echte arme kunnen onderscheiden van de vermeende. Soms moesten er onwaardige leden uitgesloten worden, dan weer
werden er nieuwe adepten aangenomen. Het lag in zijn macht nieuwe postulanten te weigeren. Toneelspelers, wagenmenners, gladiatoren,
hardlopers, koppelaars, vrouwen van lichte zeden, enz. mochten geen lid worden van de nieuwe christelijke gemeenten tenzij zij
hun beroep opgaven. Ook geloofszaken en rituelen moesten worden besproken. Er was het probleem van
de status van de vrouw en die werd er niet vrouwvriendelijker op. Reeds in de vroege evangeliën stellen we vast dat Maria,
die toch de moeder blijft van de heiland, geen speciale plaats toebedeeld krijgt en zeer weinig wordt vernoemd als
moeder en als vrouw al helemaal niet. Dit gegeven kan ons kan doen besluiten dat er vermoedelijk geen enkele mondelinge
traditie was waaruit zou moeten blijken een dat ze een of andere rol heeft gespeeld in de prille Jeruzalemse christengemeenschap.
Indien Jezus mogelijk uitging van de gelijkheid van man
en vrouw, (wat vrij onwaarschijnlijk is, want in de Joodse cultuur was deze gelijkwaardigheid verre van evident) dan zien
we in ieder geval dat deze mogelijke evengelijkheid steeds minder het geval is bij zijn volgelingen. Het begon
reeds bij Paulus in zijn brief aan de Corinthiërs waarin hij uitlegt waarom de vrouw haar hoofd moet bedekken. "... Want
een man is Gods evenbeeld en een afstraling van zijn heerlijkheid, terwijl de vrouw weer de glorie is van haar
man. De man is niet genomen uit de vrouw, maar de vrouw uit de man en de man is niet geschapen om de vrouw,
maar de vrouw uit de man."(1Cor. 7,ev.). Maar Paulus tempert dan weer die uitspraak door te
stellen (1Cor.11): "Overigens geldt voor de Heer, dat noch de vrouw iets is zonder de man,
noch de man iets zonder de vrouw: zoals de vrouw uit de man is, zo is de man door de vrouw en alles is uit God;"
Maar evenzeer moeten de vrouwen van Paulus reeds zwijgen : "Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen
in uw bijeenkomsten zwijgen. Het is hun niet toegestaan het woord te nemen: zij moeten ondergeschikt blijven, zoals
trouwens de wet het voorschrijft."(1Cor.14,34). Deze uitspraak wordt weer ietwat afgezwakt
want ook mannen moeten soms zwijgen, maar dan alleen als ze niets te vertellen hebben. (Cor.14,28).
Ook mochten vrouwen het dankgebed uitspreken tijdens de viering.
Niet altijd was de kerk onvriendelijk tegenover vrouwen maar echte vrouwvijandige uitspraken vinden we bij
menig kerkvader, zeker bij Irenaeus (159)
, Tertullianus (160)
, Ambrosiaster (161)
, Augustinus (162)
, Epiphanius (163)
. Ook kerkelijke onderrichtingen zijn niet erg gunstig voor de vrouw zoals de Syrische Didaskalia (derde eeuw)
(164).
Toch kon een opname in de christelijke gemeenschap een gevoelige verbetering voor een vrouw betekenen
als men haar positie vergeleek met deze van de ‘heidense’ vrouw in het algemeen. En al doorbrak de vroegchristelijke
kerk de sociale barrières van de heidense wereld zelden
(vrouwen bleven bijvoorbeeld geweerd uit de leiding van de kerk) toch deed ze dat op bepaalde punten wel degelijk
(165)!
Naast deze kwestie waren er de dagelijkse geschillen van meest uiteenlopende aard.
De bisschop samen met zijn presbyters deden hierover uitspraak. Alhoewel Jezus in de evangeliën nergens een
toespeling maakte op bisschoppen, toch citeerde Irenaeus omstreeks 170 reeds een lijst van opeenvolgende
bisschoppen van Rome (166).
Hier stond de apostolische traditie buiten kijf (167).
Deze bisschoppen waren als het ware met Jezus zelf verbonden via Petrus
en Paulus en ze bezaten dus een grote(re?) autoriteit volgens Irenaeus. Tertullianus beweerde dat de apostelen in de grote steden bisschoppen hadden
aangesteld en dat hun kerken over 'akten' beschikten waaruit bleek dat zij door de apostelen waren aangeduid.
Cyprianus ging een stapje verder: hij nam aan dat de echte apostelen zelf bisschoppen waren geweest.
We lieten al uitschijnen dat de bisschoppen reeds van in het begin over feitelijke macht beschikten.
In de brief die Ignatius van Antiochië (110) stuurde naar de christenen van Smyrna, komen wij de uitdrukking
'katholiek' voor het eerst tegen. De boodschap is heel duidelijk: "Waar de bisschop is", schrijft hij
"is ook het volk, net zoals waar Christus Jezus is, daar is ook de katholieke Kerk." De bisschop trad
zienderogen zelfstandiger op en werd invloedrijker. Hoe langer hij in zijn betrekking bleef des
te meer groeide zijn macht, zeker als het een bekwaam man was. En dat was niet altijd zo.
In de oudste christengemeenschappen had men daar al problemen mee. Ook kon een bisschop al eens vlegelachtig zijn
(168). Maar in de dagelijkse realiteit was de
bisschop een soort functionaris geworden die uit de gemeentekas werd betaald, een gemeentekas die hij zelf beheerde.
Hij had zijn rechtstreekse helpers, de diakens, die zijn vaste helpers werden en met gemeenschappelijke
opbrengsten werden vergoed. Vermits de bisschop dag in dag uit met zijn 'beambten' moest werken, ging men bij
hem te rade om te weten wie men het best als diaken kon aanstellen. Er vormde zich in de praktijk al ras een soort
verkapt ambtenarenapparaat binnen de christelijke gemeenschappen. Bovendien kon de bisschop niet overal zijn en in
grote steden zoals Alexandrië was hij wel verplicht zijn vertegenwoordigers te sturen naar de voorsteden of naar de
dorpen. Dit konden diakens of presbyters (de latere 'priesters') zijn. Deze 'oudsten' bleven in ieder geval in deze
stad een zeer belangrijke positie innemen. De rol van de bisschoppen was wel typisch voor de Oosterse kerken
(het zuiden van Gallië kende rond 170 weinig bisschoppen). En zo steeg de invloed van deze 'priesters' elke dag.
Met andere woorden, er ontstaat een gemeentebureaucratie (clerus)
(169) met aan het hoofd de bisschop.
Een kloof tussen de clerus en de gewone volgelingen
(170)van de gemeente tekende zich af. Op een ander vlak
had deze nieuwe hiërarchische verhouding belangrijke accentverschuivingen tot gevolg. Het waren de bisschoppen,
samen met hun helpers, die, ingegeven door de dagelijkse praktijk, zich vaak voorzichtig, behoedzaam en in zich
deze context 'salonfähig' gingen opstellen. Meer bepaald voor wat betreft de verhouding van de gemeente tegenover
de rijken (de bisschop beheerde de gelden) en daardoor de oorspronkelijke leerstellingen zeer breed gingen
interpreteren, wel te verstaan tegenover de vermogenden
(171). Vermits de rijken in die tijd meestal het
intellectueel potentieel van een gemeenschap uitmaakten, ging hun maatschappelijke invloed, vaak via de bisschop,
wegen op de gemeenten. Vanaf het ogenblik dat de christelijke leer zich soepeler ging opstellen tegenover de
welstellende waren de gevolgen manifest, zeker op betrekkelijke korte termijn. Het rigorisme, het vasthouden
aan de aloude gebruiken, was begonnen het pleit te verliezen van het opportunisme. Door de aanwas van de gemeenten
brak de tijd aan dat men aan de beambten een gepaste opleiding diende te geven in het huis van de bisschop,
maar om dit te verwezenlijken moesten de lesgevers wel precies weten wat ze nu juist aan deze postulanten
moesten onderrichten.
Toen de Romeinse bestuursvorm werd overgenomen werd het, in navolging van de Romeinse politiek in dergelijke
zaken, essentieel dat men beschikte over een erkende en verbreide leer, die eenvormigheid uitstraalde, zoniet
werd het opleiden (en besturen) onmogelijk. Dit impliceerde dan wel dat iedere afwijking van officiële leer
moest worden bestreden met alle middelen die ter beschikking waren. Men was genoodzaakt vastheid te vinden
tegenover allerlei vreemde en niet-orthodoxe leerstellingen en het werd de hoogste tijd dat men eindelijk
eens moest vastleggen wat nu precies de juiste leer was. Deze diende gesteund te zijn op de Traditie en daar
lag het probleem. Er waren vele geschriften in omloop die voorgaven 'apostolisch' te zijn en over menige boeken
waren er meningsverschillen. Moesten ze, ja mochten ze als maatstaf (canon) (172)
worden beschouwd? Irenaeus (140-190)
had al tegen de ketters (lees: christelijke gnostieken) (173)
een imposant werk geschreven. Tertullianus (233) was scherp uitgevallen
tegen Marcion en had zich tevens uitgeleefd in diepzinnige theologische en kerkelijke bespiegelingen. Cyprianus
(200-258) bisschop van Carthago was, in zijn geschriften althans, zeer bezorgd over 'de eenheid van de katholieke
Kerk' na meningsverschillen over het toelatingsbeleid -van de afgevallen christenen (lapsi) -, dat hij in handen
wist te leggen van de bisschoppen. Hij postuleerde dat er 'Buiten de kerk (én de bischoppen)
geen heil was'
(174). Origines (254) diende de beruchte
Celsus van antwoord. Daarenboven schreef hij zijn 'Grondbeginselen' een leer, die uiteindelijk in 553 werd
veroordeeld en afgevoerd. De oudste bewaarde canon (Muratori) werd samengesteld rond het jaar 200. Dit was
een eerste stap naar uniformiteit en hij bevat de kiem en de aanzet van een verdere evolutie
(175). Pas in
de vierde eeuw beginnen christelijke schrijvers nauwkeurige opsommingen te geven van de boeken die wij nu
aanvaarden als de christelijke bijbel en laten ze doorschemeren dat een dergelijk lijst andere boeken buitensluit.
(Robert Lane Fox, 162).
4. En tot slot.
De canon echter die tot de verbeelding spreekt is deze, aangenomen op de Concilie (synode) van Elvira (300 of 302) in Spanje.
Hier worden rasechte Romeinse opvattingen inzake uniformiteit opgelegd. Vooral voor wat betreft juridische
disciplinaire overwegingen, en deze lagen mijlenver verwijderd van de filantropische charismatische geest
van de adepten van het eerste uur. De besluiten van Elvira zijn illustratief voor de weg die ingeslagen werd
(176). Het aanlokkelijke vooruitzicht om na de
dood met Christus aan zijn troon te zitten in Zijn Koninkrijk, eiste formele, haast blindelingse discipline van de
gewone leek. Wanneer Cyprianus nog in de eerste helft van de derde eeuw verkondigde dat iedere gemeente volstrekt
onafhankelijk was, nam de druk van de internationale christelijke gemeenschap sterk toe. De besluiten die genomen
werden door een meerderheid (van gemeenten) op een synode of op een concilie kregen meer en meer een morele bindende
kracht en hun draagwijdte een haast wettelijk karakter. De Kerk moest één (katholikos) worden en dusdanig optreden.
De enkelingen die het er niet mee eens waren, konden maar beter gaan maar zij moesten wel beseffen dat zij
niet meer in een andere gemeente zouden worden opgenomen. De gevolgen van een excommunicatie werden desastreus.
Immers, de macht om een lid of een groep uit te sluiten werd een gevreesd instrument, meer nog, het werd
een politiek wapen en deze ontwikkeling naar een (schijnbare) uniformiteit binnen de christelijke wereld was
de keizers natuurlijk niet ontgaan. Hoe minder echter het individu in te brengen had, des te meer steeg de
macht van de bisschop. Deze had nu de leiding over een uitgebreide administratie en over een efficiënte
en geduchte propagandamachine. Zijn connecties konden niet meer genegeerd worden, want hij vertegenwoordigde
nu niet enkel meer zijn gemeente, maar de gezamenlijke Kerk. Bovendien koos hij zelf zijn ambtenaren en hij
droeg er wel zorg voor dat het lieden waren die hem goedgezind waren. Een laatste stap naar een monarchale
positie (177) van de bisschop bestond er in,
dat het niet meer het volk was dat zijn bisschop koos, maar wel de
priesters en dit laatste werd een formaliteit. De gemeente werd gedegradeerd tot voetvolk. De bisschop
had zijn schapen volkomen onder controle. Zulk een bisschoppelijk absolutisme konden de keizers goed gebruiken
in een tijd van verwarring, te meer, dat de hogere geestelijkheid beschikte over een relatief indrukwekkende
en ogenschijnlijk gedisciplineerde achterban. Het dwingend gezag van de bisschoppen maakte met andere woorden een gedegen (feitelijke)
machtsfactor uit waarmee weliswaar rekening moest worden gehouden, maar die men, desgewenst, op een subtiele
manier kon manipuleren. Zodoende kon de keizer er zijn voordeel uit halen zonder al te veel risico's te moeten
nemen op het wankele politieke schaakbord. De keizers uit deze periode wisten maar al te goed dat de christenen
reeds geruime tijd hadden weten door te dringen tot de hoogste sleutelposities, zowel in het
leger als in hun eigen keizerlijk hof. Toen in de vierde eeuw oorlogen tussen de Caesari het Rijk teisterden kon
uiteindelijk deze kroonpretendent zich handhaven, die zich onder meer zeer goed had weten te vinden met bovengenoemde
'episcopale' monarchen.
Zijn naam was Constantijn (272? - 337). En zo was de Kerk der Armen ten lange laatste de 'Katholieke' Kerk geworden én
religio lecita. Kerk en Keizer, twee onafscheidbare aspecten van de staatsmacht want onder Theodosius (346-395) werd
het katholicisme staatsgodsdienst. En deze nieuwe Katholieke Kerk was niet van plan zich deze
macht te laten ontfutselen. Een verdoken maar gewisse uitbuiting, met Gods zege weliswaar, begon en kon in principe
lang gaan duren.
En het duurde lang (178).
C Delwaide.
E-mail : chris.delwaide@pandora.be
Terug naar indeling.
Noten
(1) Nikodemus,
een rijk man, was lid van het Sanhedrin en
waarschijnlijk lid van het stadsbestuur. Flavius Josephus
spreekt over hem als een staatsman, die niet van revoluties hield. Hij was een
tegenstander van zowel de Romeinen als van de Sadduceeën. Maar
ook tijdens een geheim gesprek met Jezus kon Nikodemus niet tot
overeenstemming komen met Jezus, denkelijk omdat Jezus zijn eigen weg
wilde opgaan. Volgens Rabbijnse bronnen zou Nicodemus' zoon, Gorion een
van de stadbestuurders geweest zijn, en één van
de drie rijkste patriciërs van de stad. Hij was zelfs enorm
rijk en had grote bezittingen in de buurt van Jeruzalem. Hij bezat hij
landgoederen die zo uitgestrekt waren, zo werd gezegd, dat de hele stad
een week zou kunnen leven van de opbrengsten aan graan en wijn die van
zijn grond kwamen. Zijn enorme rijkdom was in heel Jeruzalem bekend.
Zijn zuster had één miljoen dinars als bruidschat
meegekregen en een nicht kreeg vierhonderd dinar in de maand voor het
aanvullen van haar parfumvoorraad. (Wroe Ann, Pilatus,153)
In het begin van de opstand nam hij deel aan de onderhandelingen die
leidden tot de overgave van het Romeinse garnizoen in Jeruzalem (David
Flusser, blz. 134).
Wat Jozef van Arimathea betreft: alleen Marcus en Lucas maken van hem een lid van het Sanhedrin.
Terug naar tekst
(2) In de passage over de 'wonderbare spijziging', wanneer men zich de
vraag stelt hoe Jezus deze massa toehoorders die hem gevolgd zijn, moet
gaan voeden, suggereert Marcus eigenlijk dat Jezus en zijn apostelen
beschikken over wat geld want hij laat het de apostelen aan Jezus
vragen. (Marcus 6, 37-38 ): Maar Hij gaf hun ten antwoord: "Geef gij
hun maar te eten". Zij zeiden Hem:"Moeten wij dan voor honderd
denariën brood gaan kopen om hun eten te geven?" Dus mogelijk bedroeg de kas
van Judas op dat ogenblik al minstens 100 denariën.
(en vermoedelijk meer) ( Luc. 8.1-3). Of moet men deze vraag van de apostelen als een verkapte cynische vraag lezen?
Terug naar tekst
(3)De echte hellenistische (niet christelijke) gelovige joden hadden evenzeer een
(matige) zendingsijver. Ze trokken de heidense omgeving dan ook aan. De met deze joden sympathiserende heidenen werden
'godsvrezenden' genoemd. Van hen werd door de joden niet meer gevraagd dan zich aan de 'Noachitische geboden'
te houden. Daaronder verstaat men die geboden die gelden voor de niet-joodse afstammelingen van Noach,
te weten: verbod van afgoderij, ontucht en bloedvergieten. In de eerste helft van de eerste eeuw van onze
tijdrekening werd daaraan het verbod van diefstal en godslastering gevoegd en nog later het verbod van het
eten van vlees van een levend dier en de verplichting tot een geordende rechtspraak. Vele 'godsvrezenden'
waren geen arme mensen.
Naast de 'godsvrezenden' had men de 'proselieten'. Het woord 'proseliet' betekent 'de erbij gekomene
vreemdeling'. Deze mensen wilden zich bij het jodendom voegen en lieten zich hiervoor besnijden. De proselieten
waren zeer welkom in de diaspora en werden bijzonder gekoesterd en beschermd door de joden (wie een proseliet
onderdrukt, onderdrukt God). Dezelfde proselieten echter waren absoluut niet graag gezien bij de orthodoxe joden in Jeruzalem.
(vrij naar Eginhard Meijering Geschiedenis van het vroege christendom, p. 76)
Terug naar tekst
(4) Vrij kort na de dood van
Jezus vergaderden zijn volgelingen te Jeruzalem. De zogenaamde
'Handelingen der Apostelen' lichten ons in over het aantal personen die
aanwezig waren op deze eerste bijeenkomst waar Petrus het woord nam.
'In die dagen stond Petrus op temidden van de broeders; er was een
groep van ongeveer 120 personen'. (Handelingen:I,1,15,) Gezien de
neiging van de Oosterse verteltrant om in alle opzichten wat te
overdrijven, mogen we aannemen dat het er zeker minder waren dan de
vermelde 120 personen. Temeer, omdat 'De Handelingen' een geschrift is
dat vrij laat is geschreven (90-110) met duidelijke 'propagandistische'
doeleinden. Sommige taalkundig geschoolde bijbelkenners verdenken Lucas
ervan de werkelijke auteur te zijn van de zogenaamde 'Handelingen',
maar echte zekerheid hierover is er hoegenaamd niet. Handelingen wordt slechts laat vermeld. Volgens de Duitse theoloog Campenhausen horen we vóór Ireneaus nergens spreken
over het boek Handelingen. Lucas (een Syrische
geneesheer die ook metgezel was van Paulus) schreef wel 'zijn'
evangelie, denkelijk in opdracht van Paulus.
Terug naar tekst
(5) Volgens bepaalde auteurs (maar deze cijfers blijven
speculatief) bedroeg het aantal plaatsen waar er een christelijke
gemeente bestond in het jaar 98 ongeveer 42, tot het jaar 180 waren er
74 kernen. Men schat de hoeveelheid christenen in Rome omstreeks het
jaar 250 op 4%. Tot het jaar 325 zouden er meer dan 550 christelijke
gemeenten geweest zijn in de toenmalige bekende wereld. Maar nergens
vormen ze in die tijd meer dan een grote minderheid van de bevolking.
Zelfs in de tijd van Constantijn is het christendom nog steeds een
godsdienst van de minderheid.
Terug naar tekst
(6) Een meer recente schatting is deze van Rodney Stark. Stark geeft
een wiskundige projectie van het aantal christenen tot het jaar 350 en
dit op basis van de beginperiode (het jaar 40) tot de eindperiode van de
schatting (het jaar 350). Dit is natuurlijk evenzeer een hypothese,
maar een die wel eens zeer kort bij de waarheid zou kunnen liggen. Hij
denkt dat het aantal christenen groeide met 40% per decennium (3,42 %
per jaar) en komt tot het volgende resultaat:
| JAAR |
AANTAL CHRISTENEN |
PERCENTAGE BEVOLKING |
| 40 |
1.000 |
0,0017 |
| 50 |
1.400 |
0.0023 |
| 100 |
7.530 |
0.0126 |
| 150 |
40.496 |
0.07 |
| 200 |
217.795 |
0.36 |
| 250 |
1.171.556 |
1.9 |
| 300 |
6.299.832 |
10.5 |
| 350 |
33.882.008 |
56.5 |
Hij gaat er van uit dat de totale bevolking in het Rijk ten tijde van
Constantijn 60 miljoen mensen bedroeg.
Terug naar tekst
(7) De niet-christelijke schrijvers weten ons te vertellen dat de
plaatselijke bevolking de spot dreven met de christenen. Zeker Celsus
(150), een 'heidens' filosoof en fervente bestrijder van het
christendom. "Kijk eens wat ze leren: 'Laten de mensen met cultuur,
wijsheid of gezond verstand maar wegblijven dat zijn slechte
aanbevelingen in onze ogen. Maar iemand, die onwetend, beperkt,
onbeschaafd of eenvoudig van geest is, laat die gauw bij ons komen! 'en
alleen de domme, lage en kinderlijke zielen, slaven, arme vrouwen en
kinderen kunnen de christenen winnen. Maar waarom deugt het niet als
men cultuur heeft of kennis op prijs stelt? Is dat een obstakel om God
te kennen?"
Terug naar tekst
(8)
Zo zou volgens de doorgaans aanvaarde overlevering zou de Apostel Johannes zeer oud zijn geworden en minstens
tot het einde van de eerste eeuw in leven zijn gebleven. Hij zou zelfs op de ouderdom van 100 jaar gestorven zijn
in Efese. Andere bronnen spreken dit tegen. Johannes zou hier rond 42 opgepakt zijn tijdens de vervolging
van Herodes Agrippa I en samen met zijn broer Jacobus de marteldood zijn gestorven. Dit kunnen we vernemen van
Papias die geciteerd wordt in een Latijns 9e-eeuwse handschrift van de kroniek van Georgius Hamartolos en een 5e-eeuws
handschrift van Fhilippus Sidetus. Ook op het Syrisch en Armenisch martyrologium wordt de feestdag vermeld van Johannes
en Jacobus en dit op 27 en 28 december. Ignatius van Antiochië (+110) in zijn brief aan de christenen van Ephese zegt
geen woord in deze brief over Johannes. Polycarpus van Smyrna (+156) in zijn schrijven aan de Philippensen spreekt
evenmin over de apostel Johannes, alhoewel hij wel Paulus vermeldt. Moest Johannes werkelijk in Efese hebben gewoond,
zou één van de twee schrijvers hem zeker hebben vermeld, zo luidt de redenering.
Terug naar tekst
(9) Zo bijvoorbeeld laat de evangelist Lucas, Jozef met Maria naar
Bethlehem reizen, ten tijde van keizer Augustus, wegens een zogenaamde
Romeinse volkstelling. Volgens specialisten is zo'n telling onder
Augustus niet voorgekomen. Bovendien werd Judea eerst een Romeinse
provincie na de datum die voor Christus' geboorte wordt gegeven. Een
volkstelling werd wel gehouden in het jaar 6 of 7 vóór Christus onder
Quirinius en dit dan in de woonplaatsen, maar dan wel in Judea, Samaria
en Idumea (de provincies Judea en Syrië vielen onder Romeins
bestuur), niet in het semi-onafhankelijke Galilea (waar de ouders van
Jezus woonden). Deze registratie had als doel het bepalen van de
belasting op grondeigendom (en het waren de volkstellers die reisden,
niet diegenen die moesten worden geregistreerd). Indien bovengenoemde
feiten overeenkomen met de waarheid, - en het ziet er naar uit dat dit
zo is - dan was de reis naar Bethlehem niet nodig en heeft ze nooit
plaatsgevonden. De geboorte van Jezus in de stal al evenmin.
En
toch zou het kunnen dat Jozef wel naar Bethehem is
afgereisd. Maar waarom verhaalt Lucas dan dat Jozef moest reizen?
Misschien, zo meent F.O. Busch, ligt het antwoord in het beroep van
Jozef. Algemeen neemt men aan dat Jozef timmerman was. In het Grieks
staat het woord 'tektron' inderdaad voor timmerman, maar aldus Busch
: In het Palestina van die dagen betekende het evenwel huizenbouwer
(aannemer), metselaar of steenbewerker, en niet timmerman. Palestina
was reeds in die tijd met uitzondering van slechts weinig streken een
land van kale rotsen zonder noemenswaardige houtopstand. Hout was
zeldzaam en werd over het algemeen bij de bouw van huizen niet
gebruikt. Alle huizen waren van steen en bestonden op het platteland
slechts uit één enkele ruimte met een gewelfd
stenen dak er over heen. .../... Nu waren, nog tot in de hier
behandelde tijd toe, de Bethlehemmers buitgewoon bekwame steenhouwers
en als zodanig in wijde omtrek bekend. Men ontbood hen graag als ergens
in Jeruzalem, in Hebron, of aan de overzijde van de Dode Zee bijzondere
bouwwerken begonnen en men om ervaren bouwers vroeg.
Verrassend is dat vóór 1914 bouwarbeiders uit
Bethlehem voor de bouw van nieuwe huizen in Nazareth aangetrokken
werden. Deze zo gezochte vaklieden en metselaars gingen als de
winterregens opgehouden waren, in het voorjaar op stap en keerden
vóór het begin van de winter, ongeveer in
november huiswaarts om de akkers te verzorgen...Onder de landelijke
bevolking hadden families, die van ouder op ouder tot de ingezetenen
behoorden, altijd grondbezit. Dit werd - evenals nog
vóór 1914 - in Palestina door familieleden
gemeenschappelijk beheerd.... Derhalve moest Jozef voor de schatting
terug zijn naar zijn eigen stad. En dat Jozef (tijdelijk) in Nazareth
zou kunnen gewoond hebben, kan te maken hebben met de wederopbouw van
Sepphoris. Zoals Ian Wilson suggereert zou het zeker gekund hebben dat
Jezus met zijn vader werkzaam waren in Sepphoris, de adminstratieve
hoofdstad van Galilea. Immers in die tijd herbouwde Herodes Antipas de
stad als zijn nieuwe hoofdstad. Sepphoris lag op een zestal kilometer
van Nazareth. Ook uitspraken van Jezus zouden kunnen wijzen in die
richting.(uitspraken van Jezus m.b.t tot de timmermansstiel:(Luc
6,47-49; 14,28-30; 20,17= aannemer).
Vraag is natuurlijk of het Nazareth van toen hetzelfde Nazareth is als het huidige.
Terug naar tekst
(10) Een ander probleem vormt
bijvoorbeeld de genealogie van Jezus volgens Lucas. Hij weet te
melden (Luc. 1, 1-39) dat Jozef afstamde van David en daarom naar
Bethlehem trok voor de volkstelling. Nu merkt Sanders terecht op:
"Volgens zijn (Lucas) eigen genealogie leefde David 42 generaties
vroeger dan Jozef… In de praktijk is er niemand die 42
generaties kan teruggaan, en zelfs als iemand het zou kunnen, zou
blijken dat hij ontelbare voorouders had (met de twintigste generatie
heb je er al een onnoemelijk aantal). David moet zeker tienduizende
nakomelingen hebben gehad die nog leefden in die tijd. Hebben die zich
allen kunnen identificeren? Zo ja, hoe zouden die zich hebben laten
inschrijven in dat kleine dorp?" (Vrij naar Sanders, Mythe blz. 111 )
Terug naar tekst
(11) Papias (Papianus) van Hiërapolis (130) bericht het
volgende: "Wanneer iemand bij me kwam die de Oudsten (lees ook: de nog
levende naaste medewerkers van de apostelen) had bezocht, dan trachtte
ik te achterhalen wat die Oudsten leerden en vroeg: wat zegt Andreas
hierover, wat Petrus (Kefas), wat Filippus, wat Thomas of Jacobus, wat
Johannes of Mattheüs of enige andere leerling van Jezus, en ook: wat
zeggen Aristion en de 'presbyter' Johannes en andere discipelen van de
Heer hierover? Wat in de boeken geschreven staat, leek mij minder
bruikbaar dan wat wij uit eerste mondelinge bron en uit herinnering
hoorden vertellen."
Terug naar tekst
(12) Als bisschop van Hiërapolis in de
provincie Asia in de eerste decennia van de tweede eeuw, had Papias de
gelegenheid volgelingen van de eerste discipelen te ontmoeten en te
ondervragen. Dit waren medewerkers van Petrus, Filippus, Thomas,
Jakobus, Johannes en Mattheüs. Voor zichzelf gaf Papias de voorkeur aan
de 'levende stem' van de Heer, die hij via deze mannen hoorde, boven
dat wat in de boeken geschreven was.
(Papias was een tijdgenoot van Polycarpus van Smyrna. Beiden waren
leerlingen van de ‘presbyter’ Johannes)
Renan, suggereert in zijn 'Vie de Jésu' dat die 'boeken' waarnaar Papias refereert
mogelijker wijze deze zijn die Johannes zou geschreven hebben (Eerste epistel en vierde evangelie). Deze teksten
toegeschreven aan de 'presbyter' Johannes, waren reeds beïnvloed door de Gnose van Klein-Azië, en gaven
dus zeker niet de juiste woorden weer van de Heer en nog minder de exacte beschrijving van Jezus zelf.
En het was misschien daarom dat Papias zijn eigen inlichtingenbronnen verkoos om informatie te krijgen over Jezus en zijn apostelen. (Vrij naar Renan, blz.40).
Terug naar tekst
(13) Wat de evangelisten betreft: specialisten nemen aan dat de eerste
op papyrus gestelde zogenaamde citaten van Jezus nodig (functioneel)
waren om diverse redenen (bijvoorbeeld om zich te verdedigen, om
anderen te overtuigen, in de discussies konden citaten worden
aangehaald, enz.). Deze perikopen werden later verzameld, en op papyrus
gezet door niet gekende auteurs (vermoedelijk per onderwerp) ten
behoeve van een bepaalde gemeente (dus deze perikopen veranderden nogal
eens al naargelang de gemeenten waarvoor ze bestemd waren) en daarom
werden zij aangepast aan de behoeften van deze of gene gemeente in
een bepaalde tijd. De groepen perikopen monden uiteindelijk uit in de
eerste proto-evangeliën, samengesteld door onbekenden. Na een
heel proces (ook in de tijd) ten slotte kwamen de vroegste
evangeliën. Men neemt aan dat het eerste evangelie geschreven
werd rond het jaar 70. Maar de eerste verzamelingen waren vermoedelijk
het werk van anonieme auteurs. Immers, het waren samenvoegingen van
citaten van niet gekende auteurs, op een wat stuntelige manier aan
elkaar geregen, zodat er wat verhaal in kwam te zitten. De namen van de
huidige evangelisten werden misschien slechts veel later toegevoegd.
Hoogst verwonderlijk voor ons, maar anonimiteit had in die
dagen een grotere betrouwbaarheid dan het nu het geval is. Sanders
meent zelfs dat de namen van de huidige evangelisten slechts veel later
toegevoegd zijn, waarschijnlijk in het begin van de tweede eeuw. Ik ben het daar niet mee eens.
R. L. Fox meent dat de eerste evangeliën mogelijkerwijze
geschreven werden in het jaar 30 tot 50 na de dood van Jezus. Robert Lane Fox: De bijbel, waarheid en verdichting., blz. 218.
Terug naar tekst
(14) Sanders spreekt over de evangelisten als 'theologische idealisten'.
Terug naar tekst
(15) B. Chilton, meent zelfs dat het zogenaamde 'rabbijnse milieu' de enige
verklaring is waarom wij te maken krijgen hebben met de zogenaamde
'synoptische' evangeliën.
Terug naar tekst
(16) (Evangelies en nauwkeurigheid) Dat evangelies onnauwkeurigheden bevatten is logisch.
Zeer vroeg begon men met kopiëren. De eerste kopiisten waren amateurs die het niet zo nauw namen (slordigheden en
schrijffouten). Ook het eigen karakter en de bedoeling van deze geschriften waren doorslaggevend.
Bestemd voor eigen gebruik met het oog op te voeden en nieuwe gemeenschappen te stichten. Echt nauwkeurig
moest dit alles niet zijn, wel moest er de 'geest' zijn (geen scrupuleuze overschrijving). Vaak werden
teksten vanbuiten geleerd, soms bij gebrek aan voldoende boeken, omdat de orale traditie er was.
Tenslotte zijn er de bewuste tekstzuiveringen van sommige overschrijvers die willekeurig te werk gingen.
Hun eigengereidheid om op eigen gezag de tekst 'te verbeteren' maakte dat zij (naar eigen goeddunken) toevoegden
of schrapten. (Vrij naar Vansegbroeck)
Terug naar tekst
(17) Thomas 54, 'Zalig gij armen van uwer is het koninkrijk der hemelen'.
Terug naar tekst
(18) Lucas 6, 20 Hij (Jezus) sloeg nu de ogen op, keek zijn leerlingen aan en sprak
"Zalig, gij die arm zijt, want u behoort het koninkrijk Gods."
Terug naar tekst
(19)Lucas , 16, 19-26 Er was eens een rijk man die in zijn purper en fijn linnen
gekleed ging en iedere dag uitbundig feest vierde. Terwijl een arme, die Lazarus heette, met zweren overdekt
voor de poort lag. Hij verlangde er naar zijn honger te stillen met wat bij de rijkaard van de tafel viel. Ja,
zelfs kwamen honden zijn zweren likken. Nu gebeurde het dat de arme stierf en door de engelen in de schoot van
Abraham werd gedragen. De rijke stierf ook en kreeg een eervolle begrafenis. In de onderwereld, ten prooi aan
vele pijnen sloeg hij zijn ogen op en zag van verre Abraham en Lazarus in diens schoot. Toen riep hij uit:
"Vader Abraham, ontferm u over mij en geef Lazarus opdracht de top van zijn vinger in water te dopen en mijn tong
daarmee te komen verfrissen, want ik word door de vlammen hier gefolterd." Maar Abraham antwoordde: "Mijn zoon,
herinnert gij U hoe gij tijdens uw leven uw deel van het goede hebt gekregen en op gelijke manier Lazarus het kwade;
daarom ondervindt hij nu de vertroosting, maar wordt gij gefolterd."
Terug naar tekst
(20)Ook laat Lucas Jezus zeggen: "Hoe moeilijk zullen zij die bezit hebben het koninkrijk
Gods binnengaan: want het is gemakkelijker voor een kameel door het oog van een naald te kruipen dan voor een rijke
het koninkrijk Gods te betreden." (Lucas 18, 24,25) Met andere woorden de rijke wordt eigenlijk het zogenaamde
koninkrijk Gods bijna ontzegd, niet omdat hij iets zou mispeuterd hebben, maar alleen wegens het feit dat hij rijk is.
Het kan natuurlijk betekenen dat de gehechtheid aan het materiële de poort naar het geluk sluit.
Terug naar tekst
(21) En nogmaals Lucas , 6, 24: "
Wee u rijken, want wat u vertroost hebt ge al ontvangen."
Terug naar tekst
(22) Indien veel bezitten of rijk zijn de verdoemenis met zich mee kan brengen, het
genieten van de aardse goederen is evenmin niet aan te raden. Zo zegt Jezus (Lucas 6, 21 e.v.): "Zalig zijt gij
bedelaars want uwer is het Koninkrijk Gods. Zalig zijt gij die nu honger hebt, want gij zult verzadigd worden.
Zalig zijt gij die nu weent, want gij zult lachen. ...Maar wee u gij rijken, want gij hebt uw troost gehad.
Wee u die verzadigd zijt, want gij zult hongeren. Wee u die nu lacht, want gij zult treuren en wenen"
Zelfs het lachen legt een ernstige hypotheek op het bezitten van de zaligheid.
Terug naar tekst
(23) Ook de apostel Jacobus kan zijn (misschien terechte) haat ten aanzien van de rijken
moeilijk verbergen:"Welaan rijken, weent en huilt over uw ellendigheden die over u zullen komen: uw rijkdom is
verrot en uw kleren zijn door de mot aangevreten, uw goud en uw zilver is verroest en het roest ervan zal tegen
u getuigen en zal uw vlees als vuur verteren; gij hebt schatten vergaard terwijl het de laatste dagen zijn.
Zie het loon dat door u is ingehouden van de arbeiders die op uw landerijen gemaaid hebben, geoogst hebben.
Het geroep het is ter ore gekomen van de heer Seboath (Sabaoth) (Heer der heerscharen) Gij hebt comfortabel geleefd op
aarde en u te goed gedaan; gij hebt uw lusten vetgemest in de slachttijd; gij hebt de rechtvaardige veroordeeld,
ja gedood; Er is geen verweer tegen u. Zo broeders en zusters, wees dan geduldig tot de komst van de Heer."
(Jacobus 5,1-7). Hier stellen we terloops ook vast hoe rijken (of althans sommigen onder hen) hun arbeiders
(schuldslaven?) behandelden.
Volgens Goguel verwachtte Jezus dat de komt van het Rijk Gods zich zeer snel zou manifesteren,
zo vlug zelfs dat hij geen instructies gaf aan zijn apostelen. Het gevolg hiervan ligt vervat in een uitspraak
van Loisy : "hij (Jezus) had de komst van Gods' Rijk aangekondigd maar het was de Kerk die kwam." ( Loisy, L'évangile et l'église, 1929, blz. 3).
Terug naar tekst
(24) De evangelies laten Jezus nogal eens zekere waarden van zijn tijd ogenschijnlijk
omkeren misschien om terug te kunnen komen tot een zuivere moraal. Zo tafelt hij regelmatig met mensen van
(in de ogen van de joden) twijfelachtig allooi en hij houdt zich zonder de minste morele problemen op met
tollenaars (vaak collaborateurs van de Romeinen of van Herodes), met prostituees, met 'zondaars'. De leerlingen van Jezus krijgen kritiek van de leerlingen van Johannes
de Doper omdat zij (de leerlingen van Jezus) niet vasten. De meester (Jezus) schijnt een goed eter én drinker geweest
te zijn (een 'slemper' ; Mt.11,18-19; Luc. 7,33-34). Ook uitspraken als 'de eersten zullen de laatsten zijn en
de laatsten de eersten' (Mt. 19,30: Mc, 10,31; Mt. 20,16; Lc. 13,30;
Mc. 9,35;) of dat iedereen moet worden
zoals de kinderen (Mt. 18,1-4; Mc. 10,13-16; Lc. 18,15-17).
En de parabel van de landeigenaar die op verschillende
uren van de dag verschillende arbeiders huurde en op het einde van de dag toch hetzelfde loon uitbetaalt aan iedereen.
(Mt. 20,1-16) En de koning die gasten uitnodigt voor een bruiloftsfeest van zijn zoon. De genodigden komen niet
opdagen en daarom nodigt hij iedereen op straat uit die hij maar vinden kan. (Mt. 22,1-10) Jezus laat zijn leerlingen
zelfs op Sabbat aren plukken;(Mt. 12.1. Mc. 2,23) En wanneer Jezus zonder enige aarzeling een vrouw geneest ook op
een Sabbat, geeft hij een gepaste repliek op zijn kritikasters. (Luc. 13, 10). Hij praat in het openbaar met vrouwen.
Hij wast zich zelfs (ritueel) niet eens voor het
eten…(Luc.11,37 e.v.) Met andere woorden, allemaal opvattingen en gedragingen van Jezus die, op zijn minst, niet
erg passen in de toenmalige joodse moraal en gewoonten.
Of zouden we hier invloeden van de Mysteries (Gnosis) moeten herkennen ? (T. Freke en P. Gandy, blz. 131)
Terug naar tekst
(25) De gebieden die de Romeinen onder hun bestuur brachten waren op de
eerste plaats
wingewesten. Rome voerde soms een harde koloniale politiek. Veroverde gebieden, die weerbarstig bleven, waren
een ideale prooi en moesten de Romeinse staatskas spekken. De procuratoren die zulke gebiedsdelen onder hun
bevoegdheid kregen, lieten dan ook geen kans liggen om een graantje mee te pikken en zichzelf te verrijken.
Alle middelen voor dat doel waren goed. Typisch voorbeeld van zo'n procurator (en prefect) was Pontius,
bijgenaamd Pilatus, een voormalig cavallerieofficier. De naam Pontius duidt op Samnietische afkomst.
( 'Pilatus' betekent 'werpspies', waarmee Pontius zou zijn onderscheiden toen hij militair was. ).
Waarschijnlijk heeft de keizer hem met een pilum, een erespeer, begiftigd.
Misschien was hij de zoon van Marcus Pontius, die onder Augustus tijdens de veldtocht tegen de Cantabriërs (26-19 v. Chr.)
bevelhebber van het leger was. In ieder geval behoorde hij tot de ridderstand, net als de meeste procuratoren.
Hij moet militaire ervaring hebben gehad vóór hij op zijn post benoemd werd. De Romeinen hadden
Pontius Pilatus aangesteld als procurator en hij was afhankelijk van de legaat van Syrië. Zijn ambt
als procurator van de Romeinse stadhouder van Syrië, Lucius Vitellius, dankt hij aan de raadsman van
Tiberius, Sejanus. Als procurator had hij een bestuurlijke macht (vrij beperkt voor Judea). Maar
hij bekleedde ook het ambt van prefect en zo hij beschikte hij ook over militaire en politionele bevoegdheid.
Een reeks van misgrepen, die Pilatus kort na de aanvaarding van zijn ambt beging, had hem de toorn van de
joden op de hals gehaald. Zo had hij aan zijn troepen toegestaan, de zilveren adelaars en andere militaire
emblemen, die de joden als 'beeldendienst' verafschuwden, onverhuld van Caesarea mee naar Jeruzalem te nemen.
In deze zaak had Pilatus het onderspit moeten delven. Ook toen hij een gedeelte van de gelden van de
heilige schat, 'de Korban', aanwendde voor de bouw van een ongetwijfelde dringende nodige waterleiding
(aquaduct) kwam het volk in opstand. Van een derde oproer maakt Philo van Alexandrië, die van 25
vóór tot 50 na Christus leefde, melding. Aanleiding tot deze revolte was dat de Romein enkele aan keizer
Tiberius gewijde gouden schilden in het preatorium had laten ophangen. Ze droegen geen enkele beeltenis,
maar alleen een inschrift ter ere van de Keizer. Toch vatten de joden het tentoonstellen van de schilden in het oude koninklijke paleis
als een dodelijke belediging op en zij klaagden de landvoogd aan bij de keizer. De schilden moesten weg.
Als procuator maakte hij het, zelfs in de ogen van Rome, wat te bont. (onbekwaam?) Agrippa I noemt Pilatus in een
zogenaamde brief aan Philo (dus: Philo doet Agrippa zeggen dat Pilatus...) …een onbuigzaam en hard karakter.
Hij verwijt hem omkoopbaarheid, gewelddaden, roverijen, mishandelingen, beledigingen, voortdurende
terechtstellingen zonder vonnis en onophoudbare wreedheden. Zijn hardheid en onverbiddelijkheid hadden zodanige
afschuwelijke toestanden tot gevolg, dat zelfs het Romeins gezag er schoon genoeg van kreeg. De gouverneur
(regimentscommandant) van Syrië, Vitellius, riep hem terug in het jaar 36, toen Pilatus een zekere Simon de
tovenaar en een groot aantal Samaritanen doodde tijdens hun bijeenkomst op hun heilige berg Gerizim. Blijkbaar
een misverstand dat vermoedelijk berustte op een foutieve informatie (en inschatting) over de samenkomst door
Pilatus' inlichtingsdiensten. (die dachten dat de Samaritanen een opstand beraamden tegen Rome).
(*Korban betekent eigenlijk offergave. Volgens de leer van de schriftgeleerden mocht iets wat aan de Tempel geschonken
was, niet voor een ander doel benut worden omdat het aan God gewijd was. In het Ivriet -modern Hebreeuws- bestaat
hetzelfde woord nog steeds.)
Nu moeten wij voorzichtig zijn met de berichten over Pilatus. Philo, was een jood die van de Romein geen haar heel
wilde laten. Wanneer Pilatus volgens de evangeliën Jezus wilt vrijlaten, is dat zeker niet de Pilatus die Agrippa en
Josephus (willen) zien. Van de andere kant hopen de evangelisten het 'goede nieuws' aanvaardbaar maken voor de
Romeinse wereld. De Romeinen komen er meestal goed vanaf (zelfs bij de dood van Jezus), en ook Pilatus.
Waarschijnlijk zal Pilatus als procurator niet beter, maar eerder wat slechter geweest zijn dan andere landvoogden,
zoals ze toen eenmaal waren en tegenover een muitzieke bevolking wel moesten zijn. Toegevendheid en zachtheid werd
als zwakte uitgelegd.
Pilatus werd afgezet. Hij moest nu naar Rome, om voor de keizer verantwoording af te leggen.
Dit gebeurde in het jaar 39. Tiberius was toen reeds dood en zijn opvolger Caligula liet de landvoogd zelfs in het
geheel niet voor zich verschijnen, maar ontzette hem uit zijn ambt. Hij hield het voor een slecht teken dat deze
procurator in zijn ambtelijke loopbaan (door dan deze, dan weer die maatregel) permanent wrevel en onrust bij het
joodse volk wakker had geroepen. Maar (Barnett Paul, 78) de politieke situatie in Rome zou ook verband kunnen
hebben bij de afzetting van Pilatus. Pilatus was immers een beschermeling van Sejanus. Volgens Philo had Sejanus
veel maatregelen genomen tegen de joden in Italië. (Legatio ad Gaium 159-161). Na de dood van Sejanus schrijft Tiberius
een brief aan zijn stadhouders waarin hij hen waarschuwde dat ze de joodse gebruiken ongemoeid moesten laten.
Van toen af was Pilatus behoorlijk kwetsbaar. (de Tempelhiërarchie stond toen zeer machtig en kon Pilatus onder druk
zetten om Jezus te doden 'want ander was hij geen vriend van de keizer'. Na de val van Sejanus konden de hogepriesters
Pilatus intimideren en dat deden ze ook.).
Hoe het leven van Pontius Pilatus geëindigd is, weet men niet. De overlevering omtrent zijn verbanning naar
Vienna in Gallië, de beschrijving van zijn graf, zijn verband met de berg Pilatus in Zwitserland zijn vrijwel zeker
gefantaseerd. Het weetje van Eusebius dat Pilatus zelfmoord zou hebben gepleegd moet evenzeer met de nodige scepsis gelezen worden
(Boek II, hoofdstuk VII: Eusebius beweert dat hij deze kennis heeft opgedaan van de 'verhalen van de Grieken, die de
Olympiades met de gebeurtenissen van die jaren hebben opgetekend...). Het vrij late evangelie van Nicodemus
(De Handelingen van Pilatus. Vierde eeuw) een van de apocriefe evangeliën, verklaart dat de eerste christenen
Pilatus -wegens zijn zogenaamde pogingen Jezus te redden- gunstiger beoordeelden dan de Joden, die de Romein haatten.
Terug naar tekst
(26) Dat de vergrieksing bij de joden in de diaspora praktisch een feit was, blijkt uit de
inscripties uit die tijd in de joodse catacomben van Rome. Hier bleken er 74% ervan in het Grieks te zijn opgesteld,
een goede 24% in het Latijn en minder dan 2% in het Hebreeuws of Aramees. (Finegan, The archeology of the New Testament,
Princeton Press, 1992).
Terug naar tekst
(27) De radicale Zeloten (en Sicariërs) streden voor de bevrijding van de -volgens hen-
van zichzelf vervreemde maatschappij en weigerden de belastingen te betalen om dat zij geloofden dat God een Messias
zou sturen die Israël zou bevrijden uit de handen van de Romeinen. In de bergen organiseerden ze het verzet en
probeerden zo met geweld hun politiek messianisme door te zetten. Nu weten we dat zich onder de eerste volgelingen
van Jezus zich ook Zeloten bevonden. Simon de Zeloot staat vermeld onder de naaste volgelingen van Jezus. ( Luc. 6,15).
Volgens sommige schrijvers zou ook de ontgoochelde Judas een Sicariër zijn geweest. Sicariërs waren eigenlijk
sluipmoordernaars.
Men mag zeker niet uitsluiten dat er relatief veel Zeloten en Sirarii kunnen geweest zijn bij Jezus' eerste volgelingen,
zelfs in de nauwere leerlingenkring. Daniélou spreekt over een 'zelotenchristendom', ook al omdat de eerste
apostelen bestonden uit Galileeërs en het 'zelotendom' vermoedelijk ontstond in Galilea.
Het meest wordt Judas (I)s(i)cariot genoemd (sommigen beweren echter dat Judas Iscariot
afkomstig was uit het stadje Kerioth, ten zuiden van Jeruzalem). Jacobus en Johannes (zonen van Zebedeus) hadden als bijnaam 'zonen van de donder',
wat zou wijzen naar de Zeloten. Het is zelfs mogelijk dat Petrus een Zeloot was. Zijn bijnaam 'Barjona' (Mt. 16,17) zou duiden op de Zeloten.
Het betekent niet alleen 'zoon van Jona' maar tevens 'man die buiten leeft' of 'vogelvrije'. Zoals boven gesteld heeft men nog Simon de Zeloot,
en mogelijk was zelfs de broer van Petrus, Andreas, een Zeloot. Het aantal -let wel potentiële- Zeloten in de naaste volgelingengroep van Jezus
lag met andere woorden erg hoog. Bovenstaande blijft natuurlijk een hypothese maar het blijft verbazen dat Simon de Zeloot
expliciet wordt vermeld bij (alleen)Lucas en in Handelingen. Waarom, (welk was het 'nut') vermeldt deze evangelist dit?
De andere evangelisten vermelden het niet. Verzwijgen ze het?
Men krijgt som de indruk de latere versies van de christelijke geschriften (Evangelies, Handelingen) het
christendom hebben willen ontpolitiseren maar daar niet helemaal in geslaagd zijn. Zo leest men: (Matth. 10, 14:
'Ik ben niet gekomen om vrede te brengen maar het zwaard' of (Luc. 22,36): "Hij zei hun: ' Maar nu moet je een
beurs en een reistas meenemen als je die hebt, en als je geen zwaard hebt, moet je je jas verkopen en je een zwaard aanschaffen' ".
En er sijpelen ook verre geruchten door uit oude teksten waaruit zou kunnen blijken dat de gevangenneming van Jezus
niet zo geweldloos zou zijn geweest.
- Zo is er de getuigenis van Sussianus Hierocles, geciteerd door de kerkelijke geschiedschrijver Lactantius (250-330).
Deze Hierocles was een hoge functionaris in de tijd van de kerkvervolging van Diocletianus. Hij was opeenvolgend
procurator van Fenicië, Arabia Libanitis, Bithynië en daarna prefect van Egypte. Volgens deze Hierocles werd
Jezus 'aan de spits van negenhonderd aanhangers overwonnen en gevangen genomen door de joden. (Carmichael,
De dood van Jezus, Moussault, Amsterdam ,1967, p 131)
- Een middeleeuwse Hebreeuwse tekst, parafraserend op Flavius Josephus, vertelt dat Jezus op de Olijfberg meer
dan tweeduizend volgelingen bij zich had. (Ibidem. De teksten worden vermeld in een Slavonische (Oudrussische)
versie van Flavius Josephus, uitgegeven in twee volumes, door Robert Eisler in de reeks Religionswissenschaftliche
Bibliothek, Carl Winters Universitätsbuchland, Heidelberg, 1929, Bd. I,p xxv en BdII,p 253)
Het zou ook kunnen zijn dat deze 'echo's' ons misleiden omdat zij dingen door mekaar haspelen. Er zijn namelijk verschillende 'Jezussen'
geweest in de eerste eeuw vóór en na onze jaartelling in Palestina waarvan er minste één (gewapende) revolutionair was.
Maar het is evengoed mogelijk, zoals boven gesuggereerd, dat de evangelisten pogen het revolutionair karakter van Jezus
in de doofpot te steken. Zo wordt door Pilatus Barabbas vrijgelaten in plaats van Jezus. De voornaam van Barabbas was
ook ‘Jezus’. Barabbas is een mogelijke samenvoeging van Bar-Abbas (de zoon van de v(V)ader). Zijn Jezus van Nazareth
en Jezus Bar-Abbas dezelfde persoon? En was Bar-Abbas niet een gevangen partizanenleider en Jezus dus ook?
Zijn Jezus en Barabbas identiek? Dat Jezus als straf de kruisdood kreeg voor een religieus misdrijf is hoogst verwonderlijk.
Normaal zou dat de steniging moeten geweest zijn. De Talmoed beweert dat Jezus gestenigd werd en daarna opgehangen.
Hebben de evangelisten dit willen verdoezelen? Allemaal weer vragen over veronderstellingen, maar, nogmaals, toch niet helemaal uit te sluiten.
Terug naar tekst
(28) De sadduceeërs kwamen voort uit de rijke aristocratie, in het bijzonder uit de
machtige priesterklasse te Jeruzalem. (Flavius Josephus spreekt over hen zelfs als van een 'sekte'). Waarschijnlijk
waren de meeste sadduceeërs ook priesters, maar zij mogen niet vereenzelvigd worden met het priesterkorps als geheel.
In hun gelederen telde men namelijk rijke kooplieden, regeringsambtenaren en anderen. (Russell, 46). Ten tijde van de
apostelen kende men binnen de groep van de Sadduceeërs nog de clan van de hogepriester en zijn entourage. De Sadduceeën bezaten
de feitelijke macht zeker in religieuze zaken. Zij waren de afstammelingen van Zadok die als priester partij had
gekozen voor Salomo in de strijd voor de troonopvolging. Als dank benoemde deze laatste Zadok tot hogepriester.
Ook de afstammelingen van Zadok hadden een exclusief recht op het hogepriesterschap. Zo zegt de profeet Ezechiel:
"De vertrekken aan de noordkant (van de Tempel) behoren toe aan de priesters die aan het altaar zelf hun dienst
verrichten. Dat zijn de zonen van Zadok, die als enigen van de kinderen van Levi recht hebben voor de godheid zelf
te treden om hem te dienen". (Ezechiel, 40,45)
De sadduceeërs probeerden zich te handhaven in het machtsspel. Reeds vóór de tijd van Jezus hadden zij als
tempelaristocratie de Griekse levensstijl overgenomen, nu collaboreerden zij volop met de Romeinen. In de
tijd van Jezus beheersten zij nog het Sanhedrin, het opperste gerechtshof der joden en tevens de regerende
Joodse Raad. Zij hielden zich strikt aan de Thora en hechten weinig belang aan de Misjna. Bovendien geloofden
zij niet in de heropstanding der doden en evenmin in een beloning of straf na de dood, maar wel in dit leven.
Zij hielden zich aan de Wet van Mozes: God beloont en straft in dit leven. De vrije wil van de mens was bij
hen primordiaal. Er was bij hen geen sprake van (goddelijke)voorbeschikking en zij waren van mening dat
de ziel met het lichaam vergaat. Bovendien dachten ze dat de mens zelf de oorzaak is van zijn eigen geluk en ongeluk.
De mens moest zich wel verantwoorden over zijn daden tegenover God.
Terug naar tekst
(29) De farizeeërs waren de tegenpartij van de sadduceeërs. Zij aasden op de macht
van deze laatsten. Vandaar een nauwelijks verholen (vaak woorden-) strijd tussen 'de Synagoge en de Tempel'.
Over het algemeen behoorden de farizeeën tot de middenstand. Men noemt hen de 'uitleggers van de wet'.
Om die reden onder andere stonden zij dichter bij het volk, met wie zij dagelijks in contact kwamen in de
nauwe straten en met wie ze (soms verhitte) discussies binnen en buiten de synagogen aangingen. Het waren voor
het overgrote deel leken, die zich toegelegd hadden - meestal uit interesse - op de kennis van de Wet, en zij
probeerden vaak met zeer grote kennis van zaken, de Wet in overeenstemming te brengen met het dagelijkse leven
van de gewone mens door zeer precieze wetsinterpretaties. In die zin zijn ze de voorlopers van de rabbijnen.
De mensen zagen ze als een soort leraars die in eenvoudige bewoordingen de Wet verduidelijkten.
Het een en het ander bracht mee dat ze konden bogen op een zekere populariteit. Zij geloofden in het lot,
in de voorbeschiktheid van de mens en de onsterfelijkheid van de ziel. Hun invloed op de gewone mens was
vrij groot, maar ze bezaten relatief weinig feitelijke macht. Ten tijde van Hasmoneeën vormden zij een belangrijke
politieke macht, maar onder het bewind van Herodes de Grote hielden ze zich gedeisd. Herodes hield niet van
pottenkijkers. Men schat het aantal farizeeërs ten tijde van Herodes de Grote op 6000, tenminste dat beweert
Sanders.
Terug naar tekst
(30) Marcus zegt ons zeer duidelijk dat bepaalde schriftgeleerden dingen naar de gunst
van het volk. Ook zij verrijken zich en ze zijn volop verwikkeld in de machtsstrijd. Met ander woorden:
ze spelen dubbelspel. Marcus gebruikt het woordje 'farizeeër' niet, maar wij kunnen wel uit
de tekst afleiden dat het om hen gaat. Zo verhaalt hij (Marcus 12, 38-39) : Bij zijn onderricht gaf Hij
deze waarschuwing: 'Wacht u voor de schriftgeleerden, die graag in lange gewaden rondlopen, zich laten groeten
op de markt, belust zijn op de voornaamste zetels in de synagogen en op de ereplaatsen bij de maaltijden, maar
de huizen der weduwen opslokken, terwijl ze voor de schijn lange gebeden verrichten; over deze mensen zal een
streng vonnis worden uitgesproken.'
We moeten ons echter hoeden voor algemene uitspraken over de farizeeërs. Ze waren niet allen corrupt natuurlijk.
Hetzelfde geldt voor de priesters. De meeste sadduceese priesters deden plichtsgetrouw wat er van hen verwacht werd.
Terug naar tekst
(31) Waarschijnlijk was de wrevel tegen de farizeeërs veel dieper geankerd.
De oudtestamentische profeten hadden meestal de 'besnijdenis van het hart' verkozen boven 'de besnijdenis van het vlees.'
De farizeeërs evenwel hadden in de loop der eeuwen door hun commentaren in zekere zin de Wet uitgehold en de religieuze plichtplegingen
gereduceerd tot formalistische handelingen (de praxis van de geboden en verboden) zonder veel inhoud.
Voorgaand rigorisme was historisch zeker te begrijpen. De farizeeërs droegen bij tot de redding van het religieuze
jodendom toen Antiochus IV Epiphanes het Mozaïsme dreigde te versmachten. Op de duur leidde dit letterlijk vasthouden aan de Wet tot
het wegkwijnen van de spirituele dimensie. Deze kwam voor een groot stuk te vervallen, en dit wordt duidelijk door de
(in deze context) specifieke verwijten van Mattheüs en Lucas
aan het adres van de farizeeërs: "Wee U schriftgeleerden en farizeeërs, gij huichelaars. Gij hebt de sleutel van de kennis weggenomen
en sluit het Rijk der Hemelen af voor de mensen. Zelf zijt gij niet binnengegaan en hen die aan de poort kwamen, hebt ge tegengehouden""
(Mattheüs, 23,13 en Lukas, 11, 52). Ook dit is te verklaren. Door het onderwijzen en uitleggen van de
Thora en door deze toe te passen op het dagelijkse leven hebben de farizeeën de godsdienst willen 'democratiseren',
er iets persoonlijks van willen maken voor het gewone volk. Hun voornaamste hulpmiddel bij het propageren
van de Thora was de synagoge, die uitgroeide tot een machtig instituut niet alleen in Jeruzalem, maar overal daarbuiten,
in de Diaspora. Maar het farizeïsme droeg op de duur een doorgedreven wettisch karakter. Dit wettische leidde gemakkelijk tot bovengenoemd
formalisme en dit voert dan weer tot uiterlijkheid en onwaarachtigheid. (Russell 45). Zoals boven
gesteld, moet met niet alle farizeeërs over dezelfde kam scheren. Uit hun midden komen ook grote leraren voort, zoals
Sjammai en Hillel. Vooral de meer liberale Hillel die van Babylonische afkomst was en leefde van omstreeks 50 voor Christus tot 10 na Christus,
was zeer geliefd bij de joden. Het was een gematigd man en bekend om een aantal zeer wijze uitspraken, die soms grote gelijkenis
vertonen met die van zijn iets latere tijdgenoot Jezus. Zo komt Jezus soms dicht bij de opvattingen van Hillel. Hillel bleef bekend als wetshervormer.
Evenwel, volgens Menahem Benhaym stond het Farizeïsme in de tijd van Jezus toch eerder onder de invloed van het behoudend huis van Sjammai.
Bovendien stellen wij vast de het juist de farizeeërs zijn, die de latere
christenen zullen verdedigen. Zo zal de leraar van Paulus, Gamaliël, de apostelen het leven redden. (Hnd. 5, 17-42).
David Flusser wijst op het feit dat wanneer in het jaar 62 Jezus' broeder Jacobus en anderen zonder echte
rechtsgrond worden veroordeeld, de farizeeërs zich tot de koning wenden hetgeen uiteindelijk leidt tot het afzetten van de hogepriester Ananos.
(Josephus, Oudheden, 20,199-203).
Sommige auteurs beweren zelfs dat Jezus zelf een farizeeër was want hij gaf vaak uitleg van de teksten op
basis van het alledaagse leven. Heel die hetze tegen de farizeeërs zou slechts later zijn ontstaan, voornamelijk
door het toedoen van Paulus, die (zelf ooit leerling van de algemeen gewaardeerde Farizeeër Gamaliël 1) geregeld
goed in de clinch ging met farizeeërs, waardoor joden en christenen uiteindelijk uit mekaar gingen. Niets wijst
er immers op dat Jezus joodse regels inzake besnijdenis, enz. wilde versoepelen. De farizeeërs werden niet
gediaboliseerd door Jezus maar wel door Paulus en door latere zeer vroeg christelijke auteurs. (Wilson 292) Nogmaals,
vergeten we niet dat de farizeeërs Jezus niet hadden vervolgd of gedood en zij waren nog minder de vrienden van
Pontius Pilatus. Evenmin hadden zij bezwaar dat de heidenen het woord van God hoorden. Zij leerden dat de Wet,
die van de Almachtige God afkomstig was en zelf heilig en onveranderlijk was, universeel geldig. Ze was gericht
tot alle mensen, heidenen zowel als joden en daarom was het in alle tijden en plaatsen nodig de Thora uit te leggen
aan hen die bereid of in staat waren ernaar te luisteren. (Wilson,,142). De farizeeërs lagen aan de basis
van de nu nog functionerende rabbijnse traditie.
In het Evangelie van Thomas (Dit zijn de geheime woorden die de Levende Jezus sprak, en die Didymos Judas
Thomas opschreef), zegt Jezus zelfs dat de farizeeërs wel de gnosis bezitten. Zo spreuk 39,
Jezus zei: "De farizeeërs en schriftgeleerden hebben de sleutels der Kennis ontvangen en die verborgen…"
De antipathie tegen de farizeeërs kan nog een andere oorzaak hebben. (E.Trocmé, 130). Men mag niet
vergeten dat het (tweede of de X zoveelste versie ...?) evangelie van Mattheüs geschreven is rond de jaren 90-95. Jeruzalem was reeds
20 jaar geleden gevallen en Jochanan ben Zakkaï, een farizeeër, had van de Romeinen de
toestemming gekregen zijn rabbijnenschool te mogen oprichten in Jamnia (Yavne) . Deze school was zeer strikt voor wat
betreft het naleven van de joodse wet. Er ontstond na de val van Jeruzalem een strikt jodendom, met een
streng onderricht en tot weinig compromissen bereid met andere strekkingen zoals de christenen. Het
evangelie van Mattheüs probeert nog om de griekssprekende synagogen te winnen voor de christelijke boodschap
voordat de school van Jamnia het pleit uiteindelijk won. (vrij naar Trocmé) Vandaar dat de Farizeeën er bij
Mattheüs slecht uitkomen. De school van Jamnia werd uiteindelijk de algemeen erkende Joodse godsdienst, op
farizeese leest geschoeid. Op het einde van de eerste eeuw riep Gamaliël II, die toen de leiding had over het
Sanhedrin van Jamnia een algemene vergadering bijeen waarin het hele jodendom vertegenwoordigd was. Hij liet
daar de lijst vaststellen van de boeken die behoorden tot de bijbelse (joodse) canon en liet aan de twaalfde
van de Achttien Zegeningen die in de synagogen werden gereciteerd een zin toevoegen (een anathema, zie boven ),
waarin de miniem (=ketters) en ook de Naza(o)reeërs werden vervloekt. Tengevolge hiervan waren de christenen die
lid waren gebleven van de synagogen, verplicht uit die synagogen te stappen. Deze laatsten waren trouwens, als men
het vierde evangelie mag geloven, al begonnen de aanhangers van Jezus buiten te sluiten.
Terug naar tekst
(32) 'Wee U, schriftgeleerden en farizeeërs, huichelaars! De buitenkant van de beker en
schotel maakt ge schoon, maar van binnen zijn ze gevuld met roof en genotzucht'. (Mattheüs, 23, 25). Bijna heel het
hoofdstuk 23 bij Mattheüs is een tirade tegen de schriftgeleerden en tegen de farizeeën in het bijzonder.
Terug naar tekst
(33) 'Zoals die (nederzettingen) aan de Dode Zee, waar zij woonden in het gezelschap van
de palmen.' (Plinius Minor, Natuurgeschiedenis, 5 de boek.) De naam 'Essenen' dekt waarschijnlijk verschillende
groepen, wier geloofsovertuigingen en praktijken wellicht niet steeds geheel dezelfde waren, maar wel gelijkenis
met elkaar vertoonden. (Russell, 47) Kennelijk vormde de geschreven Thora en haar bestudering de grondslag van hun
gemeenschapsleven.
Dat de gemeenschap van Qumran blijkbaar een belangrijke stroming uitmaakte in het Palestijnse jodendom toont
aan dat het jodendom niet samenviel met een door farizeese rabbi's beheerste maatschappij.(Van Segbroeck, blz. 69).
Dit was zeker zo in Jezus' tijd. Nogmaals, dat Jezus in de evangeliën vaak in conflict komt met farizeeën en andere
schriftgeleerden, zou er op kunnen wijzen dat het Nieuw Testament geschreven is in een tijd dat de conflicten met
het rabbijnse jodendom van na 70 haast dagelijkse kost waren na het stichten van de school van Jamnia. Dit is echter absoluut niet zeker.
Jezus kan iemand zijn geweest die observeerde wat zich
voordeed in zijn onmiddellijke omgeving en die zag wat hij zag en daarover ongezouten zijn mening zei.
(zie opm. (23) ) Het type persoonlijkheid van de ons voorgespiegelde Jezus kan men zeer goed afleiden wanneer hij opmerkingen
krijgt dat hij zich niet ritueel wast voor het eten. (Luc.11,37 e.v.). Tenminste… indien dit de woorden van Jezus
zelf zijn geweest.
Volgens Trocmé zou er wel degelijk een invloed zijn van de Essenen op de allereerste christenen.
De Essenen kenden immers geen privé-eigendom, hadden een strenge moraal. Iedereen die zich niet gedroeg
zoals het hoorde werd uit de gemeenschap gestoten, zij hechtten groot belang aan de doop, hadden gemeenschappelijke
maaltijden en zij hielpen zeer uitgesproken de weduwen en de wezen. Allemaal kenmerken dus die wij toch terugvinden
bij de eerste kerk in Jeruzalem. Ook de namen die men aan Jezus toekent (Vorst, Redder, Messias), dus de rijke
schat aan Messiaanse titels. Deze benamingen waren eigenlijk ontwikkeld door de Essenen. Recent wetenschappelijk
onderzoek bracht aan het licht dat, ook in Jeruzalem, er een Esseense wijk bestond. (Trocmé, De eerste jaren van
het christendom, p.32).
Gardner -die we vaak met de nodige korrel zout moeten nemen- vermeldt (blz. 68): '…terwijl de Essenen neigden naar mystiek.
Josephus vertelt dat de Essenen bedreven waren in de geneeskunst en hun therapeutische kennis van wortels en stenen te danken hadden aan de Ouden.
De term Esseen verwijst inderdaad naar deze bekwaamheid want het Aramese woord assaya betekende arts en kwam overeen met het Griekse woord
'essenoi'. (Vrij naar Gardner).
Josephus meent te weten dat de Essenen verspreid leefden over verschillende steden (dus niet alleen in de woestijn
zoals wel eens beweerd wordt). Zo zegt hij dat de Essenen geen eigen stad hebben maar dat zijn wonen in grote getale
in de steden van Palestina. Wanneer geloofsgenoten van elders op bezoek komen, betonen ze zich zeer gastvrij en gaan
ze vriendschappelijk met hun gasten om. In iedere stad is er iemand speciaal verantwoordelijk voor bezoekers. Als ze zelf
of reis gaan hebben ze geen bagage bij zich, alleen een verdedigingswapen. Daarom is het toch hoogst eigenaardig
dat - vermits Essenen overal te vinden zijn Palestina- de Essenen noch de Zeloten ergens (in tegenstelling tot de Farizeeën en de Sadduceeërs)
genoemd worden in de Evangelies.
Hierover heeft men zich terecht vragen gesteld. Hebben de evangelisten willen verdoezelen dat Jezus een Esseen was? Hebben zij willen wegmoffelen
dat hij banden had met de Zeloten? Of is het een bewijs dat de evangeliën toch maar zeer laat zijn geschreven,
namelijk in een tijd waar er geen Essenen noch Zeloten meer waren? Maar waarom vermelden de evangeliën dan wel de Sadduceeërs?
Volgens Krijbolder worden de Essenen eenvoudigweg niet vermeld omdat alle evangeliën in feite van oorsprong Esseens zijn.
Deze auteur poneert de stelling dat de eerste christenen voortspruiten uit de Essenen.
Een andere vreemde kwestie die hier aan de orde moet gesteld worden is de vaststelling dat Josephus
de christenen nergens noemt als groep. Indien de jonge christelijke (joodse) sekte erg actief zou zijn geweest zoals in
Handelingen wordt beweerd dan had Josephus deze nieuwe (christelijke) beweging zeker opgemerkt.
Immers hij woonde samen met zijn familie tot het jaar 67 in het centrum van Jeruzalem en volgde het religieuze Jodendom op de voet.
Als de christenen bovendien erg omvangrijk zouden zijn geweest in die tijd en zich geroerd zouden hebben, dan had
Josephus in zijn 'Vita' er zeker over geschreven. En wanneer bij de belegering van Jeruzalem de christenen -
zo gaat de overlevering - gezamenlijk de stad verlaten en uitwijken naar het overjordaanse Pella, wordt deze 'uittocht' (vlucht?)
nergens door Josephus vermeld in zijn 'Joodse Oorlog'. Josephus kennende had hij deze mogelijke vaandelvlucht van de
zogenaamde christenen op zijn minst duidelijk vermeld. Het feit dat hij dat niet deed, doet toch vragen rijzen…
In dit verband haalt Krijbolder Philo van Alexandrië aan. Philo (± 20 v. Chr. - 45). Philo bestudeerde de
toenmalige verschillende godsdienstige strekkingen in zijn leefwereld en hij onderhield nauwe contacten met Jeruzalem.
Krijbolder: "…men neemt aan dat hij (Philo) elk jaar de verplichte bedevaart naar de tempel maakte…hij moet dan bijvoorbeeld
de kruisdood van Jezus van nabij hebben meegemaakt…De geleerde auteur geeft wel een uitgebreid verslag van een in Palestina florerende
sekten der Essenen, van een sekte van Magiërs in Mesopotamië die ook worden genoemd in Mattheus (de zogenaamde 'Wijzen uit het Oosten'),
en van een sekte van Therapeuten in Egypte, die dezelfde naam dragen als de Essenen in Palestina…Maar zoals gezegd, niets over Jezus
van Nazareth…Philo van Alexandrië, die in 45 na Christus gestorven is,…een van de meest ontwikkelde personen van zijn tijd, (die)
een intense belangstelling had voor zijn eigen godsdienst, het jodendom, maar ook voor de godsdiensten van anderen volgen,- deze
Philo kent geen Jezus van Nazareth.(Vrij naar Krijbolder, blz. 50)
Toch hoeft dit allemaal niet iets negatiefs te betekenen voor 'het bewijs' van het bestaan van de eerste christenen.
Het kan immers ook zijn dat de nieuwe christelijke beweging veel minder succes kende in het begin dan dat Handelingen
(propagandageschrift) ons wil doen geloven en dat ze daardoor onopgemerkt bleef, des te meer dat in het prille begin
het christendom niet echt te onderscheiden was van het jodendom (zie noot
129 over de Ebionieten). Of anders gezegd:
de nieuwe christenen werden niet vermeld omdat zij niet opvielen en zij vielen niet op omdat zij zich niet
onderscheidden van de doorsnee-jood, ook niet qua geloof en ze daarom op religieus vlak vereenzelvigd werden met het klassieke jodendom.
Terug naar tekst
(34) De eerste christenen waren in hoofdzaak stadsmensen. Dit bleef lange tijd zo.
Het platteland, waar de heidense gewoonten veel hardnekkiger standhielden, werd vrij laat gekerstend. Stark
(blz. 10) wijst op het feit dat het woordje 'paganisme' in die richting wijst. 'Paganus'
betekent eigenlijk plattelandsbewoner, dus hij, die vaak 'geen christenen' (wel heiden) was. In dit verband
hebben sommige schrijvers het over het christendom in de vroege periode als een "Cockney-religie", die
vooral de eenvoudige inwoners in de grote steden aansprak. (Robin Lane Fox, blz. 273.).
Meijering echter oppert nog een andere (vrij valabele) reden waarom het christendom niet zo vlug aansloeg
op het platteland. De heiden-christelijke predikers spraken meestal (koinê) Grieks. Op het platteland bleef
men de lokale talen spreken. De communicatie van de inheemse bevolking met de griekssprekende predikers
verliep daarom niet erg vlot. (Vrij naar Meijering, Geschiedenis van het vroege christendom, blz. 450, opm. 26.).
Irenaeus , bisschop van Lyon maakt later in dezelfde zin een opmerking. Het overgrote deel van zijn
mogelijke achterban sprak immers Keltisch…
Dit staat in schril contrast met het optreden van Jezus zelf. Immers, voor zover wij kunnen nagaan in de
evangelies, predikte Jezus bijna nooit in steden. Integendeel, als het effen kon vermeed hij de stad. En
als hij dan eens de het grondgebied van de Dekapolis aandeed (volgens Marcus twee keer), kunnen we niet uit
de tekst afleiden dat hij de steden binnenging. Ook wanneer hij in het gebied van Tyrus en Sidon kwam, bleef
hij daar weg uit deze (onzuivere) steden. Jezus was zeker geen kosmopoliet: hij trok van dorp tot dorp. Dat blijkt tevens
uit het feit dat hij zich meestal laat omringen door eenvoudige mensen.
Alhoewel hij zijn 'basis' had in Kapharnaum, leefde Jezus als een soort 'bohémien', als een soort
zwerver (misschien te vergelijken met de rondtrekkende cynici), waarschijnlijk zonder echtgenote noch kinderen,
maar met enkele volgelingen van beide geslachten. Deze aanwijzingen vinden wij in de evangelies.
Renan meent dat het weinig waarschijnlijk is dat Jezus Grieks sprak. Volgens Renan was de Griekse cultuur niet
doorgedrongen tot dorpen zoals Nazaret ook al omdat de plaatselijke joodse schriftgeleerden dit beletten en het
'hoeden van zwijnen gelijk stelden aan het aanleren van de Griekse wijsheden.' Of toen hem gevraagd werd op welk ogenblik
men dan Griekse wijsheden moest bestuderen een schriftgeleerde antwoordde:
'Op een moment waar het noch dag is noch nacht, want er staat geschreven over de Wet: gij zult haar bestuderen dag en nacht'.
Terug naar tekst
(35) Zo schrijft A.N. Wilson: "...In het ontvlambaar klimaat van de jaren 33-64 waren
er veel messiassen en messiaanse bewegingen binnen het jodendom. Veel van de meer politiek-religieuze joden,
die streefden naar de bevrijding van Jeruzalem van de Romeinse bezetter, geloofden dat de Gezalfde des Heren
die bevrijding zou bewerkstelligen." (A. N. Wilson , Paulus, 1977,16)
Terug naar tekst
(36) Dat er talrijke sekten, partijen, stromingen in die tijd bestonden, blijkt
duidelijk uit de niet-canonieke literatuur. Deze literatuur brengt vele verschillende opvattingen
aan het licht, geloofsvoorstellingen en invloeden die niet steeds thuis te brengen zijn bij één van de bekende partijen.
Terug naar tekst
(37) Zo poneerde Simon de Tovenaar dat de wereld geschapen was door
de engelen maar dat zij de wereld slecht bestuurden en door de Hogere Macht uit hun rechten ontzet werden.
Simon liet zich ook vergezellen van een vrouw, Helena, die met hem verbonden was als de 'Eerste Gedachte'.
Simon de Tovenaar was een leerling van Dositheus. Deze laatste paste de tekst van Deut. 18,15 toe op hemzelf.
Deut. 18,15: "Uit uw eigen broeders zal de Heer uw God een profeet laten opstaan zoals ik, naar wie u moet luisteren."
Volgens Daniélou was de beweging der Simonieten en Helenianen een ascetische en eschatologische stroming,
maar dan vermengd met magische en syncretische elementen die later nog meer op de voorgrond traden toen het
duidelijk werd dat de parousie zich niet concretiseerde. Hierdoor werd vermoedelijk één der paden geëffend
naar de christelijke gnostiek (vrij naar Dr. J.Daniélou, blz. 26-27).
Terug naar tekst
(38) Marcus meldt ons de reactie van de inwoners van Nazareth wanneer zij Jezus bezig zien.
Zij reageren (onaangenaam) verrast en wel als volgt: "Is dat niet de timmerman, de zoon van Maria en de
broeder van Jacobus en Jozef en Judas en Simon? En wonen zijn zusters niet bij ons? En zij namen aanstoot aan
hem." (Mc. 6,3) Ook Johannes vermeldt dat Jezus broeders had, die het eveneens niet hoog ophadden met het
optreden van Jezus en hem aanzetten Galilea te verlaten. Johannes (Joh. 7,5) merkt terloops op: 'Ook zijn
broeders immers geloofden niet in Hem'.
Flavius Josephus (Antiquitates Judaicea, XX,200) weet te melden dat een broer van Jezus, namelijk Jacobus,
door de hogepriesters ter dood veroordeeld werd. Ook Eusebius - hij heeft die informatie van Hegesippos (260 - 340), zo beweert hij -
vermeldt in zijn 'Historia Ecclesiastica' dat na Jacobus een neef van Jezus, Simeon de gemeente ging leiden en
dat twee kleinzonen van Judas, een broer van Jezus, als verdachten voor de Romeinse keizer Domitianus (81-96)
werden geleid, als een soort joodse troonpretendenten, maar na een verhoor weer werden vrijgelaten, want het
waren maar arme boeren. 'Na hun vrijlating bestuurden zij de kerken, tegelijk als getuigen en als verwanten van
de Heer (Eusebius Kerkgeschiedenis,III,35). Zij gaven leiding aan de Palestijnse kerk tot in 98, de tijd van
keizer Trajanus, tenminste… indien de overleveringen juist zijn.
Voor de Rooms-katholieken stelde de passage in het Marcus-evangelie trouwens een probleem. Want als Christus
broers (onder meer Jacobus, die vermoedelijk ouder was de Jezus) en zusters had, hoe kon Maria dan maagd zijn?
Vooral voor Hiëronymus bleek dit een pijnlijke vraag toen hij aan zijn 'vulgaat' werkte in de jaren 386 tot 405.
In een bijbelcommentaar verving hij het woord 'broers' dan ook door 'neven'. Tot voor kort bleven vooral de
rooms-katholieke vertalingen trouw aan de 'interpretatie' van Hiëronymus. Hiëronymus zou overigens niet aan zijn
proefstuk toe zijn. In zijn Vulgata verdraaide hij met een vrij grote standvastigheid teksten van het Oude en Nieuwe
testament, zo beweren bepaalde auteurs. Volgens hen zou Hiëronymus dit gedaan hebben met de bedoeling de
bijbelvertaling aan te passen aan de 'orthodoxe' christelijke leer.
Nochtans bezigen de evangelieteksten het woord adelphoi wat 'broeders' betekent.
In het desbetreffende bijbelcommentaar heeft Hiëronymus het over 'neven'. Nu voor 'neven' gebruikte men het
woord anepsioi, zoals Paulus dit doet in zijn brief aan de Kolossensen (Kol4:10) (Duquesne 72 ).
Van de andere kant wijzen zekere apocriefe geschriften (evangeliën van Jacobus en Petrus) op het feit dat
de ouders van Maria besloten hadden hun dochter aan de Heer (=de Tempel) te wijden. Dit betekende dat
Maria maagd moest blijven.
Ook mogen we de mogelijkheid zeker niet uitsluiten dat Jozef weduwenaar was en reeds kinderen had voordat hij
met Maria trouwde. Wat we wel weten is dat Jezus de eerstgeborene zoon zou geweest zijn van Maria (Lc, 2 7)
(Dit impliceert dat -indien Lucas de waarheid zegt- Jacobus jonger is dan Jezus. Indien men aanneemt dat Jacobus ouder
was dan Jezus, dan heeft Jozef kinderen gehad uit een vorig huwelijk.)
Renan echter meent te moeten besluiten dat Jacobus toch niet te broer is van Jezus, maar wel zijn volle neef.
Hij onderbouwt zijn stelling als volgt:
-Johannes (Joh. 7,5) zegt duidelijk : 'Ook zijn broeders geloofden niet in hem'. Dus, zegt Renan, als we dit
voor waar aannemen dan kan Jacobus nooit aan het hoofd gestaan hebben van de kerk in Jeruzalem na de dood
van Jezus, tenzij Jacobus later wél is gaan geloven in zijn broer, maar daar weten we niets over.
-De zuster van Maria had ook 4 zonen en het zijn deze die Jezus volgden. Eén van deze zonen heette Jacobus,
een volle neef van Jezus, en het is die Jacobus die later de leiding nam van de jonge kerk.
Maar de constructie van Renan heeft een zwak punt: de zuster van Maria heette -volgens Renan-ook Maria…
Ik persoonlijk neig eerder voor een versie in de zin van die van de Talmoed. Maria kan een - al dan niet
kindmoeder- moeder geweest zijn na een verkrachting door een Romeinse soldaat of door een andere man ('Zijn moeder
Maria was verloofd met Jozef, en voordat ze bij elkaar gingen wonen, bleek zij zwanger te zijn ... Mt. 1,18).
Marcus, die altijd nauwgezet tewerk gaat, bevestigt misschien impliciet de hypothese van een buitenechtelijk kind. Immers
in bovengenoemd vers meldt de evangelist inderdaad de reactie van de inwoners van Nazazet. (Mc. 6, 3):
“Dat is toch de timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jakobus en Joses en Juda en Simon?…”
Indien Jezus een wettig kind zou zijn geweest zou Marcus waarschijnlijk het joods gebruik van afstamming hebben gebezigd.
Hij zou dan niet gezegd hebben dat Jezus de ‘zoon van Maria’ was, maar wel dat Jezus de ‘zoon van Jozef’ (Jesjoe Bar Jose(e)f )
was. Dit was de Joodse manier om de bloedlijn van iemand aan te duiden.
(De Talmoed geeft zelfs de naam van de verkrachter, nl. Panthera, -Paulus zou dan de afkomst van Jezus
omgebogen hebben van 'Panthera' tot 'Panthena (maagd) -een Romeinse legionair. Uit onderzoek zou men zelfs
een legionair, een zekere Panthera, hebben kunnen traceren in een legerbivak aan de Rijn van een legioen
(cohorte) dat in Cesarea zou zijn gelegerd geweest rond de periode die de geboorte van Jezus voorafging en enige tijd daarna.
Jezus zou dan Jehoshua Bar Panthera geheten hebben. Er werd namelijk een grafsteen gevonden in Bingerbrück (Duitsland) van een uit
het Fenicische Sidon stammende soldaat van het Romeinse leger, Tiberius Julius Panther genoemd. Hij behoorde tot een cohorte die tot het jaar
9 na Chr. in Palestina garnizoen had. Met het nodige wantrouwen te lezen natuurlijk, maar evenmin
helemaal uit te sluiten). De oudere Jozef, misschien weduwenaar zijnde, heeft de jonge aanstaande moeder dan
maar getrouwd of was van plan met haar te huwen voor de verkrachting plaats greep, maar huwde haar desondanks
(misschien zelfs uit liefde, genegenheid, medelijden, of omdat er een vrouw in huis moest zijn, of omdat hij een
degelijk man was, dus uit goedheid). Het is evident dat dit allemaal louter gisssingen zijn. Ook moet men moet zich
hoeden voor de Talmoed. Dit geschrift beschouwt de christenen als werkelijke afvalligen en wil natuurlijk met dit
verhaal de stichter (een bastaard!) van de christelijke beweging in een zeer slecht daglicht stellen.
Terug naar tekst
(39)
Zoals boven gesteld waren de 'desposunoi' (desposyni) de familieverwanten van Jezus. Deze hadden niet lang na
Jezus' dood in Jeruzalem de controle van de Jezus-aanhangers overgenomen, te beginnen met de eerste 'bisschop'
(sic volgens Eusebius) van Jeruzalem: Jacobus de Tsaddiek, de broer van Jezus. Na de terechtstelling van Jacobus
ging de leiding over op zijn één van de broers van Jezus en later op zijn neven. De oorspronkelijke apostelen zagen
vermoedelijk de hele bedoening met lede ogen aan (Eusebius zegt wel dat Petrus en Johannes niet meededen in de strijd om het leiderschap)
en deze onvrede van een bepaalde achterban gaan we terugvinden in bepaalde mondelinge overleveringen die uiteindelijk terecht komen
in de evangelies. Blijkbaar gaan deze verhalen terug tot een zeer oude orale traditie. Jacobus wordt in de Evangelies en
in Handelingen voor goed voor schut gezet.
Zo wordt de leiding van de beweging duidelijk in handen gegeven van Petrus en niet in deze van Jacobus
(Matteüs 16, 17-19; Johannes 21, 15-17). Nergens wordt gezegd dat Jacobus de zonden kan vergeven.
De apostelen kunnen dat des te meer! Na zijn dood verschijnt Jezus aan de apostelen en geef hun die macht
(Matteüs 18, 18; Johannes 20, 23). Jezus belooft de apostelen dat zij zullen zetelen op twaalf tronen in zijn
Koninkrijk om te oordelen over de 12 stammen van Israël (Matteüs 19, 28; Lucas 22, 28-30). Niets van dat alles
voor Jacobus. De 'gave van de Heilige Geest' wordt alleen toegekend aan de apostelen (Lucas 24, 49; Johannes 20, 22; Handelingen 1,8).
Jacobus had de gave dus niet. Als orthodoxe Jood zal hij daar ook niet erg over getreurd hebben want vermoedelijk wilde Jacobus
niets te maken hebben met deze 'pneumatische toestanden'. Tenslotte zal Jezus, wanneer hij aan het kruis hangt, de zorg over zijn
moeder niet toevertrouwen aan zijn één van zijn broers, maar wel aan Johannes (Johannes, 19, 26-27). Een grotere vernedering van de desposunoi
(desposyni) kan haast niet. In het Evangeliën van de Ebionieten (is dit evangelie hetzelfde als het evangelie van de Hebreeuwen of als
het evangelie van de Nazareners?) echter krijgt een andere traditie het woord. Namelijk deze die in het voordeel van Jacobus spreekt. (Zie noot 60).
Terug naar tekst
(40) Ik zeg wel dat de kans bestaat. Immers, als we de neiging hebben op basis van de
bovenstaande tekst van Marcus Jezus te catalogiseren onder de ambachtelijke middenstand, dan zou de vergelijkende
antropologie ons er op wijzen dat er in de antieke samenleving op het platteland geen echte middenstand heeft
bestaan. Tenminste zo beweert Crossan. (Crossan, op. Cit)
Terug naar tekst
(41) Zo schrijft Duquesne dat de grootste rabbi's, de grootste schriftgeleerden hebben
zich nooit te goed gevoeld om de handen uit de mouwen te steken; ze waren houthakker, schoenlapper, bakker,
enzovoorts. 'Als de ambachtsman aan het werk is, hoeft hij voor de grootste geleerde niet op te staan' zeiden
de rabbi's. En timmerlieden stonden al bijzonder in aanzien. Er zijn kenners die beweren dat 'timmerman'
in die tijd in de plaatselijke taal en in het Grieks de aanduiding van een kleine aannemer kon zijn.
Een timmerman is iemand wiens vak nauwgezetheid vereist, iemand die de juiste maat moet houden.
Daarom treedt hij ook in rechte op. Mattheüs noemt Jozef niet zomaar terloops, een 'rechtvaardige'.
De Talmoed die de Schrift uitlegt, zegt dat er tijdens een rechtszaak bij een lastige kwestie wel eens
gevraagd werd of er een timmerman of timmermanszoon in de zaal was om die vraag te beantwoorden' (Duquesne 31).
Toch wijst het Nieuwe Testament zelf in de richting van de zienswijze van Crossan. Jozef als timmerman schijnt
het niet erg onder de markt te hebben gehad vermits hij in de Tempel, als reinigingsritueel voor Maria,
een tortelduif offert, een offerande voor arme mensen.
Terug naar tekst
(42) Johannes verhaalt: (12, 6-7) 'Hij (Judas) zei dit, niet omdat hij bezorgd was
voor de armen, maar omdat hij een dief was en uit de beurs, die hij bewaarde, wegnam wat er in kwam.'
Dat de kas niet altijd leeg was blijkt duidelijk uit deze tekst.
Wij weten ook dat Jezus regelmatig voor een eetmaal uitgenodigd werd. Mc 2,15-17 (Levi de tollenaar); Lc,7,36-50
(Onbekende Farizeeër ); Lc 19,1-10 (Zacheus, hoofdbeambte van het tolwezen)
Terug naar tekst
(43) De Handelingen zijn zeer duidelijk voor wat betreft het leven van de eerste
christenen op dit punt: "Zij legden zich ernstig toe op de leer der apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk
leven en ijverig in het breken van het brood. Allen die het geloof hadden aangenomen waren eensgezind en bezaten
alles gemeenschappelijk; ze waren gewoon hun bezittingen en goederen te verkopen en die onder allen te verdelen.
Dagelijks bezochten ze trouw en eensgezind de Tempel, braken het brood in een of ander huis, genoten samen hun
voedsel in blijdschap en eenvoud van het hart." (Hand. 2, 42 en volgende)
De neiging naar gemeenschappelijke eigendom zou een invloed kunnen verraden van de Essenen of van de Therapeuten.
Nochtans werd deze starheid van de eerste jaren niet zolang volgehouden. Wij zien dat deze zeer strikte
discipline na een tijdje wat losser werd, terwijl het gemeenschappelijk bezit verdween om plaats te maken
voor een grote charitatieve activiteit. (Vgl. Galaten 2,10 en Romeinen 15,25-27)
(Vrij naar Trocmé 42).
Terug naar tekst
(44) En verder: "Er was geen enkele noodlijdende onder hen, omdat allen die
landerijen of huizen bezaten deze verkochten en de opbrengst ervan meebrachten om aan de voeten van de
apostelen neer te leggen. Aan ieder werd daarvan uitgedeeld naar zijn behoefte."(Hand. 4, 34,35)
Terug naar tekst
(45) Ook dit moet men wat nuanceren: huisbezitters deelden natuurlijk niet heel
hun have en goed uit, maar gaven uit hun eigen bezittingen dingen weg aan wie dit nodig had. Zij deden
aan 'liefdespatriarchalisme' zoals Meijering het zo mooi zegt. (Vrij naar Meijering, Geschiedenis van het
vroege christendom, p 105).
Terug naar tekst
(46) Reeds tegen het einde van de Republiek legden de machthebbers een groot wantrouwen
aan de dag voor politieke verenigingen en bonden die aan liefdadigheid deden. De keizers elimineerden ze dan
ijlings, want de autocraten vreesden de macht van maatschappelijke organisaties. Deze politiek werd de regel.
Dit kon soms verstrekkende gevolgen hebben. Zo liet Augustus alleen zeer oude verenigingen toe voort te blijven
bestaan. Na de brand die Nicomedië verwoestte, drong Plinius Minor, (landvoogd van Bithynia in 112) bij keizer
Trajanus aan om de oprichting van vrijwillige brandweerkorpsen toe te laten van niet meer dan 150 man.
Deze waren vrij gemakkelijk te controleren, zodat de keizer moeiteloos zijn toestemming zou kunnen geven.
Maar Trajanus bleef bij het beleid van zijn voorgangers. Hij vond dit te gevaarlijk. Consequent wees hij
Plinius' verzoek af met de woorden: ‘Vergeet niet dat uw provincie gebukt gaat onder dit soort gilden.
Wat voor naam of doel ze ook hebben, ik wens geen mensen verenigd te zien in een lichaam dat dan, voor wat voor reden dan ook, een gilde wordt.’
Terug naar tekst
(47) Het begrip 'brief' had in die tijd vaak een andere betekenis dan nu.
Men schreef natuurlijk ook persoonlijke brieven die alleen bestemd waren voor de ontvanger.
Daarnaast echter bestonden er 'brieven' die de functie verrichtten van onze krantenartikelen of magazines.
Deze werden gekopieerd en verspreid zodat iedereen er kennis van kon nemen. Op het ogenblik dat zo'n brief
aan het papyrus werd toevertrouwd, werd er grote zorg besteed aan de stijl, de woordkeuze enz. omdat de schrijvers
hoopten dat hun pennenvruchten door menig mens zouden gelezen worden en dat deze 'brieven' nog lange tijd zouden
geraadpleegd worden door de volgende generaties.
Terug naar tekst
(48) In de brief aan Filémon (door Paulus bekeerd), komt Paulus op voor Onésimus
de gevluchte slaaf van Filémon, die zijn meester misschien heeft bestolen. De apostel zendt Onésimus terug naar
zijn meester, maar pleit voor clementie en misschien zelfs voor zijn vrijlating (Filem. 1,16):
"Misschien was dat wel de reden waarom hij een tijd lang bij u is weg geweest: dat ge hem voorgoed terug zult
krijgen, nu niet meer als slaaf maar als veel meer dan een slaaf, als een geliefde broeder. Dat is hij voor
mij al helemaal, hoeveel meer dan voor U, als mens en als christen."
We moeten nochtans voorzichtig zijn met deze zogenaamde uitspraak van Paulus. Irenaeus (140-202),
bisschop van Lyon, aanvaardde de zogenaamde ‘Brief aan Filémon’ niet als behorende tot de Schrift.
Hij beschouwde deze brief niet als een authentieke brief van Paulus. In dit geval is er nooit een Filémon geweest…
Terug naar tekst
(49) Callistus, (Callixtus) een slaaf van een christelijke vrijgelatene werd zelfs
bisschop van Rome. (217-225)
Terug naar tekst
(50) De boeren bevonden zich in die tijd in een slechte financiële situatie.
Landbouw en grondbezit vormde de economische basis voor Judea/Palestina en daar was het meeste te halen.
De Romeinse overheid wist het, de Joodse overheid evenzeer. Dat kon door confiscatie van grondbezit,
huisvesting van oudgediende Romeinse legionairs, omkoperijen en ga zo door. Het leidde tot toenemende verarming
van de kleine boeren en de opeenhoping van bezit in handen van grootgrondbezitters. In de twintiger en zestiger
jaren werden de belastingdruk en schulden nog verzwaard door misoogsten, hongersnood en epidemieën.
Terug naar tekst
(51) Dat er op het platteland een zekere werkloosheid heerste wordt onrechtstreeks
bevestigd door Mattheüs. (Matt. 20, 1-16.) In de parabel van de arbeiders en de wijngaard zoekt een landeigenaar
dagarbeiders. Hij vindt ze zonder moeite, zowel vroeg in de morgen, als op het derde, zesde en negende uur.
Als hij op het elfde uur, (drie uur in de namiddag) nog gaat zoeken , zijn er nog steeds mensen die
werkloos op de markt staan. De eigenaar vraag dan aan deze mensen: "Wat staat ge de hele dag werkloos?"
Zij antwoorden dan: "Niemand heeft ons gehuurd."
Terug naar tekst
(52) De boeren waren behoudsgezind van aard en hielden van het status-quo. Zij
waren moeilijk geneigd zich ergens bij aan te sluiten. In casu stellen we vast dat heel wat boeren op het
laatst de rangen vervoegden van de Zeloten omdat zij - als geruïneerden - voor een verscheurende keuze stonden:
ofwel schuldslaven te worden ofwel zich aan te sluiten bij groepen van desperado's, die elke vorm van
maatschappelijke orde de rug toekeerden. Als zij dan op den duur verplicht werden stelling te nemen,
blijken zij zich eerder aangesloten te hebben bij de Zeloten. Juist vóór de val van Jeruzalem bestonden de
Zeloten zelfs uit grote groepen boeren, die zich niet altijd verstonden en regelmatig met elkaar op de vuist
gingen, zo verhaalt derhalve Josephus in zijn Joodse Oudheden.
Terug naar tekst
(53) De evangelisten laten Jezus van zijn volgelingen steeds weer hetzelfde eisen:
Lucas.14, 12, 33: "Eenieder van u die niet opgeeft alles wat hij heeft, kan mijn volgeling niet zijn."
Terug naar tekst
(54) Heel knap eigenlijk is het verhaal van de rijke jongeling, dat we vinden in
Mattheüs,19, 16-22:"Een aanzienlijk man stelde Hem deze vraag: 'Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwig
leven te verwerven?' Jezus antwoordde: 'Waarom noemt gij mij goed? Niemand is goed dan God alleen. Gij kent de
geboden: Gij zult geen echtbreuk plegen, gij zult niet doden , gij zult niet stelen, gij zult niet vals getuigen,
eer uw vader en uw moeder.' Hij gaf Hem ten antwoord: 'Dat alles heb ik onderhouden sinds mijn jeugd af'.
Toen Jezus dit hoorde, zei Hij: 'Toch ontbreekt het u aan één ding: verkoop alles wat ge bezit en deel het
uit aan de armen. Daarna zult ge een schat bezitten in de hemel en kom dan terug om mij te volgen.' Maar toen
hij dat hoorde, was hij zeer ontdaan, want hij was heel rijk..."
Terug naar tekst
(55) 'Nu was er een man, Ananias genaamd, die in overleg met zijn vrouw, een stuk grond
verkocht. Met haar medeweten hield hij echter iets van de opbrengst achter en bracht slechts een gedeelte mee
om het aan de voeten der apostelen te leggen. Daarop zei Petrus: "Ananias, waarom heeft de satan bezit genomen van
uw hart, zodat ge de heilige Geest bedriegt en van de opbrengst van uw land iets achterhoudt? Bleef het soms niet
uw eigendom zolang het onverkocht was, en stond ook daarna nog de opbrengst niet tot uwe beschikking? Hoe is zoiets
bij u opgekomen? Gij hebt niet tegen de mensen gelogen, maar tegen God." Bij het horen van deze woorden viel Ananias
neer en stierf. Een grote vrees maakte zich van de gemeente meester ... (Handelingen: 5, 1-5) Wanneer Saffira,
de vrouw van Ananias, komt opdagen zal haar helaas hetzelfde lot treffen.
Terug naar tekst
(56) Dat het in Jeruzalem goed ging blijkt uit de
Handelingen 6,7:"Het woord Gods
breidde zich uit en het aantal leerlingen in Jeruzalem vermeerderde sterk; ook een groot aantal priesters gaf
zich gewonnen aan het geloof." Alhoewel deze laatste zin met de nodige korrel zout te nemen is, geeft hij
misschien een aanwijzing dat het eerste christendom een zuivere joodse aangelegenheid was omdat hier blijkt
dat de eerste successen van vroege bekeringen te vinden zijn bij tempelpriesters en/of tempelbeambten. Deze Joodse inslag
bleek ook uit het feit dat de Jeruzalemse christenen er -volgens Handelingen- twee belangrijke religieuze activiteiten
op nahielden: het regelmatig bezoek aan de Tempel en het bezoek aan het 'huis'. Dit laatste kan een particulier huis
('huiskerk') van een christen geweest zijn maar het kan ook doelen -zoals Goguel naar voren schuift - op een (gebedshuis)
synagoge voor joden die ook sympathisanten waren van de leer van rabbi Josua. In die tijd waren er in Jeruzalem talrijke
synagogen van allerlei strekkingen, zoals nu nog in het jodendom.
Terug naar tekst
(57) Er worden verschillende hypotheses naar voren gebracht om te verklaren waarom het
christendom zich zo gezwind uitbreidde naar de meest uiteenlopende gebieden, zonder dat er hier echt sprake was van
georganiseerde zendingsmissies. Enkele van deze (materiële) factoren, die de verspreiding van het
christendom in de hand werkten, zijn de volgende:
1)De ‘Pax Romana’ droeg bij tot de rust, vrede en veiligheid. In dezelfde politieke lijn lag ook de het religieus
pluralisme van de Romeinen. Het versnelde de uitbreiding van het christendom.
‘Voor een godsdienst die niet gebonden was aan de grenzen van natie, taal of cultuur , lagen de kansen voor de jonge kerk
hier voor het grijpen’. (Vrij naar Trouillez, blz 24). Maar dat argument gold ook
natuurlijk voor de vele andere godsdiensten in het Rijk.
2)Het uitstekende Romeins wegennet en de goede verbindingen over zee droegen bij tot de reislust van de mensen.
In die tijd werd er ontzettend veel gereisd en de ideeën reisden mee… Men schat dat Paulus tijdens zijn reizen ongeveer
16000 km aflegde. Hoeveel de mensen in die tijd wel reisden blijkt uit een opschrift op het graf van de koopman Flavius Zeuxis
uit Hiërapolis in Phrygië. Het grafschrift vermeldt dat deze man de reis van Phrygië naar Rome niet minder dan 72 maal
gemaakt heeft. Dit wil zeggen eventjes 216 000 km! (Vrij naar Sizoo, blz. 156)
3)Veel vroege christenen waren joden en hadden contact met de joodse gemeenschap in de 'verre diaspora' waar
zij altijd terecht konden. Dit kan een verklaring zijn waarom we zeer vroeg reeds christenen vinden op de uithoeken
van het rijk, waarschijnlijk omdat daar joden vertoefden (mogelijke vroeg-joodse uitwijkelingen in Lyon na
de val van Jeruzalem of na de tweede joodse opstand). Vooral de synagogen in de diaspora speelden bij de werving een grote rol.
Volgens Hand.18, 26 volgde de (bekeerde) jood Apollos het voorbeeld van Paulus (die er een gewoonte van gemaakt had in
synagoges te prediken. Zie Hand. 17, 2) en verkondigde hij de christelijke boodschap in de synagoge van Efese.
4)De verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen maakte het contact tussen de niet-joodse christenen en
joodse aanhangers van Jezus onmogelijk. Deze laatsten werden marginaal (Ebionieten, Nazoreeërs). De 'heidense'
christenen hoefden geen rekenschap meer te geven aan 'de besnedenen van Jeruzalem'. (Wilson 29).
5)Het Romeinse Rijk zorgde voor een uitbreiding van de talrijke goedgelovige klasse van de slaven en maakte
het zakenlieden mogelijk die massa's te bereiken via de handelsroutes die de Romeinen hadden geopend.
(Wilson 29)
6)De eerste christenen kwamen mee in het zog van de Oosterse en Griekse handelaars (bv. Dura-Europos en Noord-Afrika).
7)De Romeinse legioenen zorgden onrechtstreeks voor de verspreiding, zeker in het Westen. (bv. Noord-Britannië).
Vooral de Romeinse kampen worden op dit vlak niet altijd naar juiste waarde geschat.
8)De schisma's onder de christenen zelf en de onverdraagzaamheid die hieruit volgde, dwongen de afgescheurden
steeds verder te trekken. (bv. Noord-Afrika).
9)Als gevolg van de christenvervolgingen besloten bepaalde groepen zich in andere, meer veilige streken te vestigen.
Zij doken soms als het ware onder op het rustige platteland, weg van de steden. (bv. vestigingen in de ruige vlakten
van Armenië na de vervolgingen van Hadrianus).
10) Een andere, vaak vergeten factor, voor verspreiding was de 'lingua franca' van het toenmalige Romeinse Rijk:
het Grieks. Vooral in de vele steden konden christelijke (hellenistische) ijveraars zich zonder al te grote
problemen verstaanbaar maken.
Terug naar tekst
(58) Een andere kwestie is de vaststelling dat het christendom zich bleef uitbreiden. Stark
(p. 90 en volgende) meent dat in dit opzicht de verklaring kan (moet?) gezocht worden in de epidemieën. Toen twee zware
epidemieën in nauwelijks honderd jaar waarschijnlijk miljoenen mensen decimeerden, zouden de meeste christenen ter
plaatse gebleven zijn. Zij zouden zich bekommerd hebben zich om hun zieken, troost geboden hebben, zoals hun leer
dit voorschreef. Zij vluchtten niet zoals vele niet-christenen deden, en die bovendien hun besmette familie,
kennissen en vrienden in een paniekreactie lieten voor wat ze waren. In die tijd overigens een vrij normale -of
alleszins begrijpelijke - keuze. De medische praktijk nu, heeft ons geleerd dat mensen, slachtoffers van zeer
besmettelijke ziektWiliam, Plagues of People, 1976, Garden City, NY: Doubleday) De kans dat de christenen overleefden was
beduidend groter. Zij overleefden in grotere getale dan de heidenen die aan hun lot werden overgelaten.
Bovendien boden de christenen, als het mogelijk was, hulp aan zieke heidenen. Indien deze laatste overleefden
zullen zij met dankbaarheid teruggedacht hebben aan de volgelingen van de Galileeër, die hen van de dood hadden
gered. Gans de christengemeenschap steeg in aanzien. Bovendien, eens de plaag uitgewoed, kon de heiden niet
volledig meer terugvallen op zijn vroeger relaties omdat deze ofwel gevlucht waren ofwel zeer fel uitgedund
waren. De heiden moest een nieuw sociaal netwerk opbouwen. Het is niet uitgesloten dat de geredde niet-christen
(of familie van) nieuwe relaties aanknoopten met mensen die hen in nood hadden geholpen, de christenen dus.
Het is evenmin uit te sluiten dat gans het christendom, juist wegens zijn 'effectieve' naastenliefde, vliegensvlug in aanzien
steeg, zeer zeker als de heidenen vaststelden dat christendom wonderen verrichtte omdat hun aanhangers niet zo
snel stierven en dat zij anderen konden redden.
Terug naar tekst
(59) 'Gewoonlijk wordt beweerd dat het christendom zich snel verspreidde (zie ook noot (6) en (7) ),
vooral onder de armen en de bezitlozen, tot het was uitgegroeid tot een dominerende macht in de oude wereld, wachtend op het moment dat het
zijn bestemde plaats als religie van het Romeinse rijk kon innemen. Maar dit berust volledig op fantasie... De meer waarheidsgetrouwe
Origines (ca. 240) geeft toe dat christenen slechts een kleine groep vormden temidden van de bewoners van de oude wereld'.
Zelfs in de vierde eeuw kent Eusebius slechts drie kleine dorpjes in het hele heilig land die overwegend christelijk zijn.
(Vrij naar Freke en Gandy, 279)
(R. Lane Fox) 'De bewijslast ligt bij theorieën over een forse christelijke opmars. Als er in die periode al een dergelijke
verandering plaatsvond, waar vinden we hiervoor dan de bewijzen? De aanwezigheid van enigerlei bewijs is niet erg groot,
bewijzen voor een sterke groei van het christendom zijn juist zeer zeldzaam'.
Terug naar tekst
(60) Aan het hoofd van de kerk van Jeruzalem zou Jacobus gestaan hebben, een broer
van Jezus, die de Tsaddiek (de rechtvaardige) genoemd werd. Clemens van Alexandrië (150-215)
in zijn 'Hypotyposes' bevestigt dit volgens Eusebius : "Clemens deelt dit aldus mede in het zesde boek der Hypotyposen,
waar hij schrijft: 'Petrus en Jacobus en Johannes, ofschoon zij zelfs door de Zaligmaker boven anderen werden geëerd,
hebben na de Hemelvaart van de Zaligmaker niet om die eer gestreden, maar Jacobus de Rechtvaardige werd tot bisschop van Jeruzalem gekozen.'"
(Eusebius, I, 2-4). Jacobus was een zeer godvruchtig, ingetogen
man zo luidt een bepaalde overlevering, die zoveel respect afdwong dat hij de toelating kreeg het priesterkleed (niet in wol maar in linnen) te dragen.
Volgens Daniélou stellen de pseudo-clementijnse geschriften, die gebruik maken van ebionitische, joods-christelijke bronnen, Jakobus
voor de meest belangrijke figuur in de kerk.
Het Jeruzalemse christendom bestond in het begin uit drie groepen: de groep rond Jacobus, een groep rond Petrus,
en tenslotte -maar niet lang- een groep rond Stefanus.
Jacobus was een orthodoxe jood die niets wilde weten van de opwerpingen van de heidense christenen. Men vermoedt dat ook hier in het begin een machtsstrijd
is geweest. Petrus zou in concurrentie zijn gekomen met Jacobus. Deze laatste won uiteindelijk het pleit van Petrus vermoedelijk omdat er
in het begin massaal Joodse (vrij orthodoxe) bekeerlingen zouden zijn gemaakt met als gevolg dat de groep van de vijf (de 'Hellenisten' )
maar ook de groep van de twaalf (apostelen) in de minderheid zouden zijn gekomen. De Hellenisten hadden reeds vroeg de wijk moeten nemen wegens
openlijke vijandigheid jegens hen in Jeruzalem (dood van Stefanus), maar bij de groep van 12 lag het anders. Volgens vage overleveringen zou Petrus
nog 12 jaar in Jeruzalem zijn gebleven na de dood van Jezus. Petrus was iets breder van gedachten dan Jacobus voor wat betreft rituele
plichtplegingen en dergelijke maar al bij al stond vermoedelijk hij toch dichter bij Jacobus dan bij Paulus. Er schijnt wel een rivaliteit
geweest te zijn tussen Jacobus en Petrus waarin Petrus het onderspit heeft moeten delven. Om dit laatste wat kracht bij te zetten
wordt in het Evangelie van de Hebreeuwen - volgens Hiëronymus- een hele passage gewijd aan de wijze hoe en waarom Jezus na zijn opstanding
aan Jacobus verscheen. Ad majorem Jacobi gloriam wel te verstaan. Verder wordt Jacobus nog onrechtstreeks op een voetstuk gezet doordat
een traditie vermeldt dat Jacobus bovendien recht had de petalos (gouden kelkbloem) en de gouden plaat van de hogepriester te dragen
volgens Ephiphanes. Na de vervolgingen door Herodes Agrippa I in 44 verlaat Petrus Jeruzalem om er nooit meer terug te keren.
Men veronderstelt dat Petrus een tijdje in Antiochië bleef en de rest van zijn leven sleet in Grieks-christene gemeenten.
Ook wijzen sommige auteurs (Goguel, Krijbolder en anderen) op het feit dat Petrus vermoedelijk zijn laatste dagen sleet
bij de Babylonische joden en dat hij stierf tussen 53 en 58, misschien wel in het bijna helemaal joodse Nehardea,
een stad die toen als toonaangevend stond voor de joodse orthodoxie.
De hebreeuwse christenen in Jeruzalem zouden dan zijn geleid zijn geworden door Jacobus en na zijn dood in 62 -volgens Hegesippos
(vaak te lezen cum grano salis) werd Jacobus de Mindere van het dak van de Tempel gesmeten en daarna doodgeslagen wegens Godslastering-
door de disposunoi (desposyni), de familieleden van Jezus. Sommige spreken vanaf dit ogenblik van het
'dynastieke (Jeruzalemitische) christendom.' Deze joodse christenen onderscheidden zich op twee punten van hun medejoden: zij waren ervan overtuigd dat Jezus
van Nazareth als de Messias verschenen was of als een laatste profeet en zij hadden onderling een hechte gemeenschapsband die zich
uitte in wat men wel het "oerchristelijk communisme' genoemd heeft. We mogen aannemen dat de
eerste kern christenen zeer vroeg een vrij goed georganiseerd liturgische leven hebben opgebouwd.
Op de uren van het joodse gebed verzamelden de leden van de gemeenschap zich in het voorhof van de tempel,
waar hun aanwezigheid leidde tot een zeker enthousiasme bij het volk en tot min of meer heftige reacties
bij de priesterlijke gezagsdragers. De dagelijkse praktijk van gezamenlijke maaltijden, met liturgische
elementen waar we weinig van afweten, was gereserveerd voor bijeenkomsten die meer een privé-karakter
droegen en die de broeders samenbrachten in elkaars huizen of zoals boven gezegd misschien zelfs in hun eigen vergaderhuizen (synagoges).
Ook voegden de eerste discipelen van Jezus nieuwe
liturgische handelingen toe aan de joodse rituelen en de avond voor de sabbat of de volgende ochtend, vierde
men in de huizen de opstanding van Christus (met overzichtslijsten van de verschijningen) wat misschien de
oorsprong is van de zondagse eredienst.
Terug naar tekst
(61) (Hilberink, 133) De Thora voorzag 613 (365 geboden en 248 verboden) religieuze
voorschriften die joden moesten naleven. Na de kerkvergadering van Jeruzalem werd het aantal voorschriften
voor de heiden (onbesneden) christenen drastisch verminderd tot 4, te weten: geen bebloed vlees eten, geen
bloed drinken, geen verboden huwelijk aangaan, geloven in de opstanding en in de verlossing.
Terug naar tekst
(62) Nergens staat geschreven dat Jezus zijn messiaanse gedachte uitdroeg buiten
het klassieke jodendom. Soms zelfs is het tegendeel waar; zie passage met Samaritaanse vrouw. Het is pas in
de Handelingen (vele, vele jaren na Jezus' dood!), dus na zijn dood, dat de boodschap gaat naar niet-joden. In de Talmoed staat wel dat
Jezus zich niet hield aan bepaalde religieuze gewoonten van Joden.
Terug naar tekst
(63) W. Heitmüller (Zum Problem Paulus und Jesu, 1912),
R. Schütz (Apostel un Jünger,1921) Bauer (Jezus der Galiäer,1927) en vooral
Lohmeyer(Galilea und Jeruzalem, 1936) menen dat het land van Galilea vrij laat opging in de Joodse cultuur.
En dit gebeurde dan nog oppervlakkig. Het zou kunnen verklaren waarom Jezus een nieuwe religieuze visie kon ontwikkelen die
in zijn streek aansloeg omdat dit nieuw geloof zich 'losser', onafhankelijker opstelde ten opzichte van Jeruzalem (de Tempel) en de Wet.
De Galileeërs werden door orthodoxe joden eerder meewarig behandeld als een soort 'tweederangssburgers',
halve heidenen en niet erg beschaafd met hun Galileese tongval. Het woord Galilea (land der heidenen) zou hierop wijzen.
Deze nieuwe Galileese 'religie' zou zich dan verspreid hebben via de Dekapolis tot in Damascus in een vrij korte tijd.
Een onverwachte hypothese weliswaar die tot nog toe helaas nergens hard kan worden gemaakt door objectieve feiten.
Daarbij komt dat Jezus zelf vermoedelijk een vrij orthodoxe Jood was maar honderd procent zeker zijn we daar ook alweer niet over wanneer men de evangeliën leest...
Terug naar tekst
(64) Zo zou uit een onderzoek van Shinn in 1983 gebleken dat een derde van de Amerikanen
die lid werden van de Hare Krishna-beweging afkomstig waren uit niet-praktizerende joodse families.
Terug naar tekst
(65) Flavius Josephus meldt dat toen Cestius in 67 Jeruzalem belegerde en zich
moest terugtrekken, de bewoners van Damascus de nederlaag van de Romeinen vernamen. Toch trokken ze partij
voor de verslagen Romeinen en namen een groot aantal joden van Damascus gevangen. Ze sloten hen op in een
gymnasium met de bedoeling hen later om te brengen. Hij verduidelijkt in dit verband: 'Alleen waren ze
(de Damasceners) bang voor hun eigen vrouwen, daar die bijna zonder uitzondering de Joodse godsdienst aanhingen.
Zo stelden ze alles in het werk om hun bedoeling voor de vrouwen te verbergen...'
Terug naar tekst
(66) Recente ontdekkingen en vondsten leggen de kwaliteit en de kwantiteit
van het Grieks bloot dat in het Galilea van Jezus gesproken werd. (koinê-Grieks). Vergeten we niet dat
Herodes de Grote het Grieks tot de officiële taal maakte in zijn rijk. 'Op het platteland bleef het
Grieks natuurlijk de tweede taal. Maar dat het Grieks in Palestina steeds belangrijker werd staat vast.
Er is in het Aramees een groeiend aantal leenwoorden uit het Grieks aan te wijzen, en steeds meer joden kregen
Griekse namen. Zelfs de Essenen, die zo kritisch stonden tegenover de vreemde invloeden, konden niet buiten de
Griekse taal. Er zijn in Qumran fragmenten van papyri gevonden met stukken uit de Griekse vertaling van het
Oude Testament… In Jezus' prediking zijn er nauwelijks sporen te vinden van typische hellenistische levensfilosofie,
maar Jezus verzet zich nergens expliciet tegen de Griekse filosofie.' (E. Meijering, Geschiedenis van het
vroege Christendom, p. 18, 41).
Terug naar tekst
(67) Stefanus, een gehelleniseerde jood, voelde al voor een zekere vernieuwing.
Hij beweerde dat, als men de joodse geschiedenis natrok, men duidelijk kon vaststellen dat Jahweh zich
ook had gemanifesteerd buiten Jeruzalem en dat de tempel in Jeruzalem niet de enige plaats was waar men
God kon eren. Voor het Sanhedrin verklaarde hij zonder omwegen:"Toch woont de Allerhoogste niet in wat door
mensenhanden is gemaakt. Zoals de profeet zegt: de hemel is Mij een troon, de aarde een voetbank voor Mijn
voeten. Wat voor een huis zult gij dan voor Mij bouwen, zegt de Heer, of wat zal Mijn rustplaats zijn?
Heeft Mijn Hand dat alles niet gemaakt?" (Handelingen:7, 48-50 ). Met andere woorden, eigenlijk maakt
Stefanus van het Jodendom een godsdienst die niet meer 'tribaal' is en stelt hij dat men de Thora niet altijd
letterlijk moest interpreteren. De hele toespraak lokte onder de (hoge)priesters een rel uit van het hoogste niveau.
Stefanus wordt door de woedende bedienaars tot buiten de stad gesleept en gestenigd. (wegens 'godslastering').
Hij schijnt gezegd te hebben dat hij een visioen zou hebben gehad waarin hij Jezus aan de rechterhand van
God zag staan. (Wilson, 24).
Nu moet men de hele geschiedenis van het geloof van Stephanus niet als zo uitzonderlijk beschouwen.
Uit Josephus' informatie weten we dat Jezus' leer vele van de Joden en Grieken aantrok.
Misschien bevestigt dit de suggestie dat Jezus een mondje Grieks zou hebben gesproken.
Hier echter duikt er een probleem op: de tekst waarin Josephus Jezus vermeldt wordt nu quasi unaniem als een latere toevoeging
bestempeld door een christelijke kopiist. Men kan zich wel afvragen in welke taal
bijvoorbeeld Jezus een gesprek voerde met de Syro-Fenicische vrouw? (Mc 7,26) Dezelfde Mattheüs zegt ook :
En Hem volgde vele scharen uit Galilea, en *Dekapolis, en Jeruzalem en Judea en het Overjordaanse .(Matth. 4, 25).
Toch trok Jezus de (volgens de joden 'onzuivere') steden van de Dekapolis nooit binnen, hetgeen ons doet
vermoeden dat hij een vrij orthodoxe jood was.
*Het begrip Dekapolis (Grieks voor ' Tien-stad') komt voor het eerst voor bij Josephus (Bell. III, 9.7)
(70 na Chr.) en bij Marcus (5, 20; 7, 31) en Mattheüs (4, 25),
Josephus zegt dat Skythopolis de grootste stad van de Dekapolis is (Bell. III, 446). Ze ligt als enige
Dekapolis-stad op de westelijke oever van de Jordaan, ca. 20 km ten zuiden van het meer van Genesareth,
aan een kruising van belangrijke verkeersaders in de oudheid. Plinius noemt vòòr 79 na Chr. in de oudste
Dekapolislijst Damascus (?), Philadelphia, Raphana, Skythopolis, Gadara, Hippos, Dion, Gelasa (=Gerasa),
Gergesa en Kanatha (Naturis Historia 5, 74). Latere auteurs noemen minder dan tien steden en andere namen.
Welke functie de steden van de Dekapolis ten tijde van Jezus hadden, blijft onduidelijk.
Volgens sommigen zouden ze gediend hebben als buffer tegen het Joodse rijk en het rijk der Nabateeën nadat
Pompeus heel deze streek veroverde in 64 vóór onze tijd. Een confederatieve status is in ieder geval niet aantoonbaar.
In de Dekapolis sprak men overwegend Grieks.
Terug naar tekst
(68) (Marcus 4,10-12) 'Toen Hij daarna met hen alleen was, stelden zijn metgezellen
en de twaalf Hem vragen over zijn gelijkenissen. Hij zei hun: 'Jullie is het geheim van het koninkrijk van God toevertrouwd. Maar zij daarbuiten
krijgen alles in gelijkenissen, opdat ze met hun ogen kijken en niet zien, en met hun oren horen en niet verstaan;
tenzij ze zich zullen bekeren en vergeving vinden.'
De vraag die men zich hier kan stellen is waarom de leerlingen het
'geheim van het koninkrijk' wel weten. De gewone gelovige mogen of kunnen het geheim blijkbaar niet weten. Zijn de leerlingen van Jezus dan 'ingewijd' ??
Terug naar tekst
(69) Dat de gnostiek of de geest der inwijdingscultussen
nog lang doorwerkte blijkt uit een reisverslag van Aetheria, vermoedelijk een Gallische of Spaanse non.
Deze maakte kort na het jaar 400 een reis van drie jaren naar het Oosten. Op een bepaald ogenblik heeft
zij het over de voorbereiding der catechumenen in het Jeruzalem van die tijd. De bisschop van
Jeruzalem - zo meldt Aetheria - onderhoudt de catechumenen nooit over het wezen van de sacramenten.
Daar mogen deze laatsten (nog) niets over weten. Zij krijgen dit pas te horen als ze gedoopt (ingewijd) zullen zijn…
Terug naar tekst
(70) De toestand van Stefanus en zijn gehelleniseerde gezellen doet ons
denken aan de situatie waarin de 'geëmancipeerde' negentiende-eeuwse joden zich bevonden. Ook zij wisten
wel dat ze joods waren maar konden (en ze wilden vooral niet) blind blijven voor de vernieuwende ideeën
van een maatschappij waarin ze leefden. Zij moesten uit hun marginaliteit treden.
Dat konden ze op twee manieren:
a)ofwel door zich volledig te assimileren, en dit laatste kon bespoedigd worden door bijvoorbeeld over te gaan
tot de Rooms-katholieke godsdienst.
b)ofwel door een nieuw soort jood te worden, die een beroep kon doen op een soort van 'gereformeerd' jodendom,
dat dan een vrij liberaal, non etnisch geloof inhield.
Terug naar tekst
(71) We moeten die metropolen uit de Oudheid proberen te zien
zoals ze denkelijk waren. Men kan ze misschien nog het beste vergelijken met bepaalde groezelige steden
in Zuidoost Azië de dag van vandaag. Trouillez: ‘Het beeld dat de historici van de antieke stad ophangen bevat weinig
fraais: een sterke ontregeling van het leven door de overbevolking binnen de stadsmuren, sociale ontwrichting door
de aanzuigkracht van de stad op de mensen van allerlei klassen en volkeren, alom ophopend vuil, ziekte, ellende,
onveiligheid en als gevolg van dat alles de voortdurende dreiging van ongeregeldheden en amok. Daarbij zwijgen we nog
over epidemieën en natuurrampen.’ (Trouillez, blz. 70).
Terug naar tekst
(72) Handelingen, 15, 19: "Daarom ben ik voor mijn part van oordeel dat, men hun,
die zich uit het heidendom tot God bekeren, geen onnodige lasten moet opleggen, maar hun wel voorschrijven
zich te onthouden van wat door de afgoden besmet is, van ontucht, van wat verstikt is en van bloed.
Want van oudsher heeft Mozes in elke stad mensen die hem op sabbat in de synagoge voorlezen en prediken".
Dit maakte de gemengde gemeentes natuurlijk weer mogelijk. Want zo te zien was voor Jacobus een gemeenschappelijk
leven van gelovigen van joodse oorsprong en bekeerlingen van heidense afkomst allerminst evident.
Deze regels die oorspronkelijk bedoeld waren voor de kerken van Syrië en Cilicië, werd later uitgebreid tot alle kerken.
(Trocmé,77)
Terug naar tekst
(73) Reeds in 1831 poneerde een van de vorsers uit de Tübinger Schule (F.C. Bauer)
dat er vanaf het eerste begin niet één evangelie bestond, maar twee. Het ene voorgestaan door de kerk van
Jeruzalem, door Jezus' broer Jacobus en door Petrus, stelde dat het noodzakelijk was, zelfs voor de niet-joodse
bekeerlingen, alle joodse wetten te aanvaarden, inclusief de besnijdenis, de spijswetten en de huwelijkswetten,
alvorens zich bij de Jezusbeweging te voegen.(Wilson, 154).
Terug naar tekst
(74) Er zijn verschillende verhalen over Paulus (Saulus = de kleine).
Hij zou uit Tarsus komen. Tarsus, ook wel eens 'het Antiochië aan de Cydnus' genoemd, was een mooie en
welvarende havenstad die van Paulus waarschijnlijk een onvermoeibaar zeevaarder heeft gemaakt.
Tarsus kende twee belangrijke cultussen. Op de eerste plaats de Heraklescultus die veel ontleende aan
de Oosterse cultussen van 'sterven en weder geboren worden'. Tarsus was ook een centrum van de Mythrascultus.
Uit de stier die Herakles doodde, vloeide bijvoorbeeld niet alleen bloed, maar ook leven en graan, overvloed.
Het was het symbool van de vernieuwing van het leven, ook voorbij het graf. De inwoners van Tarsus vereerden
Theoi Soteres, hun goddelijke verlossers. (Wilson 40).
Terug naar tekst
(75) Paulus was een vrij egocentrisch persoon (Zie de brief aan de Galaten!),
die zich helemaal niet verstond met 'de besnedenen' uit Jeruzalem. Paulus was niet alleen een jood,
maar bezat tevens het Romeins burgerrecht reeds bij zijn geboorte, wat veronderstelde dat het door zijn ouders
of grootouders was bekomen (gekocht?); Hij sprak zeker Grieks. Hij behoorde
tot drie werelden. Zijn ouders schijnen streng orthodoxe joden geweest te zijn die hebreeuws spraken en
thuis de joodse gebruiken aanhielden, zo wil het de traditie (volgens Hieronymus zouden de ouders van Paulus
afkomstig zijn uit Giscala (Galilea) en daar verjaagd zijn door de Romeinen. Zij vestigden zich dan in Tarsus)
Zij meenden dat een degelijke religieuze opleiding het beste was voor hun zoon en stuurden hem naar Jeruzalem
waar vermoedelijk een ouder getrouwde zuster van hem woonde. Het was in Jeruzalem dat hij de leefgewoonten en
geplogenheden van de joden echt leerde kennen. Mogelijk was hij een avontuurlijk en rusteloos iemand en zeker
een man die mensen zoals Kefas (Petrus??), Jacobus en hun entourage vrij ouderwets vond. Paulus wou wat anders,
iets totaal nieuw. En niet zomaar. Eerst was hij in de leer gegaan bij Gamaliël de Oudere (die zelf een
leerling was van de beroemde Hillel), waar hij de Thora had bestudeerd. Hij sloot zich dan aan bij de farizeeërs,
maar al spoedig ging hij de Thora ervaren als een last voor zijn persoonlijke vrijheid. Vervolgens besloot hij
ijveraar te worden voor de christenen wiens leer hij meende te moeten aanpassen. Dat is ongeveer het verhaal
zoals het ons vaak wordt aangeboden.
Maar er is nog een andere informatie over Paulus. Wij weten dat Paulus Grieks sprak, dat hij dacht
in het Grieks, schreef in het Grieks. Volgens sommige bronnen zou Paulus helemaal geen jood zijn geweest,
maar een Griek. De Ebionieten die zich nog streng hielden aan de joodse gebruiken, konden het Paulus niet
vergeven dat hij de oorspronkelijke boodschap van Jezus verdraaid had door de leer open te stellen voor
niet-joden. In een tiende eeuws Arabisch manuscript uit Istanbul (door Shlomo Pines onderzocht) zijn er
echo's te vinden van de Ebionietische geschriften waar men Paulus eigenlijk verwijt niet zozeer de Romeinen
te bekeren tot christenen, maar de christenen tot Romeinen. Volgens een andere schrijver uit de 4de eeuw,
Epiphanius, meenden de Ebionieten dat 'de Heilige apostel Paulus helemaal geen jood was, maar een Griek die naar
Jeruzalem was gekomen om met de dochter van een priester te trouwen. Om het meisje te kunnen krijgen, liet
hij zich besnijden en ging over tot het jodendom. Toen hij haar desondanks niet kreeg, ontstak hij in razernij
en sprak hij zich in zijn geschriften uit tegen de besnijdenis, de sabbat en de Wet'. (Vrij naar Wilson).
In zijn brief aan de Filippenzen benadrukt hij (te?)bits dat hij een jood is 'besneden ten achtsten dage
uit het volk Israël van de stam Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën.'(Filippenzen,3,5)
Het (twijfelachtig) geschrift van een orthodoxe christen tenslotte 'De daden van Paulus' (160)
(De handelingen van Paulus) bevat de zogenaamde Thekla-legende. Deze tekst geeft ons zelfs
een uiterlijke beschrijving van Paulus: 'een man, klein van gestalte, met dun haar op het hoofd
en kromme benen, zijn lichaam goed gezond, vooruitstaande knieën, grote ogen, ineengegroeide wenkbrauwen,
een ietwat gebogen neus, iemand van grote bekoring (zeer innemend), nu eens gelijkend op een mens, dan op een engel...'
Robert Ambelain in zijn boek La vie secrète de Saint Paul, (Editions Robert Laffont, S.A. 1972) beweert dat
Paulus eigenlijk een Idumeese prins is. Hij werkt een (interessante) theorie uit in dit verband waar we hier
in dit korte bestek niet kunnen op ingaan.
Het enigma 'Paulus' (als gangmaker van het christendom).
De persoon Paulus stelt ons voor een probleem. Wanneer men de brieven van Paulus leest, krijgt men soms de indruk dat Paulus over Jezus
(of over Christus) spreekt als over een vreemde. Het is precies of Paulus Jezus niet kent (tenzij af en toe een heel summiere
vermelding van de kruisiging en verrijzenis). Hetgeen toch op zijn minst merkwaardig is voor iemand
die verondersteld wordt de echte gangmaker te zijn geweest van het christendom. Zo merkt F. Vermeiren
terecht op: "Behalve over zijn kruisiging en verrijzenis vertellen Paulus' brieven absoluut niets over Jezus.
Men zou mogen aannemen dat iemand die zich één of twee jaar na de executie van de centrale figuur van de nieuwe
leer tot deze nieuwe richting bekeert en zijn verkondiging op hem baseert heel veel te vertellen heeft en zijn verkondiging
volledig op deze unieke centrale figuur afstemt. … Nergens verwijst Paulus naar belangrijke elementen uit de evangeliën
zoals de Bergrede, de genezingsverhalen, de broodvermenigvuldiging, de apocalyptische voorspellingen… Ook over Jezus'
levensloop zegt Paulus niets. Dat hij uit Galilea kwam, dat hij zijn apostelen uitkoos, dat hij de storm op het meer trotseerde,
zijn reis naar Jeruzalem, daarover rept Paulus met geen woord. Het woord Galilea komt in zijn brieven niet één keer voor; datzelfde
geldt voor de in de evangeliën voorkomende Galilese plaatsnamen Nazareth, Tiberias, Kafarnaüm,Gennesaret, en Magdala (Magadan).
Geen Maria, geen Johannes de Doper, geen Judas de verrader,geen Pilatus van het lijdensverhaal. De historische Jezus is totaal afwezig,
en Paulus voert geen enkel onderdeel van zijn leer op hem terug." (Vermeiren, De man die het kruis in 70 overleefde.Blz. 140-141).
Men zou in de verleiding komen te denken dat Paulus niet als dusdanig heeft bestaan.
Maar dat laatste wordt tegengesproken door zeer vroege vermeldingen van de persoon Paulus door Polycarpus van Smyrna (Ca.69-156),
Ignatius van Antiochië (+110), Clemens (150-215).
Dus moet men het over een andere boeg gooien. En dan kan men zich soms niet van de indruk ontdoen dat sommige
brieven a posteriori, (dus na de dood van Paulus) zijn geschreven en meer bepaalde na de val van Jeruzalem.
Irenaeus (140-202) gaf ons al een hint (zie noot 48)
door te weigeren de zogenaamde 'Brief aan Filémon' van Paulus als echt van Paulus te beschouwen.
Terug naar tekst
(76) De (platonische) filosoof Porphyrius (270) komt terug op de vernoemde
onenigheid tussen Petrus en Paulus. In zijn werk 'Tegen de christenen', vraagt hij zich af hoe de 'heilige
stichters' van een zogenaamde 'ware' kerk, de apostelen, onfeilbaar konden zijn als diezelfde grondleggers
van het christendom reeds onder elkaar ruzie maakten. Dit impliceerde immers dat bij de vroege christenen
ten minste een gedeelte van de aanhang dacht dat het andere gedeelte het bij het verkeerde eind had.
Dat deze tegenstellingen zich vrij vlug moeten voorgedaan hebben blijkt uit de brief aan de Galaten (rond het jaar 50)
waarin Paulus oproept zich te hoeden voor afwijkingen in de prediking. Het zijn trouwens deze verschillen in
het brengen van het 'goede nieuws' die nopen tot een kerkvergadering in Jeruzalem in het jaar 48. Men mag
gerust aannemen dat er zich reeds afscheuringen voordeden in de eerste 15 à 20 jaren na de kruisdood van Jezus.
(Hilberink 137). Ook is Paulus, wanneer hij terugkeert naar Jeruzalem, niet op zijn gemak voor de Judaïsten
en vreest zelfs voor zijn leven, indien we Handelingen mogen geloven. In deze context
trouwens moet men zich steeds blijven afvragen welk het waarheidsgehalte wel is van Handelingen.
Terug naar tekst
(77) Stark (p.66) schuift hier een verrassende hypothese naar voren.
Hij oppert zelfs dat de hele beweging van Marcion in feite terug te brengen is tot een verzet van deze
laatste tegen de overweldigende joodse invloed (en dominantie) binnen de nieuwe christelijke beweging.
Marcion verwierp immers het Oude Testament als deel uitmakende van de nieuwe leer. De God van het Oude
Testament was immers een wraakzuchtig opperwezen dat zich alleen bekommerde om het volk Israël en die
louter de joden begunstigde. Marcion ging hier heel ver in. Hij nam afstand van de schrijvers van
het Nieuwe Testament die naar zijn overtuiging te zeer de joodse lezers vleiden, zoals Mattheüs, Marcus,
Handelingen en de Hebreeën. Alleen het gezuiverde Lucas-evangelie (zonder de geboorteverhalen) en tien
brieven van Paulus nam hij aan. M.a.w. Marcion zou zich verzet hebben zich tegen een toenemende 'judaïzering'
van het christendom. Stark voert nog aan dat het antisemitisme dat wij terugvinden in de geschriften van
Johannes Chrysostomos er eigenlijk op zou wijzen dat joodse bekeerlingen nog steeds - en vrij laat - bleven
toestromen.
Terug naar tekst
(78) Nazareeërs en Nazoreeërs. Wie waren ze in feite?
Vermoedelijk waren de Nazareeërs oorspronkelijk joodse volgelingen van Johannes de Doper. Zij woonden in de grensstreken van de Jordaan
en waren zeer wetsgetrouw, maar verwierpen de Pentateuch. Naar het schijnt waren het vegetariërs en zij waren gekant tegen de
tempeloffers. Sommigen van hen werden vrij snel adepten van de Jezusbeweging. Zij kwamen tot de bevinding dat de doop van Johannes
niet voldoende was en dat een tweede christelijke doop (wederdoop) noodzakelijk was. De volgelingen van Johannes stonden
ook bekend onder de naam Mandeeërs. Mandeeërs bestaan nu
nog in Iran, zij het dan, dat ze zijn moeten onderduiken wegens het régime in Teheran sinds ayatollah Khomeini. Ook in Irak
houden ze zich gedeisd wegens het huidige vijandig klimaat na de val van Saddam Hoessein.
Een verwarring ontstond omdat Epiphanius de naam 'Nazoreeërs' ook gebruikt om een Joodse sekte van judaïserende
christenen aan te duiden die hun centrum hadden in Pella (Transjordanië). Hij beschouwt hen dus als joodse
christenen die in het jaar 70 uit Palestina verdreven werden. De Nazoreeërs hadden hun eigen evangelie,
het Evangelie van de Nazoreeërs', dat vermoedelijk veel leek op het Evangelie van de Ebionieten
(beiden evangeliën zouden wel eens zeer vroege 'Matheüssen' - vooral logia - kunnen geweest zijn).
Daarom moeten de Nazoreeën erg veel geleken hebben op de eerste Ebionieten in Jeruzalem van
vóór de verwoesting van de stad. Volgens Daniélou is het echter waarschijnlijk dat verjaagde
Nazoreeërs zich als joden-christenen aansloten bij een reeds bestaande gemeenschap. Nazoreeër werd een soortnaam
voor baptistische sekten uit die streek. Uit deze groep zou het latere Ebionisme zijn ontstaan dat zich
zou verzetten tegen de offeranden en de veelvuldige reinigingsbaden. (Vrij naar Daniélou blz. 28).
Bovenstaande is een dus hypothese van Daniélou. Er is in de redenering van Daniélou toch iets wat wringt.
Waarom zouden het ‘latere Ebionisme’ (wat dat ook moge betekenen) zich gaan ‘verzetten tegen de offerandes’?
In de tijd waarin - volgens Daniélou - het zogezegde ‘latere Ebionisme’ zou zijn ontstaan, waren er al lang
geen offerandes meer, vermits de Tempel reeds geruime tijd tevoren verwoest was. Het Ebionisme ontstond veel
vroeger, vermoedelijk een tiental jaren na de dood van Jezus in Jeruzalem en omgeving.
Terug naar tekst
(79) Flavius Josephus (zelf een jood, maar hij 'liep over' naar de Romeinen tijdens het beleg
van Jeruzalem na zijn gevangenneming) beschreef in zijn 'Joodse Oorlog' de verschillende joodse religieuze stromingen
uit zijn tijd. Hij heeft het uitvoerig over de Essenen. Hij zegt onder meer het volgende in dit verband:
"Zij (Essenen) verachten rijkdom en hun gemeenschapszin is bewonderswaardig. Het is onmogelijk bij hen iemand
te vinden die meer bezit dan een ander. Het is namelijk de regel dat nieuwe leden bij hun intrede in de sekte
hun bezittingen afstaan aan de sekte. Het gevolg is dat noch afgrijselijke armoede noch buitensporige rijkdom
bij hen voorkomt. Ieders bezittingen vallen toe aan de gemeenschap en als broeders genieten zij gezamenlijk
van alles wat voorhanden is." (122 Hilberink 92)
Terug naar tekst
(80) Marcus, 1, 14-15: "En nadat Johannes was gevangen genomen, ging Jezus naar Galilea
en verkondigde er Gods blijde boodschap. Hij zei: De tijd is vervuld en het rijk Gods is nabij: bekeert u en
gelooft in de blijde boodschap."
Terug naar tekst
(81) Zo zegt Matteus (Matteus 16, 28) "Voorwaar, Ik zeg u: Er zijn er onder de hier
aanwezigen, die de dood niet zullen ervaren voordat zij de Mensenzoon zullen zien komen in zijn koninklijke macht."
Ook Marcus spreekt in die trant (Marcus, 9, 1): "Hij sprak tot hen: Voorwaar, Ik zeg u: onder de hier aanwezigen zijn
er die de dood niet zullen ervaren, voordat zij zien dat het Rijk Gods is gekomen in kracht."
Terug naar tekst
(82) De voorwaarde voor de komst van dit koninkrijk, dat zeer binnenkort zou gesticht
worden, was dat alle joden zouden gaan leven volgens de voorschriften van de Thora en dat er vrede en gerechtigheid
zouden heersen. Dat de parousia een heel belangrijk onderdeel uitmaakte van het joodse denken uit die tijd,
blijkt heel duidelijk uit de Handelingen. Handelingen is een tweede boek van de schrijver dat begint met laatste samenkomst (na de zgn. verrijzenis) van Jezus
met zijn apostelen. Zoals Hilberink terecht opmerkt vragen de apostelen niet hoe Jezus nu uit de dood is kunnen
opstaan (wat in casu een interessante vraag zou zijn geweest). Hun eerste vraag is wel: "Heer gaat Gij in
deze tijd voor Israël het koninkrijk herstellen??"(Hand. 1,6)
Terug naar tekst
(83)Jezus zegt verschillende malen dat het koninkrijk der hemelen zal hersteld worden.
Soms spreekt hij over het Koninkrijk van God. Volgens Sanders was het een gebruikelijke joodse opvatting dat er
God in de hemelen heerste. Dit was het Koninkrijk van God, of het Rijk der hemelen. Maar indien God besloten
had niet tussen te komen in het leven der mensen (of zeer weinig), zal er nochtans een dag komen dat God de
menselijke geschiedenis doet ophouden en de wereld zal besturen. Kortom, het Koninkrijk van God bestaat daar al
en heeft altijd bestaan, en in de toekomst zal het hier bestaan. Dit is de interpretatie van Sanders.
Terug naar tekst
(84) Mattheüs, (24, 44) laat Jezus zeggen: "Wees ook gij dus bereid, omdat de
Mensenzoon komt op het uur waarop gij het niet verwacht."
Terug naar tekst
(85) Paulus 1 Tes. 4, 15:"En dit kunnen wij u meedelen volgens een woord van
de Heer: wij die in leven blijven tot de komst van de Heer, wij zullen de doden in geen geval voorgaan."
Terug naar tekst
(86) Jezus zelf ontsnapte niet aan dit (joodse) eschatologisch denken.
Wat Jezus ooit gezegd heeft zijn de woorden van een Jood, niet van een Christen.
Volgens Sanders was Jezus een 'radicale eschatoloog'. Zo meent Sanders dat ' hij (Jezus) verwachtte dat God
op afdoende wijze zou handelen om zo de dingen fundamenteel te veranderen. Jezus verwachtte -net als bijna
alle joden uit de eerste eeuw - dat er nog een Tempel zou zijn. (na de wederkomst). Hij gaf echter geen details
over dit punt.' (Sanders, blz. 315)
Terug naar tekst
(87) Bovenstaande moet gezien worden in het licht van de hele joodse apocalyptische
literatuur. Deze bloeide van 160 vòòr tot 90 na Chr. Gedurende enige tijd bleven de apocalyptische geschriften nog
vrij populair onder de eerste christenen. Het patroon van de joodse apocalyptiek is duidelijk te vinden in de
nieuwtestamentische canon, in het bijzonder in de Openbaring van Johannes en in de zgn. Kleine Apocalyps van Marc. 13.
Dit is niet verwonderlijk, daar de boodschap der joodse apocalyptische schrijvers geheel lag in de lijn van de
christelijke hoop en verwachting. Bovendien riepen zij de mensen op om zich af te wenden van deze wereld vol
boosheid en ellende en zich voor te bereiden op de dag waarop de almachtige God zijn Koninkrijk van de
gerechtigheid en vrede zou oprichten. En deze dag naderde zienderogen...
Sommige joden rond het begin van onze jaartelling maakten berekeningen voor de komst van het Rijk.
De vroege christenen ook. Hippolytus meende na een bizarre wiskundige redenering dat men de wederkomst mocht
verwachten in 202. Toen dit niet gebeurde werd het uitgesteld tot het jaar 500. In de eerste helft van de vijfde
eeuw lieten vertalers van de christelijke teksten uit de tweede eeuw iedere vermelding van de naderende apocalyps
weg want het bracht de lezers in verlegenheid. (Vrij naar Freke en Gandy blz. 250)
Men kan zulk gedrag vergelijken met dit van de Getuigen van Jehova die, tot voor kort en zonder enig
succes overigens, de dag berekenden van de komst van hun Koninkrijk. Ook deze groep is eschatologisch
getint en men kan ze in vele opzichten (wijze van rekrutering, sociale klasse, weigeren legerdienst te doen
(zie Tertullianus), het zich wat afgezonderd houden, enz.) vergelijken met de eerste christenen.
Men mag overigens de Getuigen van Jehova niet meer beschouwen als een sekte maar wel degelijk als een cultus.
Toen de christelijke verwachting van een 'spoedige wederkomst des Heren' verbleekte, geraakten deze boeken en
hun christelijke tegenhangers uit de gunst. (Russell, blz. 80,81)
Terug naar tekst
(88) De christelijke predikers kwamen meer dan eens de 'mensen van de concurrentie'
tegen op hun tochten. Ook de 'heidenen' hadden hun 'verkondigers' . Sizoo schetst in een kort portret een beeld van deze mensen
en plaatst het fenomeen in de toenmalige context.
"De wijsbegeerte was toen ook tot de grote massa afgedaald en vele bedelfilosofen preekten een praktische ethiek,
die naar zij meenden de mensen gelukkig kon maken. Bedelfilosofen waren het. Want ze hadden een vrijwillige armoede gekozen.
Bezittingen hadden ze niet. Slechts een harig kleed (de filosofenmantel), een knapzak en een drinknap of zo
iets bezaten zij en ze leefden van wat anderen hen gaven. Maar met vaak striemende woorden wezen ze de mensen
op hun fouten, zoals we kunnen zien in de toespraken die van de straatpredikers over zijn. Allerlei
Oosterse mysteriegodsdiensten (de nieuw christelijke leer was in feite ook 'oosters') hadden hun priesters,
die rondtrokken om de mensen te bekeren." ( Dr. A. Sizoo, De Antieke Wereld en het Nieuwe Testament, blz. 119).
Terug naar tekst
(89) Meijering sluit nochtans niet uit dat 'De intiemste kring van volgelingen,
wordt door de twaalf door Jezus zelf uitgekozen gevormd. Daaromheen hebben groepen gestaan van volgelingen
die zelfs al lokale gemeenschappen kunnen zijn geweest…Al tijdens Jezus' leven bestond er zoiets als een
Jezus-beweging, die in principe vergelijkbaar was met andere bewegingen van rondtrekkende predikers'.
(Meijering Geschiedenis van het vroege christendom, p. 44, 49).
Terug naar tekst
(90) Celsus vergelijkt de christenen met 'een groep kikkers die beraadslagen
rond een moeras' of met 'wormen, die in een smerige hoek een vergadering beleggen omtrent de vraag wie van
hen nu een groot zondaar is...' (Origines, Contra Celsum, IV,23).
Terug naar tekst
(91) Minucius Felix laat Caecilius zeggen dat de christenen
overkomen als 'een zich
schuilhoudend en lichtschuw volk; in het openbaar houden ze zich stom, maar in de hoekjes hebben ze een grote mond.'
(Minucius Felix, Octavius, 8,4).
Terug naar tekst
(92) Celsus: "Als alle mensen christenen zouden willen worden, zouden de christenen
geen christenen meer willen zijn." (Origines, Contra Celsum, III,9)
Terug naar tekst
(93) Deze verdachtmakingen hadden ook te maken met het feit dat de christenen
geen tempels of synagogen hadden. Vaak speelden de plechtigheden zich af in zogenaamde ‘huiskerken’, die, zeker in het begin,
privé-woningen waren van de een of andere adept. Zo wist men natuurlijk nooit wat zich daarbinnen afspeelde…
En vertelde men niet dat christenen een lichaam aten en menselijk bloed dronken zoals hun stichter, een zekere Jezus, dat gedaan had?
Nu had Justinus Martyr in zijn Eerste Apologie deze fabel proberen te counteren door een vrij exacte (en hiermee de oudste overgeleverde)
beschrijving van de eucharistie te geven zodat iedereen kon weten wat er eigenlijk gebeurde. Maar de vraag bleef of hij met zijn geschrift
veel ‘heidenen’ had kunnen bereiken.
Lucianus van Samosata (125-185) : "De christenen hebben de goden van Griekenland
verlaten voor een gekruisigde sofist en een magiër, die nieuwe mysteries invoerde en er zich op toelegde zijn volgelingen
te overtuigen dat hem alleen alle eer toekwam. De christenen, zo wilden het de geruchten, vereerden de kop van
een ezel en aten tijdens hun initiatieriten kinderen op. (...) De medeplichtigheid aan zulke misdaden garandeert
geheimhouding."
Caecilius in de Octavius van Minucius Felix geeft ons zelfs details dienaangaande: "Verder is het verhaal over de inwijding van
de neofieten even verfoeilijk als vermaard: een baby wordt bedekt met deeg om hen die nergens op bedacht zijn te misleiden,
en zo aan de kandidaat voor de inwijding in de heilsgeheimen voorgezet. De onnozele neofiet wordt ertoe uitgenodigd toe te slaan,
terwijl dat zogenaamd geen gevaar kan vanwege de laag deeg, en zo doodt hij die baby met onzichtbare aan het oog onttrokken wonden.
Diens bloed likken zij, godslasterlijk dorstig (!) op, diens ledematen verdelen zij om strijd, met dit offerdier bekrachtigen zij hun verbond…
Deze heilige handelingen zijn walgelijker dan welke vorm van heiligschennis ook. " Horror dus van de bovenste plank bedreven door de christenen, zo heette het
(Minucius Felix, Octavius, 8,5).
Vergeten we niet dat in de Middeleeuwen ook de Joden beschuldigd werden van rituele kindermoord.
Terug naar tekst
(94) Origines reageert tevens tegen Celsus die het christendom verwijt dat het zich
in hoofdzaak er op toelegt stedelingen te bekeren. De christenen laten met ander woorden het platteland links
liggen en op dit vlak zijn ze exclusief. Origines riposteert dat 'zij (christenen) niet alleen de
steden afreizen, maar ook de dorpen en boerderijen, teneinde meer mensen voor het geloof in God te winnen'.
Terug naar tekst
(95) Tertullianus: ‘Naar de mening van de heidenen zijn de christenen de oorzaak van
elk publiek onheil, van elk algemeen ongemak. Als de Tiber overstroomt, als de Nijl niet overstroomt, als de hemel niet rommelt
(als het niet regent), als er hongersnood heerst, als de pest uitbreekt…dadelijk weerklinkt de kreet: “De christenen voor de leeuwen!”.’
(Tertullianus , Apologetum,XL,1-2).
Terug naar tekst
(96) Deze sfeer van geheimzinnigheid en verkeerde informatie over de christelijke
bijeenkomsten gaven trouwens aanleiding tot allerlei roddels: de christelijke samenkomsten zouden een dekmantel
vormen voor het bedrijven van groepsseks, incest, kannibalisme, rituele kindermoord, enz., wat weer voedsel gaf voor nieuwe pogroms.
Terug naar tekst
(97) Celsus: "Nooit benaderen zij een groep verstandige mensen en tegenover hen durven
zij nooit hun mooie theorieën uiteenzetten. Maar als ze jongeren zien, of een troep slaven, of een bende imbecielen,
dan stormen zij er op af en beginnen zij zich aan te stellen. (...) Wij zien in privé-huizen wolkaarders,
schoenlappers, volders, de meest onontwikkelde en de meest ongemanierde lieden. Tegenover de ervaren en
weldenkende meesters durven ze hun mond niet open te doen, maar als ze de kinderen van hen en de hersenloze
vrouwen die hen begeleiden terzijde kunnen nemen, ja dan debiteren ze wonderlijke dingen.(...) Alleen zij weten
hoe men dient te leven. (...) Als ze dat echt willen weten, kunnen ze hun vader en hun leraren laten voor
wat ze zijn en met de vrouwen en hun speelkameraadjes meekomen naar het atelier van de wever, het stalletje
van de schoenmaker of de werkplaats van de volder om daar de perfectie te bereiken!"
(Origines, Contra Celsum, III,50,55)
Terug naar tekst
(98) Zo schrijft Tatianus (180) over zijn eigen bekering: "Ik kwam tot mijn geloof
in de Schrift door de pretentieloze stijl, de ongekunstelde manier van de sprekers..."
Terug naar tekst
(99) Robin Lane FOX meent dat deze hypothese nergens echt hard kan worden gemaakt.
(R. L. FOX, 'De droom van Constantijn').
Terug naar tekst
(100) Keizer Julianus, die het paganisme nieuw leven wilde inblazen, wees in
ettelijke brieven aan de (heidense) priesters van verschillende heiligdommen op het feit dat het succes van
het christendom voor een groot stuk stoelde op hun vermogen de zwakken en zieken op materieel en moreel vlak
steun de verlenen. Hij drukte hen op het hart dat zij een voorbeeld moesten nemen aan de christenen, aan het ethisch
(menslievende) aspect van het christendom, 'zelfs al was het geveinsd'.
Zo schrijft hij aan de heidense hogepriester Arsacius van Galatië: “…want het is een schande dat, terwijl geen enkele jood ooit
moet bedelen en de goddeloze Galileeërs (christenen) niet alleen hun eigen armen onderhouden , maar ook nog eens de onze,
iedereen kan zien hoe onze mensen (de niet-christenen) verstoken blijven van onze steun.” Julianus had weinig succes.
Hij leefde niet lang genoeg meer om zijn hervormingen door te voeren, maar of het zou geholpen hebben is een andere vraag.
Het paganisme was op zijn retour en vermoedelijk niet meer in staat het roer om te gooien. Het had geen caritatief opvangnet.
Het miste een sociale traditie.
Terug naar tekst
(101) Magie ontleent veel van haar kracht door de manipulatie en het bezit van namen.
De joden hadden een God wiens naam niet kon worden genoemd en die daarom heel machtig was.
Verder waren de namen van de engelen van de God van Israël voor de magiërs heel waardevol en soms werkzaam.
Plinius en Lucianus gaan er beiden van uit dat magie een traditionele joodse vaardigheid was, ondanks het
feit dat de joodse Schrift haar verbood. (Wilson 140)… Zelfs de 'godsvrezenden' konden daarvan gebruik maken,
kopieën maken van bepaalde teksten want zij mochten de heilige joodse boeken raadplegen. Door het
uitspreken van de namen van de God van Israël en die van zijn engelen konden zij demonen uitdrijven en ziekten
genezen en de magiër die deze krachten aanwendde kon een invloedrijke persoon worden. (Wilson,126).
Tot ver in de Middeleeuwen gebruikten de rabbijnen de psalmen vanwege hun vermeende astrologische betekenis als hulpmiddelen
bij de waarzeggerij.
Terug naar tekst
(102) Toen Paulus en Barnabas in Lystra een zogenaamde lamme genazen,
dachten de omstaanders dat zij te maken hadden met en Zeus en Mercurius die in mensengedaante op aarde
waren nedergedaald. (Handelingen 14,11-12).
Terug naar tekst
(103) Origines (°185) dacht zelfs dat de wonderen voortduurden tot in zijn tijd.
Hij vond dat het oorspronkelijk succes van het christendom niet te verklaren was zonder de mirakelen.
Het waren deze wonderen die de heidenen ervan overtuigden hun geloof te verlaten. Toch bespeurt men bij
Origines reeds een kentering van het aantal mirakels. Vandaar dat hij meer en meer de nadruk legt op het
spirituele en morele mirakel van elke nieuwe bekering tot het christendom. Zo zegt hij dat 'het herwinnen van
het innerlijk zicht door de bekering veel belangrijker is dan het genezen van een echte (sic) blinde'.
Terug naar tekst
(104) Als we Marcus mogen geloven waren zelfs de apostelen niet altijd onder de
indruk van de mirakels van Jezus. Heel ophefmakend moeten deze 'wonderen' niet geweest zijn want regelmatig
moet Jezus zijn trouwste volgelingen ertoe aanzetten wat meer vertrouwen in hem te hebben. Erg motiverend
komt Jezus niet altijd over en daarover maakt Celsus zich lustig. Want, zo redeneert Celsus, soms maakt
Jezus zich kwaad en dreigt hij met 'Wee u!'. Daarmee geeft Jezus -volgens Celsus- zelf te kennen dat hij niet kan overtuigen,
terwijl een god en zelfs een verstandig mens dat wel zou kunnen… (Origines, Contra Celsum 2, 76)
Sommige niet-joden schijnen zelfs meer in Jezus geloofd te hebben zo melden ons de evangeliën (vrouw die aan
bloedingen leed, de Syrische vrouw, de centurio in Kafarnaum, Jaïrus). Een bewijs voor die wankele trouw
(en geloof) van de eerste volgelingen is het feit dat nagenoeg alle apostelen vluchten bij de gevangenneming
van Jezus, behalve Petrus. Maar deze zou zijn meester achteraf drie maal verraden. De meeste adepten volgen
de kruisiging van op afstand volgens de synoptische evangeliën. Niemand staat aan het kruis wanneer Jezus
afsterft, behalve Johannes en enkele vrouwen…Dat meldt ons het evangelie van Johannes.
Verwonderlijk is het dat deze wonderen spectaculairder worden al naargelang de evangeliën later
worden geschreven. Zo lezen wij bij Marcus ((Marcus 5, 21) dat het dochtertje van Jaïrus niet dood was,
maar zwaar ziek. Lucas (Lucas 7,11) heeft het over de opwekking van de jongeling uit Naïn die juist overleden is.
Bij Johannes (Johannes 10,11) tenslotte is Lazarus al vier dagen dood en zijn lijk vertoont duidelijk
ontbindingsverschijnselen. Ook hier weer is voorzichtigheid geboden. Er zijn steeds meer moderne onderzoekers
die neigen naar de mening dat alle evangelies zouden geschreven zijn tussen het jaar 50 en het jaar 80.
Maar zoals wij weten, was Jezus niet alleen met zijn magische krachten. Ook Apollonius (van Tyana) kon doden opwekken.
Joden stonden bekend als wonderdoeners. (Sanders). Volgens Josephus zou dat komen doordat zij de wijsheid
van Salomo geërfd hadden en daarom wisten hoe ze genezingen moesten verrichten en vooral duiveluitdrijvingen.
Ziekte en irrationeel gedrag werden vaak toegeschreven aan bezetenheid, en wie duivels kon wegjagen was erg populair.
Dat genezers en charismatici veel voorkwamen in die tijd is geweten. Vóór Jezus' tijd had 'Honi (Onias)
de cirkeltrekker' grote bekendheid genoten om zijn succesvol gebed om regen. In de generatie na Jezus' tijd
leefde de beroemde genezer Hanina ben Hosa, die door Gamaliël om hulp werd geroepen voor zijn zieke zoon.
Ook magiërs waren in trek zoals Teudas de Egyptenaar die zelfs kon rekenen op een schare volgelingen
of een figuur zoals Bar-Jezus, beter bekend als Elymas de tovenaar (Hand. 13 , 8).
Wanneer deze wonderdoeners op een bepaalde ogenblik te hinderlijk werden, schakelden ( lees: doodden) de Romeinen
hen gewoon uit.
Flavius Josephus, in zijn boek 'De oude geschiedenis' (Testamentium Flavianum) schrijft het volgende over Jezus:
'Omstreeks die tijd verscheen een wijze man die Jezus heette - als we in dit geval kunnen spreken van een man -
want hij verrichtte verbazingwekkende dingen en genas mensen die gretig luisterden naar alles wat zij wilden geloven.
Hij wist vele Joden en vele Grieken over te halen...'. Deze passage over Jezus (ingeklemd in de beschrijving van
Pilatus) is jarenlang als een vervalsing door christelijke kopiisten afgedaan, maar hedendaagse onderzoekers
raken er steeds meer van overtuigd dat hij op sommige punten authentiek kan zijn, en dan met name waar Jezus
wordt omschreven als 'een 'wijze man', een 'wonderdoener' en een genezer van eenvoudige en goedgelovige mensen.
(Vrij naar A.Wroe, 160).
Volgens een Oud-Kerkelijke-Slavische versie van Flavius Josephus wordt Jezus door Pilatus als arts ontboden
omdat zijn vrouw stervende is .(A.Wroe, 16O).
Zowel in de apocriefe evangeliën als in de overlevering van de tempelridders wordt er op gezinspeeld
dat Jezus een volgeling van Oosterse magiërs was en dat hij occulte praktijken bedreef waardoor de daarvoor
ontvankelijke geesten in Rome werden aangesproken: mensen die zowel lichamelijke als geestelijke genezing
zochten. Ook in de 'Handelingen van Pilatus' wordt Jezus beschuldigd van kwade praktijken (onder meer
uitdrijven van duivels op een Sabbat door de hulp van Beëlzebub).
Terug naar tekst
(105) Marcus 13, 24:"Maar in die dagen na de verschrikking zal de zon verduisterd worden,
en de maan haar licht niet meer laten schijnen, en zullen sterren van de hemel vallen en de hemelse machten wankelen.
En dan zal men de Mensenzoon op wolken zien komen met veel macht en heerlijkheid. Dan zal Hij engelen uitzenden
en zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het uiteinde van de aarde tot aan het uiteinde
van de hemel."
Terug naar tekst
(106) 2 Petrus 3, 3-4:"Gij moet vooral weten dat er in de laatste dagen spotters
zullen komen, mensen die leven volgens hun eigen begeerten, en die honend vragen: 'Waar blijft nu de wederkomst
die Hij heeft toegezegd? Onze vaderen zijn al gestorven, maar alles blijft zoals het was, zoals het van het begin
der schepping geweest is."
Petrus (?) gaat dan wat later als volgt verder (Petrus, 3 8-9): "Eén ding echter, vrienden, mag u niet ontgaan.
Voor de Heer is één dag als duizend jaren en duizend jaren als één dag. De Heer talmt niet met zijn belofte,
zoals sommigen menen, maar Hij heeft geduld met u, daar Hij wil dat allen tot inkeer komen en niemand verloren gaat."
Zoals Sanders het zo laconiek schrijft: "We constateren dat de christenen deze vroege ontdekking van het feit
dat Jezus zich vergist had (in de parousie) goed hebben overleefd."
Terug naar tekst
(107) Dit is dan het standpunt van sommige bijbelvorsers, want volgens andere kenners, heeft het evangelie van Thomas
een gnostische inslag en zou het dateren van rond het jaar 150. (Het zou mij echter niet verbazen dat men reeds
uitzonderlijk vroeg gnostische christenen kende die het product waren van hun tijd, van de tijd van de inwijdingscultussen...
Christenen, die het resultaat bleven van een individualistisch eigenhandig speuren naar een 'goede' God, en zo tegemoet kwamen
aan hun hunkering de Goddelijke Waarheid persoonlijk te ontdekken en vooral te ontmoeten..).Quispel is er echter van overtuigd dat
het Evangelie van Thomas helemaal niet gnostisch is maar eerder 'ascetisch' en dat het teruggaat tot een Judaische bron van rond het
jaar 40 en tot een latere Alexandrijnse bron die de Judaische bron vertaalde naar de mentaliteit van de wereldstad.
Ook meent Quispel dat het Thomas evangelie put uit andere bronnen dan deze der synoptische evangeliën.
Terug naar tekst
(108) Indien Thomas zonder omwegen zegt: "Zalig gij armen, want u behoort het
Koninkrijk der Hemelen ", dan zal Matteüs (?) een kleine toevoeging (toegeving?) doen. Hij voegt
enkele woorden toe aan die zin, zodat deze een heel andere dimensie krijgt. Hij schrijft namelijk:
"Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der Hemelen." Ook hier is voorzichtigheid
een deugd, want sommige bijbelkenners beweren dat het Evangelie van Thomas van een Griekse bron
komt en dat het ontstaan zou zijn rond het jaar 150. Het zou natuurlijk eveneens kunnen ontstaan zijn in
de zeer vroegchristelijke gnostische kringen zoals boven in de tekst gesteld.
Terug naar tekst
(109) Etymologisch komt het woord apostel van het Griekse 'apostolon' wat 'uitgezondene'
betekent.
Terug naar tekst
(110) 'Neem geen goud-, zilver- of kopergeld mee in je beurs. Laat in welk huis gij ook
binnengaat uw eerste woord zijn: vrede aan dit huis. Woont daar een vredelievend mens, dan zal uw vrede op hem
rusten, zo niet, dan zal hij op u terugkeren. Blijf in dit huis en eet en drinkt wat zij u aanbieden, want de
arbeider is zijn loon waard. Gaat niet van het ene huis naar het andere. In elke stad waar ge binnengaat en
ontvangen wordt, eet wat u wordt voorgezet' (Mt, 10 )
Terug naar tekst
(111) Of alle zogenaamde 'apostelen' zo'n groot succes hadden kunnen we niet meer achterhalen.
Het lijkt onwaarschijnlijk. Bij de heidenen was dit in ieder geval niet zo. "De meeste rondtrekkende wijsgeren waren
pover en waren aanhangers van de cynische-stoïcijnse leer. Zij trokken als straatpredikanten op.
Een vaderland hadden ze niet, van stad tot stad trokken zij rond , zonder enig bezit dan mantel, stok en knapzak,
levend van wat ze kregen en verder terend op hun overtuiging, dat ze van Godswege gezonden waren tot heil van de mensheid.
Ze predikten de nietswaardigheid der aardse goederen, de zegen der armoede en de gelijkheid van de mensen voor God.
Behalve de bedelfilosofen reisden door de gehele wereld de propagandisten van allerlei oosterse religies, priesters van
mysteriegodsdiensten die al sedert enige eeuwen uit het oosten tot ver in het westen waren doorgedrongen. (zie ook noot 84).
Uit Egypte kwamen de dienaren van Isis en Osiris, uit Phrygië die van de godin Cybele, uit Syrië die van Adonis, uit
Perzië de priesters van Mythra en zo nog veel meer." (Vrij naar Sizoo, Reizen en trekken in de Oudheid, blz. 29-30).
Terug naar tekst
(112) (I Corintiërs 9,7): "Wie heeft ook gehoord van een soldaat die zijn eigen soldij
betaalt? Wie plant een wijngaard en eet niet van zijn vruchten?(...) Als wij voor U een geestelijk gewas
gezaaid hebben, is het dan teveel gevraagd dat wij van u stoffelijke steun oogsten?"
Terug naar tekst
(113) (I Corintiërs 9,3-6) :"Dit is mijn antwoord aan mijn critici. Hebben wij
geen recht om te eten en te drinken? Hebben wij geen recht een christenvrouw mee te nemen zoals de andere apostelen
(!) en de broeders des Heren en Kefas? Of zijn Barnabas en ik de enige die verplicht zijn te werken voor hun
levensonderhoud?"
Terug naar tekst
(114) Men vermoedt dat de Didache eigenlijk van joods-hellenische oorsprong is en
dat de auteur gewoon gebruik heeft gemaakt van een joods geschrift, wellicht een onderwijzing voor proselieten,
een geschrift dat hij dan enigszins christelijk heeft omgewerkt.(Meijering) Sommige onderdelen van de Didache gaan
misschien terug tot de tijd van de naaste medewerkers van Jezus in de diaspora. Dat er iets mis aan het lopen was
is duidelijk. Zo zegt de Didache: "iedere apostel die tot u komt, moet als een meester worden ontvangen. Hij zal
echter niet langer blijven dan één dag en, waar het nodig is, een tweede dag. Blijft hij echter drie dagen, dan
is hij een vals profeet. Bij het vertrek moet de apostel echter niets ontvangen dan het brood dat nodig is tot
de volgende overnachtingsplaats. Verlangt hij geld, dan is hij een vals profeet."
Terug naar tekst
(115) Lucianus vertelt ons het d(t)rieste verhaal van Peregrinus. Deze laatste zou zijn
vader vermoord hebben en vlucht over de Hellespont. Daar maakt hij kennis met de christenen, vindt hun leer
interessant en wordt een soort christelijk profeet die zeer veel aanhang kent. Hij wordt wegens zijn christelijk
geloof (?) opgepakt en in de kerker geworpen, maar de christenen bezoeken hem van heinde en ver om hem te troosten.
Door de bewakers om te kopen kan hij zelfs in zijn cel de nacht vrij behoorlijk doorbrengen met af en toe een
medechristen, zo beweert Lucianus. Hij krijgt tijdens zijn gevangenschap veelsoortige steun van de broeders
en zusters maar ook veel geld. Zijn faam groeit en de stadhouder laat ten slotte Peregrinus vrij en deze laatste
verlaat de gevangenis met een behoorlijke som aan sestertiën. Hij krijgt ruzie met zijn (christelijke) gemeente,
wordt buitengesloten en begint een tweede leven als ascetisch filosoof, als cynicus. Hij wordt een soort landloper.
In Olympia, bij maneschijn en te middernacht, pleegt hij op een ostentatieve manier zelfmoord door in een vlammende
brandstapel te springen.
Terug naar tekst
(116) Men zou al te vlug geneigd zijn om van het christendom een mannenzaak te maken.
Het vroege christendom was altijd zeer succesvol geweest bij vrouwen. De vrouwen hebben in die periode steeds een
belangrijke plaats ingenomen. In de tijd van Paulus was er een ruim aantal vrouwen die het echte veldwerk deden.
Tijdens de christenvervolgingen stierven vele vrouwen standvastig in hun geloof. Bij de Montanisten namen vrouwen
belangrijke plaatsen in als profetessen, wanneer zij spraken 'door de Geest'. Als we zien hoeveel namen van
vrouwelijke medewerksters Paulus citeert in de Brief aan de Romeinen, dan moet het duidelijk zijn dat de
vrouwen in het prille christendom minstens even grote pioniers zijn geweest in de verkondiging als de mannen.
Vergeten we niet dat in een evangelie (Johannes) de eerste verschijning van de verrezen Jezus gebeurt aan een
vrouw: Maria Magdalena.
Terug naar tekst
(117) Didache: "Ieder waarachtig profeet echter die zich bij u wil vestigen, verdient dat
men hem voedt.(...) Alle eerstelingen van de wijnpers en de dorsvloer, van de runderen en de schapen moet
gij nemen en ze aan de profeten geven, want zij zijn uw hogepriesters."
Terug naar tekst
(118) Didache: "Niet ieder die in de Geest spreekt is een profeet, maar alleen wanneer
hij de gedragingen heeft van de Heer. Aan de gedragingen wordt de ware van de valse profeet herkend.
Er is geen profeet die gedreven door de geest Gods een maaltijd bestelt."
Terug naar tekst
(119) Paulus merkt in zijn brief aan de Corinthiërs vol spijt op: (Cor. 11-12)
"...dat er twisten onder U zijn. Ik bedoel dit, dat ieder uwer zijn leus heeft: 'Ik ben van Paulus' 'Ik van Apollos.'
'Ik van Petrus.' 'Ik van Christus'. Is Christus dan in stukken verdeeld?"
Terug naar tekst
(120) Episkopos, betekent beschouwer, opziener. In de steden van Klein-Azië
werden genootschappen bestuurd door beambten die Epimeletes of Episkopos genoemd. Dezelfde naam werd bij
stadsbesturen voor sommige administratiediensten gebruikt.
Terug naar tekst
(121) Colossenzen,2,18: "Laat u niet de prijs ontnemen door mensen die voldoening
vinden in zelfkastijding en engelenverering en het doorvorsen van hun visioenen (...)"
Terug naar tekst
(122) Celsus: "Er zijn veel mensen, die hoewel zij geen bekendheid of naam
hebben, zich met het grootste gemak en bij de eerste de beste gelegenheid, zowel binnen als buiten de
heiligdommen gedragen alsof ze door een profetische vervoering bezeten zijn. Anderen doen hetzelfde,
rondtrekkend als bedelaars door de steden en legerkampen (!). Zij zijn allen zeer in de war en komen
steeds weer aan met de woorden: 'Ik ben God, Gods Zoon, of de Geest Gods. Ik ben gekomen omdat de
ondergang van de wereld nabij is en gij mensen zult ten gronde gaan door uw ongerechtigheid. Maar ik wil u
redden en gij zult mij weldra zien nederkomen met de hemelse macht! Zalig hen die mij nu eren! Alle anderen
zal ik aan het eeuwig vuur prijsgeven. Zij zullen dan vergeefs van gedachte veranderen en jammeren!
Zij die mij geloofden, zal ik dan eeuwig bescherming geven.' Met deze bedreigingen vermengen zij dan nog
zeldzame, halfwaanzinnige en absoluut onverstaanbare woorden, zo duister en nietszeggend, dat zelfs de
verstandigste mens ze niet kan begrijpen. Het eerste en beste warhoofd of bedrieger echter kan ze uitleggen
zoals het hem past.(...) Deze zogenaamde profeten, die ik meer dan eens met mijn eigen oren hoorde, hebben
mij, nadat ik hen van hun gedrag overtuigde, hun zwakheden bekend en hebben toegegeven dat zij hun
onbegrijpelijke woorden zelf hebben uitgedacht."
Terug naar tekst
(123) 'Het is beter dat de grammatici ons op de vingers tikken dan dat de
mensen ons niet begrijpen.'
Terug naar tekst
(124) Ambrosius (338-397) had een verklaring voor de 'eenvoud' van de bijbeltaal.
Hij schreef aan de bijbeltaal een specifieke geïnspireerde en hogere schoonheid toe, een schoonheid die
'ontsnapte aan de gangbare stilistische normen'.
Terug naar tekst
(125) 'Wat heeft Athene met Jeruzalem te maken, wat de Academie (van Plato) met de Kerk?'
zo vraagt zich Tertullianus af. Zulke houding zal later leiden tot het trots gedeclameerde 'Academicus
non sum sed christianus' zodat het voor Celsus kinderspel was de spot te drijven met de 'domheid' van de
christenen.
Terug naar tekst
(126) Twee eeuwen later hoort men nog steeds dezelfde vragen als bij Tertulianus.
Hieronymus: "Wat heeft Horatius met het psalterium van doen? Wat Maro (Vergilius) met de evangeliën?
Wat Cicero met de apostel?"
Terug naar tekst
(127) Justinus schrijft omstreeks 150 ter zijner verdediging: "Wij zijn de
eerste om belasting te betalen aan hen die daartoe zijn aangesteld. (...) Wij aanbidden alleen God, maar
voor het overige: wij gehoorzamen u graag, wij zijn u dankbaar voor de koningen en bestuurders en we bidden
God voor u om wijsheid en rede."
Terug naar tekst
(128) Voor zijn bekering leefde hij naar eigen zeggen in de duisternis van een
donkere nacht, in twijfels en onzekerheid, ontevreden met zijn eigen decadente levensstijl, maar zonder de
minste hoop dat hij ooit een einde aan zijn ondeugden zou kunnen maken. Na zijn bekering echter: "maar
nadat het levensgevende water de smet van mijn vorig leven had weggewassen, en nadat het hemels licht
mijn puur hart had gereinigd en met zijn stralen had vervuld, ontving ik de Heilige Geest die uit de hemel
komt en een tweede geboorte veranderde mij in een nieuw mens...."
Terug naar tekst
(129) De Ebionieten. Een van de oudste christelijk gemeenten in Jeruzalem
droeg de naam van Ebioniem. Ebioniem betekent in het Aramees 'armen'. Het kan ook 'de vromen' betekend hebben. Mogelijk was het eerst
een scheldnaam, vermits de vroegste christenen overwegend behoorden tot de laagste bevolkingsgroepen. Zij
waren het die zich op Jakobus de Tsaddiek beriepen. Epiphanius echter denkt dat de naam komt van de stichter,
een zekere Ebion. Dat er in het allereerste begin een behoorlijk aantal Joodse christenen waren in de stad
Jeruzalem wordt bevestigd door Handelingen 20 , 21 (we doen er toch goed aan Handelingen als historische
bron te wantrouwen, maar het zou kunnen wijzen op een vroege mondelinge overlevering die ons wil duidelijk
maken dat de apostelen toch succes boekten met hun eerste prediking).
Alhoewel deze ebionitische joden wel degelijk christenen waren, deed hun strenge ascetische navolging van de Wet
de nieuwe christelijke inslag heel wat verbleken.
Deze Jezus-aanhangers waren strenggelovige Joden behorende tot de tendens der Farizeeën.
Jezus was voor hen enkel een leraar en een voorbeeld geweest in wiens leer men geloofde.
De Ebionieten overleefden de val van Jeruzalem, en
konden rekenen op heel wat bijval, na de verwoesting van Sion, toen ze zich teruggetrokken hadden ten
oosten van de Jordaan (Pella). Zij stelden zich erg principieel op. Zo geloofden zij bijvoorbeeld niet
in de maagdelijke geboorte van Jezus. Volgens hen werd Jezus pas goddelijk na zijn doop in de Jordaan.
Vandaar dat bepaalde Ebionietische strekkingen (zoals de Elkesaïten) behoorden tot de 'dopers'.
Naast het in ere houden van de Sabbat vierden ze de zondag als herinnering aan de verrijzenis van
Jezus. Ze beschouwden Paulus als een apostaat en hadden hun 'eigen Evangelie' (denkelijk een vroege
Mattheus, maar zonder het geboorteverhaal). Vele (zeer) oude christelijke teksten dragen duidelijk een Ebionistische inslag en soms krijgt
men de indruk dat het oerchristendom Ebionistisch was. Goguel stelt dat het uitgerekend de Ebionieten waren die
trouw gebleven zijn aan de woorden van Jezus en dat het de Latijnse kerk van Eusebius en konsoorten was die in zekere zin
'ketters' is geworden omdat ze is gaan afwijken van de onderrichtingen van Jezus. Zo poneert Goguel :
"Ce ne sont pas les Ebionites qui se sont éloignés de la grande Eglise, c'est la pensée de la grande Eglise qui s'est dévelopée, pour ne pas dire transformée."
(La naissance du Christianisme, blz. 164.) De Ebionieten waren -volgens die redenering- de eigenlijke behouders
van de echte leer en de hellenisering van het christendom verwijderde datzelfde prille christendom van de oorspronkelijke joodse geestelijke inslag.
Vergeten we niet dat Jezus zo goed als zeker een orthodoxe Jood was…
Ook hier weer dient de nodige voorzichtigheid
aan de dag gelegd: zelfs het zogenaamde 'oerchristendom' kende reeds verschillende strekkingen want
ook de hellenistische christenen christenen (de groep van de 'zeven') waren er al bij vanaf het begin. Verder waren er de
Nazo(a)reeërs, de (iets mindere) principiële Joden-Christenen die tot de in 4de eeuw in Syrië leefden.
Zij gebruikten hun 'Evangelie van (voor) de Hebreeën'. Eusebius, (Boek VI, Hoofdstuk XVII) wanneer hij het heeft over de
bijvelvertaler Symmachus, zegt over de Ebionieten: "Men moet weten dat een van deze vertalers, Symmachus, een Ebioniet was.
De sekte der Ebionieten nu is een dwaling van hen, die beweren dat Christus uit Jozef en Maria was geboren en dat Hij louter
mens was en erop aandringen dat men de Wet op strenge joodse wijze moet onderhouden, zoals we uit vroegere geschiedenis vernomen hebben."
Volgens Luttikhuizen weten we veel te weinig over de Ebioniem. Luttikhuizen: Het Evangelie van de Ebionieten kennen we
alleen uit fragmenten geciteerd in het anti-heretische werk van Epiphanius dat aan het einde van de vierde eeuw (!)
geschreven is. Volgens prof. Klijn, die zijn hele leven met joods-christelijk overleveringen is bezig geweest :"Gaat het
om een apocrief evangelie dat blijkt te zijn samengesteld met behulp van de ons bekende evangeliën aangevuld met een paar
eigen tradities. We nemen aan dat het geschreven is (in een Griekssprekende omgeving in Syrië) in het midden van de
tweede eeuw. Het evangelie kan beschouwd worden als een van de pogingen om de verspreide overleveringen aangaande Jezus
samen te voegen." Ik vind deze uitleg mager en niet erg bevredigend, temeer omdat Luttikhuizen in zijn verfrissend
boekje veelal steunt op allerhande hypotheses. Maar -voorlopig- is de stelling van Luttikhuizen wetenschappelijk
correct. Vooralsnog moeten we ons houden aan de feiten die we hebben en die zijn erg dunnetjes. Vraag is natuurlijk
te weten op welke bronnen Epiphanius zich baseert.
(Slavenburg Valsheid in geschriften, 109): "Wat we in ieder geval weten is dat bij deze eerste joodse
christenen de binding met de joodse geschriften zeer intens was. Zij volgden strikt de joodse gedragsregels.
Het gevolg hiervan was dat zij vaak gebruik maakten van de joodse geschriften. Er kwam zeer vlug een beweging
op gang die ging zoeken in het O.T. naar citaten die overeen stemming konden brengen tussen het O.T. en Jezus:
de zgn. 'vervullingcitaten'. Toen de evangeliën geschreven werden was deze tendens reeds volop aan de gang,
vooral bij Mattheüs, die denkbaar op de eerste plaats schreef voor joden."
Zelfs bij de eerste niet joodse christenen was de invloed van dito geschriften groot en het is niet voor
niets dat het geschrift 'Wijsheid van Salomo' op grote belangstelling kon rekenen van zelfs deze christenen.
De Canon van Muratori bevestigt dit overigens.
Wilson zegt het volgende over de Ebioniem:
"De eerste volgelingen van Jezus waren Joden die de tempel bezochten. De Ebionieten geloofden niet dat Jezus
goddelijk was of dat hij uit een maagd geboren was. Onder zijn volgelingen waren zijn broers en zusters die
wisten dat hij volledig menselijk was en daarbij een vrome jood die de joodse Wet eerbiedigde. Zij beschouwden
hem als een groot profeet, die was gekomen om de joden te zeggen dat het einde der tijden nabij was. Het is
nogal moeilijk uit te maken of zij geloofden dat de wederopstanding van Jezus al had plaatsgevonden of dat die
nog moest plaatsvinden en dat hij dan zou opstaan om zijn trouwe joodse volgelingen voor te gaan en hun een plaats
in de nieuwe hemel en aarde te laten zien waar de heiligen het Nieuwe Jeruzalem zouden regeren. Maar het is
vrijwel zeker dat zij geloofden dat Jezus, gelijk de Mensenzoon in het boek Daniël, zou weerkeren op de wolken
om zijn trouwe gelovige volgelingen te begroeten als de tijd was gekomen.
Na de val van Jeruzalem werden de meeste Ebionieten of (en) 'Nazareeën' erg gedecimeerd. Een aantal van hen
overleefde echter en er waren ook in latere eeuwen nog Ebionieten. Het is begrijpelijk dat die
in conflict kwamen met de christelijke niet-joden die een heel andere leer predikten, namelijk dat Jezus een
God en een Verlosser was die in zijn goedheid op aarde was gekomen om de niet-joden te redden en het jodendom
af te schaffen. De Ebionieten gaven Paulus rechtstreeks de schuld van de verdraaiing van de oorspronkelijke
boodschap van Jezus." Tot zover Wilson.
De leuze toen :'Terug naar Jezus-weg van Paulus !' heeft de dag van vandaag nog niets aan waarde ingeboet. De Ebionieten verloren
uiteindelijk het pleit, maar hun ideeën bleven en deze lopen als een rode draad door de hele kerkelijk geschiedenis.
De 'Armenbewegingen' hielden het ideaal levendig van een bepaalde Jezus, die we terugvinden in zeer vroege logia. Zoals Renan misschien terecht meent
bleef de armoede bij een zekere achterban een uiterst streefwaardig ideaal en 'de bedelarij werd een deugd,
een staat van heiligheid'(la mendicité devint une vertue, un état saint -Renan blz. 130- ). Gewilde armoede en begrip voor het
menselijk lijden vullen mekaar vaak aan. De dag van vandaag is deze houding bij specifieke christelijke kernen nog steeds aanwezig,
zij het wat aangepast aan onze tijd.
Renan meent dat de eerste joodse volgers van Jezus ‘eenvoudige, eerlijke families van Bethanië waren’
(lees ook: arme families) bij wie de logia eigenlijk (eerst mondeling )vorm kregen. Renan spreekt over de Ebionieten als
‘… les simples et douces familles chrétiennes de la Batanée chez lesquelles s’est forméé la collection des logia, petits comités, très purs, très honnêtes,
d’ ébionim (pauvre de Dieu), restés bien fidèles aux enseignements de Jésus….) Zij (ebioniem) zijn altijd trouw gebleven
aan de onderrichtingen van Jezus en hebben getracht het voorkomen en optreden van Jezus zo correct mogelijk weer te geven (volgens Renan).
De Ebionieten hadden hun eigen evangelie. Dit was vermoedelijk een vroege Mattheüs, maar echt zeker zijn we hierover niet.
Het lijkt wel logisch want Mattheüs schreef nu juist voor de vroege joodse acherban.
Het Ebionisme overleefde niet om verschillende redenen.
Na de val van Jeruzalem kon de Joodse Ebionitische strekking van het christendom niet veel druk meer uitoefenen op de heiden-christenen.
De kerk van Jeruzalem bestond niet meer, ze had alle invloed verloren. Het zwaartepunt van de beweging verplaatste zich nu naar Klein-Azië.
Ook hadden de Ebioniem een heel andere Jezus voor ogen dan de
christenen van Paulus. Jezus was voor de Ebionieten een overleden rabbi (verre van alle Ebionieten geloofden in de opstanding),
een profeet die bij herhaling gepredikt had dat hij zou terugkomen op het Einde der Tijden, een einde dat - volgens de Meester - nakend was.
Toen de gevoel van deze spoedige apocalyps wegebde op het einde van de eerste eeuw (omdat de wereld bleef bestaan ) kon men in Hem slechts
een wijs man zien die 'in de schaduw van de Joodse Wet bleef staan' (Goguel, blz 167).
In een later periode kregen de orthodoxe joden van de andere christenen de schuld van de dood van Jezus en de Ebionieten waren
ook orthodoxe joden… Maar het was vooral de neofobie, de angst voor de verandering, het zich houden aan het oude en aan de Wet die
de Ebionieten tot een verdwijning veroordeelde: de Jezus van Ebionieten werd een dode Jezus in tegenstelling tot de levende
Paulinische Jezus en zodus stagneerde op termijn de Ebionitische christologie. Ze bleef primitief door een gebrek aan culturele inbreng
(lees: weigering van de orthodoxe ebionietische Joden een vreemde culturele inbreng te aanvaarden), en het stak schril af tegen het
hellenistische christendom dat het elan had van iets sprankelend en vooral iets nieuws met zijn Griekse logos. Het Ebionisme daarentegen
verzandde alras in kosmogonische bespiegelingen en werd later de prooi van syncretistische stromingen om tenslotte geheel te verdwijnen
rond het einde van de vierde eeuw.
Terug naar tekst
(130) Clemens van Alexandrië (150-214), zelf uit een heidense familie, noemde het
christendom 'een rivier die was ontstaan uit het samenvloeien van de Griekse wijsbegeerte met het bijbels geloof.'
Terug naar tekst
(131) E. Meijering, Geschiedenis van het vroege christendom, blz. 196.
Terug naar tekst
(132) Menig toenmalig bepleiter van het christendom was, vòòr zijn bekering,
aanhanger geweest van een bepaald filosofisch systeem. Zo doorliep bijvoorbeeld apologeet Justinus Martyr (100-165)
verschillende wijsgerige scholen. "Bij een Stoïcijn verbleef hij enige tijd in de leer, maar toen hij niet wijzer
werd omtrent God - zijn stoïcijnse leermeester vond kennis van God niet eens noodzakelijk - wendde hij zich tot een
volgeling van Aristoteles. Deze wenste na één dag betaling, wat voor Justinus een reden was om zijn
onderwijs te verlaten. Daarna gij hij bij een Pythagoreeër in de leer. Die beëindigde echter zijn onderwijs toen
Justinus moest erkennen geen verstand te hebben van muziek, astronomie en geometrie. Ten einde raad wendde hij
zich tot de Platonisten…" E. Meijering, Geschiedenis van het vroege christendom, blz. 184.
Naar eigen zeggen zou Justinus christen zijn geworden na een gesprek met een bejaard christen die hem deed inzien
dat het christendom de tegenstellingen in de filosofie overwint. Hij zou zich dan bekeerd hebben in Efese op 38-jarige
leeftijd en zich gevestigd hebben in Rome. (Vrij naar P. Trouillez, Van Petrus tot Constantijn, blz. 101).
Terug naar tekst
(133) Volgens Dr. J. De Jong (die Ehrard aanhaalt) telde de christelijke gnostiek ongeveer
30 partijen of scholen. Grofweg kan men hen onderscheiden in drie grote groepen:
*Men had de Oosterse groep. Hier overheersten de astrologische en kosmogonische elementen die zo typisch zijn voor de Oosterse godsdiensten.
Ook Oudtestamentische elementen werden veel gehanteerd. Deze Oosterse christelijke gnostiek werd het eerst in een systeem gebracht door Satornilus.
De Sethianen, de Ophieten, de Kaïnieten, de Nicolaïten, de Phibionieten, de Peraten, de Archontieken zijn enkele voorbeelden van deze gnostiek.
Het ontdekte Evangelie van Judas zou kunnen komen uit de kringen van Sethianen of van de Kaïnieten.
**De Hellenistisch school. Hier was de invloed van de Griekse filosofie -in het bijzonder deze van Plato- groot. De voornaamste
vertegenwoordigers zijn Basilides die onder Hadrianus (137-138) verblijf hield in Alexandrië en Valentinus die omstreeks 135-160 in Rome vertoefde.
Ook Bardesanus geboren in 154 te Edessa kan men tot deze groep rekenen.
*** De joods-christelijke gnostiek is de derde soort. Hiertoe behoorden de Elchasaïten, een bepaalde strekking van de Ebionieten.
Naar het schijnt behoorden Mani en vooral zijn vader oorspronkelijk tot de Elchasaïten.
De profeet Elchasaï begon zijn prediking even voor 101. Zijn heilig boek werd samengesteld rond het jaar 106. Rond het jaar 200 vindt
de prediking ingang in Rome door Alcibiades van Apamos. Elchasaï hield zich aan de Thora, maar verwierp bloedoffers. De Jezus Christus,
die de grote Koning is en de zoon van de grote God, heeft een reeks incarnaties moeten ondergaan. God bood de gelovige een tweede kans om
gered te worden door een tweede doop, maar deze doop moet vergezeld worden van de zeven elementen (de hemel, het water, de heilige geesten,
de engelen, het gebed, de olie, het zout en de aarde). Daarbij komen er nog kosmogonische speculaties die uitmonden in het onderscheid tussen
'gunstige' en 'ongunstige' dagen. We kennen de Elchasaïten vooral door de werken van Hippolytus (+235) en Epiphanius (+403).
Terug naar tekst
(134) 'Maar toen zij van de opstanding van de doden hoorden, spotten sommigen daarmee,
terwijl anderen zeiden:"Dààrover zullen wij u bij gelegenheid nog wel eens horen." Zo ging Paulus van hen weg.'
(Handelingen:17, 32-33).
Terug naar tekst
(135) Henotheïsme: cultus die verschillende goden kent waarvan één de hoofdgod is.
Deze hoofdgod verenigt dan vaak in zich de kenmerken van de mindere goden en wordt zo een zeer machtige god.
Terug naar tekst
(136) Soms kon de christelijke leer in dat opzicht verwarrend overkomen. Men had God,
maar ook Jezus was godgelijk; de Heilige Geest waarvan niemand wist wat die nu eigenlijk was, maar toch godskracht
moest hebben. Ten slotte de engelen, die tevens van een bovenaardse natuur waren.
Terug naar tekst
(137) Men kan de stelling omkeren. Was het zogenaamde goddelijk karakter van
Jezus niet een invloed van de Griekse cultuur op het denken van Jezus zelf? (Zie wat Celsus hierover zei
in een vorige noot.) Of meer nog, ging de Messiasfiguur bij de Oude Joden niet terug op de Egyptische en Babylonische
gevangenschap, waar Godmensen inherent waren aan de toen heersende religieuze opvattingen? Ook het Grieks
godenpantheon was hier niet helemaal vreemd aan.
Terug naar tekst
(138) De tekst is een lofuiting ten aanzien van Augustus, op de dag van zijn
verjaardag: "Deze dag heeft de wereld een andere aanzien gegeven. Zij zou ten ondergang gedoemd zijn geweest, als zich
niet in de man die vandaag geboren is, een voor alle mensen gemeenschappelijk heil had geopenbaard (...).
Twisten zal hij beslechten, alles met zijn heerlijkheid vervullen. De geboorte van god heeft de wereld de daaruit voortvloeiende
evangelia gebracht. Met zijn geboorte zijn nieuwe tijden aangebroken." (Aangehaald door F. Vermeiren, p 162)
Terug naar tekst
(139) Zoals bij de Platonist Apuleus, een heiden uit de Romeinse Noord-Afrikaanse kolonie Madaura :
'Met het ledigen van de eerste beker kennis die wij ontvangen van onze leermeesters, verdwijnt de algehele onwetendheid; de tweede voorziet ons
van grammaticale kennis en de derde wapent ons met de welsprekendheid van de redenaar. Tot dit stadium wordt er door de meesten uit de beker gedronken.
Maar ik heb buiten Athene nog uit andere bekers gedronken; uit die van de dichtkunst, de legendarische; uit die van de wiskunde , de heldere;
uit die van de muziek, de zoete; uit die van de volkse taal, de ruwe en onaangename; en uit die van de universele wijsbegeerte, de beker met
lavende nectar die nimmer verzadigt'. (Tobias Churton, De geschiedenis van de Gnosis, 34).
Terug naar tekst
(140) Niettegenstaande het feit dat we Eusebius moeten wantrouwen, zijn er sommige documenten
van zijn hand die we vrijwel zeker als een min of meer authentieke weergave van de feiten kunnen beschouwen. Zo bevindt zich onder Eusebius' documenten
een brief van christenen in Lyon en Vienne aan hun geloofsgenoten in Klein-Azië. Een boeiende tekst die de lezer laat kennismaken met
de mentaliteit van de lokale christelijke gemeenschap in de zeventiger jaren van de tweede eeuw tijdens de vervolgingen. Naar het schijnt is het vrij zeker
dat het verslag authentiek is. Het gaat hier misschien zelfs over vervolgingen van Montanisten (gezien hun contacten met Frygië) die toen nog
niet als echte ketters werden beschouwd. Interessant hier is de reactie van de heidenen, nadat de folteringen en terechtstellingen van de christenen
hebben plaatsgevonden. Ik licht een passage uit deze brief:
"Om begraven (van de christenen na overlijden van deze laatsten door foltering) te voorkomen lieten ze(de heidenen) hierbij eveneens dagen lang
de wacht houden door soldaten. Sommigen gaven knarsetandend uiting aan hun haat jegens de omgekomenen en zochten een manier om extra wraak op hen te
nemen; anderen bespotten en hoonden hen, waarbij ze tevens de lof zongen van hun eigen afgoden en aan dezen de straf der Christenen toeschreven;
fatsoenlijker mensen die een zekere mate van medelijden leken te bezitten, vroegen vaak verwijtend:'Waar is hun god en wat baatte hun godsdienst
die ze zelfs boven hun eigen leven stelden?'. Zo verschillend waren de reacties van de heidenen. In onze kringen heerste er groot verdriet omdat
we niet in staat waren de lijken ter aarde te bestellen…"
Vrij naar ' Martelaren van de Oude Kerk', Dr. J.N. Brenner en Dr. J. den Hoeft.
Terug naar tekst
(141) Ook hier dient wat genuanceerd te worden.
'Volgens de traditionele historie van het christendom werden vanaf het eerste begin grote aantal christenen
op een afschuwelijke manier vervolgd. In werkelijkheid bestond er tot in de derde eeuw geen gelegaliseerde vervolging van christenen.
Voorgaande vervolgingen waren alleen gericht tegen individuen of beperkt tot een bepaalde stad. Trajanus was hier heel duidelijk in:
christenen hadden recht op een behoorlijk onderzoek, er mocht geen geloof worden gehecht aan anonieme beschuldigingen en christen mochten
niet opgejaagd worden'. (Vrij naar Freke en Gandy, blz 277)
Ook vergeet men dat de meeste (vrij kortstondige) christenvervolgingen vaak op de eerste plaats gericht waren tegen bepaalde plaatselijke
kerkelijke leiders. De eenvoudige gelovige werd meestal met rust gelaten. Later toen iedereen in het Rijk aan de goden van de Romeinse
staat moest offeren en daarvoor een bewijs kreeg in de vorm van een libellum (offerbriefje) veranderde dat enigszins.
Terug naar tekst
(142) Zo vertelt Justinus Martyr: “Toen ikzelf nog een leerling van Plato was en ik de aanklachten
hoorde die tegen de christenen ingebracht werden en hun onverschrokkenheid zag tegenover de dood en alles waarvoor mensen beducht zijn,
zei ik bij mezelf dat zij onmogelijk slechte mensen konden zijn die voor het zinnelijke genot leefden.”.(Geciteerd door Trouillez, blz 299).
Natuurlijk zijn dit de woorden van Justinus na zijn bekering.
Terug naar tekst
(143) Tertullianus was advokaat, eerst in Rome en dan in Carthago zijn geboortstad.
Hij was doorwrocht in het Romeinse recht en nam geen blad voor de mond. Carthagers stonden in die tijd bekend als mensen met een
ontvlambaar gemoed die niet gewend waren om rond de pot te draaien en hun warm temperament gaf vaak aanleiding tot opgezweepte discussies.
Tertullianus ging door als een uiterst bekwaam jurist die zijn zaken kende en zeer scherpzinnig uit de hoek kon komen in zijn pleidooien.
Zo antwoordt hij op de beschuldiging van het schenden van de staatsgoden door de christenen: “Aangezien het vaststaat dat uw goden (deze van de
Romeinen) niet bestaan, dan staat het ook vast dat uw godsdienst niet bestaat. Indien uw godsdienst niet bestaat, omdat het vaststaat dat uw
goden niet bestaan, dan staat het ook vast dat wij (christenen) niet schuldig zijn aan de belediging van de godsdienst.” Zo eenvoudig was dat
voor Tertullianus waarin hij natuurlijk als pleiter de truc toepaste te vertrekken van een vaststaand feit (de heidense goden bestaan niet)
alhoewel dit strikt genomen moet beschouwd worden als een hypothese.
Terug naar tekst
(144) Zie het apocriefe 'Evangelie van Petrus'.
Eusebius vermeldt dit evangelie in zijn Kerkgeschiedenis. Toen de toenmalige bisschop van Antiochië,
Serapion (190-211) op 'inspectiereis' was in Rhossos, kreeg hij van de gelovigen vol trots een evangelie
aangeboden dat op naam stond van de apostel Petrus. Serapion las het in de vlugte en kwam tot het besluit dat
het bewuste evangelie min of meer overeenkwam met de gekende evangeliën. Hij stond de gelovigen van Rhossos toe
hun evangelie te blijven gebruiken. Toen hij echter terugkwam in Antiochië wordt hem er op attent gemaakt dat het
een ketters evangelie is en meer bepaald docetisch. In het Evangelie van Petrus staat immers een zin die in die
richting kan worden uitgelegd, namelijk : "En zij brachten twee misdadigers en kruisigden de Heer tussen hen in,
maar Hij zweeg alsof hij geen pijn voelde."(Slavenburg Valsheid in geschriften, 88)
Terug naar tekst
(145) Dat de invloed van de traditionele joodse gewoonten, nog lang doorwerkten in de
jonge kerk werd duidelijk in het geschil over de viering van het paasfeest. Moest men het paasfeest vieren op
14 Nissan -joodse kalender- zoals Polycarpus van Smyrna het altijd had gevierd met de 'presbyter' Johannes of
op de zondag na 14 nissan, zoals het gebruikelijk was in de Romeinse gemeente?
Terug naar tekst
(146) De Carpocraten verwezen hier naar de uitlating van Paulus aan de Korinthieërs.
(1 Kor. 6:12) 'Alles is geoorloofd'. Naar het schijnt interpreteerden zij dit gezegde van Paulus soms op een vrij libertijnse wijze.
Vooral de Kaïnieten, de Nicolaïten en de Phibionieten schijnen ‘zeer zedeloos’ te zijn geweest. (Dr. J . De Jong, blz. 129).
Terug naar tekst
(147) Zie het apocrief 'Geheim Evangelie van Marcus', een evangelie dat
gebruikt werd door de Carpocraten. Fragmenten van Het geheime evangelie van Marcus werden in 1958 ontdekt
door de Amerikaan Morton Smith in een Grieks-orthodox klooster in de buurt van Jeruzalem. De tekst bestaat
uit een brief van Clemens van Alexandrië (150-214), die waarschijnlijk authentiek is en waarin enkele fragmenten
van het Geheime Evangelie van Marcus zijn opgenomen. De brief is een antwoord op aan brief van een zekere
Teodorus. Deze Teodorus had vernomen dat de Carpokraten het voornoemde evangelie gebruikten, waarin er sprake
zou zijn van contacten tussen een naakte Jezus en een naakte jongeman. Om deze aantijging te ontzenuwen citeert
Clemens letterlijk uit het Geheim Evangelie van Marcus. De bedoelde passage luidt dan als volgt (volgens Clemens
van Alexandrië) :"...en toen het avond geworden was, kwam de jonge man tot Hem, bekleed met een linnen kleed
over zijn naakte lichaam, en hij bleef die nacht bij Hem. Want Jezus onderwees hem de geheimenis van het Koninkrijk
Gods. En Hij stond op en keerde vandaar terug naar de overzijde van de Jordaan."
(Slavenburg Valsheid in geschriften, 101)
Terug naar tekst
(148) Maar dan uitgezuiverd, zonder de geboorteverhalen. Marcion nam immers
aan dat Jezus plotseling als goddelijke gezant op de aarde verscheen, meer bepaald tijdens zijn (eerste) optrede
in de synagoge te Kafarnaum. Omdat Marcion Paulus zo belangrijk vond noemt men het Marcionisme daarom wel eens het ‘ultrapaulinisme’.
Marcionieten boden hardnekkig weerstand tegen de officiële leer. Niet voor niets noemde Polycarpus (volgens Irenaeus) Marcion ‘de eerstgeborenen van Satan’.
Tot in de vierde eeuw waren hele reeksen dorpen rond Damascus marcionietisch. Velen aanhangers van Marcion gingen
later over tot de leer van Mani.
Terug naar tekst
(149) In zijn 'Kerkgeschiedenis' gaat Eusebius hevig te keer tegen het Montanisme.
Hij neemt Montanus zelf op de korrel en laat Appolonius de Frygiër zeggen: "Maar is het nodig àlle vruchten van de profeet goed te keuren?
Zeg me eens:verft een profeet zijn haar? Verft hij zijn
oogleden? Houdt een profeet van praal? Bezoekt hij speeltafels, dobbelt hij? Doet hij zaken als geldschieter?
Laat ze (de Montanisten) eerlijk zeggen of deze dingen toegestaan zijn of niet, dan zal ik bewijzen dat ze in hun
kringen zijn voorgekomen." ( Eusebius, Kerkgeschiedenis: 5, XVIII, 11)
Terug naar tekst
(150) De gnostiek.
De gnostiek kwam terug in de belangstelling door de vondsten van Nag Hammadi.
De gnostiek laat zich het beste samenvatten met de zin: " Herinner u dat
gij een God zijt." In het kort kan men de Gnostiek als volgt kenmerken. De oerbron was het Pleroma die voor alles zorgde. Het was het zuivere niet materiële rijk van de Krachten van goed, zonder begin en zonder einde.
Nu verzelfstandigde (hypostaseerde) zich een kracht van God: de Wijsheid. De Sofia veroorzaakt een lek in de
goddelijke wereld van het pleroma. waardoor er een chaos ontstaat.
Om in de chaos ordening of kosmos te brengen, stelt zij daarover een heerser, een demiurg aan.: de wereldschepper.
In de gnostiek is Sofia niet alleen verantwoordelijk voor het lek in het Pleroma, maar ook voor de inplanting van de
goddelijke adem( pneuma) in de mens, waardoor deze lichamelijk deel heeft aan de schepping en geestelijk deel heeft
aan het Pleroma.
In de vroegste gnostische opvattingen is Sofia de vrouwelijke kant van God (voortdurend emaneren van de algoddelijke
energie) en steeds meer van God verwijderd tot aan de 'rand' van het Pleroma. De kleine Sofia is deze die het
lek in de volheid van het Pleroma veroorzaakte en daarmee indirect verantwoordelijk was voor het ontstaan van
de materie en van de mens, wordt ook de 'sophia van de dood' genoemd.
De mens heeft een geestelijk Ik, dat als substantieel goddelijk gezien wordt. Deze goddelijke kern van het
wezen van de mens, metaforisch als licht of lichtende vonk aangeduid, werd door de machten der duisternis in
de materie dus in het lichaam gevangen. Ook hebben deze machten de mens in anesthesia, in onbewustheid,
gedompeld, zodat hij van zijn goddelijke geest-Ik helemaal niets (meer) weet. Vandaar dat de gnosis nodig is,
het inzicht, om zich de goddelijke afkomst te herinneren, een inzicht dat verlossend werkt om aan de macht der
duisternis te ontkomen. Naar gnostische opvatting bestaat de mens dus uit drie delen: uit de goddelijke geest-Ik,
in de teksten geest, of rede en soms ziel genoemd, de materie die de geest Ik gevangen houdt en de ziel die de
gnosticus zich als eigen demonische macht voorstelt, maar die vaak wegvalt ten gunste van de tweedeling.
In de beide elkaar tegenwerkende krachten van het goddelijke Ik en de materie van het lichaam.
Dit dualisme typeert de Gnostiek. Ontvangt de mens nu inzicht dan behoort hij tot de pneumatici
terwijl zonder dit inzicht de mensen hylici zijn, wat wil zeggen: in de materie zonder dat zij het weten.
Aangezien deze laatsten zich niet bewust zijn van hun goddelijke afkomst, blijven ze aan de machten der
duisternis overgeleverd, kunnen ze niet verlost worden, maar gaan ze ten gronde. Daartussenin staan de psychici.
Hoewel zij geen gnosis bezitten kunnen ze deelachtig worden aan het heil als ze zich aan de weliswaar van buiten op
hen afkomende ethische voorschriften onderwerpen. In de christelijke gnostiek is dat bijvoorbeeld de (gnostische)
'kerk'. Dit laatste heeft de pneumaticus niet nodig vermits hij al het inzicht heeft. Zo ziet de gnosticus
zichzelf als een in de Godvijandige materie gevangen god, deel van het goddelijke.
Dan Burnstein zegt het volgende over de gnosticus: "…. Deze christenen werden nu Gnostici genoemd, van het Grieks 'gnosis' dat gewoonlijk
wordt vertaald met 'kennis'. Want zoals zij die beweren niets te weten over de ware werkelijkheid agnostisch
(letterlijk: niet wetend) worden genoemd, wordt hij die beweert wél kennis te hebben van dergelijke zaken
'gnostisch' ('wetend') genoemd. Maar gnosis is niet in de eerste plaats rationele kennis. De Griekse taal
maakt een onderscheid tussen wetenschappelijke of reflectieve kennis.('hij kent de stellingen van de wiskunde,')
en de kennis door waarneming en ervaring ('hij kent mij,'); deze laatste kennis is de gnosis. Zoals de gnostici de term
gebruiken, zouden we deze kunnen vertalen met 'inzicht', want gnosis impliceert een intuïtief proces van zelfkennis.
En zichzelf kennen betekent, zo beweren zij, dat men de aard en de bestemming van de mens kent.
Men kan ze typeren als 'psychonauten'. Volgens de gnostische leraar Theododos, die omstreeks
140-160 in Klein-Azië schreef, is de gnosticus iemand die heeft leren begrijpen wie wij waren en wat wij
geworden zijn; waar we waren…waarheen we ons haasten; waarvan we bevrijd worden; wat de geboorte is en
wat de wedergeboorte is. (citaat van Theodotus uit Clemens Alexandrinus, Excerpta ex Theodoto). (Dan Burnstein,
Geheimen van de Code, p. 147)
'Quispel noemt de bevindelijke kennis of ervaring van de gnostici naast het geloof van de 'rechtzinnige'
christenen en de rede van de Griekse wijsgeren de derde grote geestelijke stroming van het Westen'. (Eginhard
Meijering Geschiedenis van het vroege christendom, p 205)
Terug naar tekst
(151) Mani noemde zichzelf nochtans: 'Mani, apostel door de wil van Christus Jezus'.
Maar zoals vermeld in noot 133
was Mani in zijn jeugd vermoedelijk lid van de groepering van de Elkesaïten,
een ebionietische christelijke-gnostische beweging van dopers.
Terug naar tekst
(152) Ook Celsus was het natuurlijk niet ontgaan dat de christenen verdeeld waren.
Celsus: "Christenen, dat hoef ik nog niet eens te zeggen, hebben een ongelooflijke hekel aan elkaar.
Ze belasteren elkaar, beschuldigen elkaar van de afschuwelijke misbruiken en kunnen tot geen enkele overeenstemming
komen inzake hun leringen. Toen hun beweging nog nieuw was waren ze gering in aantal en hadden ze gezamenlijk één doel.
Sindsdien hebben ze zich wijd verspreid en zijn ze met duizenden. Het dus niet zo verbazingwekkend dat er verschillen
tussen hen zijn (allerlei groepen, waarvan ieder zijn eigen terrein verdedigt). Ook is het niet zo verassend dat de
vele groepen die zijn ontstaan slechts één ding gemeen hebben de naam 'christen'. Maar alhoewel ze zich allen trots vastklampen
aan hun naam, leven ze op bijna iedere ander gebied met elkaar in onmin.
(T.Freke en P.Gandy, blz 246)
Weddig: "Uit het zeer rijke spectrum van verschillende opvattingen kan men afleiden hoe fel de discussies waren.
Op vele concilies kwam het tot regelmatige vechtpartijen met doden en gekwetsten. Het concilie van Efese, in 449, kreeg daardoor de naam 'roversconcilie'."
(Weddig, blz. 218).
Op dit vlak zijn de gemoederen nog altijd erg verhit en is er in se nog niet veel veranderd. Zo behoort de Geboortekerk in Bethlehem
eigenlijk toe aan de Grieks-Orthodoxe kerk.
De katholieken zijn in de Geboortekerk uitdrukkelijk te gast en de orthodoxe eigenaars houden dat nauwlettend in de gaten.
De Israëlische schrijver Amos Elon stelde vast dat 'als Franciscaanse handen het zouden wagen met een bezem het grieks-orthodoxe
stof aan te raken', alleen leger en politie de rust zouden kunnen herstellen...
Terug naar tekst
(153) De twaalf riepen nu de leerlingen in vergadering bijeen en zeiden: " het past
niet dat wij het woord Gods verwaarlozen door de zorg voor de ondersteuning. Ziet dus uit broeders, naar zeven
mannen uit uw midden, van goede faam, vol van geest en wijsheid. Hen zullen wij dan met dit ambt bekleden,
terwijl wij onszelf zullen blijven wijden aan het gebed en de bediening van het woord."(Handelingen: 6, 2-4)
Hoe de eerste kerken (gemeenten) georganiseerd waren weten wij slechts heel vaag. Met de uitzondering
misschien van de kerk in Filippi, waar opzieners en diakens fungeerden (Filippenzen, 1,1) Van de kerk
in Korinthe weten we dat het slechts na Paulus' verdwijning zal zijn dat er ambtsdragers zullen zijn in
vaste dienst. In de eerste brief van Clemens van Rome, geschreven rond het jaar 95, wordt er van zulke
ambtsdragers nauwkeurig melding gemaakt. In de brieven aan Timotheus en Titus, die men rond het jaar
80 (??) kan dateren, vinden wij bewijzen van zowel het handhaven van een regionaal gezag, dat door de oude
metgezellen van Paulus werd uitgeoefend, als van een consolideren van bepaalde plaatselijke functies
zoals die van opzieners ( I Thimoteus, 3,1-7; Titus, 'inspecteurs' worden 'bisschoppen'), diakens
( I Thimoteus, 3,8-13) en oudsten (Titus, 5-6) (Trocmé, 100-101)
Terug naar tekst
(154) 'Diaken' komt van 'diaconein' en betekent eigenlijk 'bedienen' en vooral
hier 'bedienen aan tafel!'
Terug naar tekst
(155) (I Thimotheus, 3, 8) 'Evenzo
(net zoals de bisschoppen) moeten de diakens
mannen van eer zijn, mannen van hun woord , niet aan de wijn verslaafd of belust op winstbejag...'
Terug naar tekst
(156) Zie supra. Omtrent de controverse over de datum van het paasfeest
bleef iedere partij op zijn standpunt staan. Maar Eusebius vermeldt: "Ze gingen in vrede uiteen en de hele
kerk had vrede, zowel zij die de dag hielden (14 Nissan) als zij die het niet deden." (Kerkgeschiedenis, 5:24).
Polycarpus van Smyrna bleef onwrikbaar op zijn standpunt staan en Anicetus de tiende ‘bisschop’ van Rome wilde de hele zaak niet op de spits drijven.
Toch was dit een voorlopige vrede en men voelt reeds een zekere druk vanuit Rome. Immers, de volgende 'bisschop'
van Rome, Victor, deed nog een poging om de Aziaten op één lijn met Rome te krijgen. Het schijnt
dat Victor niet alleen in zijn eigen 'kerk' (lees 'gemeente') maar in het hele Rijk probeerde hetzelfde
(nieuwe) gebruik ingevoerd te krijgen (paasfeest op 1 week na 14 nissan). Hij riep een synode bijeen om het probleem
te bespreken. De meerderheid stemde met Victor in, totdat deze het waagde voor te stellen dat de Aziatische kerken,
die er op stonden de oude traditie te handhaven, te isoleren van de rest en buiten de communio te stellen.
Toen stak er een storm van protest op. (Irenaeus schreef zelfs een brief naar Victor over deze aangelegenheid).
De vroege kerk stond er op de geplogenheden van de eigen gemeente voorrang te geven.
Terug naar tekst
(157) Novatianus (257), een van de eerste theologen die in het Latijn schreef,
verdedigde het model van de oerchristelijke kerk. Hij meende dat 'de kerk van heiligen' geen
compromissen kon sluiten met de structuren van het Romeins imperium. En zeker niet met de 'lapsi' (zij die gefaald hadden
en aan de Romeinse goden geofferd hadden tijdens de vervolgingen). Volgens Novatianus kon men hun misstap niet zomaar
vergeven door handoplegging zoals Cyprianus voorstond, maar wel na een lang proces van boetedoening en door een
nieuwe doop. Hij scheidde zich dan af van de toenmalige Kerk en de Novatianen noemden zich de ' de zuiveren'. Dus zij
die standvastig bleven tijdens de Romeinse repressie. Toch doken er in de tweede helft van de
3de eeuw bewegingen op die ijverden voor het behoud van de authenticiteit van de toenmalige kerk. Men moest
terug naar de doelstellingen van de oorspronkelijke gemeenschapskerk, naar de kerk van Paulus, Tertullianus,
Marcion en Montanus. Men noemde hen in het Grieks: 'cathari', de zuiveren (zij die terug wilden naar de zuivere
eerste leer); maar zij werden naar de marginaliteit gedreven, zelfs vervolgd. Zo duiken zij
steeds weer terug op in de geschiedenis van het christendom.
In dit verband dient trouwens opgemerkt dat in de periode toen het Montanisme door Tertullianus
verdedigd werd, deze laatste reeds wees op het gevaar van een geïnstitutionaliseerde kerk zonder veel
spiritualiteit (het begrijpen van de parakleet, het spreken in tongen, de profetessen in het algemeen en
Maximilla en Priscilla in het bijzonder), een kerk die reeds in de tijd van Tertullianus de neiging
begon te vertonen om compromissen te sluiten met de profane wereld.
Zo probeert Tertullianus op zijn manier in te gaan tegen de groeiende kerkelijk autoriteit:
‘Zijn ook wij leken geen priesters? Het kerkelijk gezag heeft het onderscheid tussen het gewijde ambt en het volk
ingevoerd (…)Waar er geen kerkelijke waardigheidsbekleders zijn, daar offer je(eucharistie), en doop je en ben je
alleen uit jezelf priester’. (De exhortatione castitatis, VII,3. Aangehaald bij Trouillez, p. 136).
Terug naar tekst
(158)De pneumatiek. Men kan zich de vraag stellen
of het Jeruzalemse christendom in het allereerste begin niet louter pneumatisch was. Wanneer, na de dood van Jezus,
de twaalf verzameld zijn in een vertrek, daalt plots met groot gedruis de Geest neder in de vorm van vurige tongen
boven de hoofden van ieder van de apostelen die vervuld worden van de (Heilige) Geest en zij beginnen dan vreemde
talen te spreken tot grote verwondering van de aanwezige joden uit de diaspora (Hand. 2, 1-4).
Dit is de pneumatiek: het vervuld worden van de Geest. En wat meer is: de Geest waait waar Hij wil en niemand kan
Hem onder controle houden indien Hij wil waaien. Dit had natuurlijk een specifiek gevolg: iedereen kon beweren
dat hij 'sprak onder de invloed van de Geest'. Het laatste hield gevaren in voor de kleine religieuze gemeenschap
en Paulus had deze gevaren maar al te snel onderkent. Hij vermoedde wellicht dat het uit de hand kon lopen. Zo wilden
mensen 'onder de invloed van de Geest' wel eens profetieën doen bijvoorbeeld waarvan de inhoud nu niet precies overeenkwam
met de prille christelijke gedachte. Ook kon de zogenaamde goddelijke mededeling ver verwijderd liggen van datgene wat
Paulus onderrichtte. Daarom vermaant hij de Corinthiërs: I Cor. 12-14 : 'Ook omtrent de geestelijke gaven, broeders
en zusters, mag ik u niet in onwetendheid laten. Weet u nog hoe u, als heidenen, onweerstaanbaar tot de stomme afgoden
aangetrokken werd? Daarom zeg ik u nadrukkelijk: niemand die onder invloed van de Geest van God is kan zeggen: 'Jezus
is vervloekt', en niemand kan zeggen: 'Jezus is de Heer', tenzij onder invloed van de heilige Geest. Er zijn
verschillende gaven, maar de Geest is een en dezelfde. Er zijn verschillende vormen van dienstverlening, maar de Heer
is een en dezelfde. Er zijn verschillende uitingen van bijzondere kracht, maar het is een en dezelfde God, die alles
in allen tot stand brengt. Maar aan ieder van ons wordt de openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen.'
Zolang de pneumatiek een grote aanhang kende kon men moeilijk komen tot een geordende leer vermits aan de uitspraken
gedaan 'onder invloed van de Geest' moeilijk getwijfeld kon worden (het waren 'goddelijke' ingevingen en deze
kwamen zoals gezegd niet altijd overeen met wat predikers, ja zelfs de apostelen verkondigden). Het pneumatisme
verzandde vrij vlug maar verdween nooit helemaal. Het kende regelmatig een revival in christelijke groepen,
zelfs nu nog. Een recent voorbeeld van zo'n regeneratie van het pneumatisme is de zogenaamde 'Pinkestergemeente'.
Terug naar tekst
(159) "Volgens de natuur en volgens de wet bevindt de vrouw zich in een
ondergeschikte positie ten opzichte van de man" Irenaeus, Fragment nr. 32
Terug naar tekst
(160) Zo richt Tertullianus zich als volgt tot de vrouw: "Nog leeft Gods oordeel,
ook in deze tijd nog, over jullie sekse voort en daarom kan het niet anders dat ook jullie schuld voortleeft.
Jullie zijn de poort die de duivel toegang biedt, jullie hebben het zegel van de boom geschonden, jullie hebben
het eerste goddelijk gebod genegeerd en jullie zijn het ook die hem (de man), voor wie de duivel angst had
aan te vallen. Jullie hebben het beeld van God, de man op een al te gemakkelijke wijze vernietigd en wegens
jullie ongehoorzaamheid die de dood betekent, moest zelfs de zoon van God sterven." Of nog "Jij (vrouw) hebt
zo maar Gods beeld, de man, vernietigd" Tertullianus, De Cultu Feminarum, boek 1, hfst. 1.
Terug naar tekst
(161) "De apostel wil dat vrouwen, die klaarblijkelijk minderwaardig zijn,
vlekkeloos zijn, opdat de kerk van God zuiver moge zijn" Ambrosiaster, Over 1 Timoteüs 3,11.
Terug naar tekst
(162) Het is onder menselijke wezens natuurlijkerwijze zo geordend dat vrouwen
hun echtgenoot dienen en kinderen hun ouders. De rechtvaardiging hiervan ligt in het principe dat het lagere het
hogere dient... De natuur wil dat het zwakkere brein het sterkere dient. In de verhouding tussen slaven en hun
meesters is het vanzelfsprekend dat degene die meer verstand heeft ook meer macht heeft." (Augustinus,
Vragen betreffende de Heptateuch, Boek I, § 153)
Terug naar tekst
(163) "Wie anders dan vrouwen kunnen zo iets nu leren? Werkelijk, vrouwen zijn een
zwak geslacht, onbetrouwbaar en middelmatig van intelligentie. Opnieuw zien wij hier dat de duivel erin slaagt
om vrouwen belachelijke leerstellingen te doen uitbraken zoals hij dat zo juist klaargespeeld heeft met Quintilla,
Maxima en Priscilla"( Epiphanius, Panarion 79, §1).
Terug naar tekst
(164) Als de 'man het hoofd van de vrouw' is en hij van de aanvang af priester gewijd
werd, is het niet juist om de orde van de schepping op te heffen en de voornaamste rol te geven aan een heel
ander deel van het lichaam. De vrouw is immers het lichaam van de man, genomen uit zijn zijde, en ze is onderworpen
aan hem van wie ze afgescheiden werd om kinderen voort te kunnen brengen. Want Hij zegt: "Hij zal over u heersen."
Want het voornaamste deel van de vrouw is de man, omdat hij haar hoofd is. En als wij in de voorafgaande voorschriften
hun niet toegestaan hebben om als leraar op te treden, hoe zal iemand hun dan veroorloven, tegen de natuur in,
het ambt van priester te vervullen? Want het wijden van vrouwelijke priesters voor de vrouwelijke goden is een
van de domme praktijken van het heidense atheïsme, en geen voorschrift van Christus. Want als het doopsel door
een vrouw toegediend mocht worden, dan zou de Heer zeker door zijn eigen moeder gedoopt zijn en niet door Johannes;
of toen Hij ons uitzond om te gaan dopen, zou Hij zeker ook vrouwen met ons meegestuurd hebben om dat te doen.
Maar Hij heeft ons nergens, noch via voorschrift noch schriftelijk, zo iets doorgegeven; want hij kende de orde
van de natuur, en wist dat de handeling decent verricht zou worden; hij is immers de Schepper van de natuur en
de Wetgever van de voorschriften."
Deze kerkelijke vrouwonvriendelijkheid loopt met vlagen als een rode draad door de geschiedenis van de Kerk
Echt grof wordt het wel met de latere Albertus Magnus (1200-1280):
"De vrouw is minder geschikt voor de zedelijkheid dan de man. De vrouw bevat namelijk meer vloeistof dan
de man, en een eigenschap van vloeistof is: gemakkelijk op te nemen en moeilijk vast te houden. Vloeistof
is gemakkelijk te bewegen. Daarom zijn vrouwen onbestendig en nieuwsgierig. Wanneer de vrouw met een man
geslachtsverkeer heeft, zou zij zo mogelijk tegelijkertijd onder een andere man willen liggen. De vrouw kent geen
trouw… De vrouw is een mislukte man en bezit vergeleken met de man een defecte en foutieve natuur.
Daarom is zij onzeker van zichzelf."
Ontluisterend detail: in 1622 werd deze Albertus door Paus Gregorius XV zalig verklaard.
Pius XI verklaarde Albertus heilig in 1931...
Terug naar tekst
(165) De christelijke subcultuur bood de vrouw toch ook enkele positieve
garanties die men niet terugvond in heidense milieus. Zoals de huwelijkstrouw (bij echtscheiding in de heidense wereld was de
vrouw vaak de dupe) en de afwijzing van abortus. In de heidense kringen was abortus een courant gebruik door de voorkeur voor mannelijke nakomelingen
en door 'ongelukjes'. Abortus was een gevaarlijke zaak voor de vrouw. De gevolgen zoals zware infecties, ziekten, verminking en dood waren schering en inslag.
Verder beschermden de christenen de staat van het ‘maagd zijn’. Maagden werden in de heidense cultuur vrij courant gezien als ‘oude vrijsters’
en ze werden vaak beschouwd als een verkapte schande voor de familie. Bovendien huwden de meisjes bij de niet-christenen op zeer jonge leeftijd,
soms al wanneer ze twaalf waren. In de christelijke wereld zouden de meisjes later getrouwd zijn dan gebruikelijk was.
Een andere positief perspectief voor de vrouw bij de christenen was de positie van het ‘weduwe zijn’. Bij de heidenen moest een weduwe binnen
de twee jaar hertrouwd zijn, zoniet kon ze beboet worden door de overheid. Bij de christenen werden weduwen in de mate van het mogelijke onderhouden
en kregen ze meestal een taak. Ze werden ingezet voor het ziekenbezoek en belast met onderricht aan andere vrouwen.
Of zoals men wel eens zei:‘weduwen vormden bij de christenen als het ware een eigen stand’.
Terug naar tekst
(166) ) Dat er zich in Rome reeds zeer vroeg een christelijke kern had genesteld is bijna zeker.
Onrechtstreeks wordt het bevestigd in Handelingen. Daar wordt vermeld (Handelingen, 18) dat Paulus Priscilla en Aquillas
ontmoet wanneer hij in Corinthe aankomt. Deze waren als Joden verbannen uit Rome door keizer Claudius.
Indien Handelingen de waarheid vertelt kunnen er een paar interessante conclusies getrokken worden:
-er kunnen reeds christenen geweest zijn tussen de jaren 40 en 50, hetgeen uitermate vroeg is.
-er kunnen tevens zeer vroeg heiden-christenen geweest zijn in Rome vermits toen de Joden de stad moesten verlaten de niet-joodse
christelijke gemeenten toch wisten te overleven in deze stad.
-er moeten reeds christenen vertoefd hebben in Rome voordat Paulus de stad aandeed vermits, toen Paulus Priscilla en Aquillas ontmoette,
hij nog niet in Rome was geweest.
Terug naar tekst
(167) Vele auteurs hebben hun twijfels over de aanwezigheid van Petrus in Rome.
Volgens Krijbolder is Petrus nooit in Rome geweest. De traditie dat Petrus naar Rome zou zijn getrokken en daar de marteldood
zou gestorven zijn, legt Krijbolder als volgt uit. Onmiddellijk na de dood van Jezus was Petrus de leider van de kleine groep.
Hij trad op elk jaar op tijdens het pinksterfeest tot wanneer hij Jeruzalem verlaat. Op hun bedevaarten naar Jeruzalem
(tijdens het jaarlijks pinksterfeest) werden sommige Romeinse joden door Petrus overtuigd en deze nieuwbakken christenen
brachten na het einde van hun bedevaart hun nieuwe geloof mee naar Rome. In feite was Petrus wel de stichter van de gemeente
in Rome (hij 'bekeert' enkele Romeinse joden en deze brengen hun geloof naar Rome), maar Petrus zelf ging nooit naar Rome.
Krijbolder: "De bedevaarten naar Jeruzalem vormen de enige adequate verklaring voor het feit dat er tegen het einde van
de jaren veertig al een 'levendige' discussie werd gevoerd in Rome …/… In het jaar 70 wordt de Tempel verwoest en
de stad met de grond gelijk gemaakt. De bedevaarten naar de Tempel houden vrijwel op. …/… Latere geslachten van de uit de
heidenen geboren christenen konden daarom de oorsprong van hun kerken (ook de kerk van de Corinthiërs zou zo door Petrus
zijn 'gesticht' ) niet meer begrijpen …./… Als bisschop Soter (± 166 -175) van Rome wil duidelijk maken dat zijn kerk
gesticht is door Petrus en Paulus, kan hij niet anders aannemen dan dat beide apostelen de stad hebben bezocht." (Vrij naar
Krijbolder, blz 118 en volgende). Zo verklaart Krijbolder de apostolische traditie van de kerk der Romeinen. Krijbolder
betrekt deze verklaring niet alleen op de gemeente van de Romeinen maar op elke gemeente die zich erop beroept in de
beginjaren gesticht te zijn door Petrus. Krijbolder geeft nog een 5-tal andere argumenten die pleiten tegen de
aanwezigheid van Petrus in Rome (blz. 165-166) waaronder het feit dat Handelingen zeker zou vermeld hebben dat Petrus
Rome zou hebben aangedaan. Handelingen zegt hier echter niets over.
Terug naar tekst
(168) Zo weten wij uit verslagen van oude provinciesynoden dat 'de bisschoppen hun
waren niet van markt tot markt mochten verkopen en dat zij niet van hun positie mochten gebruik maken om goedkoper
te kopen en duurder te verkopen dan de anderen...'.
Terug naar tekst
(169) De geestelijkheid bij de eerste christenen (vanaf begin tweede eeuw in het Oosten).
Bij deze geestelijkheid kon men toen al verschillende groepen onderscheiden eneen rangorde.
Tot de lagere geestelijkheid behoorden de deurwachters, de lectoren, de akolouten (de dienaren van de bisschop).
Deze waren het die de brieven van de bisschoppen overbrachten naar de verschillende gemeenten of naar bijzonder personen.
Ook bezorgden zij de liefdesgiften bij de gevangenen en aan anderen die in nood verkeerden (bijvoorbeeld christenen die
verplicht werden in de mijnen te werken). Tot de lagere geestelijkheid behoorde ook de exorcisten (duiveluitdrijvers, demonenverjagers).
De opvatting bij de vroege christenen was nog altijd dat de heidense goden eigelijk duivels of demonen waren,
die zich gehuld hadden in de gedaante van goden. Wanneer een heiden tot de christelijke gemeenschap toetrad moest
hij dus eerst verlost worden van de demonen die hem tot nu toe bezeten hadden. Deze taak namen de exorcisten op zich.
Tot de lagere geestelijkheid behoorde eveneens de subdiaken. Zij verrichtten allerlei hulpdiensten b.v. het in ontvangst
nemen van giften van wijn brood, van voedsel voor de armen, olie, melk honing, enz. Ook hielden zij toezicht op de graven
der martelaren en bewaakten zij de deuren van de kerk.
Tot de hogere geestelijkheid behoorden de diakens, de helpers van de bisschop. Soms fungeerde een diaken als particulier secretaris.
Hij moest ook zorgen voor de orde tijdens de godsdienstoefening en voorlezen uit het Nieuwe Testament, terwijl de lektoren
uit het Oude Testament voorlazen. Zij dienden aan het altaar en namen de waren in ontvangst hierdoor bijgestaan door de
subdiakens evenals ze met hun hulp de armen en de behoeftigen verzorgden. Tezamen met de bisschop regelden zij de financiën van de kerk.
Zij onderzochten de geloofwaardigheid der catechumenen en onderwezen hen.
Boven de diaken stonden de presbyters (er dient opgemerkt te worden dat in de Didache geen sprake is van presbyters), de ouderlingen.
Zij kunnen de eucharistie bedienen en de bisschop bijstaan in het dopen en weder opnemen van gevallenen (lapsi) en het prediken.
Zij hebben toezicht over het onderwijs der doopleerlingen en nemen daaraan deel. Gezamenlijk vormden zij het presbyterium,
een soort van kerkraad, die de bisschop adviseert en bijstaat.
Aan de top van de piramide stond de bisschop. Hij is het hoofd van de christelijke gemeenschap. Hij was het die de nieuwe
leden aannam door de doop, hij excommuniceerde indien het nodig was, maar hij nam ook berouwvolle boetelingen weer in de Kerk op.
Hij was ook predikant en bedienaar van de eucharistie. Toen de christenen later kerkgebouwen hadden zat hij in de bisschoppelijke
stoel, de cathedra, en preekte vandaar uit. Zoals boven gesteld werd hij gekozen door bisschoppen van de naburige gemeenten en dit
gebeurde door handoplegging van deze laatsten. Eerst won men nog het advies in van de gemeenteleden maar heel geruisloos werd dit losgelaten.
Dezelfde bisschoppen konden wel een bisschop afzetten in een provinciale synode bijvoorbeeld en indien men niet overeenkwam in
dergelijke zaken, dan beriep men zich in die dagen steeds meer en meer op het oordeel van de bisschop van Rome.
Terug naar tekst
(170) Ook bij de leken waren er groepen die zich van de anderen onderscheidden.
Zo had men de 'confessores' of de belijders. Dat waren zij die tijdens de vervolging voor de overheid hun belijdenis
hadden gedaan van hun geloof. Wanneer de belijders bovendien nog hadden geleden in gevangenissen of door
dwangarbeid of op een andere wijze, heetten zij 'martyres' of getuigen. Vandaar het latere woord 'martelaren'.
Voorts kende men de 'jonge maagden'. Dat waren jonge vrouwen die hun leven hadden gewijd aan de dienst van Jezus
Christus en de gelofte deden niet te huwen. Verder had men de 'weduwen', die liefdediensten (zie supra) verrichten.
Tenslotte had men de 'boetelingen' en ook hen kon men weer onderverdelen. Het waren misschien mensen zijn die hun
leer hadden verloochend en geofferd hadden aan de heidense goden, het konden personen zijn die adepten waren geweest
van een zware ketterij of dezen die in een onzedelijk leven waren vervallen, enz. . Zij konden rekenen, na een het
volbrengen van een boeteleven weliswaar, dat ze weer terug opgenomen werden in de gemeenschap, dat ze de sacramenten
terug mochten ontvangen en dat ze ter aarde besteld werden op een christelijke begraafplaats. (Vrij naar Dr. A. Sizoo, Christenen in de Antieke Wereld, blz. 33)
Terug naar tekst
(171) Een pikante bijkomstigheid in dit verband is de houding van de bisschop
van Rome, Callixtus. (Callistus) Deze gaf een verkapte toestemming aan weduwen uit de senatorenstand om
'geslachtsbetrekkingen' (concubinaat) te hebben met slaven (hij 'vergaf' zogezegd het overspel, mits de
betrokkenen 'spijt' betuigden). Hij deed deze concessies duidelijk uit (opportunistische) berekening.
Terug naar tekst
(172) Boeken die als canon werden aanvaard moesten dus overeenkomen met de zogenaamde
'apostolische traditie' maar in de praktijk werd de 'apostolische traditie' vereenzelvigd met de algemeen aanvaardde
leer van de opkomende kerk. En zo gingen vermoedelijk vele zeer oude boeken die op schrift waren gesteld door naaste
medewerkers van de apostelen onherroepelijk verloren. Deze boeken werden niet weerhouden (feitelijk gecensureerd) omdat
zij iets anders lieten horen dan wat de kerk uit de tijd van Irenaeus wilde horen. Het al dan niet 'canoniek zijn' van
een geschrift sproot eerder uit een waardeoordeel dan uit een historisch inzicht.
Goguel komt terecht tot het besluit dat het Nieuwe Testament minstens evenzeer (meer?) een document is van de Grieks-Romeinse kerk
tijd uit de tweede eeuw als uit de beginjaren na de dood van Jezus toen alles begon. Hij stelt :Le canon s'interpose ainsi entre nous
et les réalités du premier siècle comme un filtre ou un écran qui, de tout ce qui a existé ne laisse voir que ce qui se situe sur la
ligne qui a abouti à l'ancien catholicisme et est en harmonie avec lui. (Vrij naar Goguel, La naissance du Christianisme, blz. 22)
Terug naar tekst
(173) De christelijke gnostiek in al zijn aspecten en tendensen was een
'esoterisch christendom'. Elke gelovige moest zich permanent vervolmaken. Elke christelijke waarheid was dus tijdelijk
voor de gnosticus en subjectief want de gnostische gelovige ging zijn eigen Weg naar de Levende Christus.
Irenaeus beklaagt zich er dan ook over dat 'de gnosticus elke dag een nieuwe mening er op nahoudt'. Irenaeus werd vooral
geconfronteerd met de Valentianen en hij stak er dan ook veel tijd in om dit systeem te ondergraven.
Terug naar tekst
(174) 'Deze eenheid moeten wij krachtig vasthouden en verdedigen, vooral
wij bisschoppen, die in de kerk de leiding geven, opdat wij ook het bewijs leveren van het ene, ondeelbare bisschopsambt.
Het bisschopsambt is één, en ieder van de bisschoppen afzonderlijk bewaart
een deel ervan, tot een vastgesloten geheel.' (Cyprianus, De eenheid van de katholieke kerk, 252).
Terug naar tekst
(175) Ver van de wat verhaspelde leringen van de eerste dagen wordt nu de
boodschap steeds dwingender. Zo onderscheidde de Canon van Muratori reeds 4 categorieën van boeken:
a)Heilige boeken die als zodanig door ieder (mogen) worden aanvaard.
b)Boeken die niet in de gemeente willen gelezen worden (zogenaamde niet gewijde teksten).
c)Boeken die men privé gerust mag lezen, maar niet publiek mag voorlezen in de kerk (bepaalde apocriefe
teksten, die aangename en boeiende verhalen bevatten voor de gewone gelovige, maar waarvan het
waarheidsgehalte - op zijn minst - te wensen overliet.)
d)Boeken die de kerk niet kan aanvaarden omdat ze ketters zijn (onder meer gnostische teksten).
(Waarom deze geschriften nu wél werden aanvaard en anderen niet, zou ons te ver leiden.)
Terug naar tekst
(176) Canon 17 verklaart: "allen die eventueel hun dochters uithuwelijken
aan afgodspriesters, zullen de communie niet ontvangen, zelfs niet bij het einde (dood)..." Ook seksueel
gedrag werd aan banden gelegd. Vrouwen werd verboden brieven te ontvangen of om te gaan met langharige
mannen of kappers. Seksueel wangedrag diende strenger gestraft de worden dan ander misslagen. Een man
die zijn slavin had doodgeknuppeld kwam er gemakkelijker vanaf dan een vrouw die abortus had gepleegd.
Terug naar tekst
(177) Deze 'monarchale' positie van de bisschop ging zou volgens sommigen zijn
oorsprong vinden bij Jacobus de Rechtvaardige en het Judeo-christendom (zie supra).
Terug naar tekst
(178) Eeuwen en eeuwen en eeuwen en eeuwen….
Terug naar tekst
Bibliografie.
AALDERS G.J.D.,De grote vergissing, Kok Kampen; 1979 136 blz. ISBN 90 242 0002 4.
AERTS J.F., Dr, De catacomben van Rome,Davidsfonds Leuven,1948,117 blz.
AMBELAIN Robert, La vie secrète de Saint Paul, Editions Robert Laffont, S.A. 1972
AMERONGEN van Martin, Sceptici over de schrift, Anthos, Nosch en Keuning nv, Baarn 1989 179 blz.,ISBN 90 6074 297 4.
ARMSTRONG Karen, Jeruzalem, Anthos Amsterdam, 1996, 529 blz., ISBN 90 414 0056 7.
BARNETT Paul, Historische zoektocht naar Jezus,Boekencentrum Zoetermeer, 1998,172 blz., ISBN 90 239 0061 8
BARTELING.J.M. Het vroege christendom en de antieke cultuur. Coutinho D-Muilderberg, 1986, 188 blz., ISBN 90-6283-660-7.
BENHAYIM Menahem, Joden en heidenen en de Nieuw-testamentische geschriften, Gideon, 1987, 92 blz. ISBN 90 90667 399 9
BERKHOF H / DE JONG J. Otto, Geschiedenis van de Kerk, Callenbach, N.V., Nijkerk, 1964, 344 blz.
BOCK, Emil, Keizers en apostelen, Christofoor, Zeist, 1997, 298 blz., ISBN 90-6328-577-X.
BORGERHOF & LAMBRIGTS, Mysteries van de Bijbel, Gent, Borgerhof & Lambrigts 2006, 283 blz., ISBN 90 77941 26 6
BURSTEIN Dan, Geheimen van de Code,Luitingh-Sijthoff B.V. Amsterdam, 2005, 542 blz., ISBN 90 5108 976 7.
BUSCH Otto, Fritz, Tegenspelers van de Koning, (Het leven der Herodessen) Kok Kampen 1959,201 blz.
CHADWICK Henry, The early church. Pinquin Books, Londen, 1993, 290 blz. 579 10 864.
CHADWICK Owen, Verbeeld geloof, G.F. Callenbach b.v. Baarn, 1996, 304 blz.
CHOURAQUI André, De mens van de bijbel, Gooi en sticht, Hilversum, 1980,271 blz. ISBN 90 304 0186 9.
CHURTON Tobias, Geschiedenis van de Gnosis. De kennis van het hart. Stichting Teleac, Utrecht,1989, 163 blz., ISBN 90 65553 207 3
COUGH, Michael ,De eerste christenen, Zeist, 1963,163 blz.
CROSSAN, John Dominic, Jezus, Prometheus, 1994, 258 blz., ISBN 90 242 2844.
CROSSAN, John Dominic, Wie vermoordde Jezus,Ten Haave b.v. Baarn, 1996, 319 blz., ISBN 90 259 4678 X.
DANIÉLOU J. Dr. Geschiedenis van de kerk, Deel I, Paul Brand,1963, 333 blz.
DE DIDACHE, Leer van de twaalf apostelen, Bonheiden, Abdij Bethlehem, 1982, 77 blz.
DE JONG, J , Dr. Handboek der kerkgeschiedenis, 4 delen, Dekker & Van de Vegt N.V. 1936-1937.
DE JONG J. J., Apologetiek en christendom in den Octavius van Minucius Felix, 1935, 130 blz.
DE JONGH J, Verhalen over radicalen,Kok Kampen, 1984 166 blz., ISBN 90 242 2844.
DUQUESNE Jacques, Jezus, Desclée de Brouwer, 1995, 311 blz., ISBN 90 274 4637 7.
EUSEBIUS, Kerkelijke geschiedenis, 1946, Paul Brand, Bussum, 466 blz.
FLUSSER David, Jezus, Lochemdruk, Lochem, 1979,192 blz., ISBN, 90 228 5006.
FRAZER George, The Golden Bough, Book Club Associates, 1978, 256 blz.
FREKE Thimothy en GANDY Peter, De mysterieuze Jezus, Uitgeverij Synthese, 2005,439 blz., ISBN 90 6271 937 6
FOX, Lane, Robert, De bijbel, waarheid en verdichting, Agon bv, 1991, 508 blz., ISBN 90 5157 104 6.
FOX, Lane, Robert, De Droom van Constantijn, Agon bv, 1989, 741 blz., ISBN 90 5157 025 2.
GARDNER Laurence, Marie Magdalena, Tirion Uitgevers BV, 2006, 400 blz., ISBN 90 4390 768 5
GIEBELS J. Lambert, Jezus ,een biografie Uitgeverij Piet Bakker 2004 224 blz. ISBN 90 351 26319.
GOGUEL Maurice, La Naissance du Christianisme, Payot, Paris, 1946, 607 blz.
GORDON, Thomas, Het Proces, Uitgeversmaatschappij Tirion Baarn,274 blz., 1987, 90 5121101 5.
HAMMAN A G, De eerste christenen, Kosmos bv, 1987,225 blz., ISBN 90 215 1198 3.
HEINE Suzanne, Vrouwen der vroege christenheid, F.G. Callenbach bv, Nijkerk,1991,196 blz., ISBN 90 266 0259 6.
HET THOMAS EVANGELIE, Karnak, 1986, ISBN 90 6350 009 2
HILBERINK Ton, Jesoea, Paulus en de macht, Jan Mets+ Cadier en Keer, 1995, 255 blz., ISBN 90 5330 157 7.
HOFFMAN. Fl., Palestina, toen Jezus nog leefde. Patmos Antwerpen 1956 233 blz.
HOORNAERT Eduardo,Op zoek naar loon, Averbode Altiora 1990, 296 blz., ISBN 90 317 O8636 4.
HOPKINS Marilyn, WALLACE-MURPHY Tim, Rex Deus,Zuidned.Uitg. N.V Aartselaar, België 2001, 352 blz., ISBN 90 2437861 3.
HOUSSIAU, Lesrauwaet, Van Calster, Hermans, De parochie,Tabor, 1988, 128 blz., ISBN 90 6303 568 3.
KAUTSKY Karl, De oorsprong van het christendom. Het wereldvenster, Bussum 1983, 422 blz., ISBN 90 6445 902 9.
KERSTEN Holger , GRUBER R. Elmar, Het Jezuscomplot,Deventer, Ank-Hermes, 1993, 407 blz., ISBN 90 202 5602-5.
KLIJN A.F.J. Dr, Apostolische Vaders 2,Kok, Kampen, 1983, 250 blz. ISBN, 90 242 2251 6.
KLIJN A.F.J. Dr, De Apocriefen van het Nieuwe Testament, Ten Have, 2006, 367 blz. , ISBN 90 259 5731 5
KLINK Joanne, De onbekende Jezus, Ten Have b.v., Baarn, 1996,240 blz., ISBN 90 259 4638 0.
KRIJBOLDER Pierre, Jezus de Nazoreeër, Wetenschappelijke Uitgeverij b.v. 1976,220 blz, ISBN 90 21402921 7
KROON J, Dr. Er staat geschreven, J.J. Romen en zoon, Roermond-Maaseik, 1946
KUITERT H.M., Jezus: nalatenschap van het christendom, Ten Have,1998, 317 blz., ISBN 90-159 47743 .
LAMBERTS Jozef, Op weg naar heelheid, Acco Leuven / Amersfoort 1997, 115 blz., ISBN, 90 334 3772 4.
LAPIDE Pinchas Dr., Hij de leerde uit hun synagogen. Tenhave Baarn, 1983, 96 blz. ISBN 90 259 4194
LÜDEMANN Gerd/ ÖZEN Alf, De opstanding van Jezus, Tenhave Baarn/Averbode,1996, 199 blz., ISBN 90 259 4665 8.
LUTTIKHUIZEN G.P. De veelvormigheid van het vroegste christendom, Eburon, 2004, 176 blz. ISBN 90 5166 928 3.
MAES Ernest, Dr. Een andere Jezus,Mens en cultuur. 2000.431 blz. ISBN 90 72931 82 3.
MACK L , Burton, Wie schreven het Nieuwe Testament werkelijk? 1997, Ankh-Hermes bv. Deventer, 331 blz., ISBN 90-202-81453.
MEIJERING Eginhard, Ireneus,Balans, 2001, 232 blz., ISBN 90 4537, Nugi 632.
MEIJERING Eginhard,De geschiedenis van het eerste christendom, Balans 2004, 527 blz.
MINUCIUS Felix, Octavius, 1994 (1543), Amsterdam:Boom,169 blz, ISBN 905352 1569
ORIGÈNE, Contre Celse, Éditions du Cerf, 2005, 274 blz., ISBN 2 204 07872
OSMAN AHMED, Uit Egypte heb ik hem geroepen,.Tirion Uitgevers N.V. Baarn, 1998, ISBN 90 5152 846 X.
PAGELS Elaine ,De gnostische evangeliën,Servire Uitgevers,1992 160 blz., ISBN 90 6325 271 4 NUGI 553.
PAWLOWSKY Peter, Het christendom, Callenbach, 1995, 98 blz., ISBN 90 266 0466 1.
PRAET Danny, De God der goden, Kapellen 1998, 232 blz., ISBN 90 289 2130 3.
RENAN Ernest, Vie de Jésu, Le Seuil , Paris, 1992 Treizième Editon, 344 blz, ISBN 2-86959-127-6.
RUSSEL D.S., Tussen Maleachi en Mattheus,1982, Servire, Katwijk,157 blz., ISBN 90 6325 203.
SANDERS E.P.,Jezus , mythe en werkelijkheid, 1996, Altiora Averbode, ISBN 90 317 1132 2.
SANDERS E.P.,Paulus,2000,Averbode, 172 blz. ISBN 90 317 1348 1 .
SIZOO A. Dr. De antieke wereld en het Nieuwe Testament, Kok Kampen, 220 blz.
SIZOO A.Dr. Christenen in de antieke wereld, Kok Kampen 1953, 204 blz.
SIZOO A.Dr. Reizen en trekken in de oudheid, 1962 KOK KAMPEN N.V. 143 blz.
SLAVENBURG Jacob, De geheime woorden, Ankh-Hermes bv, Deventer, 1996, 225 blz., ISBN 90 202 8111 9.
SLAVENBURG Jacob, De mislukte man, Alpha Zutphen,1996, 167 blz, 90 5658 015 9.
SLAVENBURG Jacob, De verloren erfenis, Ankh-Hermes bv, Deventer,1995,334 blz., ISBN 90 202 5597 5.
SLAVENBURG Jacob, Het openvallend testament, Ankh-Hermes bv, Deventer, 2001 ISBN 90202 82441.
SLAVENBURG Jacob, Valsheid in geschriften, Walburg pers Zutphen,1996, 159 blz., 90 6011 926 6 .
SOMERS,H. Dr, Jezus de Messias, Epo Berchem, 1986,143 blz.
STANTON,Graham, Dichter bij Jezus? Callenbach 1997,206 blz, ISBN 90 233 0636 6.
STARK Rodney, The rise of christianity,Princeton University Press,1996,246 blz.
THEISSEN Gerd, De godsdienst van de eerste christenen,Kampen, 2001 432 blz. ISBN 90 317 1765 7.
THIEDE, Carsten Peter,d'ANCONA Matthew,Ooggetuige van Jezus, Callenbach,1996,252 blz, ISBN 90 266 0648 6.
TROCME, Etienne, De vroege jaren van het christendom, Meinema Zoetermeer,1999, 176 blz. ISBN 90 211 3722 4.
TROUILLEZ Pierre, Van Petrus tot Constantijn, Davidsfonds Leuven, 2002, 374 blz. ISBN 90 5825-183 7
VAN Den BROEK,DERKSEN,MUSSIES,VRIEZEN,Kerk en Kerken in Romeins-Byzantijns Palestina,Kok Kampen,1988,323 blz.
VAN DEURSEN, A, Dr. Palestina; Bosch en Keuning N.V. Baarn, 272 blz.
VAN SEGBROECK F, Het Nieuwe Testament leren lezen,Acco Leuven, 1994, 227 blz , ISBN 90 334 3112 2.
VERBRAEKEN Patrick, De eerste eeuwen van het christendom, Abdij Bethelhem, Bonheiden 1986, 159 blz.
VERMEIREN Frans, De man die in 70 het kruis overleefde. De Prom, Amsterdam, 2004, 303 blz. ISBN 90 6801 9376.
VOSKUILEN Theo, Alias Paulus,Veen Bosch & Keuning, 2002,541 blz., ISBN 90 263 1781 6.
WALSH Michael, De wortels van het christendom, Zomer en Keune, bv. Ede 1987, 256 blz.
WEDDIG Fricke, Standrechterlijk gekruisigd, de Vries-Brouwers, 1988, 285 blz. ISBN 90 6174 490 3.
WEINREB Friedrich, Het leven van Jezus,Utrecht, Servire Uitgevers, 1997,318 blz., 99 551.
WELBURN Andrew, Aan de wortels van het christendom, Christofoor, Zeist, 1994, 332 blz., ISBN 90 6238 510 9.
WILSON, A.N. Jezus, Prometheus, Amsterdam, 1992, ISBN 90 5333 142 5 .
WILSON, A.N. Paulus, Prometheus en Gerda,1997, 384 blz.? ISBN 90 5333 566 8.
WILSON, Ian, Jezus: een geschiedenis.Callenbach b.v. Baarn, 1996, ISBN 90 266 0885 3.
WROE Ann, Pilatus, Contact, Amsterdam/Antwerpen, 1999,400 blz., ISBN 90 254 9552 4.
YAMAUCHI Edwin, De wereld van het christendom, J.N. Voorhoeve, Den Haag 1981, 128 blz.
Terug naar indeling.
|
|
|