Labidochromis caeruleus,
de blauwe, in geel en wit.

door Walter Deproost

 


De meeste Malawi-liefhebbers kennen vermoedelijk Labidochromis caeruleus in zijn oranjegele verschijning, waarmee deze soort in de 80-er jaren in de hobby verscheen. De importen uit die tijd waren vergezeld van het label Labidochromis "Tanganicae"; soms ook als Labidochromis "Flavicimus".

Labidochromis caeruleus in zijn biotoop bij Nkhata Bay Labidochromis caeruleus, de gele vorm


Achteraf is gebleken dat deze namen synoniemen waren voor de soort die Geoffrey Fryer in 1956 als Labidochromis caeruleus had beschreven. De eerstbeschrijving van de soort is terug te vinden in "New species of cichlid fishes from Lake Nyasa" in Revue de Zoologie et de Botaniques afriçaines 53 (1-2) : 88-91. De soortnaam "caeruleus" betekent (vrij vertaald) "de blauwe", wat zou moeten verwijzen naar de lichaamskleur. Fryer formuleerde het als volgt bij de beschrijving : "Beide geslachten vertonen een bijzondere kobaltblauwe kleur, welk bij een enkel exemplaar het wit benadert. De rugvin bezit een brede, zwarte band onder een lichtgekleurde zoom. De voorste rand van de buikvinnen en aarsvin is zwart. Bij het lichtgekleurde exemplaar zijn onder de rugvin zes donkere dwarsstrepen van uiteenlopende intensiteit te onderscheiden. De mannetjes vertonen een fel oranje vlek op de achterste rand van de aarsvin."

In 1970 kwam een Mbuna op de markt met als label Labidochromis caeruleus, maar aldra bleek dat deze determinatie foutief was. Het bleek om een nog niet wetenschappelijk beschreven soort te gaan die met de handelsnaam Labidochromis "Fryeri" werd bedacht. Bij de revisie van het genus Labidochromis door Lewis in 1982 werden de "fryeri"-dieren beschreven als Labidochromis mylodon, voor de exemplaren afkomstig van Mumbo eiland en als Labidochromis pallidus voor de afstammelingen van de drie Maleri eilanden.

Bij deze revisie had Lewis het ook nogal moeilijk met de kleurbeschrijving die Fryer aan Labidochromis caeruleus had meegegeven. Al de exemplaren die Lewis verzamelde in de buurt van Nkhata Bay waren wit van kleur, af en toe met een lichtblauwe glans op het lichaam. Ook het team van A.J. Ribbink, dat heel wat dieren observeerde langs de kusten van Malawi, kon enkel een lichtblauwe schijn waarnemen bij baltsende mannetjes van Labidochromis caeruleus. De kobaltblauwe kleur die Fryer had geïnspireerd om de soort "caeruleus" te noemen, heeft men niet kunnen terugvinden.

Het verspreidingsgebied van Labidochromis caeruleus strekt zich uit op de westelijke oever tussen Charo en Chirombo Point, een kustlengte van zowat 85 km, op het grondgebied Malawi en op de oostelijke oever tussen Cape Kaiser in Tanzania en Londo in Mozambique, een kustlengte van bijna 200 km. Afhankelijk van de vindplaats zijn wel enkele geografische varianten en verschillen in kleur en tekening vast te stellen. Ribbink et al. (1983) zagen bij de individuen ten zuiden van Nkhata Bay tot Chirombo Point, alsook bij de populatie van Ruarwe geen zwarte submarginale band in de rugvin. Konings (1995) stelde vast dat binnen één enkele populatie exemplaren aangetroffen worden die een zwarte submarginale band in de rugvin vertonen terwijl andere dieren van een volledig witte rugvin zijn voorzien. De oranjegele dieren, de kleurvariant die het best gekend is bij de cichlidenliefhebbers, stammen af van de enkele populaties waar deze variant voorkomt, namelijk bij Charo, Kakusa, Mbowe Island, Mara Rocks en Lion's Cove. Bij Lion's Cove zijn daarenboven twee verschillende vormen van Labidochromis caeruleus waar te nemen. De populatie die aan de noordelijke zijde van deze inham leeft is volledig geel (zoals de dieren van Mbowe Island); de populatie langs de zuidelijke kant is geel aan de bovenzijde en wit aan de onderkant van de flanken. Langs de kusten van Tanzania zijn de meest noordelijke populaties volledig wit, bij Lundu hebben de mannetjes een gele vlek op de kop, bij Thumbi Point hebben de mannetjes een blauwe weerschijn op het lichaam en bij Liulu hebben de dieren een vage streeptekening op een wit lichaam. Wat zuidelijker, van Lundo Island tot in de buurt van Mbamba Bay hebben de mannetjes een duidelijke streeptekening op een lichtblauwe ondergrond. Deze dieren zijn in de liefhebberij bekend als Labidochromis "Nkali" en als Labidochromis "Black Dorsal". Bij Liutche in Mozambique is de tekening weer bijna geheel verdwenen en bij de zuidelijkste populatie in Londo is Labidochromis caeruleus opnieuw wit met een zwarte band in de rugvin.

 

Labidochromis mylodon, in zijn biotoop op Mumbo Island Labidochromis "Nkali" uit Tanzania


Digby Lewis (1982) stelde ook vast dat enkele exemplaren die hij verzamelde in de buurt van Nkhata Bay vergrote tanden hadden op de keelkaken. Maagonderzoek bij deze dieren bracht aan het licht dat ze slakken gegeten hadden. Hij veronderstelt dat dieren die in de rotsachtige omgeving leven zich voornamelijk voeden met insecten en ander zacht voedsel. Deze individuen hebben slanke en nauwelijks vergrote tanden op de keelkaken. De exemplaren die in de Vallisneria-veldjes leven zouden zich vooral voeden met slakjes, vandaar hun zware keelkaken met vergrote, molensteenvormige tanden. Gelukkig maakte hij hiervan geen twee aparte soorten, niettegenstaande de morfologische verschillen. Uit het zuidelijk deel van het meer kennen we tevens twee soorten die Lewis wel om dezelfde redenen van elkaar afgesplitste, met name Labidochromis mylodon en Labidochromis pallidus. De eerste leeft bij Mumbo Island, voornamelijk in de beplante zone waar hij vooral slakjes op het menu heeft. Labidochromis pallidus, die rond de drie Maleri eilanden voorkomt, voedt zich vooral met insectachtigen en micro-organismen in de Aufwuchs langs de rotskust. Beide soorten zijn uiterlijk niet van elkaar te onderscheiden; enkel de verschillen in de keeltanden waren doorslaggevend bij de beschrijving van beide soorten.

De eerste importen van Labidochromis caeruleus zouden in 1981 gebeurd zijn door Stig Jansson in Zweden. Ze kwamen toe in een zending, tezamen met Melanochromis johannii, via Eric Fleet, de toenmalige exportateur die werkte vanop Likoma Island. Het zou tevens de laatste zending worden van Eric Fleet naar Europa. Pierre Brichard bracht kort na deze import een bezoek aan zijn cliënt en vriend Stig Janson in Zweden. Hij was verrukt over deze soort en nam ze mee naar zijn bedrijf "Fishes of Burundi" in de Burundese hoofdstad Bujumbura. Daar zou hij ze in zijn buitenbassins tot nakweek brengen.

De eerste vermelding in de aquariumliteratuur kwam in het augustus-nummer van het Zweedse tijdschrift "Akvariet". Op de omslag stond een foto van Stig Jansson en op p. 341 de vrij korte vermelding : "Labidochromis spec. Een intens geel gekleurde cichlide met zwart in de vinnen. Ook het vrouwtje is mooi, maar bezit niet de intense gele kleuren van het mannetje alsook minder zwart in de vinnen. Spijtig genoeg kon de soort nog niet gedetermineerd worden; ze heeft zelfs nog geen handelsnaam. De grootte is zowat 10-11 cm." Afgezien van deze kleurenfoto en de enkele lijnen tekst over deze Labidochromis spec. in "Akvariet" bleef het daarna een hele tijd stilletjes rond deze ongedetermineerde soort. Wanneer dan toch een aantal jaren later de eerste Labidochromis "Tanganicae" in de liefhebberij verschenen bleek al snel de vraag veel groter dan het aanbod. Dolle prijzen en allerlei speculaties deden de ronde. Was het een kruising tussen twee Malawi-soorten ? Ging het om een hybride uit het Tanganyikameer ? Gek toch, een Labidochromis-soort aangeboden door een exporteur van Tanganyika-cichliden.

Labidochromis caeruleus, muilbroedend wijfje Labidochromis "Nkali", mannetje

Het duurde tot 1988 vooraleer Stuart Grant de vindplaats van deze gele variant van Labidochromis caeruleus ontdekte. Eén van zijn duikteams bleef zowat een week terplekke om deze nieuwe ontdekking te verzamelen. Dertig gele exemplaren Labidochromis caeruleus waren het povere resultaat, waarvan slechts acht van het vrouwelijk geslacht. Stuart Grant heeft toen maar geoordeeld dat het opportuner was dat de liefhebberij bevoorraad werd door de nakweek van Pierre Brichard.

Ook Ad Konings, die vele uren duikwaarnemingen op de verschillende locaties achter de rug heeft, meldt (pers. mededeling) dat op de plaatsen waar de gele dieren van Labidochromis caeruleus voorkomen, men een dosis geluk moet hebben om tijdens een duik één dier te kunnen observeren. Ook hij veronderstelt dat het aantal gele dieren van deze soort in de liefhebberij een heel stuk talrijker is dan de natuurlijke populatie. En weten dat deze miljoenen gele Labidochromis caeruleus-dieren afstammen van enkele wildvang koppels die de familie Brichard in Bujumbura hebben nagekweekt. Sommige auteurs zijn er schijnbaar ook niet zo zeker van dat de gele dieren wel degelijk tot de soort Labidochromis caeruleus moeten gerekend worden en noemen de dieren daarom Labidochromis spec. "Yellow" of "Electric Yellow".

 

Labidochromis pallidus, in zijn biotoop Labidochromis pallidus, in het aquarium


Wat het houden en verzorgen van Labidochromis caeruleus betreft denk ik dat hierover weinig problemen bestaan. Zoals zowat alle soorten uit het genus Labidochromis zijn ze minder productief dan bijvoorbeeld de meeste Pseudotropheus of Melanochromis-soorten. Mogelijk wel een probleem zou kunnen zijn het vinden van de "normale" vorm van de soort. De meeste dieren in de handel zijn namelijk van de gele variant; de Labidochromis "Black Dorsal" of "Nkali"-variant wordt de laatste tijd ook veel aangeboden, maar voor zover ik weet staat Labidochromis caeruleus niet vermeld op de stocklijst van Stuart Grant. Ik vermoed daarom dat de meeste Labidochromis caeruleus-dieren via de export vanuit Burundi de liefhebberij zijn binnengeraakt.

 

terug naar inhoud Artikels