Start

12 oktober 2003

6. Jezus, Gods enige Zoon

Op verschillende plaatsen in de evangelies klinkt de verwondering en nieuwsgierigheid door om de persoon van Jezus (Mt. 13, 55-57; Mc. 1, 27; Joh. 1, 38).  De mensen die hem horen en bezig zien, stellen zich de vraag: wie is die man toch?  Waar haalt hij de wijsheid en het gezag vandaan om zo te handelen en te spreken?  Ook de eigen leerlingen van Jezus blijken het geheim van zijn persoon niet te kunnen doorgronden: telkens weer verrast hij hen, en moeten ze constateren dat ze hem nog niet begrijpen.  We zijn dus in goed gezelschap als we ons soms de vraag stellen wie die Jezus toch is...

Slechts na de verrijzenis van Jezus, wanneer hij zich aan de leerlingen laat kennen als de Levende, en na het herlezen van hun ervaringen en van de Schriften, gaan ze beter zien hoe onvergelijkelijk en uniek hij eigenlijk was.  Ze proberen het geheim van zijn persoon te omschrijven met de hulp van titels die in Israël al lang bekend zijn: vrij vlug noemen ze Jezus “de Heer”, en “de Christus”, d.w.z. de Gezalfde waarop Israël zolang had gewacht. 

De sterkste en belangrijkste naam voor Jezus is echter deze: “de Zoon van God”.  We vinden hem ondermeer in de passages over de doop en de gedaanteverandering op de berg Tabor.  Daarin duidt de stem van de Vader Jezus telkens aan als “mijn liefste Zoon” (Mt. 3, 17; 17, 5).  Ook deze titel is niet nieuw: in het oude Testament werd Israël de “eerstgeboren zoon” van God genoemd (Ex. 4, 22); en van de koning van Israël werd gezegd dat hij tot “zoon van God” wordt aangenomen.  In beide gevallen wil de benaming “zoon” de relatie aanduiden van wederzijdse liefde tussen God en zijn volk: God wil verbonden leven met Israël zoals een vader verbonden is met zijn zoon. 

Wat bedoelen de evangelisten dan wanneer ze Jezus “de Zoon van God” noemen?  Het drukt hun geloof uit dat Jezus de verbondenheid tussen God en zijn volk op een unieke én nieuwe manier gestalte heeft gegeven: de relatie tot God, die tot dan toe altijd onvolkomen bleef, is door Jezus op een volmaakte manier beleefd.  In Jezus heeft God zelf nu voor een trouwe verbondspartner gezorgd. 

De titel “Zoon” komt het vaakst voor in het Johannesevangelie: blijkbaar geeft die naam volgens Johannes het best weer wie Jezus eigenlijk is.  Hij laat aanvoelen dat Jezus zichzelf helemaal verstaat vanuit zijn relatie met God, die hij “zijn Vader” noemt (zelfs met de heel vertrouwelijke aanspreking “Abba”).  Tegen zijn leerlingen zegt hij: “Mijn voedsel is: de wil doen van Hem die Mij gezonden heeft” (Joh. 4,34).  Deze woorden wijzen op de diepe eenheid tussen Jezus en God: Jezus leeft blijkbaar helemaal vanuit en voor Gods droom met de wereld.  Het is zijn diepste verlangen niets anders te willen dan wat God wil.  In zijn afscheidsgebed vat Jezus die diepe “gemeenschap” tussen hem en zijn Vader kernachtig samen met de woorden: “al het mijne is het uwe en al het uwe is het mijne” (Joh. 17, 10).

Het geheim van Jezus persoon, zijn diepste eigenheid, ligt dus in zijn unieke en innige verbondenheid met God: “Ik en de Vader, Wij zijn één” (Joh. 10, 30).  Die diepe gemeenschap tussen Vader en Zoon uit zich in twee op het eerste zicht tegenstrijdige houdingen: Jezus is radicaal gehoorzaam, maar ook radicaal vrij.  Hij kan niets doen los van zijn Vader, maar tegelijkertijd spreekt Jezus met een groot gezag: de Vader heeft hem alles in handen gegeven, zegt Johannes (Joh. 5, 26).  Jezus is radicaal arm én radicaal rijk.  Dit lijken ons dingen die elkaar tegenspreken.  Bij Jezus gaan ze echter samen.  Daaruit blijkt zijn unieke identiteit.

Zusters en broeders, de Schrift legt een diepe band tussen Jezus’ dood en ons leven.  Jezus zelfgave tot in de dood is het grootste teken van zijn liefde voor ons (Joh. 13, 1).  Het is ook het uiterste teken van zijn diepe solidariteit met ons: hij is alles komen delen, ook het onschuldige lijden en de dood.  Hij is niet gevlucht toen de kracht van het kwaad hem trof, en daardoor heeft het zijn macht verloren.  Zo heeft Jezus voor ons een weg geopend die leidt naar echte vrijheid en verlossing.  Hoe dat kan en hoe de band precies is tussen Jezus’ dood en ons heil, daar kunnen we met ons verstand niet helemaal bij, dat is niet zomaar glashelder te “verklaren”.  Het Nieuwe Testament legt ook niet uit waarom of hoe die band er is.  Het spreekt alleen het geloof uit dát hij er is.  Jezus erkennen als Verlosser blijft uiteindelijk altijd een daad van geloof en vertrouwen.  Amen.