| Start |
|
In de bijbel is het diepe besef aanwezig dat God de “Andere” is die ons begrip te boven gaat. “Niemand heeft ooit God gezien”, zegt de evangelist Johannes (1, 18). Toch betekent dit niet dat God los staat van de mens of de wereld, dat Hij zich niet met ons inlaat. De bijbelse God is niet zelfgenoegzaam, hij staat niet onverschillig tegenover het wel en wee van de schepping en zijn mensen. Hij toont zich misschien nog het meest hierin als “de Unieke”, dat Hij zelf naar de mens toe komt en zich laat kennen. De grote figuren als Abraham, Jacob, Mozes of de profeten worden niet geconfronteerd met een stom, woordeloos mysterie, een anonieme of blinde kracht. Neen, ze weten zich “aangesproken” en “opgeroepen”. Het zijn geen religieuze genieën die op zoek gaan naar “het heilige in de dingen”; neen, in de terugblik op gebeurtenissen, ontmoetingen en ervaringen van het leven hebben ze een “stem” ontwaart, de stem van dé Heilige. “Zo spreekt de Heer” en “Woord van de Heer”: het zijn refreinen die ontelbare keren weerklinken.
Uit de bijbelse verhalen spreekt steeds weer het grote verlangen van God om onze aandacht te trekken, om met ons in dialoog te treden en ons leven te delen. In die zin “spreekt” God niet alleen: Hij “roept”. Wie roept, wil niet in de eerste plaats kennis of informatie overbrengen, maar de ander uitnodigen tot relatie, tot gemeenschap en verbondenheid.
God laat zichzelf dus aan mensen kennen – Hij “openbaart” zich – omdat hij verbondenheid zoekt met ons. We zingen het ergens in een lied: God wil “met hart en ziel aan ons getrouwd zijn” (ZJ 540). Een vraag die dan logisch volgt is: “Waarom wil God toch met de mens verbonden leven?” Op deze vraag vinden we geen echt antwoord: dat blijft een groot geheim. Het enige motief voor Gods verlangen naar een Verbond, ligt waarschijnlijk hierin: dat Hij Liefde is, en dat echte Liefde zichzelf nu eenmaal wil geven en meedelen. God wil ons laten ontdekken dat Hij Liefde is: daarom roept Hij. En Hij hoopt dat de mens in vrijheid op die Liefde een antwoord geeft, en ingaat op zijn uitnodiging om verbonden te leven met Hem. Daarom klinkt als eerste leefregel van het Verbond: “U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten.” (Dt. 6, 4).
De Schrift spreekt dus over een God die zichzelf doorheen de geschiedenis aan vele mensen heeft geopenbaard als een liefdevolle nabijheid. De vraag is natuurlijk: “Hoe laat God zich vandaag kennen aan ons? Waar en hoe kunnen wij in onze tijd zijn roepstem ontdekken? Hoe kunnen wij met Hem verbonden gaan leven?” Op deze belangrijke vragen mogen we geen direct, gemakkelijk antwoord verwachten. Ook het volk van Israël is de aanwezigheid van God nooit op een evidente manier op het spoor gekomen. Het is meestal slechts achteraf dat ze zijn gaan zien wanneer en hoe de Ene God hen nabij was geweest, vaak juist in de moeilijkste gebeurtenissen. Het is slechts door een aandachtig “herlezen” van de evenementen, dat ze tastend en zoekend tot de ervaring zijn gekomen: “Hij was het weer! Ik-zal-er-zijn-voor-U heeft zijn Naam weer waar gemaakt”.
Bij ons gaat het niet anders. Als wij willen ontdekken waar en hoe de liefdevolle en bevrijdende God vandaag in onze wereld aanwezig is, dan zullen wij onze aandacht moeten leren scherpen voor alle tekens die ons spreken van zijn Liefde en ons oproepen om er een antwoord op te geven. Dat vraagt geduld en oefening, want het veronderstelt dat we verder en dieper kijken dan de oppervlakkige stroom van feiten en voorvallen. Als we echter volharden om de vraag te stellen: “Waar komt Gods Liefde mijn leven binnen?”, dan komt er misschien een dag waarop ook wij kunnen zeggen, zoals Jacob en vele anderen voor ons: “God heeft zich aan mij laten kennen, ik heb Hem ontmoet. Waarlijk, de Heer was op deze plaats en ik wist het niet” (Cf. Gen. 28, 16).