 |
In een interview vertelde de voormalige journalist Arturo
Pérez-Reverte (1951) dat hij in zijn jeugd een enorme lettervreter
was met een sterke voorkeur voor dikke (avonturen)romans. Dumas, Tolstoj,
Dickens en Stendhal waren auteurs die, zoals hij het uitdrukte, 'zijn
harddisk geformatteerd hadden'. Deze culturele bagage gebruikt hij
bij het schrijven van literaire thrillers. Een succesvol recept, zo
blijkt uit de verkoopcijfers van zijn boeken en uit de talrijke vertalingen.
Zijn literaire thriller Het paneel van Vlaanderen (1993)
werd door De New York Times Book Review uitgeroepen tot een van
de vijf beste buitenlandse boeken van het jaar. Zijn tweede succes
was De club Dumas, of De schaduw van Richelieu
(1995), een thriller over boeken, spelend in kringen van bibliofielen,
bibliomanen en bibliopaten.
Pérez-Reverte speelt graag een intellectueel spel met de
lezer die, om volledig van zijn romans te genieten, eigenlijk enige
historische kennis moet. Niet alleen zitten de verhalen vol literaire
verwijzingen, Pérez-Reverte breidt het spel ook uit met afbeeldingen,
schema's en citaten.
Hoofdfiguren in de literaire thrillers van Pérez-Reverte
zijn cynische, vermoeide helden. Dat geldt ook voor de hoofdpersoon
in Comancheland (1995), een boek dat afwijkt van de romans
waarmee hij zijn naam vestigde en waarmee hij afscheid nam van de
oorlogsjournalistiek. Zijn literaire thrillers hadden zoveel succes
dat hij zich geheel aan het schrijven kon wijden.
Tussen 1996 en 1999 schreef Reverte een reeks lichtere populaire
boeken over de stoere en roekeloze Kapitein Alatriste. In 2000 keerde
hij terug naar de serieuze fictie met De Oude Zeekaart, gebaseerd
op zijn eigen fascinatie met de zee en het zeilen.
|