Start

12. Eeuwig leven (23 november)

“Is er iets na de dood?” Het is een vraag die steeds weer in mensen opkomt. Blijkbaar leeft er in de mens een diep verlangen dat de dood niet het laatste is. Het geloof in een vorm van voortbestaan na de dood is niet specifiek christelijk: het komt in vele religieuze culturen terug. Onze geloofstraditie geeft er wel een eigen invulling aan. In onze geloofsbelijdenissen spreken we over “de verwachting van de opstanding van de doden en het leven van het komend rijk”, over het “geloof in de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven”. Het zijn allemaal beelden die hoop en verwachting uitdrukken: we kunnen trouwens alleen maar in beelden spreken over de “overkant” van de dood, want niemand is er ooit uit teruggekeerd. Dat maakt ons spreken erover altijd ook weerloos en broos. 

Nochtans betekent dit niet dat we naďeve dromers zijn wanneer we deze beelden gebruiken. Onze verwachting van het eeuwig leven is gebaseerd op alles wat gelovigen van God hebben ervaren en ontdekt, op zijn spoor door de geschiedenis en in de harten van mensen. Waarom ziet onze traditie de dood niet als een eindpunt, maar als een overgang? Omdat er steeds opnieuw mensen hun vertrouwen hebben gesteld op Gods eeuwige trouw aan zijn Verbond met hen; en het diepste fundament voor dat vertrouwen ligt in de boodschap van de verrijzenis van Jezus Christus: daar komt Gods onherroepelijke trouw en de kracht van zijn liefde op een heel radicale manier aan het licht.  Dezelfde Geest die Jezus ten leven heeft gewekt, zal ook ons eens doen opstaan uit de dood, tot eeuwig leven. Wat God met ons begonnen is in deze wereld, zal Hij ook voltooien.

Wat die voltooiing en dat eeuwige leven verder eigenlijk inhouden, valt niet objectief te beschrijven. Ook hier neemt de Schrift zijn toevlucht tot beelden. Het boek van de Openbaring zegt: “Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen en de dood zal niet meer bestaan; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn, want al het oude is voorbij” (Apk. 21,4). Het eeuwige leven is niet alleen een leven dat geen einde heeft, het is leven dat niet meer bedreigd wordt door vergankelijkheid, onzin en dood, noch door kwaad en zonde. Er zal dus een einde gekomen zijn aan onrecht en onzin. 

Andere beelden drukken het op een positieve manier uit: we zullen God aanschouwen “van aangezicht tot aangezicht” (Cf. 1 Kor. 13, 12) en de verbondenheid met Hem zal volledig zijn: “Hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volk zijn en Hij, God-met-hen, zal hun God zijn” (Apk. 21,3). Zo zullen we ten volle delen in zijn leven. Door de opstanding tot nieuw leven zal ook onze gelijkenis met Jezus Christus – op aarde steeds voorlopig en broos - voltooid worden: rondom de Zoon zullen we volop dochters en zonen van God zijn.  Die voltooide gemeenschap met God en Jezus Christus geldt voor ieder persoonlijk.  Daarom spreken we over de “verrijzenis van het lichaam”. Toch is het geen individueel gebeuren: het gaat om de voltooide medemenselijkheid en het verzoende samen-zijn, waarbij God “alles in allen” (1 Kor. 15,28) zal zijn. Daarom is er ook sprake van een bruiloftsmaal, van een feestvierende menigte, van een stad van vrede, een huis waar plaats is voor velen.

Zusters en broeders, het “eeuwige leven” is een belofte die in onze wereld voortdurend nog weersproken wordt. Toch is het niet alleen maar een ver toekomstvisioen. Want we maken het soms mee – ook al is het vaak klein en kwetsbaar - dat het “komend rijk” reeds nu in onze wereld doorbreekt; de verbondenheid met God, de gelijkenis met Jezus, vrede en verzoening tussen mensen kunnen ook nu al geproefd en beleefd worden.  In die zin begint het eeuwig leven nu al: “Eeuwig leven!  Dat betekent dat ze U, de enige waarachtige God, leren kennen, en ook degene die U gezonden hebt: Jezus Christus” (Joh. 17,3).