CDC
Kenmerken
Verwachtingen
 
cri-du-chat syndroom hulpsite
Deletie van de korte arm van autosoom 5
Seks Ratio
Prenatale gegevens
Geboortegewicht
De klinisch kenmerkende triade
  Congenitale afwijkingen
Tandontwikkeling
Technische onderzoekingen
Familiaal genetisch onderzoek
 
Medische info
Verhaaltjes
In de kijker
Links
Contact

In 1962 beschreven J. Lejeune en medewerkers 6 kinderen bij wie, naast een aanzienlijke psychomotorische achterlijkheid en een karakteristieke craniofaciale dysmorfie, vooral een typisch geschreeuw, gelijkend op dat van een jonge kat, kenmerkend was. In enkele van deze gevallen was reeds door de ouders opgemerkt dat hun kindje akelige, scherpe kreten uitbracht als het klaaglijk huilen van een kat. Dit symptoom is in zover typisch voor het ziektebeeld dat Lejeune en medewerkers de nogal triviale benaming van 'le syndrome du cri du chat' vooropstelden. In navolging hiervan spreken de angelsaksische auteurs van 'the cat's cry syndrome' en vinden we in de duitse literatuur een 'Katzenschreisyndrom' beschreven.

Bij de bepaling van het karyotype van deze kinderen werd steeds dezelfde afwijking vastgesteld namelijk een deletie, een geheel of gedeeltelijk ontbreken van de korte arm van chromosoom nummer 5.

Overeenkomstig de 'Chicago Conference on Standardization in Human Cytogenetics' (1966) wordt het karyotype van dit syndroom beschreven als 46, XX of XY, 5 p- of meer algemeen 46, XX of XY, Bp-.

Inderdaad dit autosoom 5 behoort in de Denver Classificatie tot de groep B waarbij ook autosoom 4 thuishoort. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de pathologie van het B-chromosoom meer omvattend is dan de deletie van de korte arm van chromosoom nummer 5. Andere afwijkingen van het B-5 chromosoom o.a. trisomie van de korte arm van B-5 en abnormaal lange arm van B-5 werden eveneens beschreven. Ook deletie van de korte arm van chromosoom nummer 4 blijkt een eigen, wel omschreven klinische entiteit te vormen, goed te onderscheiden van de deletie van het B-5 chromosoom of 'cri du chat' syndroom.

Sedert de eerste publicatie van 'le syndrome du cri du chat' door Lejeune in 1963 werden tot op heden meer dan honderd dergelijke gevallen beschreven. Het is echter niet mogelijk de juiste incidentie van dit ziektebeeld te omschrijven dat nog onvoldoende gekend is.

De leeftijd waarop de klinische diagnose wordt gesteld of chromosomaal onderzoek op klinisch vermoeden wordt aangevraagd ligt gewoonlijk beneden 3 jaar.
terug naar boven

Seks Ratio

Het overwicht aan meisjes met dit syndroom is tamelijk uitgesproken. De verhouding meisjes / jongens in praktisch 2 / 1.
terug naar boven

Prenatale gegevens

In de gevallen waarbij de zwangerschapsduur gekend is, is deze in meer dan de helft van de gevallen stipt 40 weken; postmaturiteit is eerder zelden; een zwangerschapsduur van minder dan 36 weken komt zelden voor.

Het zwangerschapsverloop is meestal onopvallend. Tweemaal gold het een tweelingzwangerschap; drie maal trad een bloeding op tijdens de eerste trimester van de zwangerschap; de ouderdom van de ouders op het ogenblik van de geboorte is wat de vader betreft gemiddeld 31 jaar, wat de moeder betreft 26 jaar.
terug naar boven

Geboortegewicht

Bij de geboorte is het laag geboortegewicht het meest opvallend.

Op 100 gevallen waarvan het geboortegewicht gekend is, zijn er 50 onder de 2 500 gram alhoewel het om 'ŗ terme' of slechts licht premature kinderen gaat.
terug naar boven

De klinisch kenmerkende triade

-'Cri du Chat'
- Craniofaciale dysmorfie
- Psychomotorische achterstand


De 'Cri du Chat'
Op het ogenblik van de diagnose vertonen praktisch alle patiŽnten de typische schreeuw. Deze is best te beschrijven als een klaaglijk gehuil, van hoge toonhoogte, scherp, eerder monotoon en niet beter te vergelijken dan met het schreeuwen van een jonge kat. Na de beschrijving van J. Lejeune is dit typisch schreeuwen praktisch steeds de aanleiding voor het aanvragen van een chromosomaal onderzoek. Slechts enkele, meestal reeds oudere patiŽntjes vertonen het typisch geschreeuw niet, het is inderdaad zo dat met de leeftijd het typische miauwkarakter verdwijnt en alleen een toonloos, ruw, maar niet meer erg specifiek geschreeuw overblijft.

Craniofaciale dysmorfie
Naast de typische 'cri' vertonen deze kinderen een misvorming van hersen- en aanzichtschedel: craniofaciale dysmorfie. Het zijn microcefale kinderen, met een rond aangezicht (moon face) en duidelijke retrognatie van de onderkaak.

Hypertelorisme, platte neus met brede neuswortel, epicanthus en antimongoloÔde stand van de oogspleten zijn meetal aanwezig. De oorinplanting is gewoonlijk abnormaal laag. Het oorreliŽf kan gestoord zijn in de zin van een duidelijke misvorming of een te geringe reliŽfvorming. Ook preauriculaire aanhangsels kunnen voorkomen. Strabismus, zowel divergent als convergent werden vastgesteld. Een korte nek, en een hoog ogivaal gehemelte kan dit uitgebreide gamma nog aanvullen. Lage haargrens, protrusio linguae alsook vasculaire telangiectasiŽn op het aangezicht worden af en toe beschreven.

De psychomotorische ontwikkeling
Deze patiŽntjes vertonen een duidelijke statu-ponderale achterstand (failure to thrive). Het gaat om kinderen met een laag geboortegewicht waarbij frequent drink en slikmoeilijkheden vermeld worden. Deze groeiachterstand komen ze nooit meer te boven, eerder nog neemt hun achterstand in lengte en gewicht proportioneel gesproken toe met de leeftijd.

De psychomotorische ontwikkeling is sterk vertraagd, naast de reeds vermelde drink- en slikmoeilijkheden waarbij nervus glossopharyngeus spasmen beschreven zijn, zijn deze kinderen veruit achter in hun normale ontwikkeling. Kruipen, grijpen naar voorwerpen, de eerste looppasjes laten allen lang op zich wachten. Enuresis nocturna blijft lange tijd bestaan, en verdwijnt soms niet, terwijl de sociale aanpassing gebrekkig blijkt.

Uitgesproken hypotonie, soms met hyperreflexie of met behoud van archaÔsche reflexen, is frequent vermeld, en gaat soms gepaard met een uitgesproken laxiteit van de gewrichten. Daarentegen komen ook veralgemeende hypertonie en spastische parese van de onderste ledematen eveneens voor.

Stuipen, petit mal, tonisch-klonische gegeneraliseerde convulsies evenals athetotische bewegingen van een lidmaat werden soms gezien. Complete analgesie is soms aanwezig.

De mentale ontwikkeling is pover. De I.Q. verdeling van deze kinderen vormt een Gauss-kurve met een gemiddelde rond 30-40. In 75% der gevallen reikt het I.Q niet boven de 70. De mentale achterlijkheid neemt zelfs toe met de leeftijd en is sterker uitgesproken dan bij het syndroom van Down (mongolisme). Gevallen met totale deletie van de korte arm van autosoom 5 zouden mentaal meer gehandicapt zijn dan de gevallen met partiŽle deletie.

De genitalia zijn meestal normaal. In sommige gevallen werd cryptorchidie beschreven en bij een patiŽntje werd een sterk vermoeden van pubertas precox vermeld.
terug naar boven

Geassocieerde congenitale afwijkingen

Vermelden we kort de voornaamste uit een ganse reeks. Hartafwijkingen zijn tamelijk frequent.
a) 11 gevallen werden beschreven waarbij de klinische diagnose door technische onderzoekingen bevestigd werd.
b) In 8 andere gevallen is de klinische diagnose van congenitale hartafwijking zeker.
Wat het locomotorisch stelsel aangaat is de gamma van afwijkingen tamelijk uitgebreid. Pes equinovarus en congenitale heupluxatie zijn niet zelden. Verkeerde inplanting van vingers en tenen of een min of meer uitgebreide syndactylie vooral van IIe en IIIde vinger of teen werden ook herhaalde malen beschreven.
terug naar boven

Tandontwikkeling

Malocclusie wordt, indien aanwezig, veroorzaakt door de uitgesproken retrognathie van de onderkaak, in een enkel geval door een weliswaar gecorrigeerde wolfsmuil. Erge ontwikkelingsstoornissen, of stoornissen in de tanddoorbraak zijn niet beschreven.

Diastasis recti, navelhernia en hernia inguinalis zijn veel voorkomend. Anus imperforatus is eenmaal beschreven, alsook een geval van ectopische, te sterk naar voor gelegen, nauwe anus.

Afwijkingen in aantal en bouw der ribben, thymushyperplasie, dilatatie van de hersenventrikels door cortex atrofie, nierafwijkingen o.a. unilaterale niergenese zijn andere voorkomende afwijkingen.
terug naar boven

Technische onderzoekingen

Laryngologisch onderzoek
Het zeer speciaal karakter van het schreeuwen heeft vlug de larynx als mogelijke oorzaak hiervan doen verdenken. Sommige auteurs vermelden een volledig normale larynx. Anderen vinden een wat kleine en nauwe larynx, die verder anatomisch normaal gevormd blijkt met normale goed beweeglijke stembanden. De meesten echter vestigen de aandacht op de sterke flacciditeit van de ganse larynx, vooral de epiglottis en de ary-epiglottis plooien zijn week. Bij inspiratie kantelen ze in de holte van het vestibulum laryngis en sluiten zo de glottis, die kleiner en nauwer gevormd is dan normaal, volledig af. Bij fonatie komen de stembanden aan de voorzijde wel goed tegen mekaar maar achteraan blijft ter hoogte van de achterste commisuur een opening bestaan.

Deze laryngomalacie zou de oorzaak zijn van de eigenaardige 'stridor' van deze patiŽntjes.

Fonografisch vergelijkende studies tussen het geschreeuw van normale kinderen, de schreeuw bij de 'cri du chat' kinderen en het schreeuwen van een kat tonen dat de twee laatstgenoemde kreten veel overeenstemming met mekaar vertonen.

E.E.G.
Electro-encefalografische opnamen tonen geen specifieke afwijkingen. Meestal wordt een diffuse dystritmie zonder kantoverwicht beschreven.

Radiografische opnamen van het skelet
In alle gevallen is de beenderleeftijd normaal. De beenderafwijkingen zijn deze die bij de beschrijving van de craniofaciale dysmorfie en de locomotorische afwijkingen reeds werden vernoemd.

Oftalmologisch onderzoek
Oogafwijkingen zijn frequent gevonden bij oftalmologisch onderzoek.

Strabismus komt frequent voor. Coloboma iridis werd een paar malen beschreven.

Het oogfundusonderzoek toonde een abnormale intrede van nervus opticum in ťťn geval. De pupillen waren soms bleek, soms kwam zelfs opticusatrofie voor.
terug naar boven

Familiaal genetisch onderzoek

Chromosoom diagram
De kritische area van het chromosoom wat de genen bevat die verantwoordelijk zijn voor de typische trekken van het syndroom bevinden zich in band 5p15.2. (zie diagram)

De geen die het typische geschreeuw veroorzaakt denken ze bevind zich in band 5p15.3. Dit zou verklaren waarom sommige babyís wel het typische geschreeuw hebben en niet de karakteristieken van CDC en omgekeerd.

Tot op het heden is via het chromosoom onderzoek nog niet uit te maken hoe erg de handicap van het kind zal zijn.

Cytogenetisch onderzoek
Een honderdtal gevallen met klinisch vermoeden 'cri du chat' syndroom werden cytogenetisch onderzocht, hetzij in lymfocyten of fibroblastencultuur. Zoals hoger vermeld wordt in de overgrote meerderheid der gevallen het karyotype 46, XX of XY, Bp- gevonden. De graad van de deletie is sterk varierend; geen verband wordt evenwel gevonden tussen de uitgebreidheid van de deletie en de klinische symptomatologie.

Door autoradiografie, na toevoeging aan de cultuur van radioactief thymidine tijdens de fase van reduplicatie van het DNA in de celkern kon bewezen worden dat het B-groep chromosoom dat drager van de deletie is bij 'le syndrome du cri du chat' wel degelijk het chromosoom nį5 is.

In enkele gevallen werd niet het klassieke karyotype teruggevonden, maar gold het toch steeds een gehele of gedeeltelijke monosomie van de korte arm van autosoom 5, in alle of een deel van de cellen.

Dermatoglyfen-studie
Bij een grondig dermatoglyfisch onderzoek wordt in de meeste gevallen een afwijkend huidlijstenpatroon gevonden. Het microscopisch bekijken van de handpalmen toont in de meeste gevallen dat de beide distale flexieplooien naar het midden van de handpalm plots onderbroken zijn en praktisch in mekaar overgaan. Zo krijgt men een equivalent van ťťn enkele dwarse handplooi, ook 'simian crease' genoemd.

Familiale studie
Een bepaling van het karyotype van de ouders en eventuele broers en zusters werd frequent uitgevoerd, zeker wanneer in de familiale anamnese meer dan ťťn kind met het 'syndrome du cri du chat' gevonden werd, waar meerdere kinderen met multipele kongenitale afwijkingen voorkwamen of een herhaald miskraam een familiaal voorkomende chromosonale afwijking deed vermoeden.

Meestal zijn deze karyotypes normaal.

Een gebalanceerde translocatie bij ťťn van de ouders wordt echter in een aantal gevallen teruggevonden. Bij ťťn van beide ouders is dan het B-5 chromosoom, en meer bepaald de korte arm in een translocatie betrokken: een min of meer uitgebreid fragment van deze korte arm heeft zich op een ander chromosoom geplaatst. Bij deze translocatiedragers is al het genetisch materiaal als dusdanig nog aanwezig: de translocatie is gebalanceerd. Tijdens de eerste meiotische deling (reductiedeling), die het aantal chromosomen tot het haploid aantal terugbrengt, worden bij de translocatiedragers 4 mogelijke gameten gevormd. Van de afstammelingen zal 1/4 volledig normaal zijn, 1/4 translocatiecarrier, 1/4 het syndroom 'cri du chat' vertonen en 1/4 een geheel of gedeeltelijke trisomie van de korte arm B-5.
terug naar boven