Start

14 september 2003

2. Door God geschapen

De bijbel begint met twee scheppingsverhalen die elk op hun manier iets willen zeggen over de oorsprong van de mens en over zijn plaats in de wereld.  In het eerste scheppingsverhaal (Gen. 1) verschijnt de mens als de kroon op Gods scheppingswerk.  Na de creatie van de hemel en de aarde, de natuur en de ontelbare soorten levende wezens klinkt het: “En God zei: ‘Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend; hij zal heersen over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt.’  En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hen; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.” (Gen. 1, 26-27).

Alleen van de mens wordt gezegd dat hij een “beeld is van God”, dat hij “op God gelijkt”.  Wat betekenen die woorden?  In de eerste plaats waarschijnlijk dit: er is tussen God en de mens een diepe verwantschap.  De mens is zo “gemaakt” dat de Liefde van God hem niet vreemd is.  Verder in de bijbel zal steeds sterker de overtuiging klinken dat we geroepen zijn tot Liefde, aangezien God ons zelf uit Liefde tot leven heeft geroepen: psalm 139 zegt: “U hebt mijn nieren geschapen, mij samengevlochten in mijn moeders schoot.  Dank voor het ontzagwekkend wonder dat ik ben, voor het wonder van uw werken; hoe ga ik U ter harte… Ik was nog vormloos, maar uw oog zag mij.” (vv. 13-14.16).

Ten tweede wordt misschien bedoeld dat de mens, als beeld van God, medeschepper is, die verantwoordelijkheid draagt voor de andere levende wezens en heel de schepping.  De mens heeft immers een unieke positie in de wereld: in hem is een grote creativiteit aanwezig om zich in vrijheid te ontwikkelen, om zijn leefomgeving te herscheppen tot “cultuur”.  Hij kan orde scheppen, en meer harmonie brengen.  Vandaag stelt de wetenschap hem zelfs in staat om de natuur nog rijker vrucht te laten dragen…  Maar dit scheppend vermogen van de mens is meteen ook een grote uitdaging, want het kan niet alleen ten goede worden aangewend.  We weten hoe de schepping vandaag ook op vele plaatsen geweld wordt aangedaan, uitgebuit en misbruikt, ten koste van de gezondheid van mens en natuur.  Wanneer de mens zich als “heerser” opstelt in plaats van “behoeder”, kan dit grote schade veroorzaken.  

Ten derde: de mens draagt misschien nog het meest hierin het beeld van God: dat het niet goed is dat hij alleen blijft.  Er zit in de mens niet alleen een diep verlangen om op eigen benen te staan, maar ook een diep verlangen naar relatie.  In het tweede scheppingsverhaal wordt verteld dat de mens zich, ondanks alle wonderlijke dieren en plantensoorten, alleen voelt in de tuin waarin God hem heeft geplaatst,: “maar een hulp die bij hem paste vond de mens niet (Gen. 2, 20).  Daarom krijgt hij van God een gezel, gelijkend maar ook verschillend.  De vreugde daarom klinkt duidelijk door: “Eindelijk, dit is been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees!”.  De man ontdekt de vrouw als een ander “ik”, als iemand met dezelfde menselijke natuur.  Ze zijn werkelijk een hulp voor elkaar, omdat ze tegelijkertijd als persoon gelijk zijn en elkaar als mannelijk en vrouwelijk wezen aanvullen.  Ze kunnen met elkaar communiceren en het leven delen.  Dit samenleven, en vooral het leren omgaan met het anders-zijn van de andere, is voor hen de leerschool om te groeien in echte menselijkheid.  Het laat hen toe om stilaan te ontdekken dat alleen verbondenheid en liefde het leven de moeite waard maken geleefd te worden.  En dat is wat God volgens de bijbel voor ogen staat met de schepping van de mensen: dat ze leven in verbondenheid met Hem en met elkaar.