| Start |
|
(uit Info 278 : Mensen onderweg)
De eeuwen door zijn mensen op zoek naar het waarachtige goede dat voor henzelf en voor de medemens een weldaad is. Hoe moet een mens als mens leven en samenleven met anderen opdat zijn levenswijze ten goede zou komen aan de uitbouw van zijn eigen leven en van een samenleving waar het voor iedereen goed leven is? De mens houdt niet op de vraag te stellen naar goed en kwaad. Het zal altijd een onvoltooide zoektocht blijven. Ook de moderne mens zoekt een oriëntatie voor zijn handelen. Ook hij draagt een onverwoestbare ethische interesse in zich. Wat hij op moreel vlak moet doen en laten is een kwestie van evenwicht tussen redelijke principes en zinnelijke gevoeligheid: je mag niet doden, niet stelen, niet liegen... Dat is toch algemeen menselijk.
Van de andere kant hebben christenen in het evangelie waarden en normen gevonden. Steeds opnieuw hebben ze hun gedragingen en houdingen aan het evangelie getoetst en ze op grond daarvan 'christelijk' of 'onchristelijk' genoemd.
Maar in welke mate is de levenshouding die je in het evangelie vindt, specifiek christelijk te noemen? Beschikt de christen over een eigen gedragscode? Hij leeft en werkt toch samen met andere mensen in eenzelfde wereld. Wat brengt het geloof in Jezus Christus en zijn evangelie bij voor de uitbouw van een menswaardig leven en voor het leefbaar maken van onze wereld?
Hoe kan dat boek uit een ver verleden en geheel andere cultuurcontext vandaag en hier ons doen en laten inspireren? Bestaat het christen-zijn in het onderhouden van een aantal spelregels die anders zijn dan voor niet-gelovigen?
Overdreven belang hechten aan deze - zo geformuleerde - vragen kan in strijd zijn met het evangelie zelf. Zulke vragen kunnen immers gesteld worden door christenen die hun anders-zijn willen rechtvaardigen, en die er behoefte aan hebben te bewijzen dat zij als christen méér en beter zijn dan anderen. Dit betekent echter ook weer niet dat een christen helemaal geen morele boodschap zou hebben aan het evangelie, en dat zijn eigenheid alleen duidelijk wordt wanneer hij met geloofsgenoten in de kerk samenkomt om te bidden en liturgie te vieren. In deze bijdrage wil ik enkele stellingen formuleren, zonder te beweren dat daarmee alles gezegd is.
Telkens weer probeert men Jezus te promoveren tot een 'ethische superster'. Men ontwerpt een Jezus-beeld, beroofd van alle religieuze elementen en bekleed met sterke ethische karakteristieken. Hij wordt dan voorgesteld als een model van goedheid, een radicale voorvechter van medemenselijkheid, een aanklager van bestaande mistoestanden. Dat was hij ook, maar daarmee is niet alles gezegd over die Jezus. Want hij is geen handboek van moraal komen brengen voor de mensen van alle tijden, maar wel een blijde boodschap. Geloof en godsdienst herleiden tot een moreel normenstelsel zou betekenen dat wij de evangelische boodschap verschralen en verduisteren. Het is er Jezus niet op de eerste plaats om te doen dat we een 'goed mens' zouden zijn. Wij zijn geroepen tot méér: om een 'gelukkig mens' te worden, in relatie met anderen. Dat is de bestemming van ieder mens, het aanbod dat gegeven wordt aan de mensen in het evangelieverhaal van de talenten ('Treed binnen in de vreugde van de Heer'). Jezus is op de eerste plaats een religieus leider. Hij is ons over God komen spreken, niet over een vreemde en ongenaakbare God, maar een God die hij vrijmoedig 'Vader' heeft genoemd. Hij is komen spreken over de eindbestemming van de mens, over een beloftevolle toekomst en over de eindvoltooiing van onze wereld. Hij verkondigt het 'Rijk Gods' en zegt dat dit rijk in hem nabij is.
* Jezus is ook een moreel leider
Uit de evangeliën blijkt dat Jezus een zuiver aanvoelingsvermogen ontwikkeld had voor bepaalde morele waarden. In wat volgt zullen wij uitdrukkelijk blijven stilstaan bij enkele markante en dominerende krachtlijnen uit zijn leven. Hij bezat echter ook het vermogen om wat hij zelf zag, door woord en daad aan anderen te laten zien. Als een goede leermeester kon hij de aandacht van medemensen scherpen en hen wijzen op levenswaarden die gemakkelijk ontsnappen aan onze spontane levensstijl.
Omdat hij deze waarden scherper gezien had, heeft hij ook vaak situaties doorzien waarin deze waarden bedreigd werden. Daar trad hij op met een haast morele verontwaardiging. Hij durfde bepaalde situaties aanklagen waarin de mens het slachtoffer dreigde te worden van structuren en wetten, van bepaalde opvattingen en gewoonten die er leefden tussen zijn tijdgenoten. Zo doorbrak hij het sabbatgebod om voorrang te verlenen aan de concrete mens in nood. Tegen bepaalde voorschriften in ging hij om met een melaatse, een zondaar, een Samaritaanse vrouw. leder schema van rein en onrein, van eigen en vreemd, dat mensen onvrij maakt, kleineert of on- dragelijke lasten opbindt, wees hij af.
* Toch zijn het religieuze en het morele geen twee gescheiden werelden
Ook al gaat het over twee verschillende dingen, geloof en moraal, toch hebben ze heel wat met elkaar te maken en wel in een tweevoudige richting.
In het geloof zelf is de opdracht tot een moreel goed leven ingeschreven. Het geloof in God wordt immers niet alleen beleden en gevierd in gebed en liturgie, maar ook beleefd in het doen van het zedelijk goede. De Schrift laat er geen twijfel over bestaan dat geloof in God en zorg voor de medemens niet gescheiden mogen worden. Er zijn vele uitspraken die erop wijzen dat de liefde tot de naaste dé plaats is voor een godsontmoeting. Zo wordt het beslissende ('laatste') oordeel over ons leven en onze liefde tot God bepaald door onze houding tegenover de medemens die zich naakt, hongerig, eenzaam of opgesloten voelt. Dat is de toetssteen voor ons godsgeloof, de test om de waarde en de echtheid ervan vast te stellen (Mt 25,31-46). Onze naastenliefde be- paalt of onze liefde tot en ons geloof in God wel echt zijn. 'De mens zonder liefde kent God niet, want God is liefde' (1 Joh 4,8). 'Wie zijn broeder, die hij ziet, niet liefheeft, kan God niet liefhebben, die hij nooit gezien heeft' (1 Joh 4,20).
Van de andere kant is er in de Schrift nooit sprake over ethiek op zichzelf (over gedragsregels, vermaningen, voorschriften, geboden en verboden) maar steeds tegen de achtergrond en binnen de context van een religieus spreken over God. De Schrift leed ons meer wie we mogen zijn dan wat we moeten doen. Als je weet wie je bent - verbondspartner van de levende God - dan zul je ook wel te weten komen hoe je je moet gedragen. Het gaat in Jezus niet op de eerste plaats om een moreel ideaal, geïncarneerd in een schoon en goed mens. Het gaat om wat God, de Onuitsprekelijke, in een mensenleven teweegbrengt. Eerst is er een belofte om te horen en dan een opdracht om te doen. Eerst aanbod en dan gebod. Beide elementen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, en wel in die volgorde. Dat is het eigen karakter van de evangelische ethiek, het antwoord-karakter. Het is eigen aan de bijbelse inbreng het menselijk handelen te bevrijden uit het beklemmende kader van een pure plichtenmoraal, uit het beklemmende moralisme van 'zo wel en zo niet'. De diepe motivatie voor dat handelen haalt de mens niet alleen uit zichzelf; het wordt hem gegeven. Niet voor niets begint de Decaloog of de Tien woorden met: 'ik ben Jahwe uw God, die u heb weggeleid uit Egypte, het slavenhuis' (Ex 20,2). Aan de morele verantwoordelijkheid gaat een aangesproken worden vooraf dat van elders komt, dat van verder dan jezelf of de mensengemeenschap komt. Zo luidt ook de eerste uit- spraak van Jezus in het Marcusevangelie: 'Het Rijk God is nabij. Bekeer u. Heb geloof in de goede boodschap' (Me 1,15). De bekering is het menselijk antwoord op het heilsaanbod van het komende Rijk Gods. De opdracht tot het goede leven is dus steeds gefundeerd in het verhaal van wat God voor mensen doet. Na de rede van Johannes de Doper in het begin van het Lucasevangelie (Lc 3,10) en na de rede van Petrus op het pinksterfeest (Hnd 2,37) stellen de toehoorders de typisch ethische vraag 'wat moeten we doen?' Na de goede boodschap gehoord te hebben, stellen zij de vraag naar hun levenspraxis, de vraag naar het ethisch goed handelen.
maar wel een sterke gevoeligheid ervoor
Degenen die een christelijke levensstijl volgen, beschrijven deze vaker en beter in termen van deugden dan van regels en plichten. Deugden zijn aangeleerde goede kwaliteiten, grondhoudingen die wij ons eigen maakt, die een tweede natuur, een deel van onszelf geworden zijn. Deugden zeggen niet wat we precies moeten doen of laten, maar wel wat voor een mens we kunnen worden. Ze trekken geen grenzen, ze wijzen eerder een richting aan, een levensweg.
Door welke waarden werd Jezus bewogen in zijn denken, spreken en handelen? Want dat zegt ons iets over zijn morele karakter en persoonlijkheid. Als wij proberen de waarden waarvoor Jezus zeer gevoelig was, op het spoor te komen, dan kunnen wij de volgende krachtlijnen uittekenen.
* 'Zijn onbeperkt gegeven zijn aan mensen
'Hij ging weldoende rond' zo vatten de leerlingen zijn leven samen (Hnd 10,38). Hijzelf zei trouwens dat de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen (Mt 20,28). Het leek alsof hij op eik moment voor elke mens open en volledig beschikbaar stond, meevoelend en meelevend, met een sterk aanvoelen van zijn diepste gevoelens en noden. Hij selecteerde niet. Hij nam mensen zoals ze waren, zonder etiketten, zonder vooroordelen. Hij ontweek niemand die hem opzocht. Hij weigerde geen contact, schreef niemand bij voorbaat af. Hij was steeds en onvoorwaardelijk bereid om te helpen, te steunen en te genezen, om hoop, vertrou- wen en toekomst te schenken. Bij Jezus stonden geen strakke wetten of formele geioofswaarheden als eerste punten op de agenda, maar leefde een gevoeligheid voor wat mensen overkwam, wat hen gelukkig maakte en wat hen kwetste.
* Zijn bekommernis voor de marginalen
spreekt uit elke bladzijde van het evangelie.
Hij had aandacht voor de kleine mens. Hij ontfermde zich over de uitgestotene, de arme, de zieke, de vreemdeling, de zondaar, de beproefde en de noodlijdende medemens. Uit elke bladzijde van het evangelie spreekt zijn grote aandacht voor de geschonden, de gekneusde en de gekwetste mens. Hij' is hun pleitbezorger. Het gaat over een voorkeursoptie voor de arme, een voorkeursbehandeling van elke mens volgens zijn behoefte, en niet volgens zijn verdiensten of prestaties. Zo wijst hij de rijken erop dat de kleine bijdrage die de arme weduwe in de offerkist Werpt, meer waarde heeft dat wat zij er van hun overvloed ingooien (Lc 21,1-4). Jezus kon niet in- stemmen met het onrecht dat mensen werd aangedaan. Hij werd kwaad over het kwaad.
* Zijn grote eerbied voor waarheid en waarachtigheid
was een andere opvallende trek van zijn persoonlijkheid. Jezus kan getypeerd worden door zijn niets of niemand ontziende verontwaardiging tegenover leugenachtigheid, valsheid en dubbelzinnigheid, tegenover alles wat schijn is, alle gemaaktheid, alle doen-alsof. Denk aan kernachtige gezegden als ,uw ja moet ja zijn, uw neen, neen' (Mt 15,37). Aan de waarschuwing: 'Niet ieder die Heer! Heer! tegen Mij zegt, zal binnengaan in het Rijk der hemelen, maar alleen hij die de wil doet van mijn Vader in de hemel' (Mt.7,21). Of aan zijn kritische houding tegenover de Farizeeën (Mt 23). Of hoe hij verzet aantekende tegen een wettische moraal die de concrete mens in de kou laat staan en die slechts burgerlijke middelmatigheid in de hand werkt.
* Als een uitzonderlijk vrij mens, die ook andere mensen vrij wist te maken:
zo kwam hij bij zijn leerlingen over. Met verbazing horen wij hoe hij zich tegenover de overgeleverde wetten en gebruiken, waaraan door iedereen en vooral door de priesters en Farizeeën zo'n enorm belang werd gehecht, met koninklijke vrijheid kon opstellen: 'ik zeg u... Maar Ik zeg u...' Zelfs de sabbat, volgens de joden door God zelf in zijn schepping ingeschreven, gaf hij geen voorrang op de mens: 'De sabbat is er voor de mens en niet de mens voor de sabbat.' Hij at met tollenaars en zondaars, had omgang met cultisch onreinen, die toen als goddeloos werden bestempeld. Zo kende hij ook een 'speelse vrijheid' tegenover welstand, rijkdom en comfort, tegenover succes en macht. 'Maak u niet te veel zorgen' is een typisch evangelisch refrein en houdt een duidelijke kritiek in op mensen die het slachtoffer werden van rijkdom en materieel bezit.
Een zekere onbezorgdheid is, ondanks alles, een getuigenis van vertrouwen op God. Als Jezus zorg draagt voor anderen, is hij zelf icoon van zijn zorgdragende Vader.
* Een milde en vergevingsgezinde houding tegenover de falende mens
Hij veroordeelde geen mensen en spijkerde niemand vast op gemaakte fouten, een zondig verleden of negatieve ervaringen. Hij schiep nieuwe kansen en schonk in alle situaties nieuwe toekomst en perspectief. De evangelisten hebben ervaren hoezeer Jezus bij de mensen aanstuurde op een innerlijke ommekeer uit hun mondigheid en op een bekering van het hart. Die vergevingsgezindheid klonk door in zijn oproep ('bekeer u'), in zijn optreden (zijn houding tegenover Zacheüs, de overspelige vrouw en de publieke zondares), in zijn prediking ('niet zevenmaal maar zeventigmaal zevenmaal moet je vergeven'), tot zelfs in zijn bidden ('vergeef ons onze schulden..').
* Zijn sterke godsverbondenheid
is ook een kenmerk van zijn morele karakter of geestelijke gestalte. Zijn godsbeeld verschilt opmerkelijk van het onze. Wij denken spontaan over God in filosofische termen: Hij is het absolute, de eerste oorzaak, de bron van alle bestaan, de levenskracht... iets of iemand heel machtig, heel ongewoon. Voor de joodse traditie is God niet zozeer een soortnaam (zoals het Zijn, de Geest, het Opperwezen) dan wel een eigennaam. Jahwe is de naam van een concreet Iemand die geschiedenis maakt. Jezus ging nog een stap verder. Hij wist zich zo sterk gedragen en bevestigd door God dat hij Hem 'Vader' noemde. Die naam gaf hij aan wat niet te grijpen is: het hoogste, het diepste, het verste en tegelijkertijd het meest nabije, en naar wie wij nu veralgemenend verwijzen met dat kleine woordje 'God'. Zelfs in de diepste crisismo- menten, zoals in de hof van Getsemane, bleef hij vertrouwen op die God die voor hem als een Vader was (Me 14, 32-42): een naam die nabijheid sugge- reert, geborgenheid en bescherming.
Voor Jezus waren 'leven en dood' 'leven en sterven' niet de oerwoorden van ons bestaan.
Voor hem waren 'God en mens', die een bondgenootschap gesloten hebben, nog belangrijker.
Jezus ging de noodlottige gebeurtenissen en de tragische kant van het leven niet uit de weg. Maar hij aanvaardde dat het leven, hoe beproefd en geslagen ook, zin heeft vanuit de verbondenheid tussen God en de mens. Hij geloofde in de mogelijkheden van elke mens. Voor hem waren er geen 'gevallen waar niets meer aan te doen is'. Het overleven hangt niet enkel van onze macht af, en evenmin van louter fatalisrne en berusting in het noodlot. Maar Gods Rijk komt. Die idee vinden wij terug in Jezus' programrnaverklaring, de Bergrede: 'Zalig de wenenden, de armen, de hongerigen, de treurenden en de lijdenden... want hun behoort het Rijk der hemelen. Vandaar zijn verzet tegen ziekte, onderdrukking, discriminatie, eenzaamheid. Vandaar ook zijn geduld en zijn volharding in tegenspoed. Hij liet zich niet verleiden tot geweld of tot ontrouw aan zijn opdracht. Bij hem geen berusting, maar opstand tegen alles wat het le- ven van mensen bedreigde. Wanneer zijn beweging bedreigd werd, sloeg hij niet terug met de wapens van de vijand. 'Als mijn koningschap van deze wereld was, zouden mijn dienaars wel gevochten hebben', zegt hij tegen Pilatus (Joh 18,36). De hoop waarvan Jezus leefde, werd zwaar op de proef gesteld. Toch bleef hij overeind in de diepste wanhoopsituaties. Denk maar aan de bekoringen in de woestijn, zijn strijd in Getsemane en de kruiswoorden.
Zonder volledig te willen zijn, hebben wij een aantal waarden uit evangelie gepuurd. Ze behoren alleszins tot de 'evangelische topwaarden'. Deze zijn natuurlijk geen monopolie van de christenmens. Toch moeten we stellen dat deze waarden Jezus het meest aan het hart lagen. Dat blijkt uit zijn spreken en handelen. Deze waarden behoren dan ook tot onze geestelijke bagage als westerse mensen, die toch grondig door het evangelie getekend zijn. Wij ademen meer evangelische lucht (= geest) in dan wij ons bewust zijn. Ook inzake morele inzichten en houdingen zijn wij, bewust of onbewust, erfgenamen van een verleden en een cultuur die sterk getekend zijn door het christendom. Christen ben je als je je waardeschaal afstemt op deze van het evangelie, en je dagelijkse doen en laten onder de kritiek durft te stellen van Jezus' waarde-aanvoelen. Deze levenswijze en deugden zijn aantrekkelijk op zichzelf. Je wordt geen goed mens omdat het moet, of omdat het voordelig of efficiënt zou zijn, maar omdat deugden je deugd doen!
Ethiek voor christenen heeft betrekking op het volgen van Jezus' levensweg: 'Doe voortaan net als hij'
Jezus maakte waarden concreet en illustreerde ze met sprekende voorbeelden. Hij gaf zijn toehoorders een model van handelen. Daarbij nodigde hij de mensen uit tot navolging: 'Doe voortaan hetzelfde.' Deze navolging bestaat er niet in dat we zijn gedragingen tot in de details navolgen. Er wordt eerder mee bedoeld dat we trouw moeten blijven aan de fundamentele grondopties en grondintuïties van het evangelie, zoals een radicale naastenliefde, onberekende dienstbaarheid, vergevingsgezindheid, oprechtheid, aandacht voor de kleinen en uitgestotenen.
* Als Jezus het heeft over een onberekende naastenliefde geeft hij het model van de barmhartige Samaritaan. Op het einde van het verhaal zegt hij: "Doe dan voortaan net als hij" (Lc 10, 30-37). Daarmee wil hij ons laten zien hoever en in welke richting een evangelische houding van onbaatzuchtige naastenliefde een mens kan brengen.
* Als teken van nederige dienstbaarheid heeft Jezus de voeten van zijn leerlingen gewassen. Hij zei daarbij: "Ik heb jullie het voorbeeld gegeven: je moet doen zoals Ik voor jullie heb gedaan" ( Joh 13,15).
*Jezus leerde ons dat we een ander niet alleen moeten aanvaarden wanneer die uit zijn verlorenheid terugkomt, maar dat we zelf de eerste stap moeten zetten. Dan vertelde hij het verhaal over een vader die op uitkijk staat wanneer zijn verloren zoon terug komt (Lc 15, 20).
*in de bergrede leerde Jezus dat wij geen kwaad met kwaad moeten vergelden. Dan wordt er gesproken over de rechter- en de linkerwang, over het hemd en de rok, over die ene kilometer die gevraagd wordt en die twee die men meegaat (Mt 5,38).
Telkens gaat het over 'modellen' die naargelang de tijd, de plaats en de omstandigheden op eindeloos veel manieren ingevuld kunnen worden. Wat wel altijd en overal geldt, is de grondhouding van de liefde. Maar het 'ethisch model' van het evangelie, in zijn concrete toepassingen, houdt het midden tussen een strikte wet en een vrijblijvende suggestie. Het is geen gebod dat altijd en overal en door iedereen moet worden toegepast zoals het in het evangelie beschreven staat. Maar het is ook geen vrijblijvende suggestie die tot niets zou verplichten. Twee extremen moeten we dus vermijden: ofwel de bijbelse uitspraken letterlijk nemen, ofwel de waarde ervan minimaliseren. De manier waarop de concrete modellen verwoord zijn, is eigen aan een bepaalde tijd en bepaalde omstandigheden. Het gaat niet om kant-en-klare oplossingen. Maar in de concreetheid van de bijbelse taal steekt een uitnodiging om de richting van het model te volgen in de reële situatie waarin we ons bevinden. Daarenboven worden onze creativiteit en vindingrijkheid uitgedaagd om het ethische model op onze eigen manier te beleven, en dat zal in ieder leven anders zijn. Jezus is de vorming en beleving van de moraal niet komen afremmen of uit handen nemen. Hij is ze veeleer komen stimuleren en aan onze handen toevertrouwen. De bijbel bevrijdt ons van de gedachte dat wij slechts een marionet (zonder wil), een slaaf (zonder vrijheid) of een uitvoerder (zonder eigen verantwoordelijkheid) in Gods handen zouden zijn.
Ethiek voor christenen is narratieve ethiek: 'Er was eens iemand'
De evangelische modellen worden verwoord in een verhaal: 'verhalenderwijs'. In plaats van een systematische, haast tijdloze moraal sluit Jezus in zijn onderricht aan bij een verhaal van menselijke onmacht of menselijke mogelijkheden. 'Er was eens iemand...' Zo begint een verhaal altijd: een mens - een situatie. Wie deze aanhef hoort, weet dat er met die mens iets gaat gebeuren, het onverwachte. 'Wie is mijn naaste' vraagt de leerling (m.a.w. als naastenliefde een deugd is, hoever moet je dan gaan in het bemin- nen?). Als antwoord geeft de meester geen nieuwe regel maar wel een verhaal, een deugdelijk voorbeeld van naastenliefde: de barmhartige Samaritaan. Daar heeft de vraagsteller meer aan dan aan een regel! Doe voortaan zoals hij. Volgt deze Samaritaan na. Hoever? Dat zal je zelf wel ondervinden als je eenmaal bezig bent. Ethiek voor christenen is dus een narratieve of verhalende ethiek.
Deze vorm van onderricht heeft een eigen waarde.
* Misschien omdat je door een goed verhaal te beluisteren op weg gezet wordt om zelf een goed mens te worden: verhalender-'wijs-worden'. Als je een verhaal beluistert, leef je onbewust mee met de hoofdfiguur. Je wordt in gedachten een beetje die persoon. Je wordt opgeroepen. En zo kun je je laten vormen door goede verhalen.
* Een verhaal heeft ook het voordeel dat het niet polariseert. Als je een mening verkondigt, kan de ander daar prompt een andere mening tegenover zetten. En voor je het weet, sta je tegenover elkaar. Maar als je een verhaal vertelt, kan de andere hoogstens een ander verhaal vertellen. En in eik verhaal steekt wel iets. Je kunt dit aannemen, maar het hoeft niet.
* Een verhaal wekt onmiddellijk de aandacht. Het is boeiend, want het spreekt tot de verbeelding. Je ziet het zo voor je ogen gebeuren. En naargelang de situatie waarin je verkeert, kun je er verschillende din- gen uithalen en door bepaalde dingen aangespro- ken worden.
* De luisteraar herkent zichzelf in de geschiedenis van de ander. Het is niet langer het verhaal van een ander, maar het wordt mijn verhaal. 'Er was eens ie- mand...' In een verhaal gaat het ook gewoonlijk over drie onbepaaldheden: die van tijd (eens), van plaats (ergens) en van persoon (iemand). Zo kan een ver- haal telkens weer actueel worden. En langs het verhaal beland je in je eigen situatie: het gaat over 'hier' en 'nu' en over 'Wie oren heeft, moet horen' zei Jezus (Mt 13,9). Vele verhalen kennen dan ook geen slot. Het zijn 'open verhalen'. Want je wordt uitgedaagd het met je keuzes en met je eigen leven zelf in te vullen. Heeft de vijgenboom die uitstel kreeg, volgend jaar wel vruchten gedragen? Is de oudste zoon op uitnodiging van zijn vader toch mee gaan feesten omdat zijn broer terug thuisgekomen is? Het wordt ons niet meegedeeld. Als wij onszelf in zo'n verhaal herkennen, zullen wij het zelf moeten invullen.
* Verhalen willen dus iets bij de toehoorders veranderen. Die laatsten worden vaak uit hun wereldje van veilige en rustgevende vanzelfsprekendheden weggeroepen om open te komen voor volstrekt nieuwe en onverwachte mogelijkheden. Denk maar aan de eenvoudige verhalen die provoceren: aan het verhaal van de herder, die zijn 99 schapen in de steek laat, eigenlijk zijn hele kapitaal riskeert om er één te redden. Aan de landeigenaar die aan de werkers van het elfde uur evenveel betaalt als aan die van het eerste uur. Of de vader die zich afwijkend gedraagt door zijn verloren zoon te ontvangen en daardoor zijn oudste zoon schijnbaar benadeelt en onrechtmatig behandelt. Telkens worden er onverwachte en onvoorziene mogelijkheden opengelegd en voorgehouden die ontnuchterend en rustverstorend zijn, ja zelfs provocerend klinken. Een van de bekendste en meest gebruikte voorbeelden is ongetwijfeld dat van de barmhartige Samaritaan. Na het falen van de priester en de leviet (de joodse bovenlaag, belast met de tempeldienst) brengt Jezus niet zoals verwacht een joodse leek ter sprake maar een gehate Samaritaanse volksvijand, die in de joodse eredienst publiekelijk werd vervloekt. Dat een Samaritaan een jood helpt, wat volgens de toenmalige opvattingen eigenlijk onmogelijk was, wekt bij de toehoorders een zodanige verbijstering dat het hen ook effectief in staat stelt om anders te gaan denken en handelen.
De evangelische verhalen en gelijkenissen zijn goede voorbeelden van wat men noemt 'parenese'. Dit is een eigen stijlvorm met een eigen bedoeling en werkwijze. Het betekent zoveel als: een opwekking tot de deugd (in positieve zin) of een vermaning (in negatieve zin). Men wil dus niet zozeer nieuwe inzichten bijbrengen of de inhoud van het ethisch goede verantwoorden of onderbouwen. Men gaat van de veronderstelling uit dat de toehoorder reeds weet wat hij moet doen en hoe hij moet leven. Men wil alleen maar het ethische besef levendig houden en de mensen warm maken voor het goede. Het gaat niet om de vragen: wat moeten we doen en waarom moeten we iets doen. Parenese doelt op het doen zelf. 'Luister niet alleen naar het woord, maar handel er ook naar; anders bedriegt u uzelf' (Jak 1,22). Vandaar dat ze zich minder richt tot het verstand, maar veeleer tot de wil en het geweten van mensen door hen op te roepen en aan te sporen om datgene wat ze als opdracht erkennen, ook daadwerkelijk te realiseren. Ze richt zich tot de verbeelding van mensen want ze wil geen slaafse, maar creatieve navolging.
Jezus vertelt dus verhalen over God en de mensen, over mensen en het leven in een
beeldende taal. 'Luister, een zaaier ging uit om te zaaien; een herder verliest een van zijn schapen; een man had twee zonen. Je krijgt op veel plaatsen in het evangelie de indruk dat Jezus zijn verhalen niet alleen verteld, maar ook zelf beleefd heeft. De zaaier, de herder, de vader: al die figuren waarvan Jezus vertelt, en die uitnodigend zijn om zorgend, vergevend, geduldig met anderen om te gaan: ze waren allemaal te zien in zijn eigen leven.
In het evangelie vind je niet alleen eenvoudige richtlijnen maar ook voorschriften van hoog ethisch gehalte
* Jezus' richtlijnen zijn eenvoudig en verstaanbaar
Voor het gewone dagelijkse leven gaf hij eenvoudige levensregels die eigenlijk ook te vinden waren in de verschillende oud-oosterse stelsels. Hij gaf vaak zijn visie in vraagvorm, wetende dat zijn toehoorders zelf wei zouden kunnen antwoorden. Hij deed een onbevangen beroep op het gezond mensenverstand en achtte zijn toehoorders in staat om zedelijke maatstaven op te sporen. Zo geeft de wetgeleerde zelf een antwoord op de vragen die hij gesteld had: 'Wat is het voornaamste gebod?' en 'Wie is nu mijn naaste?' (Lc 10) Bij de discussie over het onderhouden van de sabbat, vroeg Jezus zijn omstanders: 'Als iemand van u een schaap heeft, en het is op sabbat in een kuil gevallen, zal hij het er dan niet uithalen?' (Mt 12,1 l). En bij het verhaal van de twee zonen die in opdracht van hun vader in zijn wijngaard moeten gaan werken, kwamen zijn toehoorders zelf op het spoor van een
consequente levenshouding: 'Wie van de twee heeft gedaan wat zijn vader wilde?' (Mt 21,31).
* Wij vinden ook voorschriften van een hoog ethisch gehalte
En die klinken eerder als een ideaal. Zo is er de houding tegenover de vijand. 'ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie je vervolgen' (Mt 5,44). Er is de houding van geweldloosheid: 'Jullie hebben gehoord dat er gezegd is: oog om oog en tand om tand. Maar Ik zeg jullie geen weerstand te bieden aan iemand die e kwaad heeft gedaan. Maar als iemand jou een klap op je rechterwang geeft, houd hem dan ook de andere voor' (Mt 5,38-39). Denk aan de positieve versie van de 'gulden regel': 'Behandel de mensen in alles zoals je wilt dat ze jullie behandelen' (Mt 7,12). Of aan het dubbele gebod van de liefde, waarop wij nu verder uitdrukkelijk willen ingaan.
De grondwet van het nieuwe Rijk van God is in één woord samen te vatten: liefde!
Jezus leerde ons om in ons leven de liefde het hoogst in te schatten. Dat was de kern van heel zijn optreden. Er is maar één reden waarom hij zo handelde en niet anders: hij hield van de mensen. In de joodse traditie waarin Jezus van Nazareth optrad, be- stond er een uitgesproken casuïstiek: een leer van spitsvondige oplossingen voor gewetensvragen. Zo werd het leven van de vrome jood tot in de puntjes door de wet uitgestippeld. Men had het dan over 365 verboden en 248 geboden. Alle wetten en voorschriften, belangrijke en minder belangrijke, stonden in hetzelfde wetboek. Midden die verwarrende veelheid klonk de gerechtvaardigde vraag 'wat is het voornaamste gebod?'als een vraag om wegwijs gemaakt te worden in die wereld van wetten en
voorschriften. Wanneer een wetgeleerde aan Jezus vroeg wat het voornaamste gebod was in de wet, dan was hij eigenlijk benieuwd om te horen welke criteria Jezus zou hanteren om de belangrijkste geboden te onderscheiden van de andere. Het ant- woord van Jezus was ondubbelzinnig. Hij haalde twee gekende teksten uit de Schrift aan. Uit Deutronomium: 'U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel, met heel uw verstand en met heel uw kracht' (Dt 6,4) en uit het boek Leviticus: 'U zult uw naaste liefhebben als uzelf' (Lv 19,18). Van alle voorschriften die in het jodendom golden, haalde Jezus er twee uit en maakte ze tot de kern waaruit al de andere voorschriften afgeleid worden : de godsliefde en de naastenliefde. Beminnen is het grote werkwoord. En dat ‘grote woord’ zit verborgen in al die kleine werkwoorden van iedere dag : luisteren, spreken, dienstbaar zijn, zorgen voor, helpen, bemoedigen… Wat Jezus bedoelde, is voor dagelijks gebruik.
* 'De voorrang van dit dubbelgebod
Bij de twee aangehaalde teksten uit het Schrift voegde hij toe: 'Een ander gebod, groter dan deze twee, is er niet' (Mc 12,31). En 'Aan deze twee geboden hangen heel de Wet en de Profeten' (Mt 22,40). De prioriteit die deze deugd krijgt in het leven, geeft aan de christelijke moraal een eigen gelaat. Niet omdat christenen betere mensen zijn dan niet-christenen, en evenmin omdat christenen deze liefde steeds belichamen (dat doen ze dikwijls niet!), maar wel zo: als christenen trouw zijn aan hun roeping dan proberen ze, met vallen en opstaan, al hun relaties te beleven in het licht van de liefde. 'Geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de liefde is het voornaamste' zegt Paulus (1 Kor 13,13). En op een andere plaats: en 'De hele wet is vervat in dit ene woord: u zult uw naaste liefhebben als uzelf' (Gal 5,13-14).
* Tussen beide geboden is er een innige samenhang
Ze zijn altijd beide in beweging, zoals de 'vleugeldeuren' in een modern gebouw, die automatisch samen open- en toegaan. Als liefde tot God en liefde tot de medemens onverbrekelijk samen horen, dan kunnen ze alvast nooit aan elkaar tegengesteld zijn. Ze verwijzen naar elkaar. Effectief beoefende naastenliefde is de toetssteen van onze waarachtige godsliefde. Wat goed is voor de mens, voor de ontplooiing van liefdevolle relaties, dat is ook goed in de ogen van God. En de godsliefde is de maatstaf en de reden voor onze naastenliefde.
* De naastenliefde zoals Jezus die bedoelt, is ook universeel
In het jodendom gold als 'naaste' gewoonlijk de volksgenoot en de proseliet of bekeerling. Voor sommige sekten was de kring van de naaste nog enger: het liefdesgebod gold enkel de leden van de sekte.
Maar bij Jezus is de naastenliefde uitgebreid tot alle mensen over maatschappelijk, politieke, culturele en religieuze grenzen heen. 'Als je liefhebt wie jou liefheeft, welk loon verdien je dan? Doen de tollenaars dat ook niet? En als je alleen je broeders groet, wat voor bijzonders doe je dan? Doen de heidenen dat ook niet? (Mt 5,46-47). Hij predikt 'een liefde-zonder-grenzen'. Een evangelische houding vraagt dat wij grenzen zouden doorbreken, verleggen, overschrijden. Het is een weerspiegeling van Jezus' le- venshouding zelf. Het is ook de weerspiegeling van zijn hemelse Vader 'die zijn zon laat opgaan over slechten en goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Mt 5,45).
Bij het zedelijk kennen (het goede vaststellen) en het zedelijk handelen (het goede volbrengen) kan ons gelovig-zijn inspirerend, kritiserend en stimulerend werken. De opdracht tot moreel leven krijgt van ons christelijk geloof een eigen kleur en een eigen gelaat. Het specifieke van een ethiek voor christenen bestaat niet in het vinden van nieuwe waarden, maar in het opnemen van de reeds aanwezige waarden, geboden en normen in een nieuwe verhouding tot God, die Jezus zijn Vader noemde. Zo komt er een nieuwe motivatie voor het zedelijk goede: werken aan het Rijk Gods, het doen van de wil van de hemelse Vader, de navolging van Jezus enzovoort. En er ontstaat een nieuwe dynamiek. Er steekt een uitnodiging in om het reeds bestaande voortdurend te overstijgen. 'Wees onverdeeld goed, zoals jullie hemelse Vader onverdeeld goed is' (Mt 5, 48) is een opdracht zonder einde, een grondhouding die ons als wenkend ideaal nooit met rust laat. En het geloof biedt een nieuwe inspiratie. Het biedt ons immers de zekerheid dat wij ons leven goed en zinvol kunnen maken, ondanks onze dagelijkse ervaring van on- macht, falen en mislukken. Erkenning van menselijke onmacht is een geloofshouding bij uitstek. En geen enkele situatie van ethische onvolkomenheid is voor Jezus uitzichtloos.
Samenstelling en eindredactie:
Maurits GILISSEN
Van deze infokatern kan een aantal besteld worden tegen 0,5 -9 per exemplaar. Administratie Mensen Onderweg,
Hereltsesteenweg 4, 3200 Aarschot. Tel. 01 6156 68 59 (tussen 9.00 en 15.00 uur). Prk.-nr.: 000-0876514-22