Start

GELOOF DOORGEVEN VANDAAG

Geloofsopvoeding vandaag is geen vanzelfsprekendheid. Het mislukken ervan stemt opvoeders, ouders of grootouders dikwijls triest. Regelmatig bezorgt het hen ook schuldgevoelens: Wat hebben we verkeerd of onvoldoende gedaan?' Wat volgt, wil niet aanklagen of beschuldigen. Integendeel het wil veeleer verontschuldigen en zoeken naar een nieuw vertrekpunt om vandaag geloof te communiceren.

Geen onnodige schuldgevoelens

Als iemand mij vraagt waarom geloofsopvoeding vandaag zo dikwijls lijkt te mislukken, dan moet ik het antwoord schuldig blijven. Ik weet het echt niet. Wel vermoed ik dat het te maken heeft met heel fundamentele veranderingen en dus niet zozeer met deze of gene onaangepastheid van de kerk of met de ontoereikendheid van onze inspanningen of met gebrekkige pedagogische of catechetische methodieken. Natuurlijk speelt dat allemaal wel eens mee, maar de grond van de zaak ligt elders. Wat wij vandaag meemaken, is een grondig cultureel veranderingsproces waarbij God en de verwijzing naar God uit het bewustzijn verdwijnen. Leven zonder God, is perfect mogelijk. Dit proces is al lang bezig, al verschillende eeuwen eigenlijk. Maar nu pas lijkt heel onze westerse cultuur ervan doordrongen. Het is ook een bijzonder ingrijpend proces. Het raakt alle facetten van ons leven. leder van ons kan zich de vraag stellen: wat missen we eigenlijk als we God uit ons woordenboek schrappen?

Waarom vermoed ik dat het niet slagen van onze geloofsopvoeding fundamenteel daarmee te maken heeft? Ik vermoed het, omdat ik mezelf ken. Ik ben ook een kind van deze tijd. In mij leeft ook de onmacht om in God te geloven. Kinderen en vooral jongeren zullen deze onmacht scherper en radicaler uitdrukken. Hoe dikwijls herken ik mijn eigen onmacht niet in hun vragen en opmerkingen? Kinderen en jongeren zijn niet anders dan volwassenen. Ze houden ons een spiegel voor, al is het dan een holle of een bolle spiegel waarin alles wat is uitvergroot.

Deze vaststelling kan ons in ieder geval tot het besluit brengen dat iemand zich persoonlijk schuldig moet voelen. Culturele veranderingen houd je niet zomaar tegen. Nog minder moeten we op zoek gaan naar andere schuldigen. Het is niet de fout van de ouders, de priesters. de catechisten of de godsdienstleerkrachten. Het gaat trouwens niet om fout of schuld. Schuld verlamt. Enkel het nuchter aanvaarden en gelovig doorleven van de huidige situatie kan ons bevrijden van onnodige schuldgevoelens en ons opnieuw leren zien wat kan en moet gedaan worden.

Wees niet wazig

Sommigen zullen mijn uitgangspunt betwisten. Is het wel waar dat geloofsopvoeding vandaag mislukt? Misschien lijkt het enkel zo, omdat kinderen en jongeren hun verhaal niet meer herkennen in het christelijke of het kerkelijke verhaal. Maar moeten we geloofsopvoeding daartoe beperken? Staan kinderen en jongeren vandaag niet - misschien meer dan vroeger - open voor het religieuze? En willen ze niet - op hun manier - een goede mens zijn die verantwoordelijkheid draagt in het leven? Zeker dat laatste wil ik graag geloven. En geloofsopvoeding sluit natuurlijk ook religieuze en ethische vorming in. Maar het gaat hier wel degelijk over geloofsopvoeding en dat heeft alles te maken met het geloof m God en met de navolging van Jezus die we belijden als de Christus. Dit geloof komt tot ons via de gemeenschap van de christenen, de kerk dus. Natuurlijk roept elk van deze woorden voor een mens van nu vele vragen op. Wie is God? Waar en hoe geeft Hij zich vandaag te kennen? Wat betekent het Jezus te belijden als de Christus? Is het waar dat God zich op een definitieve en unieke wijze heeft geopenbaard in één historische mens? Hoe radicaal is de navolging van Jezus? Wie bepaalt het gelaat van de kerk?... Maar liever worstel ik met deze vragen, hoe moeilijk ze ook zijn, dan dat ik me terug zou trekken in een vaag en nietszeggend discours over religiositeit' en levensbeschouwing'.

Daarmee heb ik een belangrijk element aangegeven van een mogelijk nieuw vertrekpunt voor geloofsopvoeding vandaag: wees niet wazig! Mijn generatie lijdt nogal eens onder traditieschaamte. Wij verontschuldigen ons bijna, omdat we christen zijn en kerkelijk zijn. Ik geloof niet dat we daarmee kinderen en jongeren een dienst bewijzen. Integendeel. Zij vragen van ons meer dan ooit duidelijkheid. Zeg ons watje gelooft! Dit sluit niet uit dat je ook eerlijk

vertelt van jouw zoeken en twijfelen. Godsgeloof sluit de twijfel niet uit, maar in. Geloof is per definitie zoekend geloof. Wat weer niet betekent dat je kinderen en jongeren moet beladen met je eigen vragen en problemen. Dat is gewoon een kwestie van pedagogische wijsheid en verantwoordelijkheid.

Terugkeer naar het essentiële

In de geloofsopvoeding komt het er vandaag op aan terug te keren naar het essentiële. Geloofsopvoeding heeft allereerst te maken met een opvoeding tot menswording in de bijbelse zin van het woord. En dat betekent: erkennen dat elke mens op een unieke wijze beeld van God is, dat iemand mij heeft gezien eer ik werd geboren', dat ik niet leef onder een gesloten hemel' met mezelf in het centrum. Spreken over God is in de bijbel ook altijd spreken over de roeping en de waardigheid van de mens zelf, over het geheim in ons, over het leven dat gave en opgave is, genade en roeping.

Dit is geen theoretisch besef. Hier gaat het om het diepste geloofsaanvoelen van een mens. Geloven moet trouwens aansluiten bij wat in de diepte leeft. Het moet zijn voedingsbronnen kunnen vinden in de inwendigheid van de mens. Misschien ligt dit aanvoelen bij vele tijdgenoten en ook bij onszelf bevroren onder een dikke laag ijs, gericht als we zijn op de verwerkelijking van ons eigen ik. Maar wie het ontdekt, gaat anders lijken. Geloof leert ons de dingen van het leven met een nieuwe, realistische blik te bekijken. Zo bijvoorbeeld is elke gebeurtenis in het leven dikwijls drager van vreugde en pijn tegelijk. In alles ontmoeten we onze menselijke eindigheid en onze grenzen. Geloof relativeert', in de goede betekenis van het woord: het brengt ons hele leven en samenleven in relatie tot datgene, of beter Diegene, waar het eigenlijk om gaat. Hieruit kan een nieuw vertrouwen groeien. Uiteindelijk bestaat de zin van het geloof hierin, dat God ons de hand reikt om verder te gaan dan onszelf.

Misschien klinkt dit alles té hooggestemd. Ik geloof van niet, omdat ik mensen ken die dit geloof uitstralen. Ouders, bijvoorbeeld, of grootouders die in de concreetheid van het leven van elke dag zonder veel woorden getuigen zijn van hun eigen eerbied voor het beeld van God in hun kinderen of kleinkinderen. Zij kunnen in mensen het verlangen wekken om te geloven.

Tot slot

Geloofsopvoeding vandaag vraagt een spiritualiteit die werkelijk gelooft dat “uw kinderen uw kinderen niet zijn”, maar Gods kinderen. Enkel zo'n spiritualiteit leert ons te leven zonder angst. Ze voorkomt dat we gebukt gaan onder schuldgevoelens, omdat kinderen en kleinkinderen of jongeren die ons zijn toevertrouwd, ondanks onze beste inspanningen, het geloof niet overnemen of de weg naar de kerk niet vinden of niet geloven zoals wij dat zelf zouden willen.

Peter Malfliet