| Start |
|
DE GELOVIGE LEEK VANDAAG
1. WAAROM IS GELOVEN VANDAAG MOEILIJKER
DAN OOIT ?
Vooreerst is het geloof, met name het christelijke, voor de mens van alle tijden
een grote stap, omdat hij zijn leven in het teken stelt van het 'onzichtbare'.
Paulus zei dit reeds: "Het geloof is de vaste grond van wat wij hopen.
Het bevestigt ons de werkelijkheid van de onzichtbare dingen". Het geloof
is niet onredelijk maar gaat ook verder dan de rede. Die onzichtbare God wordt
een aanwezigheid en een verlangen. In zekere zin is het geloof absurd
omwille van die omgang met het onzichtbare, zodanig zelfs dat de gelovige er
zijn bestaan op bouwt. Dat absurde antwoord komt na de al even absurde ervaring
van de dood. God redt ons van het absurde van een bestaan dat uitloopt op de
dood, op het niets.
De exacte wetenschap is de triomf
van het zichtbare, het tastbare, het meetbare maar op de zin van leven en dood
komt er geen antwoord. TOCH droeg ze bij tot het denigreren van het onzichtbare,
omdat de indruk was gewekt dat zij ook op dat domein klaarheid zou scheppen.
Anders uitgedrukt: de successen van de wetenschap zijn zo groot dat elke andere
soort 'kennis' als minderwaardig wordt beschouwd. ook menswetenschappen als
de psychologie 'ontmaskerden' veel gangbare voorstellingen van de menselijke
geest en trachtten de religie te herleiden tot fantasmen en wensdromen. Deze
ontwikkelingen hebben de rol van de godsdienst 'uitgezuiverd'.
Het christendom is meer dan een deïsme. Het is niet alleen het geloof in een
Schepper maar ook in een Vader. Het is het geloof in Christus, Gods Zoon en
zijn verrijzen uit de dood. Verder is er het geloof in de Kerk, een menselijk
instituut - et comment! - met een goddelijke opdracht.
a. Vervolgens is geloven het
bekennen van de afhankelijkheid van de mens in een tijd waarin de autonomie
erg centraal staat in het mensbeeld. Heteronomie en autonomie zijn haast onherleidbare
tegenstellingen.
Dit betekent niet dat in het eerste geval er onderworpenheid, blindheid, zelfloochening
zou zijn. Heteronomie brengt wel relativering en bescheidenheid mee. "Nederigheid
is de grondslag van alle deugden", zei Confucius reeds 2.500 jaar geleden.
In het christendom gaat het echter om iets anders dan loutere gezagsverhoudingen.
Het gaat om een liefdesrelatie tussen Schepper en elke mens afzonderlijk. Hoe
dan ook echter is er Iemand die ons transcendeert en dat is precies in tegenstelling
tot het loutere humanisme. Voor de gelovige wordt de tegenstelling tussen vrijheid
en gebondenheid overstegen door de verbondenheid. Alle instellingen die gezag
uitoefenen, zijn in crisis. De enige wet echter waaraan men zich dient te onderwerpen,
is die van de markt. De mens wordt erdoor sterk bepaald, gemanipuleerd
en bedrogen en wreekt zich daar, waar hij kan, om knellende banden overboord
te gooien. Het geloof deelt in die gezagscrisis.
b. Het christendom is ook een ethiek, zelfs een radicale ethiek, gaande tot "Bemin uw vijanden". Die benadering staat haaks op het "functionalisme" waarin de mens herleid wordt tot een klant, een kiezer of een kijker in functie van belangen. Waarden zijn bakens waarnaar men zich richt. Waarden zijn niet alleen de registratie van wat er leeft. Ethiek vergt altijd een overwinning op zichzelf, een inspanning om uit een soort natuurlijke zelfzucht te treden.
c. omdat het christendom de indruk geeft haaks te staan op een klimaat van dominantie van het wetenschappelijk bewijsbare, het individualisme en het functionalisme, is het in West-Europa vandaag het geloof van een stinkende minderheid geworden, althans het belijdende christendom. Waar er tot voor 30 á 40 jaar een sterke sociologische druk was om zich te bekennen tot de Kerk is er nu omgekeerd een druk op mensen als zij zich actief christen tonen. De onverdraagzaamheid die vanuit de Kerk als meerderheidsinstituut kon uitgaan, heeft plaats gemaakt voor een nieuwe onverdraagzaamheid van tegenstanders van de Kerk. De wijziging in de machtsverhoudingen is voltrokken.
2. HET CHRISTENDOM KWIJNT WEG MAAR DE GEESTELIJKE LEEGTE DIE ZE ACHTERLAAT, WORDT NIET OPGEVULD.
Het economisch en ander 'activisme' kunnen de confrontatie met deze leegte niet duurzaam opvullen. Zelfs de ethiek, nieuwe vormen van edelmoedigheid en solidariteit, hebben het moeilijk zonder religieuze basis. Onderzoekingen wijzen uit hoe geloof en levensbeschouwing leiden tot meer vrijwillige inzet voor anderen, tot meer onderling vertrouwen in een samenleving! Het snel opkomen van beschavingsziekten (depressie, zelfmoorden, stress) zijn daarvan een illustratie! Geconfronteerd met ziekte, lijden, verdriet en dood staat de mens machteloos. De religie faalt dan natuurlijk als ze alleen een soort 'ziekenwagen' is. Het geloof is alleen een kracht als ze opgebouwd en beleefd wordt in 'goede dagen'. Wellicht leven we in een tijd waarin een generatie denkt te kunnen leven zonder metafysiek. Die poging is volop aan de gang en in mijn ogen tot mislukken gedoemd.
Het gaat zover dat men eerder
kiest voor bijgeloof (astrologie, e.a.), andere godsdiensten, religies of sekten,
voor psychologie en psychiatrie, dan te kiezen voor het christendom. Het is
alsof men zich moet bevrijden van een soort Oedipuscomplex, een gevecht met
de Vader. Die strijd is nog niet voorbij.
Het geloof ontleent evenwel zijn relevantie niet uit haar therapeutische waarde,
of als een stimulans tot ethisch gedrag. Het geloof is een inzicht in de waarheid
omtrent de menselijke existentie, zijn geschapen zijn en zijn band met de Schepper.
Omdat dit zo'n vervulling is van diepe menselijke verlangens komt de mens tot
volle ontplooiing en vindt hij de kracht uit zichzelf te treden en naar de anderen
toe te gaan. De mens is bevrijd uit de existentiële angst van de dood die hem
op zichzelf werpt en hem verlamt. Hij put daaruit ook een evenwichtig oordeel
over wat essentieel en bijkomstig is in het leven en vooral leert hij van de
andere nog meer houden, omdat ook hij of zij kind van God is.
De gelovige komt in het Rijk van de Vrijheid. Hij is bevrijd van primaire angsten.
De verworven openheid geeft hem energie om zich in de wereld in te zetten. De
gelovige zou dus niet mogen terechtkomen in de terreur van geboden en verboden,
maar in de liefde. Hij stelt zich niet buiten de wereld maar kiest voor Gods
Schepping en schepselen. Het geloof komt dus ook gelouterd uit die ervaring
van een 'goddeloze tijd'!
3. DE DEFENSIEVE, VERTROUWENDE EN GELOVIGE GELOVIGE.
Het zou een grote vergissing van de
moderne gelovige zijn te blijven steken in een louter verdedigende houding op
diverse domeinen.
Het verliezen van macht en aanzien van de Kerk maakt de verleiding groot verbitterd
te zijn en weg te dromen in 'le monde d'hier', een onderscheid makend tussen
'vroeger' en 'nu'. Dat is steriel. De moderniteit wordt verworpen ook in die
aspecten die een echte bevrijding betekend hebben voor de mens. Die houding
schaadt een evenwichtig oordeel en er gaat geen enkel wervend karakter van uit.
Die defensieve houding leidt er ook soms toe zich te richten tegen het eigen
verleden en de eigen Kerk. Het is een soort houding waar men het verval van
macht en aanzien onbewust toeschrijft aan de eigen 'zonden'. vandaar dat er
een soort 'sorry-cultuur' ontstaat, waar men vergiffenis vraagt voor tal van
zaken. Het is juist dat een uitklaring van het verleden ons met het heden kan
verzoenen. Maar het mag geen masochistische neigingen aannemen, die schadelijk
zijn zowel voor degene die vergeving vraagt als voor de toeschouwers die voor
de positieve verwezenlijkingen van het christendom dan geen oog meer hebben.
Een andere defensieve houding
is het vluchten in het irrationele. Onbewust ligt hier een soort capitulatie
aan de basis tegenover de wetenschap. Omdat men de confrontatie met de wetenschap
niet meer aankan, vervalt men in een meer gevoelsmatige houding waarbij een
overdreven beroep wordt gedaan op de genade en op de Geest. De verzoening
rede-geloof is een lang verhaal, teruggaand tot Thomas van Aquino (13de eeuw).
vandaag kent eik goed zijn terrein.
Er is zelfs een nieuwe zin voor het mysterie ontstaan bij een aantal
wetenschappers tegenover het raadsel van het leven. Het blijft ook belangrijk
dat christelijke intellectuelen getuigen van hun geloof, zodat de mensen ook
zien dat tussen rede en geloof geen onverenigbaarheid bestaat. Geloven is natuurlijk
altijd een 'sprong', een 'overgave', een 'verliefdheid' die zoals elke verliefdheid
niemand kan verklaren, maar daarom is het geloof nog niet voorbestemd voor eenvoudige
of zieke geesten.
De gelovige vandaag is iemand die zijn geloof moet veroveren of te verdedigen
heeft. Hij is trouw gebleven aan een innerlijke stern die uitgegroeid is tot
een innerlijke overtuiging. Die trouw brengt vertrouwen mee. Op zijn beurt is
dat een 'force tranquille'. Dat straalt hij uit. In een tijd van fundamentele
onzekerheid is zelf-vertrouwen en vertrouwen in de toekomst belangrijker dan
ooit. Onzekerheid is hét woord om onze tijd te typeren, hoewel er vandaag meer
objectieve zekerheden zijn dan ooit: bijvoorbeeld vrede, gezondheid, sociale
zekerheid en verzekeringen.
De gelovige vroeger en nu moet echter in de eerste plaats een gelovige zijn,
een man of vrouw van gebed en van inzet voor de andere. Dat is een taak waarin
we elke dag falen, door te weinig van het ene en van het andere. Het enige toegelaten
spijtgevoel is een schuldgevoel, met name tekort te zijn geschoten in onze taak.
Natuurlijk is het geloof dus geen privé-zaak. Dat is het geloof herleiden tot
een soort innerlijkheid enerzijds of een soort verticale relatie met God. Neen,
het geloof kan niet zonder het uit-treden uit onszelf, zonder naar de mensen
toegaan. Het geloof heeft dus een maatschappelijke dimensie, ook een politieke.
Men kan en mag godsdienst niet terugdringen tot het eigen huis of het eigen
'ik'. Een andere zaak is of de christenen daarom zich moeten groeperen of terugtrekken
in eigen instelling of eigen politieke partijen is een andere zaak, maar 'en
tant que chrétien' kunnen we niet op de wereld toezien. De secularisering mag
niet ontaarden in een soort nieuwe onverdraagzaamheid tegenover de godsdienst.
Het religieuze taboe dreigt groter te worden dan het seksuele taboe ooit was.
Na 11 september is er een nieuw offensief bezig om de godsdienst te discrediteren
en hem op te sluiten in het predikaat 'fundamentalistisch'.
4. GODSDIENST NA 11 SEPTEMBER
in sommige kringen ligt elke godsdienst
onder vuur sedert de waanzinnige aanvallen van 11 september jl. Fundamentalisme
zou het kenmerk zijn van elke godsdienst. Dat is niet alleen onjuist maar tegen
een trend van de laatste jaren, in Oost en West.
De laatste Sovjet-president Gorbatsjov erkende in zijn historisch bezoek aan
paus Johannes-Paulus II het belang van religie in een ontbonden en moreel-kapotte
Sovjetmaatschappij.
Hier in het westen bracht het oprukken van extreem-rechts het besef bij dat
er opnieuw nood was aan een sociaal weefsel. Extremisme gedijt immers gemakkelijker
in een wereld van geïsoleerde mensen, zonder contact met elkaar en zonder onderling
vertrouwen. Mensen als prof. Elchardus (VUB) benadrukken de rol van levensbeschouwing,
van gedeelde waarden voor het evenwicht in een maatschappij.
Godsdienst grijpt zo diep in op de menselijke existentie en op zijn gevoel
van identiteit dat machthebbers steeds godsdienst gebruikt hebben als een machtsinstrument.
De godsdienst leidt niet tot fanatisme maar men kan fanaten van mensen maken
in dienst van een politiek doel. Bovendien is het woord van de joodse schrijver
Amos Oz waar: "Fanatiekelingen zijn niet fanatiek omdat ze voor een zaak
strijden. Ze zoeken een zaak omdat ze fanatiek zijn! ".
5. DE CHRISTEN ALS CHRISTEN
Een christen heeft als christen "en
tant que chrétien" een opdracht naar de andere toe, zoniet is hij
geen christen. Voor hem of voor haar "telt elke mens". Elkeen is "ingeschreven
in de palm van Gods hand". De mens is dus een doel op zich en geen middel
om macht, geld of succes te behalen. De mens is een waarde op zich. De christen
treedt uit zichzelf en van de andere komt hij in contact met de anderen en met
de medemensen als een georganiseerd geheel, met name de samenlevinig. Geen christendom
zonder ethiek en geen ethiek zonder de andere. De christen is dus van nature
maatschappelijk geëngageerd. Het is een overbodige vraag.
Het is dus volkomen normaal dat de christelijke gemeenschap zich als gemeenschap
ook op een georganiseerde wijze (met professionalisering maar ook met vrijwillige
inzet) wil zorgen voor de andere, in het onderwijs, de gezondheidszorgen, voor
de zwakken en de kleinen in onze wereld. Ze doet dit vanuit een bepaalde inspiratie
en bewogenheid, die ze ook wil delen met anderen. Het verticale, met name de
Godsgerichtheid en de Godsverbondenheid staat in direct verband met het horizontale,
de verbondenheid met de mensen. De christen wil beide delen. Natuurlijk kan
het tweede zonder het eerste ("Etre un chrétien sans Dieu" van Camus)
, maar voor de christen zijn beide verbonden, de natuurlijke en de bovennatuurlijke
orde.
6. DE "VERZUILING"
Het georganiseerde christelijke middenveld
is op deze evangelische wijze ontstaan, niet alleen als een instrument maar
als een doel, de "naaste" te helpen. Zoals alle menselijke initiatieven
is een motivatie nooit eenduidig. Machtsstreven speelde ook een rol, zowel positief
om mensen te winnen voor het christendom als negatief omdat de christelijke
wereld zich in de 19de eeuw aangevallen voelde door de moderne stromingen als
het liberalisme en het socialisme.
De christelijke wereld organiseerde zich ook politiek. Achter de dam van confessioneel
(de CVP en latere CD&V zijn gedeconfessionaliseerd) christelijke partijen
kon het christelijke middenveld zijn activiteiten ontplooien. Gaandeweg namen
ook andere ideologische families initiatieven, hoewel dient gezegd dat de christelijke
in Vlaanderen veruit de sterkste bleven ook gezien de culturele achtergronden
omdat de motivatie bij hun sterker aanwezig bleef dan bij anderen. Men noemde
dit de verzuiling. De kracht van de christelijke zuil wekte veel naijver
op, zeker in de mate dat die zuil een steun was voor een politieke partij. Teneinde
de machtsbasis van die partij te breken werd het ideologisch debat geopend over
pluralisme vs. verzuiling. Het is trouwens
typisch dat naarmate het steeds meer duidelijk werd dat de "zuil"
minder een reservoir van stemmen werd voor één partij dat men toleranter tegenover
de verzuiling ging zijn. De ode aan het middenveld komt nu de politieke arm
van de zuil verzwakt is!
Jammer genoeg wordt er nogal hypocriet gedaan over achterliggende machtsmotieven.
Natuurlijk kwam in de neergang van de zuilen daar het postmoderne mensbeeld
bij kijken die in zijn streven naar het afwijzen van afhankelijkheid, religie
en gezag steeds meer afwees. De politieke democratie en de markteconomie hadden
immers het individu centraal gesteld. De kiezer en de klant moeten opgevrijd
worden want uiteindelijk beslissen zij. Hoe waardevol de politieke en de economische
vrijheid ook zijn, toch hebben ze de atomisering en de vereenzaming van de samenleving
bevorderd. De interne afbrokkeling van de zuil heeft natuurlijk ook te maken
met de moderniteit en het belang dat wordt gehecht aan individu en aan de individuele
mens als bron van moraal zonder enig gezagsverband of groepsgevoel. Het criterium
voor het gedrag van mensen is negatief (geen schade aan de andere, 'geen overlast'),
niet meer hoe kan ik de andere steunen, bemoedigen, bevorderen, integreren.
Hoe kunnen we samen iets doen?
De menselijke, morele en geestelijke
leegte die deze cultus van het individu (onder de vorm van onzekerheid, onveiligheid,
vereenzaming) veroorzaakt, doet toenemend het belang inzien van zingeving, levensbeschouwing,
van sociaal en familiaal kapitaal. Gemeinschaft t.o.v. Gesellschaft.
Het individu ziet ook steeds meer in dat door hem op te vrijen hij ook steeds
gemanipuleerd en betogen wordt. De onzekerheid groeit en samen daarmee het cynisme
en de agressiviteit. Dat uit zich ook politiek in toenemende balkanisering en
extremisme.
Langs de andere zijde is er het toenemend inzicht dat waarden alleen de samenleving
kunnen bijeen houden. Die waarden draaien alle rond de mens als uniek wezen
(niet gemanipuleerd) en in verbondenheid, de weg naar menselijke warmte als
een tegengif voor het functionalisme, waar de mens een middel is en geen doel.
Het doet de nood groeien naar een samen zijn en een middenveld. Die belangstelling
is trouwens altijd erg levendig gebleven. Men doet dit af als het zoeken naar
'kwaliteit', maar de reden is veel fundamenteler.
Precies op dat ogenblik is er een interne aarzeling over de inspiratie van dat
christelijk engagement. Kan men dezelfde inzet hebben vanuit een moreel maar
niet levensbeschouwelijk engagement? Natuurlijk,maar het geloof geeft een extra
dimensie en motivatie. De praktijk toont dit ook aan. De paradox zou wel eens
kunnen ontstaan dat er een vraag is naar waardenvast onderwijs en -zorg maar
dat het aanbod niet volgt! Althans in een overgangsfase.
Het is dus de klant die bepaalt of
er een aanbod vanuit een 'zuil' nuttig is en maatschappelijk relevant. Vandaag
kunnen we 'zuiverder' tegenover deze verzuiling staan omdat ze ontdaan is van
haar partijpolitieke betekenis en dus van machtsargumenten. De politici die
nu nog een kruistocht uitvechten tegen de christelijke zuil, liggen een oorlog
achter en handelen bovendien
niet democratisch, vermits de bevolking door haar keuzen hier nog groot belang
aan hecht en ze bezondigen zich aan 'betutteling'. De strijd wordt echter subtieler
uitgevochten. Men wil ziekenhuizen en scholen hun christelijke identiteit ontnemen
door ze zgn. te democratiseren of in naam van het pluralisme. Dezelfde redenering
passen liberalen dan wel niet toe op de bedrijven! Dat zou te logisch zijn!
Ik ben niet pessimistisch. Religie behoort tot de menselijke natuur. "Chassez le naturel il revient au galop". De christen is fundamenteel hoopvol. 'Laat Hem maar werken', zegt de kardinaal. maar wij zullen Hem wel wat moeten hel pen ...
Uitgesproken op zondag 9 December 2001 tijdens de "Kerstbazaar" in de Sint-Andriesabdij Zevenkerken te Sint-Andries Brugge.
Herman Van Rompuy
gescand uit Ministrando
15 Feb. 2002