Start

Teksten uitvaarten  Federatie Merchtem     Bijbelse lezingen – profane teksten – evangelie

Eerste lezing

Bijbellezing

-1- EERSTE LEZING

Boek wijsheid. (3,1-3.7a.8b.9b)

De zielen van de rechtvaardigen zijn in Gods hand en geen kwelling zal hen raken. Voor het oog der mensen werd hun heengaan als totaal verontwaardigd aangezien.
Maar zij, zij leven in vrede.
Op het ogenblik der verheerlijking zullen zijn schitteren.
En de Heer zal altijd over hen koning zijn,
want zijn getrouwen zullen in liefde bij Hem blijven.

-2- EERSTE LEZING

Jezus Sirach  (18,4c-11)

Wie doorgrondt zijn grote daden?
0Wie kan de macht van zijn verhevenheid meten?
En wie zal over al de blijken
Van zijn barmhartigheid vertellen?
Men doet er niets aan af, men voegt er niets aan toe:
De wonderdaden van de Heer zijn niet te doorgronden.
Als een mens is uitgedacht, staat hij slechts aan het begin,
En als een mens ermee ophoudt, ziet hij nog steeds geen uitweg.
Wat is de mens en waartoe dient hij?
Wat betekenen zijn goede, wat zijn kwade daden?
Voor een mensenleven is honderd jaar heel veel.
Een waterdruppel uit de zee en een korreltje zand,
Dat zijn die paar jaren op de eeuwigheid.
Daarom heeft de Heer geduld met de mensen
En stort Hij over hen zijn barmhartigheid uit.

-3- EERSTE LEZING

Psalm 126

Duidt op de dankbaarheid die er kan zijn ondanks de pijn die wij voelen om het gemis om …. Dankbaar omdat wij zo’n man/vrouw midden mochten hebben,….
Als God ons thuisbrengt
uit onze ballingschap dat zal een droom zijn.
Wij zullen zingen, lachen, gelukkig zijn.
Dan zegt de wereld: 'Hun God doet wonderen' ..
Ja, Gij doet wonderen,
God in ons midden,
Gij onze vreugde.
Breng ons dan thuis,
keer ons tot leven
zoals rivieren
in de woestijn
die, als de regen valt,
opnieuw gaan stromen.
Wie zaait in droefheid
zal oogsten in vreugde.
Een mens gaat zijn weg
en zaait onder tranen.
Zingende keert hij
terug met zijn schoven.

-4- EERSTE LEZING

Jesaja

Zo spreekt Jahwe,
die een weg legt door zee en in machtige wateren een pad.
Klampt u niet vast aan wat vroeger is gebeurd.
Staar u niet blind op wat vooraf ging.
Zie, iets nieuws ga ik maken,
het is al aan het kiemen.
Ja, een weg zal ik leggen in de woestijn
en rivieren in het dorre land.
Mensen en dieren zullen mijn weldaad ervaren.
Want ik geef water waar geen water was,
om hen voor wie ik zorg  te laven.

-5- EERSTE LEZING

Jesaja

Mijn gedachten zijn niet uw gedachten, en uw wegen zijn niet mijn wegen,.. Want zoals de hemel hoger is dan de aarde, zo gaan ook mijn wegen uw wegen te boven, en mijn gedachten uw gedachten.
Want zoals de regen en de sneeuw uit de hemel neerdalen en daarheen pas terugkeren, wanneer zij de aarde hebben gedrenkt, haar hebben bevrucht. Zo zal het ook gaan met mijn woord dat voortkomt uit mijn mond; het keert niet vruchteloos naar Mij terug. In vreugde zult gij vertrekken en in vrede worden thuisgebracht.

Het lijden dat mensen soms treft is onbegrijpelijk. Onverstaanbaar. Doch mogen wij ons als christenen beschermd weten omdat God ons ook door de dood heen blijft beschouwen als zijn kinderen. Dat is onze hoop. Dat is onze bevrijding.

-6- EERSTE LEZING

Jesaja. (Jes.25,6a.7-9)

In die dagen zal de almachtige Heer op de berg Sion
een feestmaal houden voor alle volken.
Op die dag zal Hij het rouwkleed vernietigen dat elk volk draagt en het doodskleed waarin elke mens wordt gehuld.
Want God de Heer
zal de dood voor altijd vernietigen
en de tranen van alle gezichten afwissen.
Hij zal de ellende en de vernedering
van zijn volk wegnemen.
Op die dag zal men zeggen:
“De Heer is werkelijk onze God
Wij hebben onze hoop op Hem gesteld
en Hij heeft ons bevrijd.
Met recht en reden hebben wij ons aan Hem toevertrouwd.
Laten wij juichen van vreugde om de bevrijding
die de Heer ons bracht.”

-7- EERSTE LEZING

Boek der Makkabeeën.

Met een vurige geestkracht drukt een moeder zich in uit tot haar kinderen, dat er leven is en redding, dat er eeuwig leven is.  Het is een zijn bij God, bevrijd van alle pijn.
" Ik weet niet hoe gij in mijn schoot werd gevormd,
want niet ik heb u adem en leven geschonken,
of in één van u het groeien geleid.
Neen, het was de schepper van de wereld,
Hij bewerkt het ontstaan van de mens,
zoals Hij van alles de oorsprong bedenkt.
Hij zal u dus in zijn barmhartigheid
weer adem en leven schenken
nu gij uit eerbied voor zijn wetten uzelf niet ontziet.
Mijn jongen, heb medelijden met mij.
Ik heb je negen maanden in mijn schoot gedragen,
je zelf gevoed en tot op vandaag verzorgd en grootgebracht.
Ik smeek je, mijn kind, beschouw de hemel en de aarde
met alles wat ze bevatten en bedenk
dat God dit uit het niets heeft geschapen
en dat ook het mensengeslacht op dezelfde wijze is ontstaan.
Wees dus niet bang maar toon dat gij uw broers waardig zijt;
opdat ik je met je broers terug mag krijgen op de dag van Gods barmhartigheid.

-8- EERSTE LEZING

Lezing uit het tweede boek van de Makkabeeën. (2 Makk.12,43-46)

In die dagen hield de edele legeraanvoerder Judas
na de strijd een geldinzameling onder de soldaten.
Hij zond dat geld naar Jeruzalem om voor de zonden van de overledenen een offer op te dragen.
De gedachte aan de verrijzenis had hem tot deze mooie en edele daad aangezet.
Want, als hij niet geloofde dat de gesneuvelden zouden verrijzen, dan was het een nutteloze daad geweest en had het geen zin voor de doden te bidden.
Maar hij was bedacht op de heerlijke beloning die gereed ligt voor allen die voor God ontzag hebben.
Daarom liet hij dit zoenoffer opdragen om voor de overledenen vergeving van hun zonden te bekomen.

-9- EERSTE LEZING

Uit het boek Job.

Het is het klassiek verhaal van Lijden en overwinning van het Lijden. Wat hem overkomt is ondraaglijk. Er zijn immers grenzen. Maar die worden overschreden. Zijn reactie gaat dan ook alle grenzen te buiten.
Hij put zich uit in een machteloos protest, in een felle aanklacht tegen bet leven zelf. Maar pratend met zijn vrienden komt hij tot de bevinding
- we zien innerlijke groei door contact met medemensen -dat God niet aansprakelijk gesteld kan worden voor het Lijden van de mens.
Dit brengt hem tot overgave en rust. Het evenwicht wordt herwonnen. De strijd is gestreden. Dit innerlijk evenwicht wordt beschreven in termen van aards geluk. Job is door de donkere tunnel gegaan. Aan het einde wacht het licht.

-10- EERSTE LEZING

Uit het boek Job.

Hoe kan een mens tegenover God in zijn recht zijn? Wanneer hij Hem ter verantwoording wil roepen, geeft Hij niet eens op de duizend maal antwoord.
Wie heeft de Alwijze, Almachtige ooit ongedeerd getrotseerd?
Hem, die bergen verzet en ze merken het niet,
die de aarde op haar plaats doet schudden,
die de hemel uitspant, Hij alleen,
en voortschrijdt op de golven van de zee,
die de sterren schiep,
die grootste ondoorgrondelijke werken deed
en talloze wonderen.
Hoe zou ik Hem ter verantwoording roepen?
Mijn woorden tegenover Hem vinden?
Hij heeft mij het leven geschonken
en met zorg mijn adem bewaakt.
Daarom: Ik weet dat mijn verlosser leeft
en ten laatste op de aarde verschijnt.
Dan zal ik mij oprichten en God aanschouwen,
ja, ik zal Hem aanschouwen,
mijn ogen zullen Hem zien.

-11- EERSTE LEZING

Lezing uit het boek Job 7,1-17

Gekweld door leed en ellende sprak Job:
“Wat is het leven van een dagloner?
Hij zwoegt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat.
Hij snakt naar schaduw
en ziet vol verlangen uit naar het uur
dat zijn loon wordt uitbetaald.
Zo is het ook met mij.
De dagen vallen mij zwaar en ’s nachts
kan ik niet slapen van al mijn zorgen.
’s Avonds denk ik: Was het maar morgen.
En ’s morgens zucht ik:
was het maar avond.
Mijn lichaam staat vol met zweren,
van kop tot teen etter en ellende.
Het einde van mijn dagen
komt sneller en sneller nabij,
zoals een aflopende weversspoel
de draad is ten einde.
Mijn leven is niet méér dan een zucht
en geluk zal ik nooit meer kennen.”

-12- EERSTE LEZING

Lezing uit het boek Job  14,1-2.5.7-12.14-16

Lezing uit het boek Job.
Een mens, geboren uit een vrouw, leeft maar een korte tijd
en zorgen kent hij zonder eind. Zijn levensdagen zijn niet meer dan een bloem,
die ontluikt en verwelkt, als een vluchtige schaduw die voorbijgaat.
Het getal van zijn dagen is bepaald
en aan zijn leven is een grens gesteld, die hij niet overschrijdt.
Voor een boom is er nog hoop: zelfs omgehouwen kan hij nog uitbotten
en opnieuw in blaren schieten. Al worden zijn wortels oud in de grond,
als hij water krijgt, loopt hij weer uit en krijgt hij weer twijgen als een jonge plant.
Maar sterft een mens: het is gedaan. Geeft hij de geest: hij is er niet meer.
Als water dat verdampt, als een rivier die uitdroogt, zo is een mens, die sterft.
Als een mens eenmaal geveld is, blijft hij liggen zolang de hemel bestaat
en uit zijn slaap wordt hij niet meer wakker. Ach God, wanneer bepaalt Gij
het tijdstip van mijn dood? Wanneer zult Gij aan mij denken?
 Als Gij de mens na zijn dood doet herleven, zou ik al de dagen van mijn leven wachten
tot het mijn beurt is om te sterven. Ik zou dan antwoorden als Gij roept.
En Gij zoudt mijn stappen tellen en niet mijn zonden.

-13- EERSTE LEZING

Lezing uit het boek Job 2,11-13; 19, 19.23-27

In die dagen hoorden drie vrienden van Job van al de rampen die hen getroffen hadden.
Zij besloten samen naar hem toe te gaan
om hun meeleven te tonen en om hem te troosten.
Toen ze bij hem kwamen, herkenden zij hem eerst niet,
zo erg was het met hem gesteld. Luid begonnen ze te klagen, scheurden hun kleren
en strooiden stof op hun hoofd. Zeven dagen en zeven nachten
zaten ze bij hem op de grond zonder een woord te zeggen, want ze zagen hoe vreselijk hij moest lijden. Toen opende Job zijn mond en zei:
“Vrienden, heb toch medelijden met mij, want ik ben zwaar geslagen.
Acht, werden mijn woorden maar opgeschreven, voor altijd vastgelegd, gegrift met een ijzeren stift in de rots en de letters met lood gevuld.Want ik weet met zekerheid:
de levende God zal het voor mij opnemen en mij hier op aarde recht verschaffen.
Ook al is mijn lichaam geschonden,
toch zal ik God met eigen ogen zien.
Ikzelf zal Hem aanschouwen en ik verlang er vurig naar
Hem in eigen persoon te ontmoeten.”

-14- EERSTE LEZING

Uit het boek Spreuken.  (Spr.31,10-12.20.26-31)

Een flinke vrouw, wie zal haar vinden?
Zij is meer waard dan edelstenen.
Haar men kan zich op haar verlaten
en het zal hem aan geen vreugde ontbreken.
Zij stelt hem nooit teleur
en maakt hem gelukkig, haar leven lang.
Zij opent haar hand voor de behoeftige
en strekt haar armen uit naar wie in nood is.
Wat zij zegt, is vol wijsheid;
haar vermaningen zijn altijd vriendelijk.
Zij let op het komen en gaan van haar gezin
en voor het brood op tafel heeft zij gewerkt.
Haar kinderen zijn fier op hun moeder
en haar man is vol lof over haar.
“Vele flinke vrouwen kunnen er zijn, zegt hij,
maar gij overtreft ze allemaal.”
Een mooi voorkomen is bedrieglijk
en uiterlijke schoonheid gaat voorbij.
Maar de vrouw die ontzag heeft voor de Heer,
moet geprezen worden.
Laat haar genieten van de vruchten van haar werk
en dat iedereen in de stad met lof over haar spreekt.

-15- EERSTE LEZING

Lezing uit het boek Prediker   (Pred. 3,1-11.14)

Alles heeft zijn tijd en uur -
zo gaat dat hier in deze wereld.
Geboren worden en sterven,
zaaien en maaien:
alles heeft zijn tijd.
Verwonden en genezen,
kwetsen en helen,
breken en bouwen:
alles heeft zijn tijd.
Treuren en troosten,
rouwen en trouwen:
alles heeft zijn tijd.
Er is een tijd van weten
en een tijd van vergeten,
een tijd van tederheid
en een tijd van eenzaamheid,
een tijd van omhelzen en van afwenden,
van vernietigen en van herstellen.
Er is een tijd van zoeken:
een thuis vinden, zinvol leven
en een tijd van verliezen:
nergens blijven, niemand hebben.
Er is een tijd van brood,
er is een tijd van nood.
Ja, alles gebeurt op tijd en uur:
zwijgen en spreken - open en gesloten,
liefhebben en haten - geluk en ongeluk,
oorlog en vrede - dood en leven.
Alles heeft zijn tijd.
Wat bereikt een mens met al zijn zwoegen en tobben?
Ik heb begrepen dat de mens zwaar belast en moeizaam
door het leven gaat.
En God heeft alles op het juiste moment bepaald.
Zo heeft de mens besef van tijd en uur.
Maar niet alle kan de mens doorgronden.
Heel Gods werk
- van het begin tot het einde -
kan hij niet vatten.
Ik kwam tot inzicht
dat alles wat God doet voor altijd blijft:
er valt niets aan toe te voegen en niets gaat eraf.
God heeft het zo beschikt
dat de mensen ontzag voor Hem hebben.

-16- EERSTE LEZING

Lezing uit het boek Prediker   (Pred.12,1.3-7.13-14)

Zo spreekt de Prediker:
“Houd uw Schepper in ere, zolang ge leeft,
want er komen kwade dagen dat gij zeggen zult:
Het gaat mij niet meer.Als het zover is, beven de bewakers van uw huis en lopen sterke mannen gebogen. De vrouwen die malen staken hun werk en staren uitzichtloos in de nacht.
De huisdeur valt in het slot, het geluid van de malende molen vervaagt,
het gefluit van de vogels verstomt, alle geluiden sterven weg.
Het wordt stil.
De mens is op weg naar zijn laatste verblijf.De rouwklagers staan al klaar in de straat.
Het zilveren snoer wordt doorgeknipt, de gouden lamp valt stuk op de vloer.
De waterkruik breekt bij de bron, het scheprad knakt af en valt in de put.
De mens, gemaakt uit stof, keert terug naar de aarde, zijn levensgeest naar God, oorsprong van het leven. Mijn vriend, wees gewaarschuwd,
nu gij dit alles hebt gehoord. Heb ontzag voor God en onderhoud zijn geboden.
Daar komt het voor een mens op aan. Want God zal oordelen over alles wat gij doet,
zelfs over wat verborgen blijft, of het nu recht of slecht is.”

-17- EERSTE LEZING

Lezing uit het boek “Wijsheid van Jezus Sirach”. (Sir. 14,17-19;17,1-3.6b.8-10.23.29-30)

Al wat leeft verslijt als een kleed en reeds heel jong
weet de mens dat hij moet sterven.
Zoals een prachtige boom zijn bladeren verliest
en weer andere krijgt, zo gaat het met mensen van vlees en bloed:
de éne sterft, de andere wordt geboren.
Aan ieder werk van de mens komt een einde
en met het werk verdwijnt ook de maker.
De Heer heeft de mens uit de aarde geschapen
en heeft hem tot haar doen terugkeren.
Hij schonk hun een aantal dagen
en een bepaalde tijd en gaf hun macht over de dingen der aarde.
Hij heeft hen gemaakt naar zijn beeld en hun een hart gegeven om lief te hebben.
De Heer heeft zijn oog in hun hart geplant,
om de mensen te laten zien hoe groot zijn werken zijn.
Zo kunnen zij zijn grootheid verkondigen
en zijn heilige Naam prijzen.
Uiteindelijk zal de Heer opstaan
en ieder mens geven naar zijn verdienste.
Voor een mens is niet alles bereikbaar,
omdat elk mensenkind sterfelijk is.
Maar de barmhartigheid van God is eeuwig
en zijn goedheid onuitputtelijk.

-18- EERSTE LEZING

“Wijsheid van Jezus Sirach”. (Sir. 14,17-19;17,1-3.6b.8-10.23.29-30)

God die tot in eeuwigheid leeft,
heeft het heelal geschapen.
Alleen de Heer wordt rechtvaardig bevonden.
Niemand heeft Hij in staat gesteld
zijn grote daden te doorgronden.
Wie zal kunnen verhalen hoe vaak Hij zijn barmhartigheid heeft getoond?
Als een mens is uitgedacht,
staat hij nog aan het begin.
En als hij ermee ophoudt,
ziet hij nog geen uitweg.
Voor een mensenleven is honderd jaar heel veel.
Toch zijn die paar jaren op de eeuwigheid slechts een druppel water in de zee,
een korreltje zand op het strand.
Daarom heeft de Heer geduld met de mensen
en stort Hij over hen zijn barmhartigheid uit.
Hij ziet en weet dat het einde van de mens ellendig is.
Daarom biedt Hij rijkelijk verzoening.
De barmhartigheid van de mens
gaat uit naar zijn buurman,
maar de barmhartigheid van God
gaat uit naar al wat leeft.

-19- EERSTE LEZING

Lezing uit het boek Wijsheid.  (Wijsh. 3, 1-9)

Het leven van de rechtvaardigen is in Gods hand en geen kwelling zal hen raken.
In de ogen van de mensen schenen zij die sterven.
Hun heengaan werd als een ongeluk aangezien
en hun verwijdering uit ons midden als een ramp.
Maar zij zijn in vrede. Alhoewel zij naar de mening van de mensen
met de dood geslagen werden, is er voor hen toch volle hoop op onsterfelijkheid.
Nadat zij een kleine tuchtiging hebben ondergaan, zullen zij grote weldaden ontvangen.
Want god heeft hen beproefd  en Hij heeft hen waardig bevonden
voor zijn Aanschijn te treden; Als goud in het vuur heeft Hij hen beproefd
en hun leven als brandoffer aanvaard.
Op het ogenblik van het oordeel zullen zij schitteren
als een lopend vuur in het stoppelveld.
En de Heer zal altijd over hen koning zijn.
Zij, die zich aan Hem hebben toevertrouwd,
zullen de waarheid vatten.
Zijn getrouwen zullen in liefde bij Hem blijven,
want goedheid en barmhartigheid vallen zijn uitverkorenen ten deel.

-20- EERSTE LEZING

Lezing uit het boek Wijsheid. (Wijsh. 4,7-13.14b-15)

De rechtvaardige zal rust vinden, ook al sterft hij voor zijn tijd.
Want het aanzien van de ouderdom bestaat niet in een lang leven en wordt niet gemeten
naar het aantal jaren.
De ware achting bereikt men door inzicht in Gods bedoeling
en door een voorbeeldig leven.
God ziet met liefde neer op de rechtvaardige.
Daarom heeft Hij hem weggenomen uit de kring van de zondaars.
“Hij werd weggerukt opdat geen kwaad hem zou bederven
en geen bedrog hem zou verleiden.”
Want het kwaad met zijn betovering verduistert het goede.
En het bedrog met zijn begeert verjaagt de waarheid.
In korte tijd tot rijpheid gekomen, heeft de rechtvaardige
reeds de volheid van de jaren bereikt.De mensen zien dat wel,
maar ze vatten het niet.Zij konden niet begrijpen dat de Heer zijn uitverkorenen
goedheid en barmhartigheid schenkt en dat Hij waakt over zijn geliefden.

-21- EERSTE LEZING

Lezing uit de Klaagliederen van Jeremia. (Klaagl. 3,6-8.17-29.32)

In uiterste nood stortte de profeet Jeremia zijn hart uit bij de Heer en zei:
“In duisternis laat de Heer mij wonen, als dood voor altijd.
Ik zie geen uitweg, ik ben als in boeien geslagen.
Ook al roep en schreeuw ik om hulp, Hij hoort mij niet.
Elk geluk is mij ontnomen, ik weet niet meer wat vreugde is.
Is er voor mij nog uitzicht?Kan ik nog hopen op de Heer?
Ik denk aan mijn eenzaamheid en mijn ellende.
Het vergiftigt mijn leven. Steeds weer moet ik eraan denken - dan ben ik zo moedeloos.
Toch blijf ik hopen, want ik weet: Het leven is een geschenk van de Heer.
Zijn liefde houdt nooit op en zijn trouw is iedere morgen nieuw.
Ik behoor aan de Heer in het diepst van mijn hart.
Daarom blijf ik op Hem hopen.
Goed is de Heer voor wie naar Hem uitziet,
voor wie Hem zoekt.
Goed is het in stilte te wachten
op de Heer en op zijn bevrijding.
Goed is het van jongs af te leren het leven te aanvaarden,
ook als men eenzaam en alleen het gezicht richt naar de grond.
Blijf toch hopen op de Heer - ondanks alles.
Want wie droef is, troost Hij en wie eenzaam is,
schenkt Hij zijn grote liefde.

-22- EERSTE LEZING

Lezing uit de profeet Daniël. (Dan.12,1-3)

In die dagen kreeg de profeet Daniël door een visioen inzicht in hetgeen ging gebeuren.
Het volgende werd hem meegedeeld:
Er zal een tijd van nood aanbreken,
zoals er nog nooit één is geweest onder de volkeren.
Dan zal de aartsengel Michaël opstaan om heel uw volk te beschermen.
Allen, die in het boek staan opgetekend omdat ze trouw gebleven zijn aan de Heer, zullen gered worden.
En velen, die ontslapen zijn, zullen ontwaken:
sommigen om voor altijd te leven,
anderen om voor eeuwig gestraft te worden.
Dan zullen de wijzen stralen als de glans van de zon.
En allen, die door woord en voorbeeld de mensen tot gerechtigheid hebben gebracht zullen schitteren als sterren voor eeuwig en altijd.

-23- EERSTE LEZING

Eerste brief aan de Korinthiers (1Kor.13)

Stel dat ik zou spreken als geen ander, wijs en verstaanbaar voor iedereen, als ik de liefde niet heb, zal ik klinken als een koud geluid en ijlen in het oneindige.
Al zou ik profetische gaven hebben, al zou ik alle geheimen van de wetenschap doorgronden, al heb ik het geloof om aan een wereld van rechtvaardigheid te werken, al sik de liefde niet heb, ben ik niets.
Al deel ik mijn bezit uit,
al ben ik solidair met wie arm is,
als ik de liefde niet heb, ben ik niets.
De liefde is geduldig,
de liefde is zachtmoedig.
Ze praalt niet en geeft niet om de schone schijn.
Ze kwetst niemandsgevoel en is niet uit op eigenbelang.
Ze rekent het kwade niet aan.
Ze vindt haar vreugde in de waarheid.
Alles verdaagt ze,
alles gelooft ze.
Altijd heeft ze hoop en bij alles houdt ze stand.
De liefde zal nooit vergaan.

-24- EERSTE LEZING

Tweede brief a.d. christenen van Korinte.  (2 Kor. 4, 14‑18 ; 5, 1.7‑8a)

Broers en zusters,
Wij weten dat God, die de Heer Jezus
uit de dood heeft opgewekt,
ook ons ten leven zal wekken
om ons tot Zich te voeren.
Wij geven daarom de moed niet op.
Al gaan wij ook uiterlijk gezien ten onder,
innerlijk worden wij van dag tot dag een nieuwe mens.
Wij houden onze ogen gericht,
niet op het zichtbare, maar op het onzichtbare.

Wat wij zien gaat voorbij,
de onzichtbare dingen duren eeuwig.
Wij weten immers
als de tent, die onze aardse woning is,
wordt neergehaald,
heeft God voor ons een gebouw gereed
in de hemel,
een onvergankelijk huis,
niet door mensenhanden gemaakt.
Wij leven in geloof. Wij zien God niet.
Maar wij houden goede moed.
Onze enige betrachting is Hem te behagen.

-25- EERSTE LEZING

Lezing uit de Handelingen van de Apostelen.  (Hand.10,34-36.42-43)

In die dagen nam Petrus het woord en sprak:
“Nu zie ik duidelijk in dat God geen onderscheid maakt tussen Joden en heidenen.
Iedereen - van welk volk ook - die ontzag heeft voor God en het goede doet, is welkom bij Hem.
Aan het volk Israël heeft God de blijde boodschap van vrede laten brengen door Jezus Christus.
En deze is de Heer van alle mensen.
Hij vroeg ons dit nieuws aan het volk bekend te maken
en te zeggen dat Hij door God is aangesteld
om rechter te zijn
over de levenden en de doden.
Alle profeten hebben het over Jezus
en zeggen dat ieder die in Hem gelooft
vergeving van zonden verkrijgt.”

-26- EERSTE LEZING

Brief van de apostel Paulus aan de christenen van Rome. (Rom.5,5-11)

Broers en zusters,
Wij weten dat God ons liefheeft,
want Hij heeft ons
de Heilige Geest gegeven.
Christus is voor ons gestorven op het ogenblik,
dat door God werd vastgesteld.
Wij leefden toen alsof God niet bestond
en waren geheel hulpeloos.
Men zal niet gemakkelijk iemand vinden
die zijn leven wil geven voor een goed mens.
Het kan toch wel zijn dat iemand
in een bepaald geval dit zou doen.
God daarentegen hield al van ons
toen wij nog in zonden leefden.
Daarom is Christus voor ons gestorven
en heeft Hij zijn bloed gegeven op het kruis.
Zo staan wij in een juiste verhouding tot God.
Vroeger waren wij vijanden van God
en verdienden wij eigenlijk zijn straf.
Maar omdat zijn Zoon zijn leven heeft gegeven,
is die vijandschap voorbij.
Wij zijn vrienden van God geworden.
En dat is niet alleen waar voor later,
nu reeds kunnen wij God vol vreugde loven en danken,
want onze Heer Jezus Christus
heeft ons met God verzoen.

-27- EERSTE LEZING

Brief van de apostel Paulus aan de christenen van Rome.

Broeders en zusters,
Allen die zich laten leiden door de Geest van God,
zijn kinderen van God. Want de Geest, die God u gaf,
maakt van u geen slaven, zodat gij opnieuw in angst moet leven.
Neen, de Geest heeft u kinderen van God gemaakt en door Hem kunnen wij zeggen: "Abba, Vader". En zijn wij kinderen dan zijn wij ook erfgenamen en wel erfgenamen van God te samen met Christus. Daar wij nu in dit leven delen in het lijden van Christus, zullen wij ook eens delen in zijn heerlijkheid.
Want ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die ons te wachten staat.

-28- EERSTE LEZING

Brief van de apostel Paulus aan de christenen van Rome.  (Rom.5,17-21)

Broers en zusters,
Door de schuld van één mens, Adam, is de zonde in de wereld gekomen.
Dit had als gevolg dat de dood het lot van elke mens is geworden.
Mar hoeveel méér is tot stand gebracht door die andere mens: Jezus Christus!
Door zijn overvloedige liefde is vrijspraak van zonden mogelijk geworden.
En wie die gave van Christus aanneemt, zal met Hem leven en heersen.
Dit betekent het volgende:
de overtreding van die éne mens Adam had de veroordeling van alle mensen tot gevolg.
De overvloedige liefde van die éné mens Christus bracht vrijspraak en leven voor alle mensen.
Zoals de ongehoorzaamheid van Adam allen tot zondaars maakte, zo zullen allen door de gehoorzaamheid van Christus gerechtvaardigd worden.
Toen later de wet van Mozes kwam,
werden de overtredingen talrijker.
Al werd de breuk met God door de zonde groot,
de goedheid van God werd nog veel groter.
De zonde bracht de dood, maar de goedheid van God
brengt eeuwig leven, dank zij Jezus Christus onze Heer.

-29- EERSTE LEZING

Brief van de apostel Paulus aan de christenen van Rome. (Rom.6 ,3-4.8-11)

Broers en zusters,
Gij weet waarom ge gedoopt zijt.
Ge wilde helemaal van Christus zijn,
die voor ons gestorven en begraven is.
Welnu, door het doopsel zijn we met Hem begraven,
daar wij ons zondig leven hebben opgegeven.
En zoals Jezus door de Vader uit de dood is opgewekt,
zo zijn wij door ons doopsel tot nieuw leven gebracht.
Onze oude mens is met Jezus gekruisigd,
opdat wij als nieuwe mensen mogen leven voor God en voor elkaar.
Indien we dan met Christus gestorven zijn, mogen wij geloven dat ook wij met Hem zullen leven.
We weten immers dat Christus, eenmaal verrezen, niet meer sterft; de dood heeft geen macht meer over Hem.
Door zijn dood op het kruis heeft Jezus de zonden vernietigd.
Daarom moet ook gij uzelf beschouwen als dood voor de zonde en levend door God in Christus Jezus.

-30- EERSTE LEZING

Lezing uit de brief van de apostel Paulus aan de christenen van Rome.  (Rom. 8,14-23)

Broers en zusters,
Allen die zich laten leiden door de Geest van God,
zijn kinderen van God.Want de Geest, die God u gaf, maakt van u geen slaven,
zodat gij opnieuw in angst moet leven.
Neen, de Geest heeft u kinderen van God gemaakt en door Hem kunnen we God aanspreken met: “Abba, Vader.”En wat wij in het diepst van ons hart weten, wordt bevestigd door de Geest, namelijk dat wij kinderen zijn van God.
En zijn we kinderen, dan zijn we ook erfgenamen en wel erfgenamen van God,
te samen met Christus. Daar wij nu in dit leven delen in het lijden van Christus, zullen wij ook eens delen in zijn heerlijkheid.Want ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die ons te wachten staat.
De hele schepping ziet vol verwachting uit naar de dag waarop God zijn heerlijkheid zal tonen aan zijn kinderen.Want de schepping is onderworpen aan een zinloos bestaan.
Niet uit zichzelf, maar omdat God haar daaraan onderworpen heeft.
Maar toch is er hoop!Want ook de schepping, die nu gedoemd is om te vergaan,
zal bevrijd worden en mogen delen in de heerlijke vrijheid
van de kinderen Gods.Wij weten dat de hele schepping zucht en kreunt, zoals een vrouw tijdens haar bevalling.En met ons mensen, is het al niet beter gesteld.
Ook wij zuchten onder ons lot, hoewel wij -door de gave van de heilige Geest- reeds nieuwe mensen zijn geworden. Wij hunkeren ernaar dat ons lichaam zal verlost worden van ziekte en dood.

-31- EERSTE LEZING

Brief van de apostel Paulus aan de christenen van Rome. (Rom. 8,31b-35.37-39)

Broers en zusters,
Als God aan onze kant staat, wie zal dan tegen ons zijn? God heeft zijn eigen Zoon niet ontzien, toen Die stierf op het kruis om ons te redden.
Als God zijn Zoon heeft gegeven, zal Hij ons dan niet al het andere schenken?
Nu God ons heeft uitverkoren, zal Hij ons dan aanklagen?
Neen, want Hij spreekt ons vrij van schuld en rechtvaardigt ons.
Wie zal ons veroordelen?Jezus Christus? Neen, want Hij is voor ons gestorven en ten leven gewekt om -gezeten aan Gods rechterhand- voor ons ten beste te spreken.
Wie of wat kan ons scheiden van Christus, die ons liefheeft?
Tegenslag of ellende, vervolging, honger of armoede,
levensgevaar of gewelddadige dood? Al die bedreigingen komen wij te boven omdat God ons liefheeft.Hij laat ons niet in de steek.
Ik ben ervan overtuigd dat niets ons kan scheiden van God,
die ons liefheeft.
Dood of leven, licht of duisternis, heden of toekomst, macht of kracht: geen van allen is in staat ons te scheiden van de liefde Gods, die ons is gegeven in Christus Jezus onze Heer.

-32- EERSTE LEZING

Brief van de apostel Paulus aan de christenen van Rome.  (Rom. 14,7-12;15,1-6)

Broers en zusters,
Niemand van ons leeft voor zichzelf alleen en niemand sterft voor zichzelf alleen.
Zolang wij hier op aarde leven,
leven wij in dienst van de Heer.
En als ons uur van sterven gekomen is,
dan nog blijft Christus onze Heer.
Wij zijn dus van Christus,
in leven en in sterven.
Hem behoren wij toe.
Want daarvoor is Christus gestorven en ten leven gewekt.
Om Heer te zijn over doden en levenden.
Allen zullen wij verschijnen voor de rechterstoel van God.
Want er staat geschreven:
Zo spreekt de Heer:
Voor Mij zal elke knie moeten buigen en iedereen zal openlijk erkennen dat Ik God ben;
Zo zal dan ieder van ons rekenschap moeten afleggen voor zichzelf.
Broers en zuster,
wij mogen onszelf niet zoeken.
laat ieder van ons bedacht zijn op wat goed is voor zijn naaste
en op wat hem kan bemoedigen.
Ook Christus heeft zichzelf niet gezocht.
Moge God, de bron van volharding en troost, u helpen
om met elkaar eensgezind te leven
in de geest van Jezus Christus.
Dan kunt gij één van hart en uit één mond lof brengen aan God, de Vader van onze Heer Jezus Christus.

-33- EERSTE LEZING

Brief van de apostel Paulus aan de christenen van Korinte. (1 Kor.13,1-10.12-13)

Broers en zusters,
Al spreek ik met tongen van engelen en mensen,
maar liefde heb ik niet:
ik ben slechts schallend koper - een rinkelende tamboerijn.
Al ben ik een profeet ziende het onzienlijke,
in alles gewijd; er is mijn liefde zo groot
dat ik bergen verzet, maar heb ik geen liefde - ik ben niets.
En geef ik alles weg,
en laat ik mij martelen als het moet, heb ik geen liefde,
het dient mij tot niets.
Liefde is,
ruimte geven, tijd laten, goedheid en geduld.
Liefde is niet kleinzielig, jaloers, hebzuchtig.
Ze laat zich niet gelden, ze is niet ijdel of hoogmoedig,
ze doet niets voor het oog van de mensen.
Wie liefheeft is niet belust op zichzelf.
Liefde wordt niet verbitterd,
liefde vindt niets onvergeeflijk.
Onrecht maakt haar niet gelukkig,
waarheid maakt haar gelukkig.
Liefde houdt stand tegen alles:
telkens weer gelooft zij, alles verdraagt zij,
altijd opnieuw vol hoop.
Nooit bezwijkt de liefde.
Woorden van profeten verdwijnen,
aan taal en kennis komt een einde.
Ach, al wat wij weten is stukwerk -
en onze diepste dromen zijn zo vluchtig.
Maar als het oneindige aanbreekt, houdt al het eindige op.
Nu nog zien wij spiegelbeelden -
onduidelijk, eenmaal staan wij oog in oog met God.
Nu weet ik nog niet de helft, ooit, eenmaal, zal ik alles weten
zoals Hij alles weet van mij.
Geloof, hoop en liefde zullen blijven, alle drie, maar de grootste is de liefde.

-34- EERSTE LEZING

Brief van de apostel Paulus aan de christenen van Korinte.  (1 Kor. 15,20-26.28b)

Broers en zusters,
Christus is verrezen uit de dood
als eerste van velen die ontslapen zijn.
Door een mens kwam de dood in de wereld,
zo komt ook door een mens de opstanding uit de dood.
In navolging van Adam moeten alle mensen sterven;
in navolging van Christus zullen allen ook herleven!
Maar ieder op zijn beurt.
Als eerste en voornaamste: Christus, vervolgens bij zijn komst allen die in Christus geloven.
Daarna komt het einde.
maar Christus zal zolang koning zijn tot Hij al de vijanden van zijn rijk heeft vernietigd.
En de laatste vijand, die vernietigd wordt, is de dood.
Dan zal Hij het koningschap aan God de Vader overdragen.
Zo zal God alles in allen zijn.

-35- EERSTE LEZING

Brief van de apostel Paulus aan de christenen van Korinte.  (1 Kor.15,12-20.23b)

Broers en zusters,
Als de Blijde Boodschap van Jezus Christus nu juist inhoudt
dat Jezus uit de dood is opgewekt, hoe kunnen sommigen van u dan beweren dat er geen opstanding uit de dood is? Als er geen opstanding is, dan is ook Christus niet verrezen.
En als Christus niet verrezen is, da        n is onze boodschap waardeloos en uw geloof zonder betekenis. Sterker nog: dan blijkt zelfs dat we over God een vals getuigenis hebben afgelegd.
Voor u zou het dan geen verschil uitmaken of ge gelooft of niet.
Dan is er voor niemand redding meer, noch vergeving van zonden.
Dan gaan ook al die mensen verloren, die al gestorven zijn in het geloof in Christus.
Als wij alleen voor dit leven iets van Christus verwachten, dan zijn we meer te beklagen dan wie ook.Maar zo is het niet!
Christus is wel opgewekt uit de dood, als eerste van hen die ontslapen zijn.
En wanneer Hij terugkomt, zal Hij allen mensen, die bij Hem horen doen herleven.

-36- EERSTE LEZING

Brief van de apostel Paulus aan de christenen van Korinte. (1 Kor.15,51-58)

Broers en zusters,
Ik deel u een geheim mee:
wij zullen niet allen sterven,
maar wel van gedaante veranderen - opeens, in een oogwenk.
Als de laatste trompet weerklinkt,
zullen de doden verrijzen om eeuwig te leven
en wijzelf zullen ook van gedaante veranderen.
Ons sterfelijk en vergankelijk lichaam zal veranderen in een onsterfelijk en onvergankelijk lichaam.
Dan zal het woord van de Schrift in vervulling gaan:
De dood is vernietigd en God heeft overwonnen!
Dood, waar is uw overwinning?
Dood, waar is uw macht?
De macht van de dood is de zonde en die wordt maar mogelijk door de Wet.
Maar onze overwinning op zonde en dood danken wij aan God
door onze Heer Jezus Christus.
Daarom, geliefde broers en zusters houd u vast aan uw geloof in Jezus.
Zet u volledig in voor het werk dat de Heer u opdraagt.
Gij weet toch dat uw inspanning onder Zijn leiding niet vergeefs is.

-37- EERSTE LEZING

Brief van de apostel Paulus aan de christenen van Korinte.  (2 Kor. 4,14-18;5,1.7-8a.9-10)

Broers en zusters,
Wij weten dat God, die de Heer Jezus uit de dood heeft opgewekt, ook ons ten leven zal wekken om ons tot zich te voeren.
Wij geven daarom de moed niet op.
Al gaan wij ook uiterlijk gezien ten onder, innerlijk worden wij van dag tot dag een nieuwe mens.
Wij houden onze ogen gericht, niet op het zichtbaren
maar op het onzichtbare.
Wat wij zien gaat voorbij, de onzichtbare dingen duren eeuwig.
Wij weten immers:
als de tent, die onze aardse woning is, wordt neergehaald, heeft God voor ons een gebouw gereed in de hemel - een onvergankelijk huis, niet door mensenhanden gemaakt.
Wij leven in geloof. Wij zien God niet.
Mar wij houden goede moed.
Onze enige betrachting is Hem te behagen.
Allen moeten wij voor de rechterstoel van Christus verschijnen.
Dan zal ieder het loon ontvangen voor hetgeen hij in dit leven heeft gedaan: goed of kwaad.

-38- EERSTE LEZING

Brief van de apostel Paulus aan de christenen van Efeze. (Ef.1,3-7)

Broers en zusters,
Aan God, de Vader van Jezus Christus,
komt alle lof en eer toe.
Hij heeft ons vanuit de hemel elke geestelijke zegen geschonken.
Al voordat Hij de wereld maakte,
heeft God ons in Christus uitgekozen om heilig en zonder zonde te leven voor zijn aangezicht.
In zijn liefde wilde God niets liever dan ons als zijn kinderen aannemen, opdat wij Hem zouden prijzen voor zijn grote goedheid.
En Hij heeft ons door zijn geliefde Zoon laten ervaren hoezeer Hij ons liefheeft.
Zijn Zoon Jezus heeft zijn leven, zijn bloed gegeven, om ons van zonden te verlossen en onze misstappen te vergeven.

-39- EERSTE LEZING

Brief van de apostel Paulus aan de christenen van Filippi. (Fil.3,20-21;4,1.7-9)

Broers en zusters,
Ons vaderland is in de hemel en uit de hemel verwachten wij Jezus Christus, onze Heer en Redder.Hij zal ons armzalig lichaam vernieuwen en het gelijkvormig maken aan zijn verheerlijkt lichaam.
Hij kan dat, omdat Hij in staat is alles te beheersen.
Daarom, mijn beminde broers en zusters, nar wie ik zo verlang, mijn vreugde en mijn kroon, blijf vasthouden aan de Heer.
En de vrede van God, die alle begrip te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Jezus Christus.
Houd uw aandacht gericht op alles wat war en edel, rechtvaardig en zuiver, beminnelijk en eervol is.Kortom, op alles wat deugdzaam is en lof verdient.
Breng in praktijk wat ik u heb geleerd en u heb doorgegeven in woord en daad.
Dan zal de God van vrede met u zijn.

-40- EERSTE LEZING

Brief van de apostel Paulus a.d.christenen van Tessalonica
(1Tess,4,13-14.17b-18;5,14b-15.16-18.23-24)

Broers en zusters,
Wij willen u niet in onwetendheid laten over het lot van hen die gestorven zijn.
Gij moogt niet bedroefd zijn zoals de ongelovigen,
mensen die geen hoop hebben.
Wij geloven immers dat Jezus gestorven is en verrezen.
Zo zal God allen, die in Jezus zijn ontslapen, eeuwig leven geven, samen met Christus.
En dit kunnen wij u zeggen op het woord van de Heer:
wij die nu nog in leven zijn, zullen in geen geval de afgestorvenen voorgaan.
Want als de Heer komt, zullen allen, doden en levenden, de Heer tegemoet treden.
Zo zullen wij voor altijd samen zijn bij de Heer.
Troost elkander dan met deze woorden.
Wij vragen u, broers en zusters, troost hen die moedeloos zijn,
ondersteun de zwakken, heb geduld met allen.
Zorg dat niemand kwaad met kwaad vergeldt.
Streef steeds naar wat Goed is
voor ieder van u en voor alle mensen.
Wees blij bij al wat u overkomt, bid zonder ophouden
en dank God voor alles.
Dat is het wat God van u verlangt als volgelingen van Christus.
En de God van vrede moge u heil brengen en u gelukkig maken.
Heel uw wezen, uw hart, uw lichaam en ziel mogen gaaf en ongeschonden blijven tot de komst van onze Heer Jezus Christus.
Daartoe zijt gij geroepen.
En God, die trouw is,
zal ook doen wat Hij beloofd heeft.

-41- EERSTE LEZING

Brief van de apostel Paulus aan de christenen van Timoteüs.  (2 Tim.2,8-13)

Dierbare,
Vergeet dit nooit: Jezus Christus, een nakomeling van koning David, is opgestaan uit de dood.
Dat is de inhoud van de blijde boodschap die ik u verkondigd heb.
Daarvoor heb ik vele moeilijkheden doorstaan en zit ik nu als een misdadiger gevangen.
Maar het woord van God laat zich niet gevangen zetten.
En ik wil dit alles graag verdragen als ik daarmee de mensen, die God heeft uitverkoren; kan helpen.Ik verlang vurig dat zij redding en eeuwig geluk vinden in Christus Jezus.
Terecht staat er geschreven:
Als wij met Christus gestorven zijn, zullen wij ook met Hem leven.
Als wij volhouden, zullen wij met Hem heersen.
Als wij Hem verloochenen, zal Hij ons verloochenen.
Als wij ontrouw zijn, blijft Hij trouw: zichzelf verloochenen kan Hij niet.

-42- EERSTE LEZING

Brief van de apostel Johannes. (1 Joh.3,1-3)

Vrienden,
Het is haast onbegrijpelijk dat God de Vader
zo’n grote liefde heeft voor ons.
Wij worden kinderen van God genoemd en wij zijn het ook!
De andere mensen, de ongelovigen, begrijpen daar niets van,
omdat zij God niet kennen.
Vrienden,
nu reeds zijn wij kinderen van God en wat wij zullen zijn, weten we nog niet.
Maar wij weten wel dat wij eens op God zullen gelijken omdat wij Hem zien zoals Hij is.
Wie zulk een geluk van God verwacht houdt zich vrij van iedere vorm van kwaad, zoals ook Christus heeft gedaan.

-43- EERSTE LEZING

Lezing uit de brief van de apostel Johannes. (1 Joh.3,14-16.18-24a

Vrienden,
Wij zijn overgegaan van de dood naar het leven.
Wij weten het omdat wij onze medemensen liefhebben.
De mens zonder liefde is nog in het gebied van de dood en heeft het eeuwig leven niet in zich.
En wat liefde is, hebben wij geleerd van Christus:
Hij heeft zijn leven voor ons gegeven.
Dus zijn ook wij verplicht ons leven te geven voor onze medemensen.
Vrienden,
Wij moeten niet liefhebben met grote woorden.
Aan onze daden moet men kunnen zien dat we de mensen echt liefhebben.
Als we zo leven, weten we met zekerheid dat we thuishoren bij God.
En ook al weet ons hart heel goed dat wij verkeerd doen, toch mogen wij met een gerust hart voor God staan.
Voor Hem hoeven we niet bang te zijn, want God is groter dan ons hart en Hij weet alles.
Wij mogen dus zonder vrees en in alle openheid omgaan met God.
We krijgen van Hem wat we vragen omdat we doen wat God graag heeft.
En God vraagt van ons dat we geloven in zijn Zoon, Jezus Christus, en dat we elkaar liefhebben zoals Jezus het ons heeft opgedragen.
Dan woont God in ons.

-44- EERSTE LEZING

Lezing uit de openbaring van de apostel Johannes. (Apok.7,9-10.15-17)

Ik, Johannes, had een visioen.
Ik zag de troon van God door een deur in de hemel die openstond.
Daarna zag ik ineens een geweldige menigte,
die niet tellen kon uit alle rassen en stammen en volken en talen.
Zij stonden voor de troon van God.
Gekleed in witte gewaden en met palmtakken in de hand,
riepen zij luid:
“Dank voor onze redding, aan onze God die op de troon zit en aan Christus, het Lam dat onze zonden draagt.”
Daarom staan zij voor de troon van God en dienen Hem dag en nacht in zijn tempel.
God zal bij hen wonen.
Nooit meer zullen zij honger of dorst lijden.
En de hitte van de zon zal hen niet deren.
Christus zal hun herder zijn.
Hij brengt hen naar de waterbronnen van het leven en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.

Profane lezingen

-1-
"Ik sta aan de zijde van de armen; aan hen behoort het
Rijk der Hemelen.
Ik sta aan de zijde van de mensen die verdriet hebben. Ik zal hen troost geven.
Ik sta aan de zijde van de eenvoudigen. Zij zijn de erfgenamen van mijn Geest.
Ik neem het op voor diegenen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Ik zal ze verzadigen.
Ik juich diegenen toe die leven geven. Ik zal hen leven geven en wel  in overvloed.
Mensen met een puur en zuiver gemoed zijn mensen naar mijn hart. Zij zullen God zien.
Ik sta aan de zijde van allen die zich inzetten voor vrede. Zij zijn kinderen van God.
Ik deel in het lot van de mensen die vervolgd worden omwille van de gerechtigheid. Ik verzeker jullie: zij krijgen de beste plaatsen in mijn Rijk.
En als iemand vervolgd, belachelijk gemaakt en beschimpt wordt, of omwille van Mij van allerlei kwaad wordt beschuldigd, hij mag zich, spijts alles, gelukkig prijzen: zijn loon zal immers groot zijn bij God, mijn Vader."

Hertaling van H.B.

-2-
Leven bezit je niet, kun je niet bezitten,
want leven is een groot mysterie.
Je mag er wel binnentreden, verwonderd en dankbaar om wat je te beurt valt. Leven bezit je niet, leven overkomt je, overweldigt je.
Want leven is liefde van God, pure liefde: Zijn manier om te zeggen: "Ik hou van jou." Die liefde kun je verliezen, 'verspelen, als je de arme mensen - wie die ook zijn - de rug toekeert.
Dan is dat jou manier om tot God te zeggen:
"Neen, liever niet."
Maar die liefde kun je ook bewaren, kun je beantwoorden,
als je de arme mensen - wie die ook zijn - behartigt en bemint.
Dan is dat jou manier om tot God te zeggen: "Ik ben van U."
Dan zal Hij ons na de dood nog altijd evenzeer beminnen.
Dan vindt Hij een heel andere manier om tot ons te zeggen: "Ik hou van jou."
Leven na de dood bezit je niet, kun je niet bezitten.
Maar nog eens mogen binnentreden in het groot mysterie van Zijn liefde,verwonderd en dankbaar, om wat ons te beurt valt, dat is onze sterke hoop.

-3-
Langs betrouwbare wegen, God, leidt Gij mensen naar mensen, en niets gebeurt tussen hen aan pijn en aan genade
dat uw zorgend hart ontgaat.
Ik dank voor ieder mens
met wie ik mee mocht gaan door de tijd die voorbij is,
voor duizend tekenen van goedheid,
Voor woorden en stilte waarin Gij woonde,
voor mensen met wie ik deelde,
lief en leed, brood en beker,
leven en hoop.

-4-
De parabel van de veerman van Manu Verhulst.

"Hij noemde zich de veerman van de laatste oever.
Hij wachtte met zijn bootje en vertelde somtijds van de overkant.
Hij zou de mensen kunnen overvaren, iedereen die wilde, die in hem geloofde. Er lag een verre glimlach in zijn ogen en vrede in zijn woorden, vrede zonder einde.
Maar, hoe zou hij kunnen overvaren?
Hoe wist hij dat er een andere oever was?
En dan nog met het bootje van een visser, naar een oever die niet zichtbaar was?..
Er groeide spot en wrevel, vijandigheid en weerzin rond zijn figuur.Hij werd bedroefd en (..) vreesde voor het ergste.
Op een donkere avond zijn de mensen teruggekomen. Zij hebben hem van de kant geduwd.
Zij dachten: nu zal het uit zijn met dromen en met zijn overkant.'s Anderendaags is alles weer normaal verlopen.
Er was geen veerman meer, geen die van de overkant vertelde. Alleen zijn bootje is daar blijven liggen, het bootje van de visser. Het is nu oud geworden, ligt al eeuwen aan de oever vastgemeerd.De kabels zijn verroest, de loopplank ligt gebroken.Er zitten scheuren in en barsten.
Wie durft er nog mee naar de overkant?
Maar in zijn boegbeeld en zijn lijnen zingt nog het heimwee naar de volle zee. Het ligt nog altijd gereed om te vertrekken voor iedereen die wil en die gelooft. Elke avond komen mensen samen aan de laatste oever.
Zij staren naar de onbekende verte...'Waar is de tijd toen hij nog bij ons was?' Het leven op het land heeft hen nooit bevredigd.
Zij hebben veel gezien, veel meegemaakt, veel geleden, veel genoten.
Maar, aangekomen op de laatste oever, zoeken zij de veerman van weleer. 'Zou hij niet terugkomen?'
Als deze oever. bestaat, dan moet er ook een andere oever zijn... Zij staan en kijken en verlangen...
Zij gaan, ten einde raad, met zijn allen op het wankele bootje.
En als zij rond de tafel zitten in de kleine kajuit, en weer elkanders leven delen, het goede en het slechte, dan is het of zij in elkanders ogen weer de verre glimlach van de veerman zien. Zijn vrede zonder einde is hun deel geworden. Als zij door de patrijspoort kijken komt de andere oever zachtjes naderbij.".

-5-
Als ik dood zal zijn,
zal ik nieuwsgierig
met mijn lege ogen
de duisternis doorboren
en angstig zoeken naar het grote Licht.
Of het komen zal
zoals het is voorzegd, weet ik niet…

Als ik dood zal zijn,
zullen mijn koude leden
zich geen vin verroeren,
maar wachten op een nieuwe warmte
en op een ander welbehagen.
Mijn afgestorven geest zal niet meer denken,
niet meer dromen,
maar zal in diepe stilte
hunkeren naar een nieuw begin.
En dan zal alles anders worden:
geen tijd meer en geen uren,
geen grenzen en geen muren,
geen hindernis van taal of teken.
Als ik dood zal zijn
zult Gij mij dan dragen, God?
Mag uw schoot mijn nieuwe wereld zijn,
onverwoestbaar teder?
En is uw adem dan de polsslag
van mijn leven?
Uw liefde, mijn geluk
voor eeuwen en voor eeuwen?

-6-
Alles heeft zijn tijd en uur zo gaat dat hier in deze wereld.
Geboren worden en sterven, zaaien en maaien: alles heeft zijn tijd.
Treuren en troosten, rouwen en trouwen: alles heeft zijn tijd.
Er is een tijd van weten en een tijd van vergeten,
een tijd van tederheid en een tijd van eenzaamheid,
Er is een tijd van brood, er is een tijd van nood.

Ja, alles gebeurt op tijd en uur: zwijgen en spreken - open en gesloten,
liefhebben en haten - geluk en ongeluk, oorlog en vrede - dood en leven.
Alles heeft zijn tijd. God heeft alles op het juiste moment bepaald.
Zo heeft de mens besef van tijd en uur.
Maar niet alles kan de mens doorgronden.
Heel Gods werk - van het begin tot het einde -kan hij niet vatten.

-7-
Je wilt zo graag woorden als er geen woorden zijn.
Je hebt het gevoel dat geen woord verwoordt wat onverklankbaar is.
Je hoort elk woord als te veel en te vaak gezegd.
Je kunt misschien maar het beste stil zijn
En kijken en vertellen,wie hij was, hoe je hem hebt gekend,
Hoe hij gegaan is.
Je kunt misschien maar het best stil zijn en herinneren.
Er zijn geen woorden die kunnen verzachten.
Er is niets te verzachten
Soms raakt een gebaar je, soms een zachte hand.
Een mens die je woordeloos nabij is.
Zoals de tranen op aarde, zo zijn er tranen in de hemel
zonder woorden,  maar in stilte gedragen…

-8-
Afscheid nemen is met zachte vingers wat voorbij is
dicht doen en verpakken in goede gedachten der herinnering…
is verwijlen bij een brok leven en stilstaan op de pieken van pijn en vreugde.
Afscheid nemen
is met dankbare handen weemoedig meedragen al wat waard is niet te vergeten…
is moeizaam de draden losmaken
en uit het spinrag der belevenissen loskomen
en achterlaten en niet kunnen vergeten

-9-
En als ik dood ga,
huil maar niet.
Ik ben niet echt dood, moet je weten.
Het is de heimwee die ik achterliet.
Dood ben ik pas, als jij me bent vergeten.
En als ik dood ga, treur maar niet.
Ik ben niet echt weg, moet je weten.

’t Is het verlangen dat ik achterliet.
Dood ben ik pas, als jij dat bent vergeten.
En als ik dood ga, huil maar niet.
Ik ben niet echt dood moet je weten.
’t Is maar een lichaam dat ik achterliet.
Dood ben ik pas, als jij me bent vergeten.

-10-
  ‘boerenpsalm van Felix Timmermans .
 In dat boek spreekt Boer Wortel een dank en lofprijzing uit ondanks de tegenslagen in zijn leven.
“O, mijn god, ik zeg U dank voor dit open veld, waar Gij onzichtbaar overheen staat tot in de hoogte der luchten. Ik zeg U dank ’s nachts als ik U tussen de sterren hoor ruisen. Ik zeg U dank om de lente, de zomer, de herfst en de winter, want het zijn vier gebaren van Uwe goedheid, en hun genot en vrucht zijn telkens dezelfde en toch immer als voor de allereerste keer.
Ik zeg U dank om de regenbogen die Gij op de donderwoken spant, om de regen die mijn gewas verkwikt, om de zon die hen uit de grond zuigt, om de winden die’t kwaad wegjagen en de windmolens doen draaien, en om de sneeuw die ’t winterkoren induffelt.
Dank om de maan als ze op- en ondergaat, ze doet toch altijd iets goeds, als men hare kattestreken kent. Dank om de vallende bladeren, ze zijn mest, dank om het gras dat melk wordt!
Dank om de wolken, om de beek, om de knotwilgen, en om al de gewassen,zowel om de beek als om de radeskens:  onder Uwe asem bekomen zij de wil om te leven, hun nodige smaak, kleur en grootte.
Dank om Uwe bezigheid dag en nacht. Gij zijt onze hulp. Uw heerschappij wroet als een knecht. Ik dank U Heer, in de hemel, op de aarde en op alle plaatsen. Dank tot U in het Heilig Sacrament, wiens hostie broederlijk van hetzelfde koren komt waar wij onze boterham van eten, die wij aanbiddend in de processie door de velden met keerslicht en wierook omringen.
Ik dank U, o Heer… op harpen en op snaren! staat er in mijn kerkboek, maar ik heb niets dan een bugel, waarop ik slechts een wals en een doodmars kan spelen. Ik dank U met heel  en mijn hevig hart! Uit heel de volheid van mijn ziel!”

-11-
Als een druppel water die terugvloeit in de zee.
De mensen van voorbij zij worden niet vergeten.
De mensen van voorbij zijn in een ander weten.
Bij God mogen zij wonen daar waar geen pijn kan komen.
De mensen van voorbij zijn in het Licht, zijn vrij.

Als een web in de morgen parelen de herinneringen ongrijpbaar de zon nog in nevel geborgen even helder
om dan te verdwijnen alsof het er nooit was.
Gebleven zijn de draden van het patroon
zo kostbaar geweven om door te geven.
En er altijd te zijn.

-12-
Voor elke vlinder komt een tijd
dat hij loskomt uit zijn cocon
en de overgang maakt van het donker… naar het licht.
Voor elk mens komt een tijd
dat hij loskomt uit zijn cocon,
zijn cocon van verdriet en duisternis
of van warmte en bescherming.
Eens komt die tijd van donker naar licht,
van gebondenheid naar vrijheid
maar ook van ’t bekende naar ’t onbekende.
Ieder heeft zijn eigen kennis en waarheid om te bepalen wanneer die tijd gekomen is.
Een stem in jezelf net als ’t innerlijk weten van de vlinder.
Maar zeker is dat we allemaal
eens die gang naar het Licht maken.
Moge iedereen dan een vonk van dat stralende licht
in zichzelf vinden.

-13-

Indien ik je dragen kon over de diepe grachten
van je gesukkel en je angsten heen, dan droeg ik je,
uren en dagen lang.
Indien ik de woorden kende om antwoord te geven op je duizend vragen over leven, over jezelf,
over liefhebben en gelukkig worden,
dan praatte ik met je,
uren en dagen lang.
Indien ik vrede in je hart kon planten
door geduldig te wachten en te hopen
tot het zaad van vrede in je openbrak,
dan wachtte ik,
uren en dagen lang.
Indien ik genezen kon wat omgaat in je hart
aan onmacht, ontevredenheid en onverwerkt verdriet,
dan bleef ik naast je staan,
uren en dagen lang.

Maar ik ben niet groter,
niet sterker dan jij en ik weet niet alles
en ik kan niet zoveel,
ik ben maar een vriend op je weg,
al uren en dagen lang.
En ik kan alleen maar hopen dat je dit weet:
je hoeft nooit alleen te vechten of te huilen
als je een vriend hebt voor uren en dagen lang.

-14-
Goede vrijdagen in ons leven zijn vooreerst zwarte vrijdagen.
Er is de Godverlatenheid van het kruis,
de schreeuw tegen een gesloten hemel:
Mijn God, waarom heb je mij verlaten?
Maar in de schreeuw zelf weergalmt het verzet,
het verweer om aan de dood niet het laatste woord te geven.

‘Dood, waar is je overwinning’
Een schreeuw en de wil tegelijk om op te staan,
met het licht in de handen, het leven tegemoet.
Op een muur las ik de tekst: ‘Christus leeft.’
Iemand schreef er achter: ‘Waar?’
Ik zou willen antwoorden:
‘Daar waar mensen opstaan en aan de dood,
welke dood dan ook, niet de overwinning geven.

-15-
Als een rups
Na het afscheid
Van haar veilige cocon
Als een vlinder mag leven
Oog in oog met de zon

Wat mag een mens
Dan verwachten
Na de pijnlijke scheiding
Op het laatste perron

Hij zal ver
Heel ver reizen
Naar een gloednieuw station
Waar God zelf hem opwacht
Zijn einddoel
Zijn bron.

-16-
Tekst van Phil Bosmans

Vroeg of laat stoot je met je kop tegen die ellendige dwarsbalk, die je leven maakt tot een kruis.Je wordt ziek. Je hebt een accident.
Degene die je liefhebt, sterft.
Je carrière wordt gebroken. Je wordt bedrogen, in de steek gelaten door je eigen man of vrouw.Men werkt je tegen. Men ruïneert je. Je wordt vernederd, uitgestoten ! Je kunt niet meer mee.Het kruis is een realiteit in ieder mensenleven. Maar steeds minder mensen zijn er tegen opgewassen.
Ze aanvaarden het niet meer en ze worden overspannen. Velen gaan eraan ten onder.

Je hebt geen keuze !  Je draagt je kruis ofwel zal het kruis je verpletteren. Maar je kunt pas dragen, als je de zin en de functie van het kruis leert begrijpen.  Het kruis brengt je terug tot je waarheid, tot de juiste afmetingen van arm, zwak, kwetsbaar, klein mensenkind.

Het kruis kan je bevrijden uit de materie, waarin je dreigt te stikken; kan je los maken uit middelmatigheid. Het is als een antenne, waarmee je een boodschap van God kunt opvangen. Ze zal je niet verlossen van je lijden, maar ze zal je verlossen van de zinloosheid en de nutteloosheid ervan!

Je kunt weer mens worden.

-17-
Afscheid nemen…
Misschien een tot ziens of een vaarwel!
Afscheid nemen…
Een stukje van mezelf dat ik ongewild moet weggeven.
Ik voel me nietig,

Afscheid nemen…
Is als een kaars die je onmogelijk
In één adem kan uitblazen als een bliksemflits,
Maar die je moet laten uitdoven
Om de diepe wonde te genezen.

Afscheid nemen…
Is een langdurig proces
Van dagen, maanden of jaren.
Gelukkig blijft de herinnering bestaan.
En een goede herinnering
Aan datgene waarvan je afscheid moet nemen,
Is goud waard.

-18-
Ik ben op reis
al weet ik niet waarheen
maar ergens stond geschreven
dat ik deze weg moest gaan
en al aarzel ik soms even
langs die eindeloze baan.

Ik heb geen geld
geen kaart en geen kompas
maar ik zie de tekens
en die zeggen mij genoeg
en al geef er niemand  antwoord
op de dingen die ik vroeg
toch weet ik
aan het eind vind ik gehoor.

Ik ben een vogel die z'n vleugels spreidt
zo wil ik vliegen altijd verder dan de zon
ik ben een paard die zonder teugels rijdt
maar er is iemand die mij leidt
en die over de dood heen mij nabij zal zijn en blijven.

-19-
Tekst van de hand van Toon Hermans…

“Heer, als wij aandachtig luisteren naar de stilte
kunnen wij de doden horen,
hun zwijgen spreekt een eigen taal,
zij hebben geen woorden meer nodig om bij ons te zijn… diep in ons.
Hun kracht stijgt uit boven de aardse kracht
en hun stilte vertelt ons dat zij het stoffelijke hebben overwonnen
en in een verheven vrede leven omdat ze alle menselijke zwakheden hebben afgelegd.
Heer, geef dat onze dierbare doden
ons vanuit Uw rijk bijstaan en zolang we leven bij ons blijven.”

-20-
Wij moffelen het verdriet in het leven soms weg…
maar beter is het ook te erkennen in zijn zuivere vorm,
zodat het naast vreugde een volwaardige plaats krijgt in ons leven. 
Hoe vreemd het ook klinkt,
alleen erkend en doorleefd verdriet kan ooit genezen.
Wanneer wij verdriet geen ruimte geven
zal het een vermond bestaan gaan leiden.
Erkend verdriet, daarentegen, 
mag huilen en namen noemen,
mag eindeloos verhalen vertellen, mag deuren sluiten en woedend zijn.
Erkend verdriet lost langzaam op
en zal alleen een schaduw achterlaten.
En heimwee. En misschien, heel misschien,
wordt het leven nadien voller en rijker,
wanneer we gaan begrijpen dat verdriet wezenlijk
en onontkoombaar deel uitmaakt van de volheid van het leven.

-21-
Alles krijgen wij en alles moeten wij laten gaan.
Er is al zo weinig dat van ons is:
onze woorden en gebaren niet, onze ideeën niet,
de dingen en de wezens van de schepping niet, onze adem en ons leven niet.
Misschien is ook ons lichaam niet van ons,
maar van dat wonderlijk gekleurde, glanzend grote lichaam
dat ons liefheeft en beschermt, als een kind at uit haar schoot komt.
De soepelheid van pijn hebben en pijn kwijtraken.
De aanvaarding die ligt in moeilijk gaan, maar toch gaan,
omdat het gaan zoveel groter is dan het niet gaan,
hoewel niet gaan alles zal samenvatten.
De grote ruimtelijkheid van rust,
als het lichaam rust is, opnieuw rust krijgt.
Het huilen en het troosten.
Allemaal samen delen wij dit geheim
van meegenomen te worden op de golven van het leven,
aangeraakt te worden en eenzaam in te slapen.
Wij delen het met ons lichaam, wij delen het met elkaar.
Laten wij ons lichaam,
laten wij elkaar krijgen en loslaten met de onooglijke nederigheid,
met de kortstondigheid, de onzichtbaarheid van de golven in de zee,
even sierlijk, even krachtig en luidruchtig, even doorzichtig als de zee zelf.

-22-
Uit het boek der spreuken
Een sterke vrouw , wie zal haar vinden?
Haar waarde gaat die van koralen ver te boven!
Zij is al het schip van een koopman en haalt van verre haar voedsel.
Zij staat op terwijl het nog nacht is
's nachts gaat haar lamp niet uit.

Zij opent haar hand voor de behoeftige
en strekt haar armen uit naar de misdeelde.
Zij opent haar mond en zij spreekt wijsheid;
Zij gaat de gangen van haar gezin na.

Veel vrouwen hebben zich wakker gedragen,
maar zij overtreft ze allen. 
Bejubelt haar om de vrucht van haar handen en roemt haar in de poorten om haar werken.

-23-
Als je van iemand  houdt en je bent van hem gescheiden,
kan niets de leegte van zijn afwezigheid vullen;
je moet dat niet proberen, je moet eenvoudig aanvaarden en volharden.
Dat klinkt erg hard, maar het is ook een grote troost,
want zolang de leegte werkelijk leeg blijft, blijf je daardoor met elkaar verbonden.

Hoe mooier en rijker de herinneringen,
des te moeilijker de scheiding.
Maar de dankbaarheid verandert de pijn van de herinnering in stille vreugde.
De mooie dingen van vroeger zijn geen doorn in het vlees,
 maar een kostbaar geschenk dat je meedraagt.
Je moet zorgen dat je niet in je herinneringen blijft graven en je erin verliest.
Een kostbaar geschenk bekijk je niet constant,
maar alleen op bijzondere ogenblikken,
buiten die ogenblikken is het een verborgen schat,
een veilige bezit.
Dan wordt het verleden een blijvende bron van vreugde en kracht.

                            'verzet en Overgave' Dietrich Bonhoeffer

-24-
Tekst van de hand van St. Augustinus.

De dood is niets.
Ik ben slechts aan de andere kant.
Ik ben mezelf, jij bent jezelf.
Wat we voor elkaar waren, zijn wij nog altijd.
Noem mij zoals je mij steeds genoemd hebt.
Spreek tegen mij zoals weleer,
op dezelfde toon,
niet triest, niet plechtig.

Lach om wat ons samen heeft doen lachen.
Denk aan mij, bid met mij.
Spreek mijn naam uit thuis
zonder hem te benadrukken
zonder een zweem van droefheid.

De draad is niet gebroken.
Waarom zou ik uit je gedachten zijn?
Omdat je mij niet meer ziet?
Neen, ik ben niet ver,
juist aan de andere kant van de weg.
Zie je, alles is goed.
Je zult mijn hart opnieuw ontdekken
en de tederheid terugvinden.
Dus, droog je tranen en ween niet,
als je van mij houdt.

Evangelie

-1-
EVANGELIE  (Marcus 4, 26-34)

In die tijd zei Jezus tot de menigte: " Het gaat met het Rijk Gods als met een man die zijn land bezaait; hij slaapt en staat op, 's nachts en overdag, en ondertussen kiemt het zaad en schiet het op, maar hij weet niet hoe. Uit eigen kracht brengt de aarde vruchten voort, eerst de groene halm, dan de aar, dan het volgroeide graan in de aar. Zodra de vrucht het toelaat slaat hij er de sikkel in, want het is tijd voor de oogst."
En verder: "Welke vergelijking kunnen wij vinden voor het Rijk Gods en in welke gelijkenis zullen wij het voorstellen? Het lijkt op een mosterzaadje. Wanneer dat gezaaid  wordt in de grond, is het wel het allerkleinste zaadje op aarde; maar eenmaal gezaaid schiet het op en het wordt groter dan alle tuingewassen, en het krijgt grote takken zodat de vogels in zijn schaduw kunnen nestelen."

-2-
EVANGELIE
( Marcus 5,24-34)

Op zijn weg naar het huis van een doodziek kind,
verdrong de massa zich rond Jezus, om iets van Hem op te vangen.
Tussen hen was er een vrouw die sinds jaren onder ziekte gebukt liep.
Ze leefde angstvallig en teruggetrokken.
Alle middelen had ze beproefd, zonder hulp of baat.
Met een klein hartje, maar met oeverloos vertrouwen, had ze zich dwars door de menigte tot bij Jezus gewrongen. En heel even raakte zij zijn mantel aan.
Zij had hooren vertellen over zijn kracht in zijn handen en in zijn woorden,
over het licht dat Hij aan dode ogen gaf, over mensen die Hij had doen opstaan uit hun angst en uit hun onvermogen.
Zoals een mens zich aan een grashalm vastklampt, dacht ze:
God, als ik Hem maar even kan aanraken... Jezus ervaarde haar aanwezigheid en keerde zich om en vroeg nadrukkelijk: "Wie heeft Mij aangeraakt?"
De kracht die van Hem uitging, liet de vrouw niet los.
Klein en ontdaan schoof ze naar Hem toe. En diep gebogen aan zijn voeten, deed ze Hem haar pijnlijke verhaal. Jezus keek haar troostend aan en zei: “Jij die gelooft, bent ook genezen, Ga met mijn vrede. Voel je bevrijd en leef.’

-3-
EVANGELIE ( Marcus 4,35-41)

De dag liep ten einde en Jezus zei tot zijn leerlingen:
“Laten wij oversteken.”
Daarop stuurden de leerlingen de mensen weg en namen Hem gewoon mee.
Hij zat toch al in de boot.ook de andere boten staken val wal.
Toen stak er een hevige storm op en de golven sloegen over de boot, zodat die vol liep.
Intussen lag Jezus achter in de boot te slapen, met zijn hoofd op een kussen.
Ze maakten Hem wakker en riepen: “Rabbi, ziet Ge niet dat wij vergaan?”
Hij stond op en riep krachtig tegen de wind in:
“houd op! Houd u stil!”
En de wind viel neer en het werd heel stil.
Toen zei Jezus:
“Waarom zijt ge zo bang?
Hebt ge nog steeds geen geloof?”
De leerlingen waren geweldig onder de indruk en zeiden tegen elkaar
“Wie mag Hij wel zijn dat zelfs wind en water doen wat Hij zegt?”

-4-
EVANGELIE  (Mc. 5, 21b-24.33-42)

Terwijl Jezus aan de oever van het meer stond,
kwamen heel veel mensen naar Hem toe.
Daar kwam ook Jaïrus, de overste van de synagoge.
Toen hij Jezus zag, viel hij Hem te voet en smeekte Hem met aandrang:
“Mijn dochtertje ligt op sterven. Kom mee en leg haar de handen op dat ze gered wordt en blijft leven.”
En Jezus ging met hem mee, terwijl een grote menigte Hem volgde.
Toen ze onderweg waren, kwam men uit het huis van de overste met de boodschap:
“Uw dochter is gestorven. Waarom de Meester nog langer lastig vallen?
Jezus hoorde dit en zei tegen de overste van de synagoge:
“Wees niet bang, maar blijf geloven.”
Hij liet niemand met zich meegaan behalve Petrus, Jakobus en  Johannes.
Toen ze bij het huis van de overste gekomen waren, hoorde Hij de mensen luid wenen en weeklagen.Jezus ging naar binnen en zie tegen hen:
“Waarom dat gehuil en geween?
Het kind is niet dood. Het slaapt!”
Maar ze lachten Hem uit. Daarop stuurde Jezus iedereen naar buiten en ging samen met de ouders van het kind en de drie leerlingen aar de kamer waar het kind lag.
Hij pakte haar bij de hand en zei:
“Talita koemi.- Meisje, sta op.”
Onmiddellijk stond het meisje op en begon rond te lopen.
Zij was twaalf jaar. De ouders en de leerlingen waren stom van verbazing.
Jezus verbood hun nadrukkelijk dit aan iemand te zeggen.
En Hij zei ook nog:“Geef het meisje te eten.”

-5-
EVANGELIE  (Mc. 10, 13-16)

In die tijd brachten de mensen hun kinderen bij Jezus met de bedoeling dat Hij ze zou aanraken.
Maar de leerlingen stuurden ze terug.
Toen Jezus dat zag, werd Hij kwaad en zei:
“laat die kinderen bij Mij komen en houd ze niet tegen.
Want het Koninkrijk van God is voor allen die zijn als kinderen.
Ik verzeker u:
wie voor het Koninkrijk van God niet openstaat als een kind, die komt er zeker niet in.
Daarop sloeg Jezus zijn armen om de kinderen heen,
legde hun de handen op en zegende hen.

-6-
EVANGELIE  (Mc. 13, 33-37)

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Wees op uw hoede!
Blijf waakzaam, want gij weet niet wanneer het beslissende moment komt.
Het is er mee als met een man die op reis gaat:
hij laat zijn huis achter en het beheer draagt hij over aan zijn dienaars, ieder krijgt zijn eigen taak.
Aan de deurwachter heeft hij gezegd waakzaam te zijn.
Blijf dus waakzaam, want gij weet niet wanneer de Heer  van het huis terugkomt, ’s avonds laat of midden in de nacht, voor dag en dauw of bij het eerste licht.
Als hij onverwacht komt,
zorg dat hij u niet in slaap vindt.
Wat ik tegen u zeg, zeg ik tegen iedereen: blijf waakzaam.

-7-
EVANGELIE  (Mc. 15, 33-35.37.39.42.46; 16,1-6a)

In die tijd brachten de soldaten Jezus naar Golgota, wat betekent Schedelplaats.
Daar sloegen ze Hem aan het kruis.
Vanaf het middaguur viel er duisternis over het hele land, tot drie uur in de namiddag.
Toen riep Jezus heel luid:
“Eloï, Eloï, Lama sabachtàni.
Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?”
Daarop slaakte Jezus nog een luide kreet en gaf de geest.
De honderdman, die recht tegenover het kruis stond, had gezien hoe Jezus gestorven was.
Hei zei:
“Waarlijk, die man was de Zoon van God.”
Het was al avond geworden, toen Jozef van Arimatéa naar Pilatus ging om het lichaam van Jezus te vragen.
Toen Pilatus het had afgestaan, kocht hij een lijkwade
haalde Jezus van het kruis en wikkelde Hem in de lijkwade.
Daarop legde hij Hem in een graf.
Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria Magdalena, Maria, de moeder van jakobus, en Salomé welriekende kruiden om het lichaam van Jezus te balsemen.
Heel vroeg in de morgen,
bij het opgaan van de zon, gingen zij naar het graf - die eerste dag van de week.
Ze zeiden tegen elkaar:
“Wie zal de steen voor het graf wegrollen?”
Toen ze daar kwamen, zagen ze dat de steen al weggerold was; en deze was zeer groot.
Ze gingen het graf binnen en zagen rechts een jongeman zitten in een wit gewaad.
Ze waren geheel van streek.
Maar hij zei:
“Wees niet bang. Gij zoekt Jezus van Nazaret, die gekruisigd is. Hij is niet hier. Hij is verrezen.”

-8-
EVANGELIE  (Mt. 25, 31-40)

In die tijd sprak Jezus:
“Eens komt de Mensenzoon terug in heerlijkheid, vergezeld van alle engelen.
Dan zal Hij plaatsnemen op zijn troon.
Alle volken zullen voor Hem bijeengebracht worden.
Dan zal Hij ze in twee groepen scheiden:
de éne rechts en de andere links van Hem.
Tot die aan zijn rechterhand zal de Koning zeggen:
Kom, gezegenden van mijn Vader. Neem bezit van het Koninkrijk dat Hij voor u heeft bereid.
Want ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven.
Ik had dorst en bij hebt Mij te drinken gegeven.
Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen.
Ik was naakt en bij hebt Mij gekleed.
Ik was ziek en gij hebt voor Mij gezorgd.
Ik was in de gevangenis en bij hebt Mij bezocht.
Dan zullen de rechtvaardigen antwoorden:
Heer,
wij hebben U nooit hongerig of dorstig gezien.
Hoe hebben wij U dan te eten of te drinken gegeven?
We hebben U nooit gezien als vreemdeling of naakt.
Hoe hebben wij U opgenomen en gekleed?
Wij hebben nooit gezien dat Gij ziek waart of in de gevangenis. Hoe hebben wij U dan kunnen bezoeken?
Dan zal de Koning hun ten antwoord geven:
In waarheid, Ik zeg u:
Al wat gij gedaan hebt voor één van de minsten van mijn broers, hebt gij voor Mij gedaan.”

-9-
EVANGELIE  (Mt.5 1-12a)

Toen Jezus de mensen naar zich toe zag komen,
ging Hij de berg op.
Hij zette zich neer
en zijn leerlingen kwamen bij Hem.
Hij nam het woord
en onderrichtte hen aldus:
“Zalig die arm voor God staan,
want aan hen behoort
het hemels Koninkrijk.
Zalig zij die treuren,
want zij zullen getroost worden.
Zalig die zachtmoedig zijn,
want zij zullen het land bezitten.
Zalig zij die hunkeren naar gerechtigheid,
want zij zullen verzadigd worden.
Zalig zij die barmhartig zijn,
want zij zullen barmhartigheid ondervinden.
Zalig die zuiver van hart zijn,
want zij zullen God zien.
Zalig die vrede brengen, want zij zullen
kinderen van God genoemd worden.
Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid,
want aan hen behoort het hemels Koninkrijk.
Zalig zijt gij
wanneer men u beschimpt en vervolgt
en allerlei leugen van u vertelt omwille van Mij:
wees dan blij en zing van geluk,
want groot is uw loon in de hemel.”

-10-
EVANGELIE  (Mt.6, 25-33)

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:“Wees niet bezorgd om uw leven,
om eten en drinken, om lichaam en kleding.
Het leven is groter dan eten en drinken, het lichaam is kostbaarder dan kleding.
Volg de vogels in de lucht: zij zaaien niet en maaien niet
en hebben geen bezit in schuren.
Maar uw Vader, die in de hemel is, houdt hen in leven.
Zijt gij niet méér dan wat vogels?
Trouwens, gij kunt uw leven niet verlengen,
ook al zijt ge bezorgd dag na dag.
En waarom maakt gij u druk over uw kleding?
Kijk naar de bloemen langs de weg, die niet spinnen en niet weven,
maar wel bloeien!
Salomo ging schitterend gekleed, maar was niet zo mooi als één van hen.
Uw Vader in de hemel kleedt de bloemen, die vandaag nog bloeien en mogen verdwenen zijn.
Hoe zal Hij dan niet voor u zorgen? Wees dus niet bezorgd om eten en drinken
om lichaam en kleding.
Uw hemelse Vader weet wel dat gij dit alles nodig hebt.
Maar zoek eerst zijn Koninkrijk en doe wat recht is.
Dan zal God u voorzien in alles.”

-11-
EVANGELIE  (Mt. 10, 32.39-42) 

In die tijd riep Jezus zijn twaalf leerlingen bij zich en zei:
“Ieder die tegenover de mensen openblijk voor Mij opkomt,
voor hem zal ook Ik opkomen bij mijn hemelse Vader.
Wie zijn leven voor zichzelf wil behouden, zal het verliezen.
Maar wie zijn leven voor Mij prijsgeeft,
die zal het ware leven vinden.
Wie u opneemt, neemt Mij op.
En wie Mij opneemt, neemt God zelf op,
die Mij gezonden heeft.
Wie een profeet opneemt omdat hij een man van God is,
zal de beloning van een profeet ontvangen.
En wie een goed en eerlijk man opneemt,
omdat het een deugdzaam mens is,
zal dezelfde beloning ontvangen.
En wie één van deze kleinen
een beker koud water geeft
omdat hij mijn leerling is,
die wordt vast en zeker beloond.”

-12-
EVANGELIE  naar  (Mt.10,32.39-42)

Als iemand partij kiest voor Mij bij de mensen, zal ook Ik partij kiezen
voor hem bij mijn Vader in de hemel.
Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, en wie zijn leven verliest
omwille van Mij, zal het vinden.
Wie jullie ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt,
ontvangt Hem die Mij gezonden heeft.
wie een profeet ontvangt omdat het een profeet is, krijgt het loon van een profeet, en wie een rechtvaardige opneemt omdat het een rechtvaardige is, krijgt het loon van een rechtvaardige.
Wie één van deze kleinen een beker koud water geeft omdat het een leerling is, Ik verzeker jullie, zijn loon zal hem niet ontgaan.'
bIjlage: Hertaling van de acht zaligsprekingen  

-13-
EVANGELIE  (Mt. 11, 25-30)

In die tijd zei Jezus:
“Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde,
omdat Gij aan kleinen hebt laten zien
wat Gij voor wijzen en verstandigen verborgen hebt gehouden.
Ja, Vader, zo hebt Gij het gewild.”
Daarop richtte Jezus zich tot de omstanders en zei:
“Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven.
Niemand kent de Zoon tenzij de Vader,
en niemand kent de Vader tenzij de Zoon en zij aan wie de Zoon Hem wil bekendmaken.
Kom tot Mij, gij allen, die uitgeput zijt
en onder lasten gebukt gaat.
Ik zal u rust en verlichting schenken.
Neem mijn juk op uw schouders
en wees mijn leerling,
want ik ben zachtmoedig en nederig van hart.
Zo zult gij rust vinden,
want mijn juk is zacht en mijn last is licht.”

-14-
EVANGELIE  (Mt. 14, 22-33)

Nadat Jezus het volk te eten had gegeven,
dwong Hij zijn leerlingen in de boot te gaan
en naar de overkant te varen.
Zelf bleef Hij nog ter plaatse
om de mensen naar huis te sturen.
Toen iedereen weg was,
ging Hij de berg op om te bidden.
Het werd donker en Hij was daar alleen.
De leerlingen waren al ver op het meer.
Zij kwamen niet goed vooruit door de harde tegenwind
en de hoge golven. Tegen de morgen kwam Jezus te voet
over het water naar hen toe.
Maar toen de leerlingen Hem zo over het water zagen komen,
meenden zij een spook te zien en ze begonnen van angst te schreeuwen.
Maar Jezus riep hen onmiddellijk toe:“Wees gerust. Ik ben het. Vreest niet.”
Hierop zei Petrus:“Heer, als Gij het zijt, laat mij dan over het water naar U toe komen.”
Jezus zei: “Kom.”Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe.
Maar toen hij merkte hoe hevig de wind was,
sloeg de schrik hem om het hart.
Hij begon te zinken en riep:
“Heer, red mij!”Meteen stak Jezus zijn hand uit, pakte Petrus vast,
trok hem uit het water en zei:“Wat hebt ge toch een klein geloof.
Waarom twijfelt Gij?”Toen zij in de boot stapten, ging de wind liggen.
Allen, die in de boot waren,wierpen zich voor Jezus neer en zeiden:
“Waarlijk, Gij zijt de Zoon van God.”

-15-
EVANGELIE  (Mt. 16, 21.25-27)

In die tijd begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken
dat Hij naar Jeruzalem moest gaan.
Daar zou de Hoge Raad Hem veel doen lijden en Hem ter dood brengen.
Maar Jezus zei ook dat Hij op de derde dag zou verrijzen.
En Hij vervolgde:
“Wie zijn leven voor zichzelf wil behouden,
zal het verliezen.
Maar wie zijn leven voor Mij prijsgeeft, zal het vinden.
Wat heeft de mens eraan
als hij heel de wereld wint,
maar zijn leven erbij inschiet?
Of wat is er meer waard dan het leven?
Denk eraan:
eens komt de Mensenzoon met zijn engelen in de heerlijkheid van de Vader.
Dan zal Hij ieder vergelden naar zijn daden.”

-16-
EVANGELIE  (Mt. 18, 1-5.10)
In die tijd stelde Jezus aan zijn leerlingen deze vraag:
“Wie is volgens u de grootste in het hemels Koninkrijk?”
Hij riep een klein kind,
zette het in hun midden en zei:
“In waarheid, ik zeg u:
als gij niet opnieuw wordt als kleine kinderen,
zult gij het hemels Koninkrijk niet binnengaan.
Wie zichzelf klein weet als dit kind,
is de grootste in het hemels Koninkrijk.
En wie in mijn Naam zo’n kind opneemt, neemt Mij op.
Kijk niet neer op één van deze kleinen;
zij hebben engelen in de hemel en die zien mijn hemelse Vader van aangezicht tot aangezicht.”

-17-
EVANGELIE  (Mt. 25, 1-13)

In die tijd vertelde Jezus deze gelijkenis.
Het gaat met het hemels Koninkrijk zoals met tien bruidsmeisjes die met hun fakkels
de bruidegom tegemoet trokken.
Vijf van hen waren dwaas, de andere vijf wijs.
Want de dwazen namen wel hun fakkels mee, maar geen olie.
De wijzen echter namen met hun fakkels
tevens kruikjes olie mee.
Toen de bruidegom op zich liet wachten, dommelden zij in en vielen in slaap.
Midden in de nacht werd er geroepen:
“Daar is de bruidegom. Ga hem tegemoet!”
Onmiddellijk waren alle meisjes wakker en maakten hun fakkels klaar.
Nu zeiden de dwazen tot de wijzen:
“Geef ons wat olie, want onze fakkels gaan uit.”
Maar de wijzen antwoordden:
“Neen, wij hebben niet genoeg voor u en voor ons.
Ga liever voor uzelf wat olie kopen.”
Maar toen zij onderweg waren om olie te gaan kopen,
kwam de bruidegom.
En de bruidsmeisjes die klaar stonden, trokken met hem mee om bruiloft te vieren.
De deur ging op slot.
Later kwamen ook de andere bruidsmeisjes en zeiden:
“Heer, doe open.”
Maar hij antwoordde:“Voorwaar ik zeg u: ik ken u niet.”
En Jezus besloot:“Wees dus waakzaam, want de bruidegom komt op een uur dat gij niet kent.”

-18-
EVANGELIE  (Mt. 25, 14-23)

In die tijd vertelde Jezus deze gelijkenis.
Er was eens een man, die op reis moest naar het buitenland.
Voor zijn vertrek riep hij zijn knechten bij zich en vertrouwde hun zijn geld toe.
Aan de één gaf hij vijf talenten, aan een tweede twee en aan een derde één,
ieder naar zijn bekwaamheid.
Daarop vertrok hij.
De man, die de vijf talenten had gekregen, begon er onmiddellijk mee te werken en verdiende er evenveel bij.
Zo deed ook de tweede.Hij verdiende er twee bij.
Maar de laatste, die één talent had gekregen, verstopte het geld van zijn heer in de grond.
Na lange tijd kwam de heer terug en riep zijn knechten bij zich.
De eerste kwam bij hem, gaf hem tien talenten en zei:
“Heer, vijf talenten hebt gij mij gegeven, ziehier, vijf heb ik erbij verdiend.”
En zijn heer sprak:“Uitstekend, goede en trouwe knecht, over weinig waart gij trouw, over veel zal ik u aanstellen. Ga binnen in de vreugde van uw heer.”
Toen kwam de tweede naar voren en zei:
“Heer, twee talenten hebt gij mij gegeven. Ziehier, twee heb ik erbij verdiend.”
En de heer sprak:
“Uitstekend, goede en trouwe knecht, over weinig waart gij trouw, over veel zal ik u aanstellen. Ga binnen in de vreugde van uw heer.

-19-
EVANGELIE (Mt. 25,14-23)

Het is als met iemand die naar het buitenland ging. Hij riep zijn knechten bij zich en vertrouwde hun zijn bezit toe. Aan de een gaf hij vijf talenten, aan een ander twee en aan een derde één, overeenkomstig ieders bekwaamheid. En hij vertrok naar het buitenland. Degene die de vijf talenten gekregen had, ging er meteen mee handelen en verdiende er nog vijf bij. Zo verdiende ook die er twee gekregen had er nog twee bij. Maar die er één gekregen had, ging een gat in de grond graven en stopte daar het geld van zijn heer in.

Na lange tijd kwam de heer van de knechten terug en hield afrekening met hen. Degene die de vijf talenten gekregen had, kwam naar voren met nog vijf talenten en zei: "Vijf talenten, heer, had u me toevertrouwd. Kijk, ik heb er nog vijf talenten bij verdiend.''  Zijn heer zei tegen

hem: "Uitstekend, goede en trouwe knecht, in het kleine ben je betrouwbaar geweest, over veel zal ik je aanstellen. Kom delen in de vreugde van je heer.''

Ook degene die de twee talenten gekregen had, kwam naar voren en zei: "Twee talenten, heer, had u me toevertrouwd. Kijk, ik heb er nog twee bijverdiend.''  Zijn heer zei tegen hem: "Uitstekend, goede en trouwe knecht, in het kleine ben je betrouwbaar geweest, over veel zal ik je aanstellen. Kom delen in de vreugde van je heer.”

-20-
EVANGELIE (Mt. 5,1-12a)

Toen Jezus de mensen naar zich toe zag komen,
ging Hij de berg op.
Hij zette zich neer en nam het woord:
Zalig die arm voor God staan,
want aan hen behoort het hemels Koninkrijk.
Zalig zij die treuren,
want zij zullen getroost worden.
Zalig die zachtmoedig zijn,
want zij zullen het land bezitten.
Zalig zij die hunkeren naar gerechtigheid,
want zij zullen verzadigd worden.
Zalig zij die barmhartig zijn,
want zij zullen barmhartigheid ondervinden.
Zalig die zuiver van hart zijn,
want zij zullen God zien.
Zalig die vrede brengen,
want zij zullen kinderen van God genoemd worden.
Zalig zijt gij, wanneer men u beschimpt,
uitlacht of vervolgt omwille van Mij:
wees dan blij en zing van geluk, want groot is uw loon in de hemel.

-21-
EVANGELIE (Mt. 8, 23- 27)

Toen Jezus in de boot stapte, volgden zijn leerlingen Hem. Opeens werd de
zee zo onstuimig dat de golven over de boot sloegen. Hij echter lag te slapen.
Zij maakten Hem wakker en riepen: “Heer, red ons, wij vergaan!” Hij sprak tot
hen: “Waarom zijn jullie bang, kleingelovigen?” Toen stond Hij op, richtte zich
met een dwingend woord tot de wind en de zee, en het werd volkomen stil. De
mensen stonden verbaasd en zeiden: “Wat voor iemand is dat toch, dat zelfs
de winden en de zee Hem gehoorzamen?”

-22-
EVANGELIE (Mt. 25,34-40)

In die tijd sprak Jezus: Eens komt de Mensenzoon terug in heerlijkheid. Dan zal hij plaats nemen op zijn troon. Alle volkeren zullen bijeengebracht worden. Dan zal Hij tot die aan zijn rechterhand zeggen:  “Kom, gezegenden van mijn Vader, neem het koninkrijk in bezit dat vanaf het begin van de schepping voor jullie klaar ligt. Want Ik had honger en jullie hebben Me te eten gegeven, Ik had dorst en jullie hebben Me te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en jullie hebben Me opgenomen. Ik was naakt en jullie hebben Me gekleed, Ik was ziek en jullie hebben naar Me omgezien, Ik zat in de gevangenis en jullie kwamen naar Me toe.''  Dan
zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: ` `Heer, wanneer hebben we U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? Wanneer hebben we U als vreemdeling gezien en U opgenomen, of naakt en hebben we U gekleed? Wanneer hebben we U ziek of in de gevangenis gezien en zijn we naar U toe gekomen?''  De koning zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie, alles wat je voor één van deze minste broeders van Mij hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan.''

-23-
EVANGELIE (Mt. 14,22-33)

Nadat Jezus het volk te eten had gegeven, dwong Hij zijn leerlingen in de boot te gaan en naar de overkant te varen. Zelf bleef Hij nog ter plaatse om de mensen naar huis te sturen.
Toen iedereen weg was, ging Hij de berg op om te bidden. Het werd donker en Hij was daar alleen. De leerlingen waren al ver op het meer. Zij kwamen niet goed vooruit door de harde tegenwind en de hoge golven.
Tegen de morgen kwam Jezus te voet over het water naar hen toe. Maar toen de leerlingen Hem zo over het water zagen komen meenden zij een spook te zien en ze begonnen van angst te schreeuwen.
Maar Jezus riep hen onmiddellijk toe: "Wees gerust. IK ben het. Vreest niet."
Hierop zei Petrus: "Heer, als Gij het zijt, laat mij dan over het water naaar U toe komen." Jezus zei: "Kom."
Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. Maar toen hij merkte hoe hevig de wind was, sloeg de schrik hem om het hart.
Hij begon te zinken en riep: "Heer, red mij!"
Meteen stak Jezus zijn hand uit, pakte Petrus vast, en trok hem uit het diepe water.
Jezus sprak: Waarom heb ge toch zo'n klein geloof. Waarom twijfelt gij?
Toen zij in de boot stapten ging de wind liggen.

-24-
EVANGELIE (Mt. 6, 25-33)

Eens stond Jezus met zijn vrienden te kijken naar een zonovergoten land, naar de mooie bloemen op het veld, naar de blauwe lucht,…
Heel spontaan zei hij toen: Kijk toch eens naar de vogels in de lucht.
Ze piekeren zich niet dood zoals de mensen,
en vragen zich niet constant af of ze genoeg zullen hebben.
En toch zorgt de Hemelse Vader voor de vogels.
Waarom zou hij dat dan niet voor jou doen?
Jij bent immers veel meer waard dan zij.En waarom verspil je toch zoveel tijd aan kleding?
Kijk eens naar de lelies op het veld:Ze werken zich niet kapot .
Daarom zeg ik u: Uw Vader in de hemel weet wat je nodig hebt.
Wees niet te overdreven bezorgd .Wees goed voor iedereen,
en leer genieten van al het mooie rondom je.En denk eraan: God laat je niet in de steek!

-25-
EVANGELIE (Mt 24,42-47 )

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: Weest waakzaam, want gij weet niet op welke dag de Heer komt.
Als de eigenaar van het huis wist op welk uur van de nacht de dief zou komen, zou hij blijven waken en in zijn huis niet laten inbreken. (.)
Wie is de trouwe knecht, die de heer heeft aangesteld om de mensen op vastgestelde tijd eten te geven. Gelukkig de knecht als de heer bij zijn komst hem daarmee bezig vindt.
Voorwaar ik zeg u: hij zal hem aanstellen over alles wat hij bezit.

-26-
EVANGELIE (Matteüs 25, 34- 40)

Wanneer de Mensenzoon komt, zal Hij tot die aan zijn rechterhand zeggen:
“Kom, gezegenden van mijn Vader, neem het koninkrijk in bezit dat vanaf het
begin van de schepping voor jullie klaar ligt. Want Ik had honger en jullie
hebben Me te eten gegeven. Ik had dorst en jullie hebben Me te drinken
gegeven. Ik was vreemdeling en jullie hebben Me opgenomen. Ik was naakt
en jullie hebben Me gekleed. Ik was ziek en jullie hebben naar Me omgezien.
Ik zat in de gevangenis en jullie kwamen naar Me toe.”
Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: “Heer, wanneer hebben wij U
hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven?
Wanneer hebben we U als vreemdeling gezien en U opgenomen of naakt en
hebben we U gekleed? Wanneer hebben we U ziek of in de gevangenis gezien
en zijn we naar U toegekomen?”
Hij zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie, alles wat je voor één van deze
geringste broeders hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan.”

-27-
EVANGELIE (Mt. 27,45  )

Vanaf het zesde uur viel er duisternis over het hele land, tot aan het negende uur. Rod het negende uur riep Jezus met luide stem: Eli, Eli, lama Sabachtani? Dat betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij in de steek gelaten? Sommigen die daar stonden, hoorden dit en zeiden: 'Hij roept Elia'. Maar Jezus schreeuwde opnieuw luidkeels en gaf de geest.


-28-
EVANGELIE (Lc.11,9 vv

In die tijd zei Jezus:
Tot U zeg ik hetzelfde:
Vraagt en U zal gegeven worden;
Zoekt en gij zult vinden;
Klopt en er zal worden opengedaan.
Want al wie vraagt, verkrijgt; wie zoekt, vindt
En voor wie klopt wordt opengedaan.
Is er soms onder u een vader die aan zijn zoon een steen zal geven,
Als deze hem om brood vraagt?
Of als hij om vis vraagt, zal hij hem toch in plaats van vis geen slang geven?
Als gij dus, goede gaven aan uw kinderen weet te geven,
Hoeveel te meer zal dan uw Vader in de hemel de Heilige Geest sgeven aan wie Hem erom vragen.

-29-
EVANGELIE (Lc 7, 11-16)

In die tijd ging Jezus met zijn leerlingen naar een stad die Naïn heette.
Zoals gewoonlijk liep een grote groep mensen achter Hem aan.
Toen Hij bij de stadspoort gekomen was, werd daar een dode uitgedragen.
Het was de enige zoon van een vrouw, die ook al haar man verloren had.
Een groot aantal mensen ging met haar mee.
Toen Jezus de vrouw zag,
kreeg Hij medelijden met haar en zei:
“Schrei maar niet.”
Dan ging Hij naar de lijkbaar toe en legde zijn hand erop.
De dragers bleven staan en Jezus zei:
“jongeman, Ik zeg u: sta op!”
De dode ging rechtop zitten en begon te spreken, en Jezus gaf hem aan zijn moeder terug.
Allen waren vol ontzag en zij loofden God met de woorden:
“Een groot profeet is onder ons gekomen en God heeft met liefde op ons neergezien.”

-30-
EVANGELIE (Lc. 12, 35-40  )
In die tijd hield Jezus zijn leerlingen deze gelijkenis voor:
“Zorg ervoor dat gij altijd klaar staat en houd de lampen brandend.
Gedraag u als mensen die wachten op de thuiskomst van hun heer die naar de bruiloft is, om als hij aankomt en klopt, hem aanstonds open te doen.
Gelukkig de dienaren die de Heer bij zijn terugkomst zo zal aantreffen.
In waarheid, Ik zeg u:
Hij zal hen aan tafel nodigen en langs hen gaan om hen te bedienen.
En al komt hij midden in de nacht, of zelfs nog later: gelukkig zijn de dienaren die hij wakend aantreft.
Begrijp dit wel:
als de eigenaar van het huis wist op welk uur de dief zou komen, zou hij in zijn huis niet laten inbreken.
Wees dus ook gij bereid omdat de Mensenzoon komt op een uur dat gij niet verwacht.”

-31-
EVANGELIE  (Lc. 22, 39-44)

Na het laatste avondmaal ging Jezus met zijn leerlingen naar buiten.
 Hij begaf zich volgens zijn gewoonte naar de Olijfberg.
Toen zij daar aankwamen, zei Jezus tot hen:“Bid, dat gij niet op de bekoring ingaat.”
Dan ging Hij wat verder, wierp zich op de knieën en bad:
“Vader, als het mogelijk is, laat dit lijden aan Mij voorbijgaan.
Maar toch, niet mijn wil maar uw wil geschiede.”
Een engel uit de hemel verscheen Hem om Hem te sterken.
In doodsangst bad Hij met nog meer aandrang.
Zijn zweet werd tot dikke druppels bloed die op de grond neervielen.

-32-
EVANGELIE (Lc. 23,33.38-43)

In die tijd werd Jezus, samen met twee misdadigers weggevoerd om ter dood te worden gebracht.Toen zij op de plaats kwamen die Schedel heet, sloegen de soldaten Jezus daar aan het kruis en ook de misdadigers, de één rechts, de ander links.
Boven zijn hoofd hing een opschrift: Dit is de koning van de Joden.
Het stond geschreven in het Grieks, het Latijn en het Hebreeuws.
Eén van de misdadigers die met Hem gekruisigd waren, riep spattend:
“Als Gij de Messias zijt, red dan uzelf en ook ons!”
Maar de andere misdadiger strafte hem af en zei:“Hebt gij zelfs nu geen ontzag voor God?
Wij hebben gekregen wat wij door ons gedrag verdiend hebben.
Maar Hij heeft niets verkeerds gedaan.
Daarop zei hij:“Jezus, denk aan mij als Gij in uw Koninkrijk gekomen zijt.”
En Jezus sprak tot hem:“Voorwaar, Ik zeg u:
vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs.”

-33-
EVANGELIE ((Lc. 23,44-47.5052-53;24,1-6a)

In die tijd sloegen de soldaten Jezus aan het kruis.
Vanaf de middag tot drie uur in de namiddag viel er duisternis over heel die streek.
Toen riep Jezus heel luid:
“Vader, in uw handen leg ik mijn leven neer.”
Na deze woorden gaf Hij de geest.
Bij het zien van wat er gebeurd was, loofde de honderdman God en zei:
“Deze mens was waarlijk een rechtvaardige.”
Nu was er een zekere Jozef, een goed en rechtschapen man, afkomstig uit de Joodse stad Arimatéa.
Hij ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus.
Nadat hij het van het kruis had afgenomen wikkelde hij het in een lijkwade.
Vervolgens legde hij Jezus neer in een graf dat in een steen was uitgekapt en waarin nog nooit iemand was neergelegd.
Op de eerste dag van de week, de zondag, - het was nog vroeg in de morgen - gingen de vrouwen naar het graf.
Zij droegen de balsem en de geurige kruiden die zij hadden bereid.
Toen zij bij het graf kwamen, zagen ze dat de steen voor de ingang weggerold was. Zij gingen naar binnen en vonden er het lichaam van Jezus niet.
Zij wisten niet wat ze ervan moesten denken.
Opeens stonden twee mannen voor hen in een stralend wit kleed.
Verschrikt bogen de vrouwen het hoofd naar de grond.
Maar de mannen zeiden:
“Waarom zoekt gij de levende bij de doden?
Jezus is niet hier. Hij is verrezen.”

-34-
EVANGELIE (Lc. 24,13-17.19b-21.26-35)

In die tijd waren twee leerlingen van Jezus op weg naar Emmaüs, een dorp dat ongeveer elf kilometer van Jeruzalem lag.
Ze spraken met elkaar over alles wat er gebeurd was.
En terwijl ze zo aan het spreken waren, kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee.
Maar hun ogen werden verhinderd Hem te herkennen.
Hij vroeg hun: “Waarover hebt ge het zo druk?”
Ze zeiden:
“Wel, over Jezus van Nazaret, een groot profeet, machtig in woord en daad in het oog van God en heel het volk.
De Hoge Raad in Jeruzalem heeft Hem overgeleverd.
Zo werd Hij veroordeeld en stierf Hij op het kruis.
En wij hadden gehoopt dat Hij het zou zijn die Israël zou bevrijden.”
Nu sprak Jezus tot hen:
“Moest de Messias dat alles niet doorstaan om in zijn heerlijkheid binnen te gaan?”
Dan begon Hij hun uit te leggen wat er over de Messias in de hele Schrift stond, te beginnen met Mozes tot bij al de profeten.
Zo kwamen ze bij het dorp waar ze heen gingen, maar Jezus deed alsof Hij verder moest.
De leerlingen drongen bij Hem aan en zeiden:
“Blijf bij ons, want de avond valt en de dag loopt ten einde.”
Toen ging Hij binnen om bij hen te blijven.
Aan tafel nam Jezus brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het hun.
Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem maar Hij verdween uit hun gezicht.
Toen zeiden ze tot elkaar:
“brandde ons hart niet in ons, terwijl Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot?”
Zij stonden op en gingen onmiddellijk naar Jeruzalem terug.
Daar vonden ze de elf bijeen.
Deze zeiden:
“De Heer is werkelijk verrezen, want Hij is aan Simon verschenen.”
En toen vertelden zij wat er onderweg gebeurd was en hoe ze Jezus herkend hadden aan het breken van het brood.

-35-
EVANGELIE (Lc. 24)

Juist op die dag waren twee van hen op weg naar het dorp Emmaüs, dat zestig stadiën van Jeruzalem ligt. Ze spraken met elkaar over alles wat voorgevallen was. Terwijl ze met elkaar in discussie waren, voegde Jezus zelf zich bij hen en liep met hen mee. Maar hun ogen waren niet bij machte Hem te herkennen. Hij sprak tot hen: `Waarover lopen jullie zo druk met elkaar te praten?' Met sombere gezichten bleven ze staan. Een van hen, die Kleopas heette, gaf Hem ten antwoord: `Bent U dan de enige inwoner van Jeruzalem die niet weet wat daar de afgelopen dagen is gebeurd?' `Wat dan?' vroeg Hij. Ze zeiden Hem: `Wat er gebeurd is met Jezus van Nazaret. Hij was een profeet, machtig in woord en daad in de ogen van God en van heel het volk. Onze hogepriesters en leiders hebben Hem overgeleverd om Hem ter dood te laten veroordelen, en ze hebben Hem zelfs gekruisigd.En wij hadden zo gehoopt dat Hij het was die Israël zou verlossen, maar inmiddels is het al de derde dag sinds dat gebeurd is. Wel hebben enkele vrouwen uit onze kring ons versteld doen staan. Die waren vanmorgen vroeg naar het graf gegaan en toen ze zijn lichaam daar niet aantroffen, kwamen ze terug met het verhaal dat ze ook nog een verschijning hadden gehad van engelen die zeiden dat Hij leeft. Een paar van ons zijn toen naar het graf gegaan en het bleek zo te zijn als de vrouwen gezegd hadden, maar Hem hebben ze niet gezien.' Toen zei Hij tot hen: `Wat zijn jullie toch onverstandig en traag van begrip als het gaat om het geloof in alles wat de profeten hebben gezegd! Moest de Messias niet zo lijden en dan zijn heerlijkheid binnengaan? En Hij legde hun uit wat in heel de Schrift op Hemzelf betrekking had, te beginnen bij Mozes en alle Profeten Toen ze bij het dorp kwamen waar ze moesten zijn, deed Hij alsof Hij verder wilde gaan. Maar met aandrang vroegen ze: `Blijf bij ons, want het is bijna avond en de dag loopt al ten einde.' Toen ging Hij mee naar binnen om bij
hen te blijven. Eenmaal met hen aan tafel nam Hij het brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het hun. Nu gingen hun de ogen open en ze herkenden Hem, maar meteen was Hij uit hun gezicht verdwenen. Ze zeiden tegen elkaar: `Was het niet hartverwarmend zoals Hij onderweg met ons sprak en de Schriften voor ons opende? Meteen stonden ze van tafel op en gingen terug naar Jeruzalem; daar vonden ze de elf en hun metgezellen bijeen. Die zeiden: `Waarachtig, de Heer is opgewekt, aan Simon is Hij verschenen.'  Toen vertelden zij wat er onderweg was gebeurd en hoe ze Hem hadden herkend bij het breken van het brood.

-36-
EVANGELIE (Joh. 14,1-6)

Jullie moeten je niet zo laten verontrusten. Jullie geloven in God; geloof zo ook in Mij! In het huis van mijn Vader kunnen velen hun verblijf houden. Zou Ik anders gezegd hebben dat Ik wegga om voor jullie een plaats gereed te maken? Ja, Ik moet weggaan en voor jullie een plaats gereedmaken, maar Ik kom terug, en dan neem Ik jullie bij Me op, zodat daar waar Ik ben, ook jullie zullen zijn. En waar Ik heen ga - de weg daarheen is jullie bekend.'  `Maar
Heer,' zei Thomas, `we weten niet eens waar U heen gaat; hoe zou de weg ons dan bekend kunnen zijn?'  Jezus antwoordde: `Ik ben de weg, en de waarheid en het leven. Alleen door Mij heeft men toegang tot de Vader.

-37-
EVANGELIE (Joh.

In die tijd sprak Jezus tot zijn leerlingen:
Nog maar kort zal ik bij jullie zijn. Dan zul je Mij zoeken. Waar Ik heen ga, daar kunt u niet komen’, Ik geef jullie een nieuw gebod: dat je elkaar liefhebt. Met de liefde die Ik julie heb toegedragen, moeten jullie ook elkander liefhebben. Daaraan zal iedereen kunnen zien dat je leerlingen van mij bent: als jullie onder elkaar de liefde bewaren.

-38-
EVANGELIE ( Joh.)

Op de eerste dag van de week stond Maria bij het graf te huilen. En terwijl ze zo huilde, wierp ze een blik in het graf en zag daar twee in het wit geklede engelen zitten, de een aan het hoofdeinde, de ander aan het voeteinde van de plaats waar Jezus had gelegen. Ze spraken haar aan: “Waarom huilt u zo? “ Ze antwoordde : “Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd.”
Na deze klacht keerde ze zich om en zag Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. Jezus vroeg: “Waarom huilt u zo? Zoekt U iemand? “ In de mening dat het de tuinman was zei ze: “Heer, als u het bent die hem hebt weggenomen, zeg me dan waar u hem hebt neergelegd; dan kan ik hem laten halen. “ Jezus zei: “Maria!”
Ze keerde zich nu naar hem toe en zei: “Meester” “Houd me niet vast”, zei Jezus. (..) Ik stijg op naar mijn vader die ook jullie vader is, naar mijn God die ook jullie God is.”
Daarop ging Maria Magdalena aan de leerlingen verkondigen: “Ik heb de Heer gezien”, en ze vertelde hun wat hij tegen haar had gezegd.

-39-
EVANGELIE ( Joh.)uit de afscheidsrede van Jezus
Heb geen angst en wees niet treurig als ik er straks niet meer zal zijn. Geloof me,
Gods hart is wereldwijd. Ik ben niet bang om door de dreigende dood op God terug te vallen, gewoon omdat ik weet dat het goed is IN hem, in het grote Leven geborgen te zijn.
En ik zeg jullie: In God vinden wij elkaars leven onbeschadigd terug tegen de tijd dat God ‘alles is in allen’ Tot zolang kan ik jullie alleen maar zeggen: wie Mij heeft meegemaakt, heeft tegelijk God zelf leren kennen.
Wat ik gedaan heb en wié ik ben geweest, het was de levende God zelf die in mij
ten einde toe aan het woord kon komen en Die zichzelf heeft laten kennen al doende wat ik deed. Moet ik nog méér zeggen? Geloof dan op grond van mijn daden onder jullie, dat de Vader leeft in mij en ik in Hem.
En u allen ook: want als u God wil zien, geef Hem dan te zien door voor elkaar zo goed als God te zijn. Dan zul je nog grotere wonderen doen dan ik.
Je zult het Leven verder brengen tot alles wordt voltooid en oneindig goed gemaakt.

-40-
EVANGELIE ( Joh.)voetwassing

Het gebeurde tijdens een maaltijd Jezus, die wist dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God gekomen was en naar God zou teruggaan, stond van tafel op, legde zijn bovenkleren af en bond een linnen schort om zijn middel. Daarna goot Hij water in een waskom en begon Hij de voeten van zijn leerlingen te wassen. Hij droogde ze af met de schort om zijn middel.
Zo kwam Hij bij Simon Petrus. `Heer,' zei deze, `gaat U mij de voeten wassen?'  Jezus gaf hem ten antwoord: `Wat Ik doe, daar heb je nu geen begrip van; later zul je het begrijpen.' Petrus hield vol: `Nooit in der eeuwigheid zult U mij de voeten wassen!'
Maar Jezus zei: `Als Ik je voeten niet mag wassen, hoor je niet bij Mij.' `Heer,' zei Simon Petrus toen, `dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd.'
Toen Hij hun voeten had gewassen en zijn bovenkleren had aangetrokken, nam Hij weer aan tafel plaats en zei: `Begrijpen jullie wat Ik gedaan heb? Jullie noemen Mij meester en Heer, en terecht, want dat ben Ik. Welnu, als Ik, jullie Heer en meester, jullie voeten heb gewassen, dan behoren jullie ook elkaar de voeten te wassen.
Ik heb jullie het voorbeeld gegeven: je moet doen zoals Ik voor jullie heb gedaan. Waarachtig, Ik verzeker jullie: een knecht is niet meer dan zijn meester, Nu je dat weet: gelukkig ben je als je er ook naar handelt. Waarachtig, Ik verzeker jullie: wie iemand opneemt die Ik gezonden heb, neemt Mij op; en wie Mij opneemt, neemt Hem op die Mij gezonden heeft.'

-41-
EVANGELIE ( Joh. 1,1.9-14,16-18)

In het begin was het Woord en het Woord was bij onze God
En zelf God was het Woord.
Al van in het begin was het toegewend naar onze God.
Het ware licht, dat iedere mens verlicht, kwam in de wereld.
Maar de mensen wilden Hem niet aanvaarden.
Allen, die Hem wel aanvaardden -allen die in Hem geloven- gaf Hij het voorrecht
kinderen van God te worden.
Niet uit vlees en bloed, niet uit man en macht of op eigen kracht zijn zij geboren, maar uit God. En het Woord is vlees geworden -een mens als wij-
en heeft onder ons zijn tent neergezet.
Wij hebben zijn licht gezien:
Het weegt op ons, het draagt ons, het doorschijnt ons.
Toen konden wij alleen nog zeggen:
Hij is de enige Zoon van de Vader
Één en al goedheid en waarheid.
Uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen genade op genade.
De woorden van de Wet zijn door Mozes gegeven.
Vriendschap, genade en trouw zonder meer
Zijn geworden door Jezus Christus.
Nooit heeft iemand God gezien.De enige eigen Zoon van God, Die rust aan het hart van de Vader, Hij alleen is onze gids.