Start
13. De Heilige Geest (4 januari 2004)

In onze geloofsbelijdenis komt de Heilige Geest pas ter sprake na de Vader en de Zoon. Maar als we de vraag stellen hoe het geloof in een mensenleven ontkiemt en groeit, moeten we misschien eerst bij de Geest beginnen. Paulus zei reeds: “Niemand kan zeggen: ‘Jezus is de Heer’, tenzij onder invloed van de Heilige Geest” (1 Kor. 12, 13). Geloven dat Jezus Christus leeft en daar je leven naar richten, is inderdaad al het werk van de Geest. Maar wat bedoelen we daar eigenlijk mee? Hoe kunnen we ons de werkzaamheid van Gods Geest in ons leven en onze wereld concreet voorstellen?

De bijbel omschrijft de “Geest van God” allereerst als zijn levensadem, die een dragende aanwezigheid is in de hele schepping: “de geest van de Heer vervult heel de aarde” (Wijsh. 1, 7). De scheppingspsalm 104 verwoordt mooi hoe alle levende wezens die adem van God nodig hebben om telkens weer levenskracht te vinden: “Ontneemt U hen de adem, dan snakken ze naar lucht en keren tot stof terug. Maar geeft U uw adem, dan worden zij herschapen: U maakt de aarde weer helemaal nieuw”.

Daarnaast wordt ook verteld hoe God doorheen de geschiedenis zijn Geest zendt over bepaalde mensen: om het volk te leiden als rechter of koning, om als profeet te waarschuwen en hoop te geven, om als priester voor te gaan in gebed en eredienst. We horen ook al de verzuchting van Mozes dat het hele godsvolk de Geest van de Heer zou hebben (Num. 11, 29), en het visioen van Joël waarin de belofte klinkt: “Ik zal mijn geest uitgieten over alle mensen” (Joël 3, 1).

Beide facetten in de werkzaamheid van Gods Geest – Hij geeft leven én leiding – worden in vele verhalen met dezelfde beelden opgeroepen: vuur, wind, water, een duif, een wolk. Ze komen ook terug in het Nieuwe Testament: daar is het de Geest die Jezus verwekt (Lc. 1, 35), die als een duif op hem neerdaalt bij de doop (Mc. 1, 10), met wie hij gezalfd is (Lc. 4, 1), die hem bezielt en leidt. Het is dankzij de leiding van de Geest dat Jezus zijn weg ten einde gaat én het is ook Gods scheppende Geest die de grond is van zijn opstanding tot nieuw leven (Rom. 1, 4).

De Handelingen beschrijven verder hoe in het pinkstergebeuren de gevolgen van Jezus’ verrijzenis duidelijk worden: Gods Geest, de Liefde en Levensadem die in Jezus aan het licht waren gekomen, worden aan zijn leerlingen “gecommuniceerd”, zoals Hij het zijn Vader ook gevraagd had, vlak voor zijn dood (Joh. 17, 26). De Geest wordt er vooral gezien als de “motor” die de leerlingen steeds weer leidt op hun zending om het evangelie te verkondigen.

Bij Paulus en Johannes krijgen we een intiemer en persoonlijker beeld, dat ook meer betrokken is op ons leven: de Geest wordt ons geschonken bij de doop. Hij komt in ons wonen en leeft en bidt in ons. Hij is de Trooster en Helper (Joh. 14, 16) die ons de woorden van Jezus in herinnering brengt en ons ook de juiste woorden in de mond legt. Hij deelt aan ieder zijn gaven uit (1 Kor. 12, 11) en Hij bewerkt in ons de overgang van slavernij naar vrijheid, van dood naar leven, van zelfbetrokkenheid naar openheid. De Geest maakt ons tot kinderen van God. Zijn werkzaamheid in ons heeft gevolgen voor ons doen en laten, voor onze verhouding tot onszelf en onze verhouding tot anderen.

Zusters en broeders, christelijke spiritualiteit en christelijk leven beginnen wanneer we ons bewust worden van de aanwezigheid van Gods Geest in ons. Staan we daar wel genoeg bij stil, dat we God niet ver buiten of boven ons moeten zoeken? Het komt erop aan Hem in onszelf te ontdekken, Hem aan het werk te laten en ons steeds weer (en meer) open te stellen voor zijn leiding. Uit eigen kracht kunnen we het met de boodschap van het evangelie niet lang uithouden: onze broze liefde moet zich voeden aan de bron van Gods levend water, ze moet zich laten doordringen van zijn Levensadem, van zijn Liefdesvuur dat niet dooft. Amen.