| Start |
|
Een hand op je schouder...
Bart zit alleen op zijn kamer. Hij piekert. Wel tien keer heeft hij aan tafel willen beginnen over alles wat op school gebeurd was... Maar het kwam er nooit van. Er was altijd wel iets. Bart sluit zijn ogen en zucht. Hoe is het toch zover kunnen komen?
Hij denkt aan zijn pa die al een hele tijd geen werk meer heeft. Ze hebben hem afgedankt. Dan dwalen zijn gedachten af naar de speelplaats van zijn school. Hij hoort opnieuw de verwijtende stemmen van Bruno en zijn kameraden: 'jouw pa is een luierik, een profiteur! Iedereen zegt het! Niet waar soms? Hij wil niet werken. Hij stuurt je ma het huis uit om geld te verdienen en zelf blijft hij in bed. Is 't niet waar toch?'. Bart huivert als hij die krenkende woorden weer door zijn hoofd hoort spoken.
En dan zijn er die sneeuwklassen... In een flits ziet Bart het allemaal weer voor zich. De meester verlangt een briefje van de ouders met hun toestemming om mee te mogen. De hele klas gaat mee... Bart proeft weer zijn wanhoop en verdriet. Kan hij nu aan zijn moeder vragen of hij mee mag naar Zwitserland op de dag dat ze de video willen verkopen? En hij denkt aan de spottende ogen van Bruno, het gegiechel van de hele klas.
Kan hij in die klas tegen de meester zeggen: ik ga niet mee? Dan bedenkt hij een oplossing: hij zal er zelf wel voor zorgen! Het geld komt er! . . Bart herinnert zich hoe hij toen zelf op zijn vaders schrijfmachine het briefje heeft getikt: 'Mijn zoon Bart gaat mee naar Zwitserland. Vader'. Zo! Dat is dat!
Maar die avond in bed kwamen de zorgen op hem af. Waar haalt hij het geld vandaan? Auto's wassen? Boodschappen doen voor de buurvrouw? Daar zit wel iets in. Maar is dat voldoende om mee te kunnen naar Zwitserland? Hoe komt hij aan zijn geld? Ais hij eens een overval pleegde? Gemaskerd. Een wapen in de hand... Nee, een gewone winkeldiefstal is beter. Het geld uit de lade wegrissen, terwijl de verkoopster zich even omdraait. En dan rustig naar buiten wandelen... Uiteindelijk verlost de slaap hem van zijn zorgen. Diep en warm genesteld in een veilig holletje droomt hij dat alles in orde komt.
De volgende morgen hoort Bart nog de stem van de meester, vreemd, kil en streng 'Iemand heeft vanmorgen, tussen acht uur en halfnegen, geld gestolen uit de portefeuille van één van de onderwijzers. Voor jullie vanavond naar huis gaan, wil ik weten wie het gedaan heeft en moet ik het geld terug hebben. Begrepen?'.
Bart was toen helemaal onthutst. Was hij gisteren
niet van plan geweest een diefstal te plegen? Hij heeft het niet gedaan! Hij
heeft het geld niet weggenomen! Maar als de meester zo naar hem kijkt, lijkt
het wel of hij het echt gedaan heeft. En toch heeft hij het alleen maar gedacht.
Toen kwam Bruno's harde beschuldiging, tijdens de speeltijd, luid en zeker:
'ik weet wie het geld gestolen heeft! 't Was Bart. Wat wil je? Zijn pa werkt
niet. Hoe zou hij anders die reis naar Zwitserland kunnen betalen?'.
Zelfs de meester leek zich tegen hem te keren. Na schooltijd hield hij hem staan: 'Wel! Heb jij me niets te zeggen? Wat is dit?'. De meester hield hem zijn briefje onder de neus. 'Mijn zoon Bart gaat mee naar Zwitserland. Vader'. 'Dacht je echt dat ik dit zou geloven? Jij schrijft dus zelf, zomaar, een briefje dat je meegaat naar Zwitserland. Alsof 't allemaal niks is. En hoe had je dan gedacht te betalen? Zeg... Heb jij soms dat geld gestolen?'. Bart herinnert zich hoe hij het uitriep: 'Ik heb het niet gestolen! Ik wilde... ik wilde... ik wilde het niet echt... Ik heb het niet gedaan!!!'.
AI deze gebeurtenissen rollen als een film voor Barts ogen voorbij, terwijl hij op zijn kamer zit. En nu wil de meester met vader komen praten... 'Als je niet bekent, kan ik niets anders dan straks met je vader praten. Wanneer komt hij thuis van zijn werk?'. Och, waarom laten ze zijn pa er niet buiten? Bart voelt zich moe, erg moe. Hoe hij ook denkt, hij ziet geen uitweg meer...
Als de bel gaat, voelt hij zich wat opgelucht: nu gaat er eindelijk iets gebeuren. Hoe vlugger het allemaal achter de rug is, hoe liever. Bart opent heel stil de deur van zijn kamer en luistert. Het is mama die de voordeur opendoet. 'Goede avond, mevrouw!'. Het is de meester.
'Bart!', roept zijn moeder. 'Kom eens kijken wie hier is!'. Bart komt de trap af. Maar als hij zijn meester ziet, kan hij zich niet meer houden en roept het uit: 'Ik heb het geld niet gestolen! Echt waar!'. De meester glimlacht: 'Ik weet het, Bart. Het geld was niet gestolen, alleen maar verloren. Mijn collega heeft het zelf teruggevonden'.
De meester keert zich naar de ouders van Bart, die er nog niet veel van begrijpen. Maar voor hij alles kan uitleggen, is Bart al dicht bij zijn pa gaan staan: 'De jongens beweren dat wij geen geld hebben, omdat jij niet‑, omdat jij niet wilt werken, omdat jij een luierik bent en... en alleen maar profiteert. Dat zeggen de jongens'. Er zit weer verdriet in zijn keel. En zijn ogen prikken. Met trillende stem vraagt Bart: 'Het is niet waar, hé pa? Het is toch niet waar...'.
Bart snikt het uit. Alle twijfel en verdriet
van de laatste dagen rollen nu over zijn wangen. Maar hij voelt een zachte hand
op zijn schokkende schouders. En pa zegt: 'Nee, dat is niet waar, jongen, het
is niet waar... Wij moeten daar samen nog eens over praten, hé. Wij tweeën'.
Bart kijkt opgelucht naar zijn pa en dan fier naar zijn meester.