Stratigrafie en fauna van het Plioceen in BelgiŽ
Home
 
Plioceen in Belgie
Paleogeografie van het zuidelijke Noordzeebekken
- ononderbroken lijn: huidige kust, - streeplijn: kustlijn tijdens het Plioceen, - puntlijn: kustlijn tijdens het Mioceen.
1 = Yerzeke, 2 = Ellewoutsdijk, 3 = Tielrode, 4 = Kallo, 5 = Antwerpen, 6 = Boechout, 7 = Kasterlee, 8 = East Anglia.
Naar de Henzelein (1963)

Docks Antwerp
Antwerpse dokken - Belgie
Stratigrafie en fauna van het Plioceen in BelgiŽ
Het onderste deel van het Plioceen in de streek van Antwerpen werd voor het eerst beschreven als de Kattendijk Formatie door De Heinzelin (1995).
De Zanden van de Luchtbal, die niet aangetroffen werden door Louwye et al. (2004) in de door hen bestudeerde secties, moet dan overeen komen met het bovenste deel van het Zanclaan.
Een typesectie (Verbindingsdok te Antwerpen) en een typelocaliteit (omgeving van het Kattendijkdok, Amerikadok en LefŤbvredok) werden voorgesteld door De Meuter & Laga (1974), die ook een diagnose van deze afzetting opstelden.
Vandenberghe et al. (1998) correleerden de formatie met het vroeg Zancleaan, planctonische foraminiferen associatie NFP 16 (N-19), benthische foraminiferen associatie B10, benthische mollusken associatie BM22A en otolietenzone 17, naar Vinken (1988).
Louwye et al. (2004) studeerden cysten van dinoflagellaten uit de secties Kallo (Verrebroekdok) en Doel (Deurganckdok). Ze besloten dat de absolute ouderdom van het deel van de Kattendijk Formatie dat in deze secties ontsloten was een absolute ouderdom tussen 5,0 en 4,7 Ma had.
Het vormt dus het onderste deel van het Zancleaan, zoals bepaald door Gradstein et al. (2004), dat loopt van 5,33+/-0 tot 3,6+/-0 Ma.
Het klimaat veranderde meermaals gedurende het Plioceen. Leroy et al. (1999) plaatsten de eerste verkoeling van het klimaat in het Zancleaan, op 4,5 Ma, dus in het bovenste deel of net boven de Kattendijk Formatie zoals onderzocht door Louwye et al. (2004).
Voor de rest van het Zancleaan veronderstelden Leroy et al. (1999) dat het klimaat over het algemeen warmer was.
Een tweede belangrijke gebeurtenis, die volgens Van Vliet-LanoŽ et al. (2002) plaats vond gedurende het Zancleaan, dus in de Kattendijk Formatie, was de doorbraak van het Kanaal. De zeediepte van de Kattendijk Formatie te Kallo en Doel werd door Marquet (2004) geschat op m, op basis van de bivalvenfauna.
In het Antwerpse omvat de Kattendijk Formatie een onderste deel, met daarin de Petaloconchus horizon. De meeste bivalven komen er als losse kleppen in voor, uitgezonderd in de Petaloconchus buizen; in deze horizon vindt men vooral soorten die in holten leven in de buizen van de "wormslakken". Gastropoda, die vooral op rotsen aangetroffen worden, zijn ook algemeen in deze afzetting. Boven deze horizon komen meer bivalven voor. De frequentste soorten zijn vrijlevende Pectinidae, terwijl ook de infaunale Glycymerididae lokaal zeer algemeen kunnen zijn. Vooral op de Rechteroever te Antwerpen vormen zij soms een compacte bank. Panopea exemplaren worden in levenspositie aangetroffen. Deze Formatie betekent ook het einde voor een hoofdzakelijk Miocene lokale evolutielijn binnen de Astartidae, het genus Carinastarte.
De Zanden van Luchtbal werden door De Heinzelin (1995) beschreven naar Leriche (1912) als de tweede Pliocene afzetting in BelgiŽ. Typesectie en typelocaliteit (Tweede en Derde Havendok te Antwerpen, 10 tot 8 m onder het natuurlijke maaiveld, werden voorgesteld door De Meuter & Laga (1974), die ook een diagnose van de afzetting opstelden. Zij beschouwden de Zanden van Luchtbal als het eerste deel van een tweede Pliocene Formatie, de Lillo Formatie. Vandenberghe et al. (1998) correleerden deze Zanden met het vroeg Zancleaan, planctonische foraminiferen associatie NFP 16 (N-19), benthische foraminiferen associatie B10, benthische mollusken associatie BM22A en otolietenzone 18, naar Vinken (1988).
Volgens Leroy et al. (1999) begonnen de temperaturen te dalen net onder de grens Zancleaan-Piacenziaan, 3,6 Ma, dus mogelijk op het einde van de Zanden van Luchtbal. Het sediment begint te veranderen : geel in plaats van grijs glauconiethoudend zand.
De Zanden van Luchtbal worden gekenmerkt deels door een zeer dichte opeenstapeling van Pseudamussium gerardi losse kleppen, met weinig andere soorten mollusken, maar wel talrijke zeeŽgels en bryozoa. Het onderste deel van de Zanden bevatten minder schelpen, maar de fauna is meer gediversifiŽerd en ze omvat zeer fragiele bivalven, zoals Pholadomya hesterna die volmaakt bewaard zijn. Vanaf deze zanden vertoont de familie Astartidae, en vooral het genus Isocrassina,een opmerkelijke diversificatie en deze worden een van de dominante elementen van de fauna.
De Zanden van Oorderen werden vroeger aangeduid als "Sables de Kallo". De typelocaliteit is het vroegere dorp Oorderen in de Antwerpse haven, de typesectie is de Boudewijsluis in Antwerpen, tussen 13,50 en 10,50 m.
De Zanden van Oorderen komen overeen met de benthische foraminiferen associatie B12, benthische mollusken associatie BM22B en otolietenzone 19. De basislaag van deze afzetting kon niet nauwkeurig gedateerd worden te Kallo, omwille van het voorkomen van grote aantallen verspoelde fossielen (4.2-2.65 Ma). Het bovenliggende deel werd geschat op een ouderdom tussen 2,65 en 2,74 Ma.
De verkoeling van het klimaat, die gestart was rond 3,6 Ma, bereikte volgens Leroy et al. (1999) een maximum op 3,35-3,3 Ma, gevolgd door een warmere periode tussen 3,3 en 3,25 Ma. Vanaf het einde deze warme periode begint het klimaat af te koelen, wat tenslotte culmineert in de glaciaal-interglaciaal cyclus vanaf 2,6 Ma.
- Deze Zanden worden faunistisch gekenmerkt door het verschijnen van Neptunea angulata, die een van de talrijkst aanwezige soorten zal worden.
- De basislaag bevat een mengeling van alle onderliggende fauna-elementen, samen met autochtone fossielen. Het is dikwijls moeilijk een onderscheid tussen beide te maken.
- Het volgende deel boven de basislaag wordt gekenmerkt door het massaal voorkomen van Atrina fragilis kalloensis. Exemplaren van deze soort waren bij de Zeesluis van Kallo in levenspositie terug te vinden, maar overal elders liggen ze plat. Zeldzaam worden hun pareltjes teruggevonden.
- Dit deel van de Zanden van Oorderen wordt afgesloten met een zeer dicht opeen gepakt pakket Pygocardia rustica vorm. Deze vorm wordt alleen aangetroffen in dit dicht op elkaar gestapelde deel, terwijl er boven zowel als er onder de gewone vorm aanwezig is.
- Het tweede deel van de Zanden van Oorderen bezit een meer soortenrijke fauna, waarin dubbelkleppige exemplaren van Cultellus cultellatus echter zeer opvallend zijn in de meest dicht afzettingen. Hoewel ze uiterst breekbaar zijn, is hun conservatie uitstekend.
- Het laatst, kleiige deel van de Zanden van Oorderen bevat een schelpenbed met talrijke dubbelkleppige exemplaren van Angulus benedeni benedeni, een soort die al voorkomt vanaf de basislaag van de Zanden van Oorderen, maar die hier het meest algemeen wordt.
Een zandig equivalent van deze fauna vormen waarschijnlijk de Zanden van Austruweel, die op de rechter Schelde oever in een beperkt gebied voorkomen, en die dikwijls landslakken bevatten.
De Zanden van Kruisschans bezitten als typelocaliteit het Kruisschansfort in Oorderen in de Antwerpse haven, de typesectie is de Boudewijsluis in Antwerpen, tussen 7,50 en 5,50 m. Geschatte ouderdom is groter dan 2,6 Ma, dus ouder dan het begin van de laatste fase van het Plioceen, het Gelasiaan.
Ze maken, samen met de Zanden van Merksem, deel uit van de benthische foraminiferen associatie B12, benthische mollusken associatie BM22C en otolietenzone 19. Ze bevatten weinig fossielen in de kleiige delen, maar een niveau hierin wordt gekenmerkt door de zeldzame bivalve Panomya trapezoÔdes. Ook zandlenzen komen voor en deze bevatten enorme aantallen Corbula gibba gibba, een algemene soort voor het ganse Plioceen, die al wordt aangetroffen vanaf het Eoceen en nog altijd leeft. Stratigrafisch kenmerkende soorten zijn Yoldia heeringi en Laevicardium (Dinocardium) parkinsoni.
De Zanden van Merksem, met als typelocaliteit het district Merksem van Antwerpe en typesectie het fort van Merksem, op 4,40 m, bevatten in Doel en Kallo een zeer sterk verarmde fauna, die vrijwel uitsluitend uit Corbula gibba gibba bestaat. In de haven op de rechter Schelde oever is de fauna meer divers, met meer gastropoden. Kenmerkend is het raadselachtige sporenfossiel Tasselia ordamensis.
In bepaalde vindplaatsen (Berendrechtsluis) komt een afzetting vrijwel zonder lichaamsfossielen voor, maar enkel met een zeer diverse reeks sporenfossielen, waarbij onder meer sporen van kruipende zeeŽgels. Deze wordt de Zanden van Zandvliet genoemd, met als typelocaliteit en sectie de Zandvlietsluis, Antwerpen.
De Kempense Poederlee Formatie, die aangetroffen wordt in de heuvels rond de typelocaliteit Poederlee, bevat limonitische zandstenen, met afdrukken van schelpen; het kan om een lokaal equivalent van de Zanden van Merksem gaan.
De Kempense Formatie van Mol is continentaal en bevat enkel ligniet resten, in een matrix van zuiver wit zand.

 
Stratigraphy of the Pliocene
 
Stratigrafie van het Antwerps basis Plioceen en correlatie met de internationale stratigrafische schaal;
modifie na Vandenberghe en al., 1998.
I.S.U. = International Stratigraphic Units, BM = benthic molluscs, BF = benthic Foraminifera, PF = plantonic Foraminifera, O = otoliths

 
Correlatie tussen Engelse, Belgische en Nederlandse Onder Pleistoceen and Plioceen

Reference:
Marquet R. (2004) Ecology and evolution of Pliocene bivalves from the Antwerp Basin. Bulletin de l'Institut royal des Sciences naturelles de Belgique, Sciences de la Terre, 74-supplement: 205-212, 5 figs, 3 tables; Bruxelles-Brussel, 2004
top