toxoplasmose
Vroeger publiceerden we reeds een artikel over toxoplasmose, gebaseerd op de
onderzoeken verricht door de vorsers, professoren L. Famerée en C.
Cotteleer.
We namen contact met de rijksuniversiteit van Gent, afdeling parasitologie
en kwamen terecht bij professor P. Dorny, die hierover uitgebreid onderzoek deed
en er zijn bijstelling over maakte. Omdat dit toch een zeer belangrijke
kwestie is en er zoveel onvolledige of verkeerde informatie over bestaat,
hebben we alles nog eens samengevat voor u.
Bij zwangerschap is het niet verantwoord een huiskat te verwijderen
uit het gezin.
Samenvatting
Een onderzoek naar de prevalentie van toxoplasma gondii bij 112 studenten
diergeneeskunde toonde aan dat 47,3% antistoffen had.
Niettegenstaande het
veelvuldig contact van deze mensen met katachtigen was de infectiegraad niet
hoger dan in een niet geselecteerde populatie van dezelfde leeftijdsklasse
in België. Aan de hand van een vragenlijst werd informatie bekomen over
het houden van katten als huisdier en de eetgewoonten van deze personen.
Daaruit bleek dat het veel werken in de tuin en het eten van rauw of weinig
gebakken vlees en dan vooral schapenvlees, het risico op besmetting met
toxoplasma verhoogt. Daarentegen waren eigenaars van katten niet frequenter
besmet dan personen die geen kat bezitten.
Toxoplasma gondii is ongetwijfeld één der meest verspreide
parasieten: dit protozoön veroorzaakt infecties bij zowat alle
zoogdieren en vogels over de ganse wereld. Alhoewel de parasiet reeds lang
gekend is, werd de cyclus ervan pas opgehelderd in 1970.
Toen werd ontdekt
dat de kat, als enige eindgastheer, toxoplasma onder vorm van oöcysten,
met de uitwerpselen kan verspreiden. Vanaf dat moment werd het houden van een
huiskat sterk afgeraden in gezinnen waar een vrouw zwanger was. Het schadelijk
effect van een congenitale besmetting van de foetus was reeds voldoende gekend.
De kat scheidt slechts gedurende een korte periode (1 à 2
weken) van zijn bestaan oöcysten uit en dit meestal op jonge
leeftijd (jonger dan 1 jaar). Katten die oöcysten uitscheiden zijn
meestal niet ziek en vertonen meestal geen diarree. Deze oöcysten
zijn niet onmiddellijk infectieus maar worden dat pas na 2 à 5 dagen.
Daarentegen kunnen oöcysten in de buitenwereld wel zeer lang tot
zelfs enkele jaren overleven. De kat is echter niet de enige besmettingsbron
voor de mens; deze kan zich eveneens besmetten door het eten van rauw, of
onvoldoende gebakken vlees, besmet met weefselcysten van toxoplasma. Vooral
schapenvlees blijkt frequent besmet te zijn.
Het doel van deze studie was enerzijds na te gaan of een geselecteerde
populatiegroep van studenten diergeneeskunde, door het veelvuldig contact
met katten, frequenter besmet is met toxoplasma. Anderzijds aan de hand
van een vragenlijst de besmettingswegen via het eten van vlees of via
contact met katten te analyseren.
De invloed van het contact met katten en kattenfaeces op de seroprevalentie
van toxoplasma.
Van de 57 personen die verklaarden één of meerdere katten te
bezitten hadden 43,9% antistoffen.
Bij de niet-kattenbezitters was dit 50,9%.
Van de 19 personen die verklaarden veel in de tuin te werken waren er 73,7%
seropositief.
Hoewel niet significant, is er een duidelijke trend voor hogere
besmettingsfrequenties bij personen die vlees tamelijk rauw nuttigen (56,6%
positief) dan voor personen die vlees enkel goed gebakken eten (36%
positief). Het eten van rauw of onvoldoende gebakken schapenvlees verhoogde
zelfs aanzienlijk het risico (70,8%).
Ondanks het veelvuldig contact van studenten diergeneeskunde met katachtigen
bleken deze in het onderzoek niet frequenter besmet te zijn met toxoplasma
gondii dan de doorsnee populatie in België. In een studie in Brussel
bij 2.313 vrouwen tussen de 20 en 30 jaar oud, was 51,5% seropositief. Bij
een onderzoek in Gent vond men dat op de leeftijd van 30 jaar reeds 3/4 van
de bevolking met toxoplasma besmet was. Ook in buitenlandse onderzoekingen
werden geen verschillen in seroprevalentie genoteerd tussen dierenartsen en
niet-dierenartsen. Hoewel zij rechtstreeks in contact komen met katachtigen,
komen ze minder in contact met de faeces. Daarbij komt dat de sporulatie van
de oöcysten in de faeces minstens 2 à 5 dagen in beslag neemt,
waardoor het contact met verse faeces ongevaarlijk is.
Het houden van een huiskat impliceert meestal ook het schoonmaken van een
kattenbak en daardoor ook eventueel contact met de kattenfaeces. Uit het
huidig onderzoek bleek echter evenmin een verschil in seroprevalentie te
bestaan tussen kattteneigenaars en zij die geen kat bezitten. In
gelijkaardige studies in Europa en de Verenigde Staten werden meestal geen
verschillen in prevalentie tussen beide populatiegroepen gevonden.
Nochtans is de besmettingsgraad met toxoplasma gondii bij huiskatten vrij
hoog. Op de leeftijd van 2 jaar heeft tussen de 50 en 60% van de katten de
infectie doorgemaakt.
De reden van de geringe overdracht van de huiskat op de eigenaar moet
gezocht worden in de hygiëne die in de meeste huizen onderhouden wordt.
Kattenfaeces wordt meestal verwijderd vooraleer de oöcysten de kans
gekregen hebben om te sporuleren (besmettelijk te zijn). Bovendien is het
ook zo dat een kat die antistoffen gemaakt heeft in principe geen
oöcysten meer uitscheidt. In tropische landen verhoogt het risico op
besmetting met toxoplasma gondii. Het warme en vochtige klimaat zorgt er
voor een snelle sporulatie van de oöcysten, bovendien zijn de huizen
er meestal onhygiënisch. In Costa Rica bv. vond men in de huizen in
19,5% van de keukens en 15% achter versieringen, resten van kattenfaeces.
Op de leeftijd van 10 jaar zijn in dat land reeds meer dan 40% van de
kinderen seropositief, terwijl infectie door weefselcysten er waarschijnlijk
minder voorkomt vermits het vlees er meestal goed doorbakken gegeten wordt.
De besmetting van het milieu is ook verantwoordelijk voor de hoge
prevalentie van toxoplasma gondii bij herbivoren. Serologisch onderzoek bij
Belgische runderen en schapen toonde aan dat respectievelijk 72 en 80% van
deze dieren positief zijn voor toxoplasma antistoffen. Varkens zijn minder
frequent seropositief van 19 tot 50%, en in de meeste Westerse landen wordt
een daling van de seroprevalentie waargenomen bij deze diersoort,
waarschijnlijk door het meer gesloten houden van varkensbedrijven en het
gebruik van silo's om het voeder op te stapelen, waardoor contaminatie met
kattenfaeces onmogelijk wordt. In een uitgebreide studie in Frankrijk kwam
men tot dezelfde vaststelling. Verhitten van vlees doodt de aanwezige
weefselcysten. Hiervoor zijn 15 à 20 minuten nodig bij een temperatuur
van 60°c, en 5 minuten bij een temperatuur van 160 tot 170°c. Bij
gewone koeltemperatuur (4°c) blijven de cysten minstens 3 weken actief.
bewaring aan -15° tot - 20° doodt alle weefselcysten.
BesluitAlhoewel de huiskat ook in gematigde streken zoals België
ontegensprekelijk onmisbaar is in het sluiten van de cyclus van toxoplasma
gondii, zijn humane besmettingen zelden afkomstig van rechtstreeks
contact met deze diersoort.
Zwangere vrouwen houden rekening met:
Strikte hygiëne van de kattenbak. Dagelijks verversen of laten
verversen en ontsmetten. De oöcysten worden immers pas besmettelijk nadat
ze 2 à 5 dagen in de buitenwereld zijn. Aan katten wordt best geen
rauw vlees verstrekt.
Een serologische (bloed) en eventueel coprologische (faeces) controle kan
aantonen of de kat immuum is en geen oöcysten meer zal uitscheiden.
Het werken in de tuin gebeurt met handschoenen, daarna de handen flink
borstelen met water en (ontsmettings)zeep.
Groenten steeds grondig reinigen vóór consumptie.
Het risico van besmetting door vlees kan men beletten door het vlees
voldoende te verhitten, maar ook door het te diepvriezen. Minstens 3 dagen
bewaren aan -15 tot -20°c doodt alle weefselcysten. Bij gewone
koeltemperatuur (4°c) blijven de cysten minstens 3 weken actief.
|