De stratigrafische onderverdeling van de Belgische Rupelklei

Home
Rupelklei 
De stratigrafie van het Oligoceen in België is eerder complex.
Een samenvatting werd gegeven door Glibert & de Heinzelin (1954b) en Glibert (1957), die hieronder wordt gereproduceerd.
 
Oligocene after Glibert and de Heinzelin
De afdelingen van het Oligoceen in België, na Glibert & de Heinzelin (1954b) en Glibert (1957).
De symbolen zijn die van de Geologische Kaart van België.
 
Daarna, werd het Zand van Grimmertingen overgebracht naar het Recente Eoceen, samen met Lattorfian. Nochtans, na de aanwijzing van een GSSP voor de Eocene-Oligocene grens in Massignano, dichtbij Ancona, Italië (Premoli & Jenkins, 1993) werd het opnieuw een deel van het Vroege Oligoceen.
 
De actuele meningen worden samengevat door Marechal & Laga (1988) en Marechal (1991).
Zij verdelen het Oligoceen van België in eenheden, die in de hieronder lijst worden gegeven.
 
Absolute ouderdom: in 106 jaar; C.s.u.: chronostratigrafische eenheden;
V.B.: province van Vlaams Brabant, A.: province van Antwerpen, L. province van Limburg.
 
Paleografische map, vroeg Oligoceen
 
De molluskenfauna van het Belgische Oligoceen werd beschreven door verschillende auteurs.
Glibert & De Heinzelin (1954) bestudeerden de Limburgse en Vlaams Brabantse brakwaterfauna's en mariene fauna's van het Rupeliaan, waarin vooral de Zanden van Alde Biezen (Atuatuca Formatie, brak) en de Zanden van Berg (Rupel Formatie, marien) een zeer rijke fauna bevatten. Bovendien beschreven ze de fauna van de Zanden van Grimmertingen, die toen bij het Oligoceen ingedeeld werden, maar nu bij het bovenste Eoceen (Boven Priaboniaan) gerekend worden.
Glibert (1957) bestudeerde de fauna van de Rupelklei zelf, naast deze van het Boven Oligocene Chattiaan uit de steenkoolmijnen van Limburg en de Kempen. Deze studie, hoewel zeer grondig verricht, vertoont enkele gebreken karakteristiek voor de periode waarin ze geschreven werd.
In de eerste plaats werd geen rekening gehouden met de stratigrafische indeling van het Rupeliaan, zodat de exacte stratigrafische herkomst van de stukken onbekend is.
Deze indeling gebeurde eerst veel later, door Vandenberghe (1978). Bovendien werd enkel gebruik gemaakt van aan de oppervlakte verzameld materiaal, niet van gezeefde kleimonsters. Daardoor bleven de kleinere soorten onbekend, terwijl ook van de grotere soorten geen protoconchen gekend zijn.
Een laatste studie, die enkel de pteropoden behandelde, is van de hand van Janssen (1989).
Om deze redenen is de ECCG gestart met een systematische bemonstering van de verschillende septariahorizonten van de Rupelklei.
Tussen de septariahorizonten komen immers kleibanken voor, die in verhouding zeer weinig kalkmateriaal en dus ook zeer weinig schelpen bevatten. Bovendien is deze klei veel moeilijker te verwerken dan het iets meer zandige materiaal tussen de septaria. Dit onderzoek leverde de fauna op, die weergegeven is in tabel 1. en die bestaat uit 63 soorten. 25 daarvan zijn nieuw voor België; zij werden gedetermineerd door vergelijking met de fauna van Malliss, Duitsland, beschreven door Moths (2000). Opvallend is dat de meest voorkomende molluskensoort, de scaphopode Gadilina ottoi (Pilsbry & Sharpe, 1898), voor het eerst in het Belgische Oligoceen aangetoond werd.

tabel 1
Rupel clay
NewName S0S10S20S30S35S41S50S60
 Yoldia deshayesiana (Nyst, 1835)  x    xxxxx
xYoldiella p. pygmaea (von Münster, 1837)      x    xx  
xNucula sp.      x          
 Nucula duchasteli Nyst, 1835            x x  
xBathyarca bellula (Wiechmann, 1870)              x  
xNucinella dobergensis (Lienenklaus, 1891)      x    xx  
 Chlamys picta diomedes (d'Orbigny, 1852)      x          
 Pycnodonte paradoxa (Nyst, 1835)         x        
 Thyasira benedeni (De Koninck, 1835)            xx  
xThyasira obtusa (Beyrich, 1848)            xx  
xLucinoma borealis (Linnaeus, 1758) subsp.      x          
xMontacuta sp.            x    
 Cyclocardia kickxi (Nyst, 1835)    x    x      
 Carinastarte kickxi (Nyst, 1835)  x              
 Arctica i. rotundata (Agassis, 1845)  x          x  
xHiatella arctica (Linnaeus, 1758)  x          x  
 Corbula gibba (Olivi, 1792) s.l.          xxx  
xThracia nysti von Koenen, 1868          x  x  
xCuspidaria clava (Beyrich, 1848)              x  
 Cardiomya kochi (Philippi, 1843)              x  
 Pholadomya puschi Goldfuss, 1837  x          x  
 Bivalvia: Total    515248141
 Solariella bernaysi Glibert, 1950              x  
xAlvania cf. rupeliensis Tembrock, 1969              x  
xPutilla sp.      x          
xCirsope multicingulata (Sandberger, 1868)              x  
xCirsope ovulum (Philippi, 1844)              x  
 Lunatia achatensis (De Koninck, 1837)          xxxx
 Arrhoges s. speciosus (Scholtheim, 1820)  x    x xxxx
 Charonia flandrica (De Koninck, 1837)          x  x  
 Ficus concinnus (Beyrich, 1856)              xx
 Echinophoria rondeleti (Basterot, 1825)              x  
 Eotyphis scalaris (Braun, 1850)              x  
 Hexaplex pauwelsi (De Koninck, 1837)              x  
 Liomesus danicus (Von Koenen, 1880)              x  
 Aquilofusus deshayesi (De Koninck, 1837)              x  
 Aquilofusus waeli (Nyst, 1852)               x x
 Streptolathyrus m. multisulactus (Nyst, 1843)          xxxx
 Fusinus elatior (Beyrich, 1856)              xx
 Streptodictyon soellingensis (Tembrock, 1965)              x  
 Babylonella fusiformis (Cantraine, 1835)            xx  
 Ancilla karsteni (Beyrich, 1850)                x
 Genota morreni (De Koninck, 1837)          x      
 Bathytoma crenata (Nyst, 1843)              xx
xAsperodaphne n. sp.              x  
 Turricula regularis (De Koninck, 1837)        x    xx
 Oxytropa konincki (Nyst, 1843)              xx
 Gemmula laticlavia (Beyrich, 1848)            xxx
 Fusiturris d. duchasteli (Nyst, 1843)        x    x  
 Fusiturris selysi (De Koninck, 1837)            xxx
 Fusiturris vervoeneni A.W. Janssen                  
xNiso incrassata (Von Koenen, 1867)              x  
x Cirsotrema cf. insigne (Philippi, 1843)            ?    
xAclis vetusta Wiechmann, 1871              x  
xOdostomia acutiuscula (Braun, 1850)              x  
xRingicula semperi Koch, 1860              x  
xCylichna laurenti (Bosquet, 1859)              x  
xCrenilabium terebelloides (Philippi, 1844)              x  
xPhiline kochi Von Koenen, 1880              x  
 Clio blinkae A.W. Janssen, 1989      x          
 Limacina hospes Rolle, 1821              x  
  Creseis sp.                  
 Gastropoda: Total    1022573312
xGadilina ottoi (Pilsbry & Sharpe, 1898)      x      x  
xGadila rupeliensis R. Janssen, 1989      x      x  
 Fissidentalium n. pseudacutum R. Janssen, 1989      x  x  x  
 Scaphopoda: Total    00301030
     1022583312
     511247141
25Mollusca: Total   63616410165013
 
De onderzochte monsters komen uit drie kleigroeven, Wienerberger te Rumst, Argex te Kruibeke en SVK te St. Niklaas. Uit de andere bestaande ontsluitingen zal in de toekomst materiaal verzameld worden. Wel moet vermeld worden, dat in een studieboring voor de mogelijkheid van het opslaan van radioactief afval in de Kempen, de Rupelklei een veel grotere dikte bereikte dan in de openlucht ontsluitingen (tot enkele honderden meters). Materiaal uit deze boring kan mogelijk binnenkort eveneens onderzocht worden.
 
 
Verder is uit grafiek 2 op te maken dat de diversiteit aan molluskensoorten toeneemt naarmate men hoger in het profiel komt.
De diversiteit neemt toe vanaf S41 en bereikt een maximum in S50. In de lagen die behoren tot de Terhagen Klei van komen vooral geïsoleerde schelpen voor; onderaan is Arctica islandica rotundata typisch, die reeds onder de Rupelklei voorkomt.
Bovendien komen ook Cyclocardia kickxi en Carinastarte kickxi. blijkbaar enkel in de Terhagen Klei voor. Typisch is de pteropode Clio blinkae AW. Janssen, 1989.
Na S30, in de Putte Klei, stijgt de diversiteit aanzienlijk. Hier komt de pteropode Limacina hospes Rolle, 1821 voor.
Het hoogste aantal soorten wordt bereikt in S50, maar mogelijk is dit slechts schijnbaar, vermits S60 nog weinig bemonsterd werd. De fauna wordt gekenmerkt door soorten die aangepast zijn aan een zuurstofarm milieu, zoals Thyasira
In S41 en S50 komen niet alleen volwassen schelpen voor, zoals in de onderliggende lagen, maar ook protoconchen, dus embryonale exemplaren. Blijkbaar heeft de fauna een lange tijd nodig gehad om een stabiele populatie te ontwikkelen, die zich ter plaatse kon voortplanten. Daarvoor kwamen slechts geïsoleerde individuen voor, die niet gestorven zijn waar ze geleefd hadden.
Niet alleen de mollusken bereiken een maximale diversiteit in S50. Er heeft zich blijkbaar een gediversifiëerde invertebratenfauna ontwikkeld. Deze omvatte onde meer een soort brachiopode, die redelijk algemeen is, maar waarschijnlijk nog niet beschreven. Verder komt een soort bryozoa voor.
Veel brokstukken, die niet afgebeeld zijn, behoren waarschijnlijk tot de drijvende hydrozoakolonie Delheidia, waarvan slechts zeven volledige exemplaren bekend zijn.
Zeer opmerkelijk is dat ook insekten gevonden worden. Een kever sp.1 werdt aangetroffen door J. Herman in S41, ene andere kever sp.2 door L. Defraigne in de "Red Layer". Een wants werdt gevonden door R. Marquet in S50. De fossiele insekten zijn gepyritiseerd. Het is slechts uitzonderlijke dat landdieren bewaard blijven in een marien milieu. In geen enkele Miocene of Pliocene afzetting komt dit voor. Voor een dergelijke conservatie is er een milieu met zeer weinig zuurstof vereist. Ook wijst het op het in de nabijheid voorkomen van land, wat in tegenspraak is met het feit dat de molluskenfauna eerder op diep water wijst, waarschijnlijk dieper dan de Kattendijk Formatie, die op 50 meter of dieper afgezet lijkt.

Literatuur over de Oligocene fauna en stratigrafie

Glibert, M. & De Heinzelin, J. 1954. L'Oligocène inférieur belge. Volume Jubilaire Victor Van Straelen I, Brussel, IRScNB. pp. 281-438.
Glibert, M., 1957. Pélécypodes et gastropodes du Rupélien supérieur et du Chattien de la Belgique. Institut royal des Sciences naturelles de Belgique, Mémoires 137: 1-98.
Janssen, A.W., 1989. Some new pteropod species from the North Sea Basin Cainozoic (Mollusca: Gastropoda, Euthecosomata). Mededelingen van de Werkgroep voor Tertiaire en Kwartaire Geologie 26 (3): 91-133
Maréchal, R. 1991. A new lithostratigraphic scale for the Paleogene of Belgium. Abstracts 3rd Biannual Joint Meeting Regional Committees on Northern Palaeogene and Northern Neogene Stratigraphy, Gent, 9-13 September 1991, 2 p., 1 fig.
Maréchal, R. & Laga, P., 1988. Voorstel Lithostratigrafische Indeling van het Paleogeen. Nationale Commissies voor Stratigrafie, Commissie Tertiair, Belgische Geologische Dienst, Brussel, 208 pp.
Moths, H., 2000. Die Molluskenfauna im Rupelton der Ziegeleitongrube Malliss im Wanzeberg (südwestl. Mecklenburg-Vorpommern). Malliss, Regionalmuseum. 103 pp.
Premoli Silva, I. & Jenkens, D.G., 1993. Decision on the Eocene-Oligocene boundary stratotype. Episodes, 16(3): 379-382.
Vandenberghe, N., 1978. Sedimentology of the Boom Clay Formation, Belgium. Bulletin van de Belgische Vereniging voor Geologie 102 (1-2): 5-77.
top