Homepage    voorouderstaat     bidprentjes   soldaat van Napoleon      naam

 

 

    contact

                        Onze gewesten  (1600-1830)

 

Van Spanjolen tot Sanskulotten

 

Binnen het Bourgondische Rijk, waarvan het Graafschap Vlaanderen in de 16de eeuw deel uitmaakte, ontstond de Republiek der Verenigde Nederlanden. In 1648 scheidden de Zuidelijke Nederlanden (Graafschap Vlaanderen, Hertogdom Brabant, Groothertogdom Luxemburg, prinsbisdom Luik met het Graafschap Loon, ...) zich af bij de Vrede van Münster. De Zuidelijke Nederlanden blijven tot 1713 onder Spaans gezag, terwijl ze bij de Vrede van Utrecht in 1713 aan Oostenrijk werden toegewezen. In 1792 werd het gebied door de Fransen bezet en in 1794 ingelijfd.
In 1798 komt de Vlaamse landelijke bevolking (de Brigands) op tegen de Franse bezetters (de Sansculotten). Er waren meerdere redenen voor : een algemene misnoegdheid over de anti-godsdienstige politiek en de plundering door de Fransen, alhoewel de directe aanleiding de Wet op de algemene Dienstplicht (5 september 1798) was. Als begindatum voor de opstand was donderdag 25 oktober 1798 vastgesteld.  Door een spontane uitbarsting van woede, veroorzaakt door de zoveelste inbeslagname voor achterstallige belasting bij een inwoner van Overmere (halverwege Gent en Dendermonde) begon dit Oost-Vlaamse dorp de eigenlijke Boerenkrijg, twee weken te vroeg, op 12 oktober 1798.

Boeren heropenden parochiekerken, haalden de ondergedoken pastoors terug en vernietigden de lijsten van dienstplichtigen en belastingsbetalers. Het verzet hield niet lang stand : de Franse generaal Collaud sloeg de opstand neer : op 5 december 1798 was met de inname van Hasselt de opstand voorbij. In totaal werden duizenden gearresteerd, honderden gedeporteerd en de leiders van de opstand (Constant, Corbeels en Meulemans) terechtgesteld. De belangrijkste leider, Van Gansen, slaagde erin onder te duiken. De opstand die geleid was geworden door burgers en uitgevochten door boeren was voorbij, de hoop op Engelse steun was tevergeefs geweest.
Na de nederlaag van Napoleon en de aftocht van de Fransen besliste het Congres van Wenen (1814-1815) dat Noord en Zuid tot het Koninkrijk der Nederlanden zouden worden samengevoegd. Het Nederlands, de taal van driekwart van de bevolking zou de landstaal worden en de administratieve taal van het gehele rijk. Koning Willem I verwachtte dat het algemene gebruik van het Nederlands de geestelijke eenheid van zijn koninkrijk zou bevorderen.

In 1819 vaardigde de regering een decreet uit waardoor vanaf 1823 het Nederlands de enige officiële taal werd van de provincies (de indeling in provincies was een nalatenschap van de Fransen) West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, Antwerpen en Limburg. Vier jaar later werd de werking van dat decreet uitgebreid naar het Vlaamse deel van de provincie Zuid-Brabant, te weten de arrondissementen Leuven en Brussel. Even zag het ernaar uit dat het Nederlands alle Vlaamse dialecten zou overkoepelen.
Maar de taalpolitiek van Koning Willem I was er mede de oorzaak van dat de Franstalige of Fransgezinde aristocraten en ambtenaren in Vlaanderen zich verongelijkt voelden. En ook de katholieke geestelijken, vreesden dat met het Nederlands of Hollands (zoals zij het noemden) het calvinisme zou worden binnengesmokkeld. Velen die in Vlaanderen enig gezag hadden, keerden zich tegen Willem I en vooral de gezagsdragers in Wallonië, die in de politiek van de koning een bedreiging zagen voor de Franse taal en cultuur.

Het verzet tegen Willem I nam toe. In 1829 haalde hij bakzeil en zag zich verplicht het gebruik van het Frans opnieuw toe te staan voor de behandeling van sommige administratieve en gerechtelijke stukken in de Vlaamse arrondissementen. In juni 1830, dat is nog vóór de Belgische Omwenteling plaatsvond, ging de koning overstag en riep de absolute "taalvrijheid" uit. De verfransing van Vlaanderen kon weer doorgaan.

De “septemberdagen” van 1830 betekenden het einde van het Koninkrijk der Nederlanden. Het Koninkrijk België kreeg vorm en grondwet. Op 21 juli 1831 legde Leopold von Saksen-Coburg-Gotha de eed af als Leopold I, Koning der Belgen.

 

 

Kiezen tussen pest en cholera…

 

Pest

In 1668 woedde de pest in Doel. Meester Jacques werd aangesteld als pestmeester. Dagelijks vielen er slachtoffers. Zieken en gezinsleden van slachtoffers uitten klachten dat meester Jacques meer dronken was dan nuchter. Hij werd tevens beschuldigd van ‘mismeesteringen’. Dit alles leidde tot zijn ontslag en de aanstelling van een chirurg uit Antwerpen. De overlijdens verminderden onmiddellijk…

Tussen 1300 en 1750 spreekt men van ‘enkele tientallen’ pestgolven.

Meestal betrof het builenpest, met de pijnlijke zwellingen van de lymfeklieren in lies en oksel, die na enkele dagen etterig doorbraken. Wie eenmaal besmet was had minder dan 50% kans op overleven. Bij sommige epidemieën was de sterfte zo massaal dat 1/3 of meer van de bevolking om het leven kwam. Dokters, notarissen, geestelijken en lijkdragers werden als gevaarlijke beroepen beschouwd. Met hoge beloningen trok men pestmeesters, pestdragers en pestdokters aan. Na een grote epidemie bleef de infectie hier en daar hangen en gaf gedurende jaren kleine, vaak plaatselijke opstoten, vooral op het einde van de zomer. Pestepidemieën leidden tot migratie van grote bevolkingsgroepen om de kwaal te ontwijken, wat vaak tot een verdere verspreiding van de ziekte leidde. Meestal was er na een ernstige pestgolf een langere periode met weinig sterfte door pest, doch helemaal verdween de ziekte zelden. Vanaf 1675 is de pest, in de Republiek der Verenigde Nederlanden verdwenen en niet meer teruggekomen. Wel zijn er nog enkele ernstige uitbraken geweest in het begin van de 18e eeuw in Zuid-Europa.

 

Tyfus

Tyfus in Vlaanderen.

Van 1846 tot 1848 was er een stijging van de mortaliteit in België. Dit was grotendeels te wijten aan de tyfus- en cholera-epidemie. In Vlaanderen lag het sterftecijfer het hoogst. Van de boorlingen haalden 27,7% het eerste levensjaar niet.

De tyfusInfectie wordt veroorzaakt door de bacterie Salmonella typhi. De besmetting kan plaatsvinden door het drinken van ongekookte melk, water of door voedsel dat door een drager is besmet De ziekte begint na een incubatietijd van 7-14 dagen met hoofdpijn, opgezette buik en buikpijn, misselijkheid, diarree,… De koorts loopt langzaam op in de loop van de eerste week tot temperaturen boven de 40°C.

 

Rode loop (dysenterie)

1846, dysenterie in gemeenten van de arrondissementen Brussel, Mechelen en Dendermonde.

Na de pest zien we, vanaf 1672, regelmatig epidemieën opduiken van rode loop (bloedloop) en persloop (gewone dysenterie), die minder catastrofaal waren dan de pest, maar niettemin grote sterfte veroorzaakten. Deze darminfectie heeft het sterftepatroon in de 18e eeuw en het begin van de 19e eeuw getekend. Sterfte van 5% van de bevolking waren bij een flinke dysteriegolf niet uitzonderlijk.

 

Cholera

Gent. 1832 cholera ; 1838-40 mazelen ; 1847 typhus; 1849 opnieuw cholera ; 1851 pokken en cholera ; 1854 cholera ; 1865 en 1866 nogmaals cholera ; 1871 typhus en pokken.

De cholera (braakloop) is een infectieziekte van de darmen die zich vooral in de 19e eeuw voordeed, toen de handel met het Verre Oosten weer op gang kwam. Braakloop verspreidde zich dan ook meestal vanuit de havenplaatsen. In Duitsland was het Hamburg en in Engeland Liverpool, die als kern fungeerden van epidemieën die massaal door Europa trokken. Deze ziekte kenmerkt zich door hevige diarree en veel vochtverlies.

 

De vreselijke cholera- epidemieën die ons land in de jaren 1832-33, 1849, 1853-54, 1859 en 1866-67 troffen, noopten het bestuur van de gasthuizen veel wezen, kinderen van de slachtoffers der epidemieën, in de tehuizen onder te brengen om ze uit de besmette plaatsen weg te halen. Zo diende Sint-Julianus als afzonderingstehuis, vooral in de periode augustus-oktober 1859 en ook in 1866, toen 285 kinderen en volwassenen in de afzondering gehouden werden.”

In 1849 werd Doel geteisterd door de cholera. De brik ‘Medora’ had de ziekte meegebracht uit een oosters land en de bemanning werd in ‘quarantaine’ ondergebracht in barakken tussen de Witte Brug en Liefkenshoek. De gemeenteraad besliste dat alle bestaande grachten en stilstaande wateren moesten gedempt worden. Op 22 juli 1849 kwam er een verordening dat alle lijken binnen de zes uren na overlijden moesten begraven worden, zonder lijkdienst in de kerk. De toegang en bewoning van besmette huizen was verboden.

 

Begin 1866 brak opnieuw cholera uit. Het besmette Breemse barkschip ‘Agnes’, lag voor anker in Doel en de slachtoffers werden rechtstreeks naar het fort gebracht. De gemeenteraadverbood alle contact met Liefkenshoek. Niemand mocht verder gaan dan de ‘Steenen Beer’. Genezing van de ziekte kende men toen nog niet. Men gaf de raad om de zieke te verwarmen met wollen dekens, heet zand en kruiken met warm water. De apothekers verkochten ‘ Elexir tegen Cholera’. De lichamen van de overleden slachtoffers aan cholera werden begraven in de schorren, om besmetting van het Doelse kerkhof te vermijden.

 

Hongersnood

“ Erger is echter het feit dat hij waarschijnlijk veel honger geleden heeft in 1845 en in 1848-49. Inderdaad, in Vlaanderen wordt de ellende ten top gedreven door mislukte aardappel- en roggeoogsten. De jaren 1848 en 1849 zijn gruwelijke sterfjaren in geheel België, mede door de cholera.”

 

Pest en honger waren vrienden. Vaak ging een hongersnood aan een pestgolf vooraf. Voedselgebrek leidde tot massale rattensterfte, zodat – voor het bloedzuigen – de vlooien van de rat op de mens oversprongen en aldus besmetting veroorzaakten. Na een pestepidemie ontstond vaak een gebrek aan werkkrachten, en daardoor een voedseltekort. Niet zelden ontstond een machtvacuum omdat bestuurders door de pest waren weggevallen. Onderdrukte boeren namen soms de kans om in opstand te komen. Ook werden oorlogen begonnen omdat men de vijand, door de pest, ernstig verzwakt achtte.

 

“… in de desastreuze jaren 1840-1850 : graan- en aardappeloogsten mislukten ; in 1847 kwam er tyfus bij en in 1848 cholera.”

 

Vanaf de 19de eeuw wordt de aardappel het volksvoedsel bij uitstek omdat hij de maag beter vult dan brood. In juli en augustus 1845, geholpen door een vochtige atmosfeer, veroorzaakt een extreem virulente vorm van de schimmel Phytophtora Infestans, eerst in België (streek van Kortrijk?) en Nederland en nadien in gans Europa, een onvoorstelbare misoogst. De verliezen worden geschat op 1/4 tot 1/2 van de oogst. In West- en Oost-Vlaanderen op meer dan 90 %. Begin juli 1846 verschijnt de ziekte opnieuw en blakert in twee, drie weken tijd de aardappelvelden zwart. De catastrofe is volledig want ook de roggeoogst mislukt.

Vlaanderen en gedeelten van Brabant, Namen en Luxemburg lijden honger, een sedert de Middeleeuwen ongekende ervaring. Het plunderen van een bakkerij te Brugge op 2 maart 1847 is het signaal voor een hongeroproer. In 1848 is 35%  van de bevolking in West-Vlaanderen afhankelijk van de openbare armenzorg. De uitgeputte bevolking van de dichtbevolkte provincies West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen en Brabant wordt een gemakkelijke prooi voor de snel om zich heen grijpende tyfusepidemie van 1847-1848 en cholera in 1848-49 en 1866, de meest noodlottige.

 "Le mal flamand" was toen zelfs een medische term : sterven aan ondervoeding en uitputting.

 

 

 

 

 

 

Spaanse bewind

Aartshertogen Albrecht & Isabella

 

Oostenrijkse bewind

Jozef II, de keizer-koster

 

Franse bewind

Napoleon I

 

Hollandse bewind

Willem I

 

Onafhankelijk België

Leopold I

 

 

 

 

Cort advys der doctoren van Antwerpen teghen de peste. Verm. ende distinctelijcker de oorsake, teeckenen oock der doode lichaemen, prognostike, onderscheyden, ende curatie gheexpliceert. Daer by ghevoecht de ordonnancie der Magistrate om peste te weiren, ende hoemen de huysen, meubelen en cleeren suyveren sal, met beter maniere als oydt te voren ghedaen is. Ende hoe de biechtvaders ende medicijnen de gheinfecteerde persoonen visiterende hen praeserveren sullen

Lazarus Marcquis; Antwerpen 1633

 

De broederschap van den heyligen Carolus Boromaeus ... ingestelt in de Kercke van de E.P. Carmelieten binnen Antwerpen ... met schoone onderwijzinghen, vermaningen, ende vierige gebeden tegen de pest.

Antwerpen : Wed. J. Cnobbaert 1655.

 

Histoire de la dysenterie ´epidémique qui, en 1846, sévit dans quelques communes des arrondissements de Bruxelles, de Malines et de Termonde

J.-B. Groenendaels; Malines : Olbrechts 1847.

 

Rapport sur le typhus qui a regné dans les Flandres, pendant les années 1846, 47 et 48

Soc. de Méd. de Gand 1848

De dorps-alchemist

Jan Steen  1660

 

De luizenjacht
Gerard ter Borch    ca. 1653

 

De kwakzalver-tandarts

Jan Steen ca.1660