Start

21 september 2003

3. Een god niet als de andere

De God van Jezus is de God van Israël.  Het joodse volk heeft die God niet ontdekt door diepzinnige filosofische redeneringen, maar doorheen de lotgevallen van een turbulente, vaak dramatische geschiedenis.  Daarbij is het besef gegroeid dat die God anders was dan de goden van de omringende culturen en volken, dat hij de enige was die de naam “God” verdient, dat alleen Hij “betrouwbaar” is en bevrijding brengt.  Daarom klinkt in het boek Deuteronomium, als eerste gebod: “Luister, Israël, de Heer is onze God, de Heer is de Enige” (6, 4).  En Jesaja (45, 21) brengt aan zijn volk de boodschap over: “Er is geen andere god dan Ik alleen, buiten Mij bestaat er geen god die rechtvaardig is en redt.” 

Inderdaad, voor Israël is er maar één God, die enig is en uniek.  Het is Degene die zelf zijn Naam heeft doen kennen: “Ik zal er zijn voor U”.  Hij alleen is God, omdat Hij alleen al wat is te boven gaat, alles wat we kunnen zien en tasten, voelen en ervaren.  Hij is de scheppende en dragende grond van al wat is.  Daarom wordt hij “de Heer” genoemd; daarom mag Israël alleen Hem aanbidden en vereren.  De bijbelse god is dus geen wereldse macht, zoals de vruchtbaarheidsgoden uit Kanaän.  Hij is niet gelijk te stellen met de oerkrachten in de natuur (seksualiteit), met elementen uit de kosmos (zon, maan of sterren) of met menselijke macht (geweld), Hij mag niet herleid worden tot “de geheimen die ons te boven gaan”.

Toch zal heel de geschiedenis door blijken hoe moeilijk Israël het heeft om inderdaad alleen God te aanbidden en niet te buigen voor al te aardse goden of natuurkrachten.  Steeds opnieuw moeten de profeten waarschuwen om niet achter de Baäls – de “bazen” - van de omringende volken aan te lopen.  Jeremia roept Israël op om niet bang te zijn voor hun godenbeelden: “Wat zij doen betekent niets: ze hakken blokken hout in het bos, een vakman bewerkt ze met een beitel, hij belegt ze met goud en zilver, met een hamer spijkert hij ze vast zodat ze niet wankelen.  Hij zijn vogelverschrikkers tussen de komkommers: ze kunnen niet spreken, ze moeten gedragen worden, want ze kunnen geen stap verzetten.  Wees niet bang voor hen, ze doen geen kwaad en goed doen ze evenmin” (10, 3-5).  

Dat God één en uniek is, dat we alleen Hem mogen aanbidden en de eerste plaats geven, dat geldt ook voor ons, christenen.  Het is geen beknotting van onze menselijke vrijheid, integendeel.  Alleen voor God buigen en Hem alleen als “Heer” erkennen, leert mensen om geen angst te hebben voor allerhande onbekende zogeheten goddelijke machten.  Het helpt om alle valse idolen - geld, seks, macht, land, natie, economie of wat dan ook – te ontmaskeren, en te leren onderscheiden waar ze mensen tot verdrukking of verslaving voeren.  De geschiedenis heeft voldoende aangetoond wat er gebeurt wanneer mensen hun eigen ideologie, hun eigen ideeën en theorieën, een goddelijke onaantastbare status aanmeten: de menselijkheid wordt er niet mee gediend, maar juist geweld aangedaan.

Het bijbelse geloof nodigt ons uit om ons van alle afgoden te bevrijden, en om te bouwen op de éne God.  Tegelijkertijd roept het echter op om precies ons beeld over God voortdurend te laten uitzuiveren, en om niet al te naïef-menselijk over “de Heer” te denken en te spreken.  Hij is en blijft “de Andere”, de “Onvergelijkelijke”, wiens gedachten niet onze gedachten zijn (Cf. Jes. 55, 8).  Hij is niet zomaar te vatten is in onze menselijke begrippen en categorieën.  Maar daarom is Hij ook “de Enige” die de naam “God” verdient.