Biografie: The American Dream
Als er één levensverhaal model kan staan voor de verwezenlijking van de Amerikaanse droom, dan is het dat van Stephen King wel: ooit straatarm, nu levend en schrijvend in een 23-kamers tellende Italiaanse villa in het landelijke Maine. In de zomer verhuizen King zelf, zijn vrouw Tabitha (zelf schrijfster van onder meer Small World, Caretakers en The Trap) en hun drie kinderen, Naomi Rachel, Joe Hill en Owen Phillip naar Kezar Lake in Center Lovell en een groot Victoriaans huis in Bangor. King leest enorm veel, houdt zich bezig met het oplossen van jigsaw-puzzels, is een fan van de Boston Red Sox baseball-ploeg (in 1994 sprak hij een tv-documentaire over baseball in) en speelt gitaar bij de Rock Bottom Remainders. Er wordt beweerd dat hij met al zijn bezigheden zowat zevenhonderd miljoen frank per jaar verdiend.
Stephen Edwin King werd geboren in Portland, in de staat Maine, op 21 september 1947 (om half twee 's ochtends) in het Maine General Hospital, als één van de vele baby boomers van na de tweede wereldoorlog. Zijn vader, de marinier Donald Edwin King, verdween twee jaar later op raadselachtige wijze. Het verhaal gaat de ronde dat hij een pakje sigaretten ging halen en nooit terug thuiskwam. Dat was voor moeder Nellie Ruth Pillsbury King, de geadopteerde oudere zoon David Victor King en Stephen King de start van een zwerversbestaan. Nellie reeg de ene onderbetaalde job na de andere aan elkaar en werkte in een wasserij, bakkerij, als winkelbediende en als huisbewaarster. Zij was een opmerkelijk sterke vrouw, met een groot gevoel voor humor en was gek op boeken van Agatha Christie en Stanley Gardner. De Kings reisden van Durham naar Malden, over Chicago tot West De Pere en belandden uiteindelijk in Fort Wayne.
Toen King zes jaar was, verhuisde hij en zijn familie naar Stratford, Connecticut. Het was hier dat Stephen King zijn eerste ervaring met horror meemaakte. George Beahm verhaalt in The Stephen King Story hoe de 6-jarige King aan zijn moeder de toestemming vroeg om te luisteren naar de radiobewerking van Ray Bradbury's verhaal Mars Is Heaven!. Zijn moeder verbood het hem, maar King luisterde in het geheim toch. "That early exposure to storytelling - oral, not written - made an indelible impression on the writer-to-be. What King discovered would become a fictional trademark in his storytelling techniques: tell the story in visual terms so it can be vividly imagined in the mind's eye."
Nelly King las haar zonen vooral voor uit kinderadaptaties van klassieke werken, zoals Treasure Island van Robert Louis Stevenson. Op zijn zevende las Nelly het eerste horrorverhaal voor haar zoon: The Strange Case of Dr. Jekyll and Mr. Hyde, van diezelfde Robert Louis Stevenson. Ook het medium film maakte in Kings kindertijd een grote impact op hem. In interviews verwijst hij steeds naar The Creature from the Black Lagoon uit 1954. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat Kings stijl heel filmisch is. Hij brengt alles zo onder woorden, dat de lezer voor zijn ogen als het ware de film van het hele gebeuren kan laten afdraaien. Het is ook één van de redenen waarom zoveel van Kings boeken zijn verfilmd.
Volgens Douglas E. Winter begon King op deze leeftijd ook zelf te schrijven. Zijn eerste verhaal ging over een dinosaurus die een klein stadje aanvalt, maar uiteindelijk overwonnen wordt door een wetenschapper, die ontdekt heeft dat de dinosaurus allergisch is voor leer. Hoewel dit verhaaltje ongetwijfeld geïnspireerd is op één of andere film, bevat het toch al enkele van de basiskenmerken die Kings later werk gaan bepalen. Om te beginnen is het uitgangspunt uiterst realistisch (het leven in een stadje). Een onverklaarbaar iets (de dinosaurus) bedreigt echter de orde. Vervolgens staat de held op (de wetenschapper) die het kwaad uitschakelt. Het is interessant om te zien, dat bijna alle verhalen van King min of meer op dit stramien gebouwd zijn. King zelf zegt over zijn beginperiode: "I have written seriously since I was twelve, and to me that means that I always wrote in order to make money, but I have tried to tell my stories with all the integrity I can manage, and with as much honest feeling for the subject as I had." (Fear Itself)
In 1958 verhuisde de King-familie naar Durham, een landelijk stipje van nog geen duizend inwoners op de kaart van Maine, waar ze gingen wonen bij de ouders van Nellie, Guy Pillsbury en Nellie Fogg Pillsbury, beiden al ver in de tachtig. Durham zou de basis leggen voor Kings literaire activiteiten. Hier leerde hij observeren en begon hij, omdat hij als kind vaak ziek was, volop te schrijven. In Durham maakte King kennis met Christopher Chesley, ook een schrijver in wording, en zag hij in de Ritz-bioscoop Roger Coremans The Pit and the Pendulum, waar hij op de stencilmachine van zijn broer zijn eigen versie van schreef.
In Danse Macabre vertelt King hoe hij op een koude herfstdag in 1959 of 1960 op zolder bij toeval een kist vol boeken vond, die nog van zijn vader waren geweest. Het waren paperbacks uit het midden van de jaren veertig. Het meeste indruk maakte een verhalenbundel van H.P. Lovecraft uit 1947, The Lurking Fear and Other Stories. King schrijft: "I was on my way. Lovecraft - courtesy of my father - opened the way for me, as he had done for others before me: Robert Bloch, Clark Ashton Smith, Frank Belknap Long, Fritz Leiber, and Ray Bradbury among them." De verhalen van Richard Matheson (en vooral diens werk I Am Legend) speelden ook een belangrijke rol. Hij leerde King dat griezelverhalen zich niet noodzakelijk moeten afspelen in gotische kastelen, maar evengoed in het leven van alledag. "I had read Poe and I had read a lot of Gothic novelists, and even with Lovecraft I felt as though I were in Europe somewhere. I loved the idea of the ghost story (...) but I wanted to be at home. (...) I realized that horror didn't have to happen in a haunted castle; it could happen in the suburbs, on your street, maybe right next door." (Faces of Fear)
In 1962 begon Stephen King zijn zelfgeschreven verhalen op te sturen naar tijdschriften, zoals Fantastic of Fantasy and Science Fiction. Dat was ook de periode dat King en zijn vrienden samen kwamen in een soort clubhuis, "249 Club" (de getallen kwamen van een afgevallen huisnummer), dat King later zou gebruiken in enkele korte verhalen, waar mensen samenkomen om elkaar verhalen te vertellen. King gebruikte later in zijn verhalen nog wel meer elementen uit zijn jeugd. Het kerkhof uit 'Salems' Lot bijvoorbeeld (Harmony Hill), is gebaseerd op het Harmony Grove Cemetery in Durham, waar King met Chris Chesley 's avonds rondsloop. Het was met Chesley en enkele andere vrienden dat King zag hoe een lijk uit een vijver werd gehaald. Dit gegeven verwerkte King jaren later in de novelle The Body. Langs de weg waar King woonde stond ook een oud, vervallen herenhuis, dat bekend stond als de "Shiloh Temple". Het is ongetwijfeld Kings inspiratiebron geweest voor het Marsten House uit 'Salem's Lot.
In de herfst van 1962 ging King naar de middelbare school in Lisbon Falls, op ongeveer zes mijl van Durham. De jaren verliepen vrij rimpelloos: King was een uitstekend leerling, hoewel de vakken chemie en fysica hem wel eens problemen opleverden. Hij maakte deel uit van het football-team, speelde gitaar op fuiven en was vanaf zijn tweede jaar betrokken bij de plaatselijke schoolkrant, waarvan hij in het derde jaar hoofdredacteur werd. Omdat hij het te bont maakte (leraars werden met naam en al geparodieerd), werd het blad opgeheven. In plaats daarvan werd King freelance sportverslaggever bij de Lisbon Enterprise, voor een halve cent per woord. George Beahm schrijft dat John Gould, zijn hoofdredacteur "was the first person to show King that excellence in writing meant rewriting". In deze periode maakte King ook kennis met Ed McBain (van wie King enkele stilistische kenmerken overnam, zoals het in cursief zetten van gedachten), de eerste romans van Ray Bradbury en Don Robertson. Televisieshows zoals The Twilight Zone en The Outer Limits en radiodrama's als Lights Out! beïnvloedden in deze periode Kings werk.
In 1963 knutselden Stephen King en zijn vriend Chris Chesley samen het zelf-uitgegeven boekje People, Places and Things - Volume I in elkaar. Er werden ongeveer tien exemplaren van gestencild. Van de achttien verhalen, schreef Chesley er negen; King schreef er acht en ze werkten samen aan één verhaal. De meeste van deze verhalen zijn niet langer dan anderhalve getypte bladzijde en bevatten een zeer eenvoudige story-line. Kings volgende literaire poging was The Star Invaders, een langer verhaal dat hij in 1964 schreef. Een jaar later slaagde hij erin zijn eerste verhaal te publiceren: I Was a Teenage Grave Robber in het magazine Comics Review. Het verhaal was duidelijk geïnspireerd op monster-films met titels als I Was a Teenage Werewolf en I Was a Teenage Frankenstein. In 1966 werd het verhaal herdrukt in Stories of Suspense, onder de titel In a Half-World of Terror. Een belangrijke stap volgde in 1965, toen King het 50.000 woorden tellende The Aftermath voltooide, een apocaliptisch verhaal dat zich afspeelt na het vallen van de bom. Het was voor het eerst dat King angst en horror plaatste in het wezen van de mens zelf.
De zomer nadat hij afstudeerde, begon King te werken aan zijn eerste roman, die echter nooit voltooid zou worden: Getting It On, dat zijn titel ontleende aan een song van T. Rex, "Bang a Gong (Get It On") en het verhaal vertelt van een student die zijn klasgenoten gijzelt. Later zou King dit gegeven herwerken tot de roman Rage.
Eind 1966 schreef King zich in aan de Universiteit van Maine in Orono, een stad met ongeveer tienduizend inwoners. Daar werkte hij aan een nieuwe roman, The Long Walk, die gebaseerd is op het idee van President John F. Kennedy dat iedere Amerikaan meer zou moeten wandelen. King trok dat idee in zijn roman tot het extreme door, zodat op het einde van de roman maar één persoon de marathon overleeft. King liet het manuscript lezen aan professor Burton Hatlen, die hem Engelse Literatuur onderwees. Die was zo enthousiast, dat de tekst aan een tocht doorheen de universiteit begon, van Edward Holmes, professor Creatief Schrijven, Jim Bishop tot Carroll Terrell. Deze personen moedigden King aan om het op te sturen naar een uitgever. Het boek werd geweigerd.
King had meer succes met een kort verhaal, The Glass Floor, dat in het herfst-nummer van Startling Mystery Stories verscheen en waarvoor hij voor het eerst werd betaald: 35 dollar. In de lente van 1968 publiceerde King twee korte verhalen in het campusblad Ubris: Here There Be Tygers en Cain Rose Up. Dit laatste verhaal was gebaseerd op een gebeurtenis, die zich in augustus 1966 op de campus had afgespeeld. Een student, Charles Whitman, was, totaal overspannen, met een geweer uit het raam van zijn kamer beginnen te schieten.
In het herfstnummer van Ubris schreef King Strawberry Spring, dat hij in twee uur tijd zou verzonnen en uitgewerkt hebben op servetten in het cafetaria, toen hij geplaagd werd door een aanval van zware hoofdpijn. Vanaf februari 1969 schreef King in het blad The Maine Campus een column, onder de titel King's Garbage Truck. King bleef ook publiceren in Ubris. Zijn vierde bijdrage was het dystopische Night Surf. Ook in Startling Mystery Stories kreeg King nieuwe kansen. In de lente van 1969 publiceerde men het verhaal The Reaper's Image. Dat was ook de periode dat King een nieuwe roman schreef: Sword in the Darkness, met een lengte van 150.000 woorden. Door de hulp van enkele professoren was King in staat het aan te bieden aan verschillende uitgeverijen, maar het boek werd keer op keer geweigerd.
In zijn derde universiteitsjaar werkte King als vrijwilliger in de bibliotheek. Daar ontmoette hij zijn latere vrouw, Tabitha Jane Spruce, zelf schrijfster van verhalen en gedichten en studente geschiedenis. Dat jaar begon King op zijn studentenkot op zijn ouderwetse Underwood (die hij had meegebracht vanuit Durham) te schrijven aan een roman, die pas twaalf jaar later voltooid zou worden: het eerste deel van de Dark Tower-cyclus, The Gunslinger. De openingszin, ontleend aan Childe Roland van Robert Browning - "The man in black fled across the desert, and the gunslinger followed." - werd in King-kringen haast mythisch.
Op 5 juni 1970 studeerde Stephen King af. Tijdens die laatste zomer drukte The Maine Campus in acht afleveringen Slade af, een vervolgverhaal over een mysterieuze man in het zwart die later voor King-lezers niet onbekend zou blijven (de man in het zwart duikt namelijk op in: Dolans Caddilac, The Eyes of the Dragon, The Stand, Insomnia en de drie Dark Tower-delen). Hij verhuisde naar een appartement in Orono, Maine, en zocht naar een job. Eerst werkte hij in een benzinestation, dan in een wasserij, daarna ging hij nog aan de slag als portier, als hulpje in een naai-atelier en als bagagedrager. Hij verkocht ook voor 250 dollar zijn eerste verhaal aan het gereputeerde mannenblad Cavalier, Graveyard Shift. Zoals zovele verhalen, haalde King het uitgangspunt voor dit verhaal uit zijn eigen leven.
Op 2 januari 1971 trouwde King met zijn jeugdliefde Tabitha Spruce. Diezelfde maand publiceerde het magazine Onan het verhaal The Blue Air Compressor, dat affiniteiten vertoonde met Edgar Allan Poe's The Tell-Tale Heart. Twee maanden later aanvaardde Cavalier een tweede manuscript, I Am the Doorway. In mei 1971 werd Tabitha Spruce zwanger van Naomi. Om voldoende geld voor zijn familie te verdienen, zag King geen andere uitweg dan opnieuw een roman naar een uitgeverij te sturen. Hij herschreef Getting It On en zond het naar Doubleday. Hoewel hij een brief terugkreeg met de mededeling dat het een schitterend boek was, vonden ze het risico om het te publiceren te groot. King schrijft over deze periode: "We were as poor as church mice (...) it wasn't easy to make ends meet on that salary." (The Stephen King Companion). In de herfst van 1971 kreeg King een job als leraar Engels op de Hampden Academy. 's Avonds en 's nachts werkte hij aan een nieuwe roman: The Running Man. Opnieuw slaagde King er niet in zijn werk aan de man te brengen.
In 1972 verkocht King vier korte verhalen aan Cavelier: Suffer the Little Children, The Fifth Quarter, Battleground en The Mangler. Hoewel King met 300 dollar per verhaal meer verdiende dan de gewoonte was bij Cavalier, kon hij er zijn familie, uitgebreid met zoontje Joe, niet van onderhouden. Hij wist dat hij om door te breken als beroepsschrijver een aantal romans moest kunnen publiceren en een vast publiek opbouwen. Omdat dat niet lukte, geraakte King aan de drank en maakte hij 's avonds lange, eenzame wandelingen. "I began to have long talks with myself at night about whether or not I was chasing a fool's dream." (The Stephen King Story)
Tijdens de zomer begon hij te werken aan The Catcher in the Rye, een soort Assepoester-verhaal met bovennatuurlijke elementen. Het verhaal wilde echter niet vlotten en King gooide de eerste pagina's in de vuilnisemmer. Zijn vrouw haalde ze eruit en moedigde hem, omdat ze het geld nodig hadden, aan verder te schrijven. De figuur in het verhaal, Carrie White, begon de overhand te nemen en tegen het einde van de zomer, had King een manuscript van 25.000 woorden klaar, te lang voor Cavalier en te kort voor een roman. Hij herwerkte het verhaal nog eens, voegde materiaal toe en eind 1972 was Carrie klaar. In maart van het volgende jaar werd het boek door Doubleday gepubliceerd. King kreeg een gage van 2.500 dollar (en later, bij de uitgave van de paperback nog eens 400.000 dollar) en verhuisde met zijn familie naar een appartement in Bangor. Een tijdje later kreeg King het bericht dat Doubleday erin geslaagd was de rechten van Carrie te verkopen aan New American Library voor 400.000 dollar; King kreeg daarvan de helft. Het betekende de start van zijn succesvolle carrière. In mei van datzelfde jaar had King opnieuw een draft klaar: Second Coming, een roman die geïnspireerd was op Bram Stokers Dracula. Hij gaf het lesgeven op en verhuisde van Bangor naar North Windham, een klein stadje ten oosten van Sebago Lake in het noord-westen van Portland, waar hij Second Coming tot drie keer toe herschreef.
Eind 1973 overleed Kings moeder in Maine op 60-jarige leeftijd aan kanker. King begon, in de nasleep van deze tragedie, te werken aan een nieuwe roman, Roadwork, zijn eerste poging om een "serieuze" niet-horrorroman te schrijven. Tussendoor pende hij nog drie korte verhalen voor Cavalier (The Boogeyman, Trucks en Gray Matter) en kwam Carrie, in april 1974, eindelijk in publicatie. Diezelfde maand besloot Doubleday om ook Second Coming, dat King inmiddels herschreven had tot 'Salem's Lot, te publiceren.
In de nazomer van 1974 verhuisde de familie King naar Boulder, in het berglandschap van Colorado. King begon aan The House on Value Street, maar het verhaal stokte al snel. Hij legde het opzij en probeerde zich te concentreren op een idee, dat al lang door zijn hoofd speelde: een verhaal over een klein jongetje wiens dromen werkelijkheid worden. Darkshine zou uitgroeien tot de roman The Shine, waar King de rest van 1974 aan schreef en uiteindelijk gepubliceerd zou worden onder de naam The Shining. Daarna vatte hij het idee op om het korte verhaal Night Surf uit te breiden tot een volwaardige roman, The Stand, waar hij de volgende twee jaar intensief aan werkte.
In de zomer van 1975 keerde de familie King terug naar Maine. Terwijl hij verder werkte aan The Stand, werd 'Salem's Lot gepubliceerd. King werd bekend bij het grote publiek toen Brian de Palma Carrie omvormde tot een langspeelfilm. Lawrence Cohen schreef het script. Amy Irving, Nancy Allen, William Katt, John Travolta, Sissy Spacek en Piper Laurie waren in de hoofdrollen te zien. Dat jaar voltooide King ook zijn manuscript voor The Stand. Het kostte hem zoveel energie en moeite, dat zijn creatieve vlam daarna volledig doofde: Welcome to Clearwater mislukte, The Corner ook en The Dead Zone wilde niet lukken. In januari 1977 werd The Shining gepubliceerd, enkele maanden nadat Carrie een box office succes was geworden.
Na de publicatie van The Stand, wou Doubleday alle korte verhalen die tot dan toe gepubliceerd waren in een verzamelbundel bijeenbrengen, wat dan ook gebeurde in Night Shift. De verhalen hadden angst als centraal thema en waren een mengeling van liefde en hoop tegenover haat en dood. Verhalen als The Man Who Loved Flowers en Strawberry Spring waren een waanzinnige kreet om liefde; The Last Rung on the Ladder en The Boogeyman een moeilijk te verteren vat van tegenstrijdige emoties. Maar dat King in de eerste plaats nog altijd horrorschrijver was, bewezen verhalen als The Mangler, The Ledge en Children of the Corn, een verhaal over religieuze waanzin waarbij kinderen de ouderen uitmoorden. Na de publicatie van The Stand en Night Shift gaf King zijn samenwerking met Doubleday op en ging in zee met New American Library (NAL). Kirby McCauley werd zijn literaire agent en versierde meteen een 2,5 miljoen dollar-deal voor drie boeken: The Dead Zone, Firestarter - waarvan King inmiddels drafts klaar had - en een nog te schrijven boek.
In augustus 1977 verscheen Rage op de markt, een boek dat weinig aandacht trok en geschreven was door Richard Bachman. Niemand wist echter dat dit een pseudoniem was voor Stephen King en dat het boek een herwerkte versie was van Kings pré-Carrie roman Getting It On. In de volgende zeven jaar verschenen nog vier andere Bachmans: The Long Walk (1979), Roadwork (1981), The Running Man (1982) en Thinner (oorspronkelijke titel: Gypsy Pie, 1984) en er was geen mens die in de gaten had dat Bachman zijn succes aan King te danken had. King had eerst de naam Guy Pillsbury als pseudoniem voorgesteld (de naam van zijn grootvader) maar dat vond NAL te riskant. Toen King eens aan het telefoneren was, luisterde hij naar een Canadese rock-band, Bachman Turner Overdrive. Hij had zijn pseudoniem gevonden. Richard Bachman ging in de loop der jaren zelf een eigen leven leiden. Volgens de boekkaften werd hij geboren in New York City in het begin van de jaren veertig. Nadat hij afgestudeerd was, ging hij bij de Coast Guard, en reisde voor tien jaar op zee. Hij vestigde zich uiteindelijk in New Hampshire, waar hij zijn tijd verdeelde tussen schrijven en het runnen van een boerderij. Hij trouwde met Claudia Inez (aan wie Thinner opgedragen is). Ze hadden één kind, dat op 6-jarige leeftijd de verdrinkingsdood stierf. Niemand wist dat de foto op de achterkant van de boeken er één van Richard Manuel was, een vriend van Kings literaire agent Kirby McCauley.
Eigenlijk deed King in de loop der jaren weinig moeite om zijn gespleten persoonlijkheid te verbergen. In Thinner had Bachman het bijvoorbeeld over de Blue Ribbon Laundry en dat is dezelfde wasserij als uit het King-verhaal The Mangler. Ook de locaties waar de verhalen zich afspeelden waren steeds hetzelfde: Maine en Derry (Geen verwijzing was echter groter dan die in Thinner, waar op p. 111 een inside joke staat. Dr. Houston vertelt de protagonist: "You were starting to sound a little like a Stephen King novel for a while there..."). Voor aandachtige lezers van zowel King als Bachman begon het geheim zich langzaam maar zeker te ontsluieren.
Op 9 februari 1985 maakte King dan ook, in een editie van de Bangor Daily News, de ware identiteit van Richard Bachman bekend. De gevolgen waren enorm: van Thinner waren onder de Bachman-naam een respectabele 28.000 exemplaren verkocht; toen de naam King werd toegevoegd steeg de verkoop in geen tijd naar 300.000. In de herfst van 1985 werden de vier Bachman-romans gebundeld in The Bachman Books. De verzameling steeg als een komeet naar de nummer één in de bestseller lijsten. Richard Bachman was dood en de reden noemde King "kanker aan zijn pseudoniem."
De geruchten gingen echter door, want men vroeg zich af of er misschien niet meer dan één pseudoniem was. In 1985 werd de sf-roman Invasion uit 1975 (geschreven onder het pseudoniem Aaron Wolfe) aan King toegeschreven, alleen maar omdat het verhaal zich ook in Maine afspeelde. Later bleek dat Invasion geschreven was door een andere horror-gigant uit de Amerikaanse literatuur, Richard Dean Koontz. Ook de in 1968 gepubliceerde porno-roman Love Lessons werd aan King toegeschreven, maar dat was slechts een list van de uitgever omdat die wist dat King-verzamelaars dan massaal dat boek zouden kopen. Wat weinigen echter wisten was dat King inderdaad nog een tweede pseudoniem had: John Swithen. Onder die naam publiceerde hij in 1972 al het uiterst gewelddadige korte verhaal The Fifth Quarter in Cavalier.
Er zijn twee redenen aan te halen waarom King uitweek naar alter-ego's. Ten eerste was hij door Carrie en 'Salem's Lot gebrandmerkt als een pure horrorschrijver. Richard Bachman gaf hem de kans om ook andere dingen te schrijven. Ten tweede was er het probleem van Kings literaire veelvreterij. De uitgeverijen wilden, om de markt niet te verzadigen, maar één roman per jaar publiceren. In 1984 had King The Talisman, Skeleton Crew, It, The Eyes of the Dragon en The Tommyknockers klaar voor uitgave. Dat betekende dat Thinner minstens vijf jaar op publicatie zou moeten wachten - afgezien van het feit dat King in die vijf jaar weer nieuwe romans zou schrijven. Tegenwoordig is die oververzadiging geen probleem meer: tussen september 1986 en 1987 bijvoorbeeld werden vier nieuwe King-romans uitgegeven (wat tegenwoordig bekend staat als de "Stephen King Firestorm"). Toen King bekend maakte dat hij een alter-ego had, was Richard Bachman verleden tijd.
Ondertussen schreef de "echte" Stephen King natuurlijk door. In de herfst van 1977 verhuisde hij voor een jaar naar Fleet Hants, in een verlaten uithoekje van Engeland. De familie King was inmiddels uitgebreid met een nieuw lid: zoon Owen, die eerder dat jaar geboren werd. King werkte in Engeland aan zijn elfde roman: Cujo, over een hondsdolle sint-bernardshond, die een klein stadje in Maine, Castle Rock, terroriseert. Een maand later, in het midden van oktober, werd de familie King uitgenodigd bij Peter Straub, in de Crouch End sectie van London. Na het avondmaal besloten King en Straub om samen een fantasyroman te schrijven, wat ze veel later (in 1984) ook zouden doen (Dat bezoekje aan Crouch End was ook de inspiratie voor een kort verhaal onder dezelfde naam, dat verzameld werd in Nightmares and Dreamscapes). Op het einde van het jaar keerde King terug naar Maine, waar hij een huis betrok in Center Lovell, temidden van het prachtige merenlandschap. Nog datzelfde jaar verhuisden ze wéér, ditmaal naar Orrington, een klein stadje ten zuidwesten van Bangor.
In oktober 1978 werd Smucky, de kat van Kings dochter Naomi, overreden op de drukke Route 15, die voor Kings huis liep. De familie begroef de kat op het plaatselijke dierenkerkhof, het zogenaamde "Pets Sematary" (kinderspelling). Beahm citeert hierover King: "On one side of the road, I wondered what would happen if that cat could come back to life. By the time I got to the other side, I wondered what would happen if a human came back to life." (The Stephen King Story) De storyline van Pet Sematary, Kings twaalfde roman, was geboren. Ondertussen begon King les te geven aan de Universiteit van Orono, waar hij zijn oude professor Burton Hatlen terugzag. King doceerde er Engelse Literatuur en Creatief Schrijven. 's Avonds en 's nachts werkte hij aan zijn eerste non-fictie boek, Danse Macabre, dat Kings persoonlijke visie werd op de geschiedenis van het horrorfenomeen. Ondertussen werkte hij ook Pet Sematary af. Toen hij het aan zijn vrouw Tabitha liet lezen, vond die het zo griezelig, dat het manuscript voorlopig in Kings bureau verdween. Pas in 1983 zou het boek gepubliceerd worden - en het werd met 657.000 verkochte exemplaren in het eerste jaar, zijn grootste succes tot dan toe.
De zomer van 1979 was de periode dat King zich bezighield met het schrijven van de novelle The Mist, in opdracht van Kirby McCauley, die zijn horror-anthologie Dark Forces aan het samenstellen was. In de herfst was er weer een manuscript klaar, het oorspronkelijk als kort verhaal bedoelde Christine, en voltooide Stephen King zijn eerste screenplay: Creepshow. In de zomer van 1980 verhuisde King opnieuw. Dit keer vestigde hij zich in Bangor, Maine, waar hij een villa in Italiaanse stijl betrok, die in 1856 gebouwd werd. Bangor was de typische Amerikaanse voorstad, waar King heel zijn leven naar gezocht had. Op papier vormde hij het om tot het fictieve stadje Derry, waar Kings volumineuze monsterroman It zich afspeelt, een roman waar hij vier jaar aan zou werken. Op de set van Creepshow begon King, de workaholic, te schrijven aan een nieuwe roman, Cannibals - een boek dat onvoltooid zou blijven. Ondertussen had King zijn samenwerking met Peter Straub een nieuwe injectie gegeven. In 1981 werkten ze een outline uit voor The Talisman dat een jaar later door hun beiden geschreven werd. King schreef zijn deel op zijn Wang tekstverwerker in Bangor en zond de files via een modem door naar Straub, die op zijn IBM in Connecticut de draad weer opnam, verderschreef en uiteindelijk de file weer doorstuurde. Zowel voor Straub als King was deze fantasyroman een uitdaging: ze versmolten hun twee typische stijlen tot een nieuwe, derde, stem.
De publicatie van Different Seasons, een collectie van vier novelles, in 1981 betekende een belangrijke stap in de ontwikkeling van Stephen Kings carrière. Daar waar hij in het verleden had afgerekend met vampiers, monsters en weerwolven, onderging zijn horror in dit werk een verinnerlijking. King kwam steeds meer tot het besef dat het Kwaad een deel is van de mens zelf. Hij bracht het horror-element in het alledaagse leven van alledaagse mensen. Deze stap leverde hem meer waardering op van de critici en maakte zijn boeken realistischer en verfijnder. Een goed voorbeeld daarvan was de novelle Apt Pupil. Die waardering uitte zich ook in enkele literaire prijzen. King kreeg in september 1982 de Hugo Award voor Danse Macabre als het beste non-fictie boek en in oktober won hij op de World Fantasy Con de prijs voor het beste short fiction verhaal met Do the Dead Sing?. Dat was ook het jaar van de publicatie van Kings eerste deel van de fantasy-cyclus The Dark Tower, The Gunslinger. In 1987 verscheen deel twee (The Drawing of Three) en in 1991 het derde deel (The Wastelands). Wizard and Glass verscheen eind 1997 en onthulde alles over Rolands jeugd.
In de winter van 1983 schreef King de eerste pagina's van een verhaal met de titel The Napkins. Het was een poging om zijn dochter Naomi te bereiken, "who had read little of my work, and quite simply put, I wanted to please her and reach her." (The Stephen King Story) Het kinderboek werd in 1987 gepubliceerd, onder een andere titel: The Eyes of the Dragon. Dat jaar verschenen ook Misery, een psychologische thriller waarin de grens tussen fictie en realiteit steeds meer vervaagde en The Tommyknockers, waarin aliens de aarde bedreigen. Een jaar daarvoor had King zijn langste roman tot dan toe, It, (1.138 p.) gepubliceerd, waarin hij definitief afrekende met de monsters uit zijn jeugdjaren. Deze roman werd een afbakeningspunt in Kings carrière, omdat hij sinds dat boek niet meer over monsters of creaturen heeft geschreven.
In 1985 verscheen een tweede collectie korte verhalen, Skeleton Crew (oorspronkelijke titel: Night Moves), met verhalen die eerder in allerlei magazines gepubliceerd waren (Redbook, Yankee, Gallery, Playboy, Twilight Zone, Weird Tales, Startling Mystery Stories, Ubris, enz.). De bundel bevatte ook de apocalyptische novelle The Mist, twee fragmenten uit de afgebroken roman The Milkman en twee gedichten, For Owen en Paranoid: A Chant. Twee jaar later, na de publicatie van The Tommyknockers, was King leeggeschreven. Een jaar lang kampte hij met een writers-block en het duurde tot de herfst van 1989 vooraleer de lezer een nieuw King-boek op de planken van de boekenwinkels vond. George Beahm schrijft over deze periode: "Exhausted after finishing The Tommyknockers, King announced that he was taking a break from publishing, which proved to be short-lived." (The Stephen King Companion)
Het einde van Kings writers-block kwam er immers al in mei 1988. "Finally, I wrote a little story called 'Rainy Season' and all at once, everything opened up and flooded out." (The Stephen King Story) Daarna volgden vier publicaties snel na elkaar. In november 1989 kwam er The Dark Half, het tweede boek dat zich bezighield met het schrijverschap (na Misery). Daarna volgde de publicatie van Four Past Midnight, een verzameling van vier novellen (The Langoliers, Secret Window Secret Garden - zijn laatste boek over het schrijverschap -, The Sundog en The Library Policeman). Tussendoor publiceerde Doubleday ook een nieuwe, onverkorte versie van The Stand. In het tweede deel van de inleiding schreef King dat het origineel door de uitgeverij met ongeveer 400 pagina's (100.000 woorden) was geschrapt. King herstelde het originele verhaal en overtrof in bladzijden zelfs It: 1.153 pagina's. Terwijl hij in de zomer van 1992 begon te schrijven aan Gerald's Game en Dolores Claiborne, twee verhalen die verbonden werden door de figuur van Jessie Mahout, verscheen de bovennatuurlijke roman Needful Things, met als ondertitel The Last Castle Rock Story.
Het stadje Castle Rock was door de jaren heen een begrip geworden voor de lezers van Kings werk. King zette het imaginaire plaatsje zelf op de kaart, situeerde het in de staat Maine, in de buurt van Portland, Derry en Bangor en omschreef het ooit als "'Salem's Lot zonder vampiers". Castle Rock groeide uit tot een stad met een eigen gezicht. Zo was er Castle View, Castle Hill, Castle Lake, Castle Stream, Castle Heights, de boerderij Castle Rock Youth League en de Town Roads die naar het Westen leidden. Nan's Luncheonette, dominee William Rose (Stoomboot Willie), Sonny Jacket (eigenaar van Sonny's Texaco) en de sheriffs vormden het kader voor de verschillende Castle Rock-verhalen. King bezocht Castle Rock voor het eerst in The Dead Zone (1979) en keerde naar het plaatsje terug in Pet Sematary (1983), waar sherrif George Bannerman overleed. Andere verhalen die zich in Castle Rock afspeelden waren: Nona, Uncle Otto's Truck, Mrs. Todd's Shortcut, The Body, Cujo en Squad D. Toen King vond dat het tijd was Castle Rock te begraven, wou hij dat in de vorm van een Castle Rock-trilogie doen: The Dark Half, The Sun Dog en Needful Things.
Na de publicatie van Needful Things verscheen een derde bundeling korte verhalen, Nightmares and Dreamscapes (1993). Daarin keerde King overigens nog een laatste keer terug naar Castle Rock, in het verhaal It Grows on You, met de overlevenden van de grote ramp uit Needful Things in de hoofdrol. In de inleiding van deze bundel heeft King het erover dat hij het steeds moeilijker heeft om korte verhalen te schrijven: "(...) All I started to say before I was so rudely interrupted myself was that the act of faith which turns a moment of belief into a real object - i.e., a short story that people will actually want to read - has been a little harder for me to come by in the last few years." Onlangs werd bekend dat er wel degelijk weer een nieuwe kortverhalenbundel op stapel staat: One Headlight zal echter niet voor 2003 verschijnen.
Kings volgende twee romans zetten de trend van verinnerlijking van de horror duidelijk door. Zowel in Insomnia (1994) als in Rose Madder (1995) behandelde hij het thema van vrouwenmishandeling. Menig recensent verweet King dat hij leeggeschreven was, terwijl anderen de mening toegedaan waren dat Kings werk zich tot een hoger, beschaafder en meer literair, niveau had verheven. Deze twee romans besloegen beiden weer meer dan 800 bladzijden. Voor menig literair-criticus is dat een doorn in het oog. Harlan Ellison zegt daarover bijvoorbeeld het volgende: "I can't think of any King novels, with the possible exception of maybe It or the Dark Tower books, that could not have been told just as well as a novella. This is to me the main flaw in Stephen's work." (The Stephen King Companion)
Hoe dan ook, 1996 betekende alweer een topjaar voor Stephen King. A rato van 30 miljoen frank per aflevering schreef hij de "serial thriller" The Green Mile. Het was voor de eerste keer dat King een verhaal in afleveringen neerpende. Naar eigen zeggen werd hij op het idee gebracht door Charles Dickens, die ook veel van zijn romans eerst als feuilletons (in zogenaamde "chapbooks") publiceerde. Bovendien betekende deze manier van werken voor King een nieuwe literaire uitdaging. Terwijl het eerste deel al in de boekenwinkels verkrijgbaar was, moest hij de vervolgen nog schrijven. "I was having trouble moving that story, so when Ralph [Vicinanza, zijn literair agent] brought up the serial idea, I thought, if I agree to this, it wil be like burning my bridges. I'll have to go on." De opzet slaagde en werd een groots succes, zowel wat verkoop (meer dan 1 miljoen exemplaren per deel in Amerika) als kritiek betrof.
Exact één maand na de publicatie van het zesde en laatste deel van The Green Mile, lag er niet één, maar lagen er twee nieuwe King-romans in de boekenwinkels. Onder het motto "The world's greatest writer gives birth to twins" werden de releases van Desperation en The Regulators (begeleid door een reclamecampagne van twee miljoen dollar - de hoogste ooit) samengebracht. King had opnieuw een uniek concept uitgedacht: hoewel de twee romans in wezen los van elkaar staan, worden ze toch met elkaar verbonden door de aanwezigheid van dezelfde hoofdrolspelers, "just like actors who do Hamlet one night and Bus Stop the next," zegt King. Opmerkelijk is dat King voor The Regulators opnieuw het pseudoniem Richard Bachman opviste, hoewel hij hem na de publicatie van Thinner terzijde had geschoven. Maar, zo beweert King, voor The Regulators, had hij hem weer nodig: "When I put on my Bachman hat, I feel everyone just starts at 'Go' and there's no guarantee of a happy ending. It's tremendously liberating; Bachman doesn't have a conscience, he's not afraid to say things that I may be afraid to." (PW Online Edition)
1997 was voor King-fans een heilig jaar. Op 15 augustus verscheen (voor maarliefst 175 dollar) bij Donald M. Grant de Deluxe Signed Edition van Wizard and Glass, het langverwachte vierde deel in de cyclus van de Donkere Toren. Op 4 november kwam ook de paperback editie en zo kon de wereld getuige zijn van de romance die de scherpschutter in zijn jeugd met de jonkvrouw Susan Delgado had. King beantwoordde in zijn boek vele vragen over het verleden van Roland en schreef met het boek voor het eerst een uitermate romantisch boek. Het was tevens het laatste boek bij Kings uitgever, want op 14 november 1997 tekende King een contract met Simon & Schuster (Scribner, Pocket Books, S&S Audio). King koos naar eigen zeggen voor de uitgever met de beste ideeën en de inventiefste marketingscamapgne. Scribner vierde in 1997 zijn 150e verjaardag en zal de hardcoverversies verzorgden; Pocket Books (met momenteel vijf boeken in de New York Times bestseller ranking) brengt de paperbacks op de markt, S&S audio de audiocassettes. Volgens The New York Times zou King een voorschot van twee miljoen dollar per boek krijgen, samen met vijftig procent van de opbrengsten. Op 8 februari 1998 ging voor King nog een kleine droom in vervulling: toen werd in Amerika zijn aflevering, Chinga, voor The X-Files uirgezonden op de Amerikaanse televisie.
Het eerste boek in het deal met Simon & Schuster werd Bag of Bones, een regelrechte spookroman, die later de Bram Stoker Award zou winnen. King keerde hier mee nog één keer terug naar zijn geliefkoosd Maine, bekend van onder meer Derry (It, Insomnia), Castle Rock (Needful Things, Cujo) en Dark Score Lake (Gerald's Game). Het werd ook de eerste roman van King die volledig in de eerste persoon is verteld, afgezien van de monoloog die Dolores Claiborne in het gelijknamige boek afstak. Bag of Bones opent met een schrijver, Michael Noonan, die vertelt over de dood van zijn vrouw, Johanna. Na haar dood wordt Noonan geplaagd door een writers block, ondraagbaar verdriet en nachtmerries die hij zich niet meer kan herinneren. De dromen houden verband met zijn zomerhuisje in Dark Score Lake, de plaats waar Noonan en zijn vrouw altijd al het gelukkigst geweest waren. Het huisje heette Sara Laughs, naar een zwarte zanger, en Noonan besluit om naar Sara Laughs terug te keren om al zijn persoonlijke angsten te confronteren en te overwinnen. Angsten die reëler blijken dan Noonan zich ooit had voorgesteld. Ondertussen leert hij een jonge vrouw, Mattie Devore, en haar dochter Kyra, kennen, voor wie hij onmiddellijk grote sympathie voelt. Mattie heeft problemen, want haar grootvader, de machtige computermagnaat William Devore, wil het hoederecht over Kyra verwerven. Door Kings wissel van uitgever, lag de Engelse editie, gepubliceerd door Hodder and Stoughton, voor het eerst eerder in de boekenwinkels dan de Amerikaanse. Het allerbeste nieuws bij de publicatie was wellicht dat King, de beroemde kluizenaar, een promotietoer door Engeland maakte. Op dinsdag 25 augustus om half acht 's avonds gaf hij in de Royal Festival Hall in Londen een voordracht. Hij gaf tijdens zijn toer ook her en der handtekeningensessies. Die promotietoer was uitzonderlijk, want hoewel hij in het verleden verschillende interviews heeft afgelegd, verschijnt hij sinds jaren bijna niet meer in het publiek. Zijn laatste promotietoer - vóór Bag of Bones - deed hij in november 1994 voor Insomnia op zijn Harley van Maine tot Californië.
Uitgerekend in het jaar dat Stephen King zijn 25e schrijversverjaardag vierde (wat werd begeleid met de beperkte publicatie van het handgeschreven verhaal The Lieutenant's Rap) ontsnapte de schrijver medio juni 1999 aan de dood nadat hij tijdens een wandeling in zijn thuishaven Maine door een mini-van werd aangereden. King verbleef drie weken in het Central Maine Medical Center en werd meerdere malen aan zijn rechterbeen geopereerd. Dat ongeval, en het lange herstel dat erop volgde, bracht Kings productieproces helemaal in de war. Velen vreesden zelfs voor het einde van zijn schrijverscarrière. Niets bleek minder waar. Goed een maand na zijn hospitalisatie ging King weer aan het schrijven, gedurende anderhalf uur per dag. Naast de korte roman The Girl Who Loved Tom Gordon kwam ook de merkwaardige en overal erg gewaardeerde cyclus over de Vietnam-oorlog, Hearts in Atlantis, op de markt. Door een samenwerkingsverband tussen Kings Amerikaanse en Engelse uitgeverij kreeg het boek wereldwijd op dezelfde dag z'n première. King bracht ook een collectie korte verhalen op de markt, die alleen via cassette en cd te verkrijgen was: Blood and Smoke, waarin het thema van het roken centraal staat. Op filmisch gebied ging de release van de mini-serie Storm of the Century (goed voor twee Emmy Award-nominaties) gepaard met de publicatie van het screenplay. Frank Darabonts magistrale filmadaptatie van The Green Mile (met Tom Hanks in de hoofdrol) zou weliswaar vier oscarnominaties krijgen, maar wist er geen enkele te verzilveren.
Dit jaar, in 2000, prijkte Stephen King niet alleen weer op de cover van Time, maar lijkt hij ook zijn horizonten weer te verleggen. Op 14 maart ging hij in samenwerking met Simon and Schuster digitaal met de publicatie van het e-Book Riding the Bullet, dat voor twee dollar van het internet te downloaden was. Een half miljoen exemplaren gleden over de elektronische toonbank. Vlekkeloos verliep dat niet. De belangstelling voor het e-Book was zo groot dat verschillende servers kraakten. Bovendien werd de code waarmee het boek beveiligd was nagenoeg onmiddellijk gekraakt. Vanaf 24 juli is op Kings officiële website ook de novel in progress The Plant te downloaden. Het experiment deed in de uitgeverswereld de idee opwerpen dat het einde van de traditionele publicatie misschien wel in zicht is. Op 3 oktober kwam On Writing in de Amerikaanse boekhandels. In dit boek vertelt King niet alleen over zijn leven en werk, maar geeft hij ook tips en geheimen prijs over hoe hij bij het schrijven te werk gaat.2001 leverde tot nog toe de publicatie van Dreamcatcher op, een X-Files achtig verhaal, dat door de pers erg wisselend werd ontvangen. Het is nu uitkijken naar Black House, de sequel op The Talisman.
Zelfs nu nog, terwijl criticasters beweren dat Kings heerschappij wel stilaan tanende is, blijft hij één van Amerika's meest beroemd auteurs. Om dat te staven haalt Andy Beckett in een artikel aan hoe King ooit een onaangekondigd bezoek kreeg van een zekere Erik Keene. Keene was een King-fan en op een dag in april 1991 stapte hij in zijn auto en reed meer dan drieduizend kilometer naar Kings grote, houten huis in Bangor, Maine. Hij wou dat King samen met hem een boek zou schrijven. Kings vrouw Tabitha werd opgeschrikt door het geluid van brekend glas en stond even later op de zolderkamer oog in oog met Keene, die een bom in zijn hand had. De politie moest uiteindelijk de hele wijk belegeren om een einde te maken aan het incident.
George Beahm schrijft over Kings leven: "King is that rarest of writers: a bestselling author who, unlike many that join him atop the bestseller lists, is also very talented. But there was a price to pay." (The Stephen King Companion) Een prijs te betalen: zo gaat het verhaaltje de ronde dat King eens in een restaurant zat te dineren met Bruce Springsteen. Een tiener klampte hem, smekend om een handtekening aan, terwijl hij de wereldberoemde rockster tegenover King niet herkende. Het ultieme bewijs dat King de Amerikaanse droom wel zeker heeft waargemaakt.
Tekst (c) Hans Dewijngaert - 14/06/2001
Gebruikte bronnen:G. Beahm, The Stephen King
Story, 1992.
G. Beahm, The Stephen King Companion, 1991.
G. Hoppenstand, The Gothic World of Stephen King, 1987.
S. King, Danse Macabre, 1981.
A. Lloyd, The Films of Stephen King, 1993.
S, Spignesi, The Complete Stephen King Encyclopedia, 1991.
S. Spignesi, "Horror King, Stephen King", in: Cinefantastique,
1991.
T. Underwoord e.a., Fear Itself, 1982.
D. Winter, Faces of Fear, 1989.
D. Winter, The Art of Darkness, 1989.