| Start |
|
GEZINNEN VANDAAG
Auteurs L. Dams, J. Snaet en B. Meulemans Versie: LD 26 juni 2002
1. GEZINNEN IN BEELD
’Huwelijk’, ‘echtpaar’, ‘gezin’ en ‘familie’ waren vroeger begrippen met een duidelijk afgelijnde betekenis. Het huwelijk was de verbintenis tussen een man en een vrouw die als intieme partners wilden samenleven. Ze vormden met hun inwonende kinderen een gezin. De familie was de groep van bloed- en aanverwanten van het echtpaar.
Allerlei maatschappelijke ontwikkelingen hebben de situatie van gezinnen ingrijpend veranderd. Veranderingen zijn van alle tijden, maar de laatste decennia volgen ze elkaar sneller op en zijn ze ingrijpender.
Deze nota brengt een aantal ontwikkelingen in de situatie van gezinnen in beeld. De aandacht gaat enerzijds naar hoe deze veranderingen in en door de gezinnen zelf worden beleefd. En anderzijds ook naar de maatschappelijke gevolgen. Het gaat immers om sociale ontwikkelingen die tegelijkertijd aan het individueel en maatschappelijk leven raken.
De nota bevat hier en daar ook beleidsvoorstellen. Precies omdat een harmonieus huwelijks- en gezinsleven tegelijk zo moeilijk en zo waardevol is, verdienen gezinnen maatschappelijke en politieke ondersteuning.
1.1. Gezinnen van buitenaf bekeken
Het zogenaamd ‘klassieke’ gezin is nog steeds een belangrijke maatschappelijke realiteit. Het is veruit de belangrijkste vorm van samenleven. Bijna 9 op de 10 kinderen beneden 12 jaar leven bij hun natuurlijke vader en moeder die tevens een echtpaar vormen.
Daarnaast hebben zich talrijke andere leefvormen ontwikkeld. Zo zijn er ongehuwd samenwonenden (al dan niet met kinderen), eenoudergezinnen, nieuw samengestelde gezinnen, Lat-relaties (intieme relaties zonder samenwonen) en stabiele relaties tussen partners van hetzelfde geslacht. In vergelijking met omliggende Europese landen zijn de Vlamingen geen koplopers in het aangaan van deze nieuwe relatiepatronen. Toch was er de laatste tien jaar een geleidelijke trend naar meer verscheidenheid. Er zijn niet méér verschillende gezinsvormen dan 10 jaar geleden, maar het aandeel van de minder klassieke gezinsvormen nam wel toe.
In de meeste gezinnen zijn de wederzijdse rechten (en plichten) tussen partners en tussen ouders en kinderen wettelijk geregeld via het huwelijks- en het afstammingsrecht. Maar in steeds meer gezinnen leven mensen samen zonder verwantschapsregeling.
De maatschappelijke controle op de partnerrelatie neemt af en daarmee ook de steun voor duurzame manvrouwrelaties. Dat blijkt onder meer uit de versoepeling van de echtscheidingswetgeving en de instelling van het samenlevingscontract. Anderzijds neemt de maatschappelijke controle over de ouderkindrelaties toe en ook de steun voor de duurzaamheid van die relatie. Getuige hiervan zijn de Universele Verklaring voor de Rechten van het Kind, de gerechtelijke bevestiging van co-ouderschap en de subsidiëring van opvoedingsondersteuning die niet zonder meer als gezinsondersteuning wordt gezien.
Veel nieuwe leefvormen worden feitelijk als gezinnen erkend. Voorstanders van deze erkenning vinden dat het gehuwde gezin niet het enige of het beste ‘persoonsondersteunende netwerk’ is en dat ook andere leefvormen als ‘gezin’ officieel moeten erkend worden. Anderen vinden dat vooral of uitsluitend het echtpaargezin door de maatschappij moet erkend en ondersteund worden. Zij argumenteren dat het huwelijk de aangewezen leefwijze is om gestalte te geven aan de man–vrouwverhouding. Tevens vinden zij dat dit ‘echtpaargezin’ het beste opvoedingsmilieu is voor de kinderen. Zo gesteld lijkt het dat er een grote tegenstelling zou zijn tussen mensen die vóór het traditionele gezin zijn en mensen die ertegen zijn. Dit blijkt niet uit persoonlijke contacten en ook niet uit sociaal onderzoek. Dezelfde mensen zijn in de loop van hun leven betrokken bij verschillende leefvormen. De gezinsvorm waarin zij leven, verandert tijdens hun levensloop.
Bij het spreken over ‘gezinnen’ is het belangrijk dat we oog hebben voor deze verscheidenheid. De realiteit van ‘gezinnen vandaag’ is veel ruimer dan de verwantschap tussen man, vrouw en kinderen.
1.2. Gezinnen van binnenuit bekeken
De maatschappelijke erkenning en inbedding van gezinnen is niet het enige wat is veranderd. Ook de manier waarop mensen binnen het gezin met elkaar omgaan heeft veranderingen ondergaan. De gezinsleden stellen zich zelfstandiger en gelijkwaardiger op. Dit geldt voor de verhouding tussen mannen en vrouwen maar ook voor de verhouding tussen ouders en kinderen.
Gezinnen koesteren het gevoel van 'allemaal samen'. Maar binnenin worden kleinere groepen gevormd die steeds zelfstandiger worden. Zo kan een gezinsvakantie in de verdrukking komen omdat de kinderen niet meer samen met de ouders op vakantie willen of kunnen. En 'drukke' vaders of moeders voelen soms ineens scherp aan dat hun kinderen hen niet meer nodig hebben.
Het leven van een gezin is minder voorspelbaar. Het gezin is geen manier van samenleven die voor eens en voor altijd vastligt maar een proces dat verandert tijdens de levensloop. Meer dan vroeger zijn partners de ontwerpers van hun eigen levensloop.
2.1 Jonge koppels geconfronteerd met meerdere mogelijkheden
2.1.1 Huwen of samenwonen
Tot in de jaren '50 trouwde bijna iedereen. Het huwelijk was een mijlpaal, de duidelijke start van een nieuw leven. Man en vrouw verwierven door te huwen welbepaalde rechten en plichten en een eigen rol en positie in de samenleving. Zonder huwelijk mocht je geen seksuele relatie aangaan en geen kinderen krijgen. Je kon evenmin een eigen woning betrekken of voor eigen rekening werken.
Vanaf de jaren '60 kwam daarin geleidelijk verandering. Meer en meer jonge paren gingen zonder huwelijk samenwonen. Ongehuwd samenwonen was tot dan toe het lot van mensen die geen geld hadden om te trouwen. In de jaren zestig kreeg het in alle sociale lagen van de bevolking en voornamelijk bij hooggeschoolden het karakter van een vrije keuze. Wie ging samenwonen, argumenteerde vaak dat het huwelijk de partners, vooral de vrouwen, in een keurslijf dwong.
Het aantal huwelijken blijft ook nu nog aanzienlijk dalen. In 1990 werden in Vlaanderen 38.000 huwelijken gesloten. Negen jaar later was dit nog 25.000. Dit wordt slechts gedeeltelijk verklaard doordat er minder jongeren zijn op huwbare leeftijd. Jongeren trouwen later (mannen op 32 jaar en 6 maanden en vrouwen op 29 jaar en 8 maanden) en trouwen vooral minder. Men voorspelt dat van al wie na 1970 geboren is, 1 op 4 ongehuwd of samenwonend zal zijn op zijn vijftigste..
Samenwonen is bij jongeren populairder geworden dan huwen
Bij de jongere koppels beneden 25 jaar zijn 4 op 10 gehuwd en 6 op 10 samenwonend. In 1992 waren er ‘slechts’ 3 op 10 samenwonend. Het ongehuwd samenwonen heeft voor vele jongeren het karakter van een intensieve huwelijksvoorbereiding; verloofden gaan samenwonen om na te gaan of de kwaliteit van hun relatie goed genoeg is om te blijven duren en te trouwen.
Samenwonen komt momenteel meer voor bij mensen die ooit gehuwd waren (gescheidenen en in mindere mate verweduwden) dan bij ongehuwden. Voor hen is ongehuwd samenwonen feitelijk een alternatief voor het huwelijk. Samenwonen wordt een ‘blijvende’ relatie ‘zolang het duurt’. Men hoopt wel om samen te blijven, maar men is er niet meer zeker van dat dit moet en kan lukken.
De voorkeur voor samenwonen neemt niet weg dat de meeste jongeren een duurzame partnerrelatie willen. Het heeft de betekenis van een ideaal dat men zowel binnen het huwelijk als binnen een samenwoningrelatie wil realiseren.
De basis voor een duurzame partnerrelatie is voor steeds meer mensen de kwaliteit van de relatie. Uit het recentste Europees Waardenonderzoek (1999) blijkt dat de grote meerderheid wederzijds respect en waardering, trouw, bereidheid om over onderlinge problemen te praten, begrip en verdraagzaamheid 'belangrijk' of 'zeer belangrijk' vindt om een goede relatie te kunnen opbouwen.
In de agrarische en industriële samenlevingen was de basis voor een duurzame relatie vooral materiële zekerheid. Trouwen en trouw blijven (vooral voor de vrouw) noodzakelijk om te kunnen overleven. De materiële factoren droegen er ook toe bij dat relaties langdurig stand hielden, zelfs als ze emotioneel geen voldoening gaven. Omdat verwachtingen nu soms (te) hoog gesteld worden en materiële factoren nu minder doorslaggevend zijn, zijn relaties in de realiteit brozer geworden. Jongeren wiens ouders gescheiden zijn, kiezen eerder voor ongehuwd samenwonen dan voor huwen.
5,1 % van de Belgische kinderen jonger dan 18 jaar leeft in een eenoudergezin. Deze groep groeit vooral aan door de toename van het aantal gescheiden ouders met kinderen. 3 op 4 eenoudergezinnen is een ‘moedergezin’, 1 op 4 een ‘vadergezin’. De grootste procentuele stijging komt voor rekening van de vaders met (ongehuwde) kinderen. Begin 2000 waren ze met 112.619, begin 2001 al met 121.126. Dat is een stijging met 7,6 procent. In absolute cijfers torenen de alleenstaande moeders met kinderen echter nog steeds ver uit boven de alleenstaande vaders met kinderen; begin 2000 waren ze met 358.240, een jaar later met 367.974 (plus 2,7 procent).
De samenleving heeft de toename van het ongehuwd samenwonen erkend. Vanaf 1 januari 2000 is het afsluiten van een samenwoningcontract mogelijk. Dit nieuwe systeem van 'wettelijk samenwonen' biedt ongehuwd samenwonenden (verwanten of niet en ongeacht het geslacht) die aan bepaalde vormvoorschriften voldoen de mogelijkheid om te genieten van een juridische erkenning. Tot op heden biedt een samenwoningcontract niet dezelfde bescherming als een huwelijkscontract: voornamelijk bij het uit elkaar gaan, inzake de pensioenregeling en bij een overlijden . Samenwonende hebben wel dezelfde rechten als gehuwden in de kinderbijslag, de ziekteverzekering en de werkloosheid. Op fiscaal vlak komen samenwonenden er beter af dan gehuwden.
Het aantal kinderen dat geboren wordt uit relaties van samenwonenden neemt lichtjes maar voortdurend toe. In Vlaanderen evolueerde hun aantal tussen 1990 en 1995 van 7 tot bijna 12%. In Frankrijk en in het Verenigd Koninkrijk wordt 30% van alle kinderen buiten het huwelijk geboren, in de Scandinavische landen de helft.
Door de burgerrechtelijke gelijkstelling van alle kinderen, ongeacht of ze binnen of buiten een huwelijksrelatie worden geboren, is de maatschappelijke druk om te huwen kleiner geworden.
2.1.2 Kiezen voor kinderen
De vermindering van het aantal geboorten wordt vaak toegeschreven aan een dalende interesse voor ouderschap. Dit is slechts ten dele waar. Dat jonggehuwden een tijd wachten met kinderen en een beperkt aantal kinderen plannen wil niet zeggen dat ze zich een huwelijk wensen zonder kinderen. Wel maken ze een onderscheid tussen hun huwelijk en hun gezin. Ze vinden de relatie met elkaar belangrijk en leggen sterk de nadruk op het vrij kiezen voor kinderen.
Vroeger kwam het eerste kind vlug na het huwelijk. Jonge vrouwen werden ‘natuurlijk’ vlug moeder. Nu stellen paren de eerste geboorte langer uit. Tussen 1990 en 2000 was er een lichte maar aanhoudende stijging van de gemiddelde leeftijd van vrouwen bij de bevalling, zowel bij het eerste kind als bij een volgend kind. Sedert 2000 lijkt een einde gekomen aan het verder uitstellen van het krijgen van kinderen.De gemiddelde leeftijd bij de bevalling van het eerste kind bedraagt nu 27,5 jaar bij het eerste kind en 30,7 jaar bij een volgend kind.
Doordat vrouwen het krijgen van hun eerste (en volgende) kind uitstellen, is de kans op blijvende kinderloosheid groter. Bij zwangerschap op hogere leeftijd is er meer kans op miskraam, op zwangerschapsverwikkelingen, op vroeggeboorte, op chromosomale afwijkingen en op kindersterfte. Dit uitstel van de eerste zwangerschap leidt ook tot grotere onzekerheid over de eigen vruchtbaarheid en kan aanleiding zijn tot psychologische en relationele problemen.
Vrouwen tussen 26 en 30 jaar zeggen meestal (49,4%) dat zij 2 kinderen wensen. Een ongeveer gelijk percentage vrouwen wenst 1 of 3 kinderen (17,6% en 19,6%). En eveneens een gelijk percentage wenst geen of 4 kinderen, nl. 6,6% en 6,8%. De wensen van mannen lopen parallel. Gemiddeld wensen de koppels 2,5 kinderen. Maar de feitelijke realisatie van deze kinderwens blijft daar ver onder. Gemiddeld worden per vrouw 1,5 kinderen geboren. Dit verschil roept vele vragen op:
- Welke zijn, op lange en middellange termijn, de maatschappelijke gevolgen?
- Waarom wordt deze kinderwens niet gerealiseerd?
- Hoe kan het beleid hierop inspelen?
De maatschappelijke gevolgen zijn van velerlei aard.
- De daling van het aantal kinderen leidt tot een veroudering van de bevolking. Dit is een demografisch probleem.
- De veroudering van de bevolking brengt op zijn beurt financiële problemen voor de sociale zekerheid mee. Langs de uitgavenzijde leidt veroudering tot meer uitgaven, langs de inkomstenzijde tot minder inkomsten.
- De organisatie van de ouderenzorg wordt één van de grootste maatschappelijke problemen van de volgende decennia.
- De afwijzing van immigratie vanuit andere culturen is ook met de problematiek van dalende nataliteit verbonden.
Een belangrijke reden voor uitstel (en afstel) van vruchtbaarheid is de hoge ‘opportunity costs’ die voor werkende vrouwen met het moederschap verbonden zijn. Men mag aannemen dat de dramatische daling van het aantal geboorten verband houdt met stijgende arbeidsdruk op de gezinnen van tweeverdieners. Om de totale last van de arbeid (de economische, de gezins- en zorgarbeid) te verlichten wordt bespaard op het hebben van kinderen. In alle welvaartsstaten daalt het aantal geboorten per vrouw naarmate er meer gewerkt wordt door vrouwen. Maatregelen die een betere combinatie van werk en gezin mogelijk maken, zijn daarom belangrijk.
Er spelen ook factoren mee waar beleidsmaatregelen hooguit indirect een invloed op kunnen uitoefenen, zoals subfertiliteit, kenmerken van de gezinsvorm enz. Sommige onderzoekers leggen een verband tussen dalende vruchtbaarheid en het consumptiegedrag van jonge paren.
Bij bewust ongehuwde moeders (BOM) staat de keuze voor kinderen los van de beslissing om te trouwen. Dit komt meer voor en wordt maatschappelijk beter aanvaard dan vroeger. Tegenwoordig hebben ook meer lesbische koppels een uitdrukkelijke kinderwens. Volgens het Europees Waardenonderzoek (1999) staat de helft van de Vlamingen open voor de kinderwens van alleenstaande vrouwen. Dat was slechts 30% in 1981.
Dezelfde manier van denken, de loskoppeling van huwelijk en ouderschap, komt ook in de wet op het co-ouderschap tot uiting. Voor kinderen is het uiteraard positief dat de echtscheiding geen einde stelt aan het contact met hun beide ouders.
2.1.3 Vruchtbaarheid en seksualiteit losgekoppeld
De vrije keuze voor kinderen is een gevolg van de loskoppeling van seksualiteit en vruchtbaarheid. Deze ontkoppeling is zelf het resultaat van de medische mogelijkheden om het vruchtbaarheidspatroon te beheersen en te organiseren. Geboorteregelende methoden maken het mogelijk om ongewenste zwangerschappen te voorkomen. Aan de andere kant kunnen ongewild kinderloze paren geholpen worden met vruchtbaarheidsbevorderende methoden zoals donorinseminatie (K.I.D.) en In Vitro Fertilisatie (I.V.F.).
Het feit dat seksualiteit op zichzelf en voor zichzelf kan beleefd worden, heeft zowel kansen als risico's. Het is een positieve ontwikkeling waar het genot de liefde dient en versterkt en een cultuur van het genot de seksualiteitsbeleving humaniseert. Er is echter een probleem waar driftmatige seksualiteit de bovenhand krijgt op verfijnd genieten.
Opvoeding tot relatiebekwaamheid en de keuze om seksualiteit in dienst te stellen van de relatie wordt door de media bemoeilijkt. Vele gezinnen zijn onvoldoende gevormd, weerbaar en creatief om dag na dag een tegengewicht te bieden tegen eenzijdige beeldvorming, banalisering en zinloos experimenteren.
De loskoppeling van seksualiteit en vruchtbaarheid heeft ook geleid tot een veel tolerantere houding tegenover abortus. Deze heeft haar uitdrukking gevonden in de abortuswet. De Belgische wetgeving inzake zwangerschapsonderbreking behoort tot de meest liberale in West-Europa. Het is de politieke vertaling van de absolute eis om vruchtbaarheid te kunnen beheersen. KVLV en Landelijke Gilden steunen het Centrum voor Relatievorming en Zwangerschapsproblemen (cRZ). Dit centrum werd vanuit een christelijke inspiratie opgericht met het oog op de preventie van ongewenste zwangerschappen (via relatievorming) en van abortus (via opvang van ongewenst zwangere vrouwen). De nauwe betrokkenheid op het verhaal van zoveel vrouwen zette het centrum ertoe aan zijn werking te verbreden tot de begeleiding van vrouwen na abortus en van tienermoeders.
Adoptie maakt ook ouderschap mogelijk voor paren die niet biologisch vruchtbaar zijn. Voor adoptiekinderen echter kan deze loskoppeling van de biologische realiteit een probleem vormen.
Sommige adoptiekinderen moeten pijnlijke en lange zoektochten ondernemen om hun biologische ouders terug te vinden. Gezien het verlangen om hun biologische afstamming te kennen fundamenteel menselijk is, moet dit meer erkenning krijgen.
Gezien de aanwezigheid van een man en een vrouw als identificatiefiguren voor een evenwichtige (o.a. seksuele) ontwikkeling van een kind heel belangrijk is, is het niet wenselijk dat homoseksuele paren met een adoptievraag met gehuwde paren gelijkgesteld worden. De fundamentele biologische en seksuele verschillen tussen man en vrouw mogen niet miskend worden.
2.2 Overgangen naar een andere gezinsvorm
2.2.1 Overlijden op jonge leeftijd
In vergelijking met de jaren '50 is het overlijden van één van de ouders niet meer de belangrijkste oorzaak van de overgang naar een eenoudergezin. Het aantal minderjarige kinderen dat nog slechts één van zijn ouders in leven heeft, neemt af terwijl het aantal kinderen dat na echtscheiding met één van zijn ouders samenleeft, toeneemt.
Toch mag het probleem van verweduwing en verwezing op jonge leeftijd niet onderschat worden. Vroeger ging het om relatief meer mensen en hun sociaal-economische situatie was veel slechter dan nu. De stijging van de levensverwachting en de bescherming vanuit de sociale zekerheid mogen ons echter niet doen vergeten dat een overlijden van de partner op jonge leeftijd erg zwaar blijft om te verwerken, vooral psychisch en sociaal. Verweduwde ouders kennen bovendien in grote mate dezelfde praktische problemen als gescheiden ouders.
Het overlijden van de partner stelt gehuwden en samenwonenden voor problemen. De niet-gehuwden zijn juridisch minder beschermd. Praktisch hebben samenwonenden geen recht op vruchtgebruik van de gezinswoning en geen recht op het automatische verder zetten van het huurcontract voor de gezinswoning als de partner overlijdt. Ze hebben ook geen recht op een overlevingspensioen.
2.2.2 Echtscheiding
Sinds het midden van de jaren zeventig is het aantal echtscheidingen in Vlaanderen sterk toegenomen. Zelfs de laatste 10 jaar is het aantal met 35,6% gestegen. Het meest opvallend is de zeer sterke toename in 1995. Dit heeft te maken met de inwerkingtreding van een nieuwe echtscheidingswetgeving op 30 juni 1994. De duur van de procedure voor echtscheiding met onderlinge toestemming werd ingekort tot ongeveer 6 maanden. Vele mensen hebben gewacht op deze nieuwe wetgeving, waardoor de cijfers van 1995 - en in mindere mate ook die van de jaren erop - gevoelig stegen. Sedertdien is de zogenaamde ‘duurzame ontwrichting van de huwelijksband’ de belangrijkste oorzaak van echtscheiding geworden.
De toename van het aantal echtscheidingen is niet enkel te verklaren door de gewijzigde wetgeving. Ook de afnemende sociale druk rond het uit de echt scheiden draagt tot deze evolutie bij. Waar echtscheiding in 1981 nog door 44% van de Belgen werd afgekeurd is dit twintig jaar later gedaald tot nog slechts 21% ('Verloren zekerheid').
Toekomstige echtgescheidenen en ex-partners moeten een akkoord bereiken over de uitoefening van het ouderlijke gezag, de omgang met de kinderen, de financiële tussenkomsten van de ouders of ex-partners, de verdeling van de goederen enzovoort. De zogenaamde scheidingsbemiddeling is een nieuwe vorm van professionele hulpverlening die bedoeld is om daarbij te helpen. Dit betekent jammer genoeg niet dat er alleen nog beschaafde echtscheidingsprocedures gevoerd worden. De uitbouw van scheidingsbemiddeling betekent wel dat meer met de behoeften en belangen van alle betrokken partijen rekening wordt gehouden en dat problemen ten gevolge van echtscheiding maatschappelijk erkend worden. Zo wordt nu ook rekening gehouden met de problemen van volwassenen die moeite hebben om in hun professioneel leven goed te functioneren ten gevolge van een scheiding. En met schoolproblemen bij kinderen die zich na de echtscheiding van hun ouders moeilijk kunnen aanpassen.
Sedert 1 oktober 1994 bestaat het hoorrecht. Minderjarige kinderen krijgen zo de mogelijkheid om hun mening en ideeën over echtscheiding aan de rechter te vertellen.
Bij scheidingen uitgesproken vóór 13 april 1995 werd het ouderlijk gezag systematisch aan één ouder toegekend en kreeg de andere ouder het recht van toezicht op de opvoeding van de kinderen (bv. het recht om op school alle informatie in te winnen over zijn kinderen). Sedert de co-ouderschapwet van 13 april 1995 blijven beide ouders verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen. Alle belangrijke beslissingen zoals bv. schoolkeuze worden door beide ouders gezamenlijk genomen. Co-ouderschap staat los van de verblijfsregeling die veel vormen kan aannemen (tijdens de week bij de ene ouder, tijdens het weekend bij de andere of even veel tijd bij de ene ouder als bij de andere).
Over de gevolgen van echtscheiding voor kinderen bestaan tegengestelde meningen.
Sommige studies beklemtonen vooral de negatieve gevolgen. Andere klinken veel
geruststellender. Vooral de manier waarop ouders met hun (echt)scheiding en
met elkaar blijven omgaan is van fundamenteel belang voor de gevolgen in het
verdere leven van een kind/jongere. Uit de praktijk blijkt immers dat niet zozeer
de scheiding op zich schadelijk is maar wel de blijvende strijd die er eventueel
tussen de ouders blijft bestaan.
Sociologen doen steeds minder onderzoek naar de oorzaken van echtscheiding maar tonen meer belangstelling voor de gevolgen ervan. Ze bestuderen nu de samenstelling van nieuwe gezinnen na echtscheiding en de consequenties van echtscheiding op latere leeftijd. Vrouwen ervaren vooral de nadelen van de economische achteruitgang en mannen de nadelen van de vermindering van het sociaal contact met hun kinderen.
2.2.3 Nieuw samengestelde gezinnen
Een aantal alleenstaande ouders vindt na verloop van tijd een nieuwe partner. De meesten gaan met hun nieuwe partner samenwonen. Een aantal alleenstaande ouders hertrouwen. Men spreekt in beide situaties van ‘nieuw samengestelde gezinnen’.
Het zijn doorgaans zeer ingewikkelde gezinsvormen. Om te begrijpen hoe ingewikkeld een nieuw samengesteld gezin is, kan men best het perspectief van het kind nemen. Anders dan weeskinderen hebben kinderen van gescheiden ouders hun beide ouders nog in leven. Vooral jonge kinderen vinden het belangrijk dat ze een goede relatie behouden met hun beide ouders. In hun nieuw samengesteld gezin moeten zij bovendien rekening houden met de nieuwe partner van de ouder bij wie zij wonen. Sommige kinderen moeten zich aanpassen aan twee nieuw samengestelde gezinnen met twee nieuwe partners (die van hun vader en die van hun moeder).
Voor kinderen in nieuw samengestelde gezinnen verandert niet alleen de relatie met hun ouders maar ook de relatie met hun broers en zussen. Ze komen vaak terecht in een grotere groep met meer kinderen. In die groep moeten ze opnieuw hun plaats zoeken. Dat vergt aanpassingen aan nieuwe mensen, aan nieuwe regels en aan nieuwe gezinnen. Ze verlopen meestal met veel stress. Nieuw samengestelde gezinnen functioneren anders dan 'gewone' gezinnen. Ook na de aanpassingsperiode blijven ze 'anders' omwille van de complexiteit van de interne relaties. Het ontbreekt nieuw samengestelde gezinnen bij spanningen vaak aan aangepaste relationele inzichten en vaardigheden en aan aangepaste steun uit de omgeving.
Thuiskomen in een nieuw samengesteld gezin kan voor kinderen zeer positief zijn na de pijnlijke ervaring van de echtscheiding van hun ouders. Maar voor velen, vooral in sociaal zwakkere milieus blijft het een moeilijke opgave om zich aan te passen en wordt het nieuwe milieu niet ervaren als een veilig nest. Kinderen waarvan de ouders scheiden doorstaan dikwijls een reeks negatieve ervaringen: de ruzies, de scheiding zelf, schuldgevoelens, verminderde prestaties op school, aanpassingsproblemen aan de ‘nieuwe ouder’…De pijn van die ervaring kan soms, maar niet altijd, genezen worden in een nieuw gezin.
Ook voor de volwassenen (echtgenoten of samenwonenden) is de overgang naar een nieuw samengesteld gezin ingrijpend. Zij moeten zich aanpassen aan de relatie met de kinderen en aan de relatie met de partner. Tussen de kinderen zijn er misschien verschillende soorten kinderen: die ‘van mij’, ‘van hem of haar’ en ‘van ons’.
Zorgen voor de eigen kinderen uit een vorig huwelijk gebeurt best in overleg met de ex-partner. Zorgen voor de stiefkinderen is een totaal nieuwe rol. Het vormt een aanvulling bij de ouderrol van de partner. Het is soms moeilijk om in deze dubbelzinnige positie een goede houding te vinden.
Ook voor grootouders kan het een dramatische verandering zijn als hun kinderen scheiden en hun kleinkinderen in een nieuw samengesteld gezin terechtkomen. Sommigen ervaren dat het moeilijk is om met hen in contact te blijven. K.V.L.V. en Landelijke Gilden vragen om een wettelijke omkadering van het omgangsrecht van kinderen en grootouders dat in de rechtspraak algemeen aanvaard is.
2.3. Vooruitzichten van senioren
2.3.1 Oudere gezinnen
Vele vijftigplussers zijn vitale en economisch welvarende mensen die genieten van hun ‘vrije’ tijd. Wie thans 60 jaar is mag nog verwachten 20 (mannen) of 25 (vrouwen) jaar te leven. De leeftijdsgroep boven 60 jaar wordt in meerdere generaties opgedeeld: de actieve senioren (van 55 tot 70 jaar) de bejaarden (van 70 tot 80 jaar) en de hoogbejaarden (boven 80 jaar). Elke leeftijdsgroep heeft eigen kenmerken zowel wat sociale contacten als wat zorgbehoeften betreft.
Senioren zijn vaak ook grootouders, die in mindere of meerdere mate instaan voor de opvang van hun kleinkinderen. De rol van grootouders wordt in onze samenleving steeds nadrukkelijker in de kijker geplaatst. Oudere gezinnen zijn echter meer dan opvanggezinnen. Oudere echtparen zijn meer dan alleen grootouders.
Oudere gezinnen functioneren anders dan de gezinnen van de jonge en actieve generatie. Hun tijdsbeleving is anders. De verhouding tussen arbeidstijd, sociale tijd (gezinstijd en sociale tijd buiten het gezin) en vrije tijd is anders.
Er zijn veel mogelijkheden tot een rijk en gevarieerd leven op familiaal, sociaal en cultureel vlak. Het sociaal engagement van ouderen geeft structuur aan hun leven. Doordat dit in vrijheid wordt opgenomen draagt het in hoge mate bij tot een zinvol en gelukkig leven. Exclusieve gerichtheid op het eigen genieten, op ’profiteren van het leven’ kan echter ook aanleiding geven tot spirituele armoede en verlies aan zin. Wie alleen ont-spanning kent, komt gemakkelijker in een depressie.
Steeds vaker worden oudere gezinnen ook geconfronteerd met de zorg voor een hoogbejaard familielid. De zorg kan erin bestaan te helpen bij een ouder die met enige steun nog alleen kan blijven wonen. Er zijn ook oudere gezinnen die de zorgbehoevende bejaarde opnemen in hun eigen gezin. De witte generatie (hoogbejaarden) is voor haar zorg dikwijls afhankelijk van de grijze generatie (senioren of bejaarden). Die laatste kan in de verdrukking komen tussen de zorg voor hun ouders en de blijvende bezorgdheid, soms nog actieve zorg, voor hun eigen kinderen en kleinkinderen.
De hoge graad van activiteit en de ruime sociale netwerken van de actieve senioren mogen ons niet blind maken voor de negatieve of moeilijke aspecten van het bejaard worden: vermindering van mobiliteit, van inkomen, van gezondheid.
Een bijzondere vorm van armoede is het tekort aan mobiliteit. Zich kunnen begeven waar en wanneer men dat wil is een belangrijke factor van individueel en maatschappelijk welbevinden. Veel ouderen lijden onder hun vervoersafhankelijkheid.
2.3.2 Leven met verlies of met een nieuwe partner
Samen oud worden is een wens van vele gelukkige paren. Het verschil in levensverwachting tussen man en vrouw maakt echter dat vooral vrouwen verplicht worden om alleen verder te leven, dit soms voor vele levensjaren. Het is ook voor hen belangrijk om een nieuwe levenskring op te bouwen.
Dit is moeilijk voor wie op zeer hoge leeftijd zijn partner verliest. Het verwerken van het verlies is heel moeilijk omdat de individuele identiteit van beide partners, door de vele jaren van gedeeld lief en leed, zeer sterk verbonden is. Het risico op vereenzaming van oudere alleenstaanden is in onze samenleving toegenomen omdat regelmatig contact met kinderen minder vanzelfsprekend geworden is. Mensen hebben minder kinderen, kinderen die veraf wonen en een drukke agenda hebben.
Bejaarden kunnen nog belangstelling hebben voor een nieuwe affectieve relatie. Er zijn er die na het verlies van hun echtgenoot een nieuwe partner leren kennen. Weinigen hertrouwen. Slechts 53 op 1000 weduwen hertrouwt, bij de weduwnaars is dat ongeveer de helft.
Anderen stappen in nieuwe partnerrelaties: ongehuwd samenwonen en lat-relaties. Uit de praktijk blijkt dat juist mensen op latere leeftijd voor de toename van deze leefvormen zorgen. Het zijn typische vormen van relaties die naar buiten uit weinig aan de situatie van de partners veranderen.
Naar hun kinderen toe blijft alles min of meer hetzelfde. De bestaande verwantschap en de relatie tussen ouders en kinderen wordt niet beïnvloed. Het maakt het voor volwassen kinderen soms emotioneel gemakkelijker om de nieuwe levensgezel van hun vader of moeder te aanvaarden. Ook praktisch verkiezen ze een situatie die de rechten op hun erfenis niet verandert.
Oudere partners zijn meestal economisch onafhankelijk en willen dit ook blijven. Nieuwe relatievormen laten hen toe om tegelijkertijd een nauwe familieband met de eigen kinderen en kleinkinderen te bewaren en een persoonlijke relatie met een partner op te bouwen. Méér nog dan jongeren maken ouderen een onderscheid tussen hun partnerrelatie en hun gezin.
3 VERANDERINGEN IN DE MANIER WAAROP DE GEZINSLEDEN MET ELKAAR OMGAAN
3.1 Onderhandelen over de toewijzing van taken
3.1.1 Wie beslist ?
Sinds de jaren vijftig gaan man en vrouw meer met elkaar om op basis van gelijkheid. De economische positie van de vrouw speelt daarbij zeker een rol. Haar toegenomen economische zelfstandigheid vertaalt zich soms wel, soms niet in een grotere beslissingsmacht. Voor elk van de partners geldt dat het domein waarover men kan beslissen zonder de partner kleiner is dan voorheen. Er moet tussen partners meer worden onderhandeld. Dat vereist, meer dan voorheen, een grote waaier van sociale vaardigheden.
Anders en meer onderhandelen geldt niet alleen voor de partnerrelatie, maar ook voor de ouder-kindrelatie. Kinderen worden geleidelijk aan bij het besluitvormingsproces in het gezin betrokken. Ouders aanvaarden dat kinderen geleidelijk aan deelnemen in de verdeling van de macht. Dit vergt vanwege de ouders veel openheid en energie, maar ook creativiteit en geduld en de vaardigheid om zich naar hun kinderen toe te ver(ant)woorden. Dat dit niet evident is, ondervinden ouders met kleine en met grote kinderen. Er is veel onzekerheid over hoe het moet.
De draagkracht van gezinnen hiertoe is niet alleen afhankelijk van de opvoedingsvaardigheden van ouders maar ook van de sociale omgeving. Ouders van nu zijn veelal opgegroeid in een situatie waar de belangrijkste waarden van het eigen gezin in overeenstemming waren met de waarden van de school en het vrijetijdsmilieu. Onderhandelen binnen het gezin gebeurde in een ruimere context van waarden en opvattingen die ook buiten het gezin aanvaard waren. Dit is nu veel minder het geval. Jongeren leven heel sterk onder de invloed van hun leeftijdsgenoten. Dat was vroeger ook zo, maar de diversiteit van waarden en opvattingen binnen die groep is nu veel groter. Ouders moeten in hun opvoeding niet alleen onderhandelen met hun eigen kinderen, maar onrechtstreeks ook met vele jongeren met diverse waarden die de ouders zelf nauwelijks kennen.
Daarom is het van zeer groot belang dat ouders steun krijgen vanuit hun sociaal netwerk (familie, vrienden en buren), vanuit opvoedingsondersteunende programma’s die ontwikkeld worden in volwassenenvorming – zoals in KVLV en Landelijke Gilden – en zeker op moeilijke momenten ook vanuit de hulpverlening.
Jongeren zijn thans langer dan vroeger financieel afhankelijk van hun ouders. Ze studeren langer en verwerven pas op latere leeftijd een eigen inkomen. Daardoor blijven ze langer thuis dan 20 jaar geleden. Ze slagen er dikwijls in deze financiële afhankelijkheid te combineren met emotionele onafhankelijkheid en het uitbouwen van een eigen sociaal netwerk. Voor beide generaties stelt dit hoge eisen aan hun sociale vaardigheden en aan het inlevingsvermogen in elkaars leefwereld. Dit wordt bijzonder moeilijk als kinderen terug thuis komen wonen nadat ze een tijdlang onafhankelijk hebben gewoond. Nog moeilijker is het als deze ‘terugkeer’ het gevolg is van een moeilijke situatie waarin de jongere is terecht gekomen: echtscheiding, werkloosheid, ziekte.
3.1.2 Wie doet wat?
Ook al is de verdeling van de taken in de zorg voor het gezin meer het resultaat van een keuze van man en vrouw, traditie en geslacht wegen nog steeds zwaar door. De zorg voor het gezinsinkomen wordt niet meer alleen door mannen opgenomen en de verzorgingstaken voor het gezin ook niet meer alleen door vrouwen. Toch investeren vrouwen gemiddeld meer tijd in gezinsarbeid dan mannen en investeren mannen gemiddeld meer tijd in beroepsarbeid dan vrouwen.
Onderzoek naar de tijdsbesteding van mannen en vrouwen leert dat voltijds werkende mannen (tussen 20 en 40 jaar) nu méér tijd spenderen aan kinderzorg en opvoeding dan 10 jaar geleden. Gemiddeld besteden zij hieraan 3 uur per week, een stijging met 0:44 uur. De stijging ligt echter aanzienlijk hoger bij alle vrouwen: 2:10 uur bij voltijds werkende vrouwen, 2:28 uur bij deeltijds werkende vrouwen en 3:44 uur bij thuiswerkende vrouwen.
Bovendien nam bij mannen de tijdsbesteding aan huishoudelijke taken af met 1 uur. Ook bij voltijds werkende vrouwen nam de tijd besteed aan huishoudelijk werk af (met 2:29 uur), maar deze werd volledig ingenomen door meer arbeidstijd (3:39 uur).
De evolutie in de verdeling van taken in de zorg voor het gezin veroorzaakt(e) veel stress in jonge gezinnen. Vooral jonge vrouwen ervaren de spanning van de combinatie van gezinsarbeid en beroepsarbeid, wat zich o.a. uit in een hoger stressniveau. Aangezien veel vrouwen op de arbeidsmarkt actief zijn, is het probleem van de combinatie van gezinsarbeid en beroepsarbeid een politiek thema geworden.
Vele vrouwen geven, al dan niet noodgedwongen, de voorkeur aan een vorm van 'deeltijds' of 'onderbroken' betaald werken die specifiek op het gezin afgestemd is. Soms is definitief stoppen op een bepaalde leeftijd noodzakelijk (?). Voor deze groep vrouwen is een grotere flexibiliteit, planning en organisatie van de eigen arbeidsverdeling een belangrijk middel om de combinatie van gezins- en beroepsleven te verbeteren.
Jonge vaders ervaren onzekerheid over hun rol in het gezin en de samenleving. Een recent onderzoek aan de KULeuven (De Munter en Vandemeulebroecke) naar genderaspecten van zorg in de opvoeding geeft antwoorden op de vraag wat mannen en vrouwen motiveert om taken op te nemen in hun gezin:
- Vaders zien 'beschikbaar zijn voor de opvoeding' en 'gezellig samenzijn' meer als zorg dan moeders. En moeders zien 'huishoudelijk werk' en 'instaan voor de hygiëne' dan weer meer als zorg dan vaders.
- Er zijn heel wat redenen waarom vaders meer of minder zorg op zich nemen: hoeveel kinderen er zijn en hun leeftijd; wie buitenshuis werkt en hoeveel; welk rollenpatroon zij en hun partner zelf hebben gekozen.
- Moeders worden meer gewaardeerd voor hun inbreng in het gezin dan vaders. Zowel van collega's, vrienden en familie als van hun partner. Vaders zijn nochtans erg gevoelig voor de waardering die ze voor het opnemen van gezinstaken krijgen.
3.2 Verzorgingstaken voor het gezin
De overheid moet tegemoetkomen aan de behoefte aan meer en betaalbare verzorgingsarbeid in gezinnen. Meer concreet vragen we:
- Uitbreiding van het aanbod van gezinsondersteunende diensten. Voor lagere inkomensgroepen, vaak met weinig controle over de arbeidstijd, is het aanbod van dienstverlening niet voldoende en te duur. Dit leidt vooral tot een lagere arbeidsparticipatie bij vrouwen die zouden kunnen worden tewerkgesteld in de zorgsector.
- Uitbreiding van de tewerkstelling in de sector van kinderopvang, bejaardenzorg, hulp aan zieken of poetshulp vereist stimulansen op het vlak van opleiding en tewerkstelling. Gesubsidieerde tewerkstelling, selectieve verlaging van de loonkosten, activering van uitkeringen, fiscale stimuli voor particuliere werkgevers zijn daartoe belangrijke instrumenten.
Uitbreiding van het aanbod van gezinsondersteunende diensten met steun van de overheid kan voor de gezinnen en voor de samenleving gunstige gevolgen hebben. Maar de overheid moet de zelfredzaamheid, de zelfzorg en de solidariteit tussen familieleden ook blijven ondersteunen. Niet alleen om financiële reden maar ook en vooral omwille van het belang van solidariteit voor het individu en voor de samenleving. De overheid moet de randvoorwaarden tot stand te brengen waarin familiale solidariteit kan standhouden en openbloeien.
Vroeger werden de verzorgingstaken voor het gezin vanzelfsprekend opgenomen door gezinnen. De taakverdeling tussen echtgenoten, de stabiliteit van het huwelijk en het systeem van afgeleide rechten in de sociale zekerheid maakten dit mogelijk. Voor de meeste gezinnen is een tweede inkomen en voor de meeste vrouwen is een eigen inkomen een wens en een noodzaak geworden. Het verlies van een tweede (eventueel deeltijds) loon remt het opnemen van meer gezinsarbeid af.
Volgens sommigen moet zorgarbeid in gezinsverband gewaardeerd en aangemoedigd worden door het als een economische activiteit te vergoeden. De houding van de overheid is enigszins verschillend ten aanzien van huishoudelijke taken en verzorgende taken.
Voor de opvoeding van kinderen, om palliatieve zorgen te verlenen aan een terminale patiënt of om bijstand te verlenen aan een zwaar ziek gezins- en familielid werden binnen het stelsel van tijdskrediet (vroeger loopbaanonderbreking) gunstigere voorwaarden voorzien. Tegelijkertijd werd de toegang beperkt. Zo kunnen slechts een beperkt aantal werknemers gedurende een bepaalde periode voltijds of deeltijds verlof nemen en een forfaitaire vergoeding ontvangen. Uitbreiding van de mogelijkheden van het stelsel van tijdskrediet voor werknemers en meer bepaald voor alleenverdieners en zelfstandigen is wenselijk.
3.2.1 Zorg voor hulpbehoevende senioren
Omdat mensen langer leven, is er meer kans dat ze gedurende een periode zorgbehoevend zullen zijn. Meer mensen worden zich bewust van het risico van zorgbehoevendheid op latere leeftijd. De gezinnen die de zorg moeten opnemen voor de oudere generaties hebben een probleem van taakverdeling. De overheid die de bejaardenzorg moet uitbreiden, kampt met een financieel probleem.
Informele zorg geeft soms de indruk van vorm en uitstraling te veranderen. Deels is dit gezichtsbedrog. Het gezin blijft het brandpunt in de zorg en ook de directe familie kan nog aanspraak maken op een vanzelfsprekende loyaliteit. Het is nog steeds een vrouwelijke meerderheid die de mantelzorg op zich neemt (63 %) maar er zijn ook mannen die zorg dragen voor hun partner of dichte familie. De grootste groep mantelzorgers (46%) situeert zich in de middenleeftijd (van 41 tot 60 jaar). Het zijn mensen die lichamelijk fit zijn en die een aantal sociale vaardigheden hebben verworven die bijzonder belangrijk zijn bij verzorgende taken.
Bij de zorg voor bejaarden is het belangrijk dat alle familieleden samenwerken. De samenwerking situeert zich zowel op praktisch als op financieel vlak. Ze moet zoveel als mogelijk de zelfredzaamheid en de autonomie van de zorgbehoevende ondersteunen. Deze grondhouding in de zorg is even belangrijk als de betrokkene alleen woont, inwoont bij iemand anders of woont in een instelling.
KVLV en Landelijke Gilden pleiten voor meer zorgcultuur in de gehele samenleving. De overheid moet investeren in residentiële opvang en ondersteunende maatregelen uitwerken voor de thuiszorg en de mantelzorg.
Er bestaat een brede waaier van maatregelen die thuiszorg ondersteunen:
- gezinsondersteunende dienstverlening. Er zijn professionele diensten voor thuisverpleging, gezins- en bejaardenhulp, warme maaltijden, poetsdiensten, serviceflats en alarmcentrales. Er zijn ook dagcentra, nachtopvang, centra voor kortverblijf of gastgezinnen om mantelzorgers tijd voor zichzelf en hun eigen gezin en huishouding te gunnen.
- stelsel van tijdskrediet. Dit geeft werknemers en ambtenaren een recht op verlof (voltijds of deeltijds) voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid en op palliatief verlof.
- zorgverzekering. Zwaar zorgbehoevenden kunnen in de zorgverzekering een uitkering ontvangen voor de niet-medische hulp. Naast erkende professionele zorg en producten is er een tussenkomst voor mantelzorg mogelijk als minstens drie dagen per week hulp van familie of vrienden geboden wordt.
3.2.2 De zorg voor kinderen
Omdat er meer tweeverdienergezinnen komen, stijgt ook de behoefte aan kinderopvang door derden: grootouders en andere familieleden, onthaalmoeders en kinderkribben.
Tussen 0 en 3 maanden worden bijna alle kinderen 'opgevangen' door de ouders. Van 3 maanden tot 2,5 jaar maakt 61,6%gebruik van kinderopvang waarvan 25,5% in kinderdagverblijven en 40,1% in een opvanggezin. Bijna 30% van de kleine kinderen van ouders die beroep doen op dagopvang worden opgevangen door hun grootouders (10 jaar terug de helft). België is in Europa koploper in het percentage gesubsidieerde kinderopvangplaatsen. Per 100 kinderen beneden 3 jaar zijn er momenteel 30 gesubsidieerde opvangplaatsen. Op de tweede plaats komt Frankrijk met 23 plaatsen, gevolgd door Zweden met 21 plaatsen.
Initiatieven voor georganiseerde buitenschoolse opvang werden recent uitgebreid. Het gaat hier om de opvang van schoolgaande kinderen tijdens de (relatief korte) tijdspannes waarin de arbeidstijd van de ouders en de schooltijd van de kinderen niet samenvallen.
Tussen 2,5 en 6 jaar maakt 51,1% van de kinderen gebruik van buitenschoolse opvang. Hierbij dient opgemerkt dat niet alleen de behoeften van de ouders (nl. vanwege hun job) maar ook die van de samenleving (nl. de eisen van bedrijven) buitenschoolse opvang nodig maken.
40 % van de kleuters voor wie ouders buitenschoolse opvang nodig hebben, worden door hun grootouders aan de schoolpoort opgevangen. Dit geldt in de lagere school nog voor 34% van de kinderen. Grootouders spelen ook een belangrijke rol als hun kleinkinderen ziek zijn en hun ouders geen verlof kunnen nemen.
De zorg voor kinderen met moeilijkheden is een belangrijke opgave voor gezinnen en voor de samenleving. Ondanks alle gespecialiseerde hulpverlening, die zeer goed werk verricht, blijven nog te veel kinderen verstoken van de aangepaste zorg en begeleiding die zij nodig hebben. Situaties waarin deze deskundige hulp nodig is zijn talrijk: handicap of chronische ziekte, druggebruik en -verslaving, eetstoornissen, depressies, leerstoornissen.
3.2.3 Solidariteit tussen gezinnen
De zorg voor de ouderen en de zorg voor kinderen overschrijden de grenzen van het kerngezin. En dat is nooit anders geweest. Om te begrijpen hoe een gezin de zorg voor kinderen en ouderen opneemt, moeten we dus ook naar de familie en de sociale omgeving van het gezin kijken.
Er is een nieuw type van uitgebreide familie op de voorgrond getreden: mensen die niet samenwonen maar door zorg voor kinderen of ouderen worden samengebracht. Het eigene aan ‘familie’ is het gevoel van een ‘gedeelde identiteit’ en van een vanzelfsprekende loyaliteit.
Alleen zeer dichte familie kan nog die onverminderde aanspraak maken op vanzelfsprekende loyaliteit. De solidariteit met andere familieleden is afhankelijk van individuele voorkeuren en keuzen. De optionele verbondenheid leidt dan ook tot zeer uiteenlopende en wisselende vormen van solidariteit.
Het valt op dat het vooral gezinnen uit de middengroep zijn, die deze solidariteit gestalte geven.
- Ze moeten steeds meer voor hun familieleden van 75 jaar en ouder zorgen op een moment dat ze ook nog 'verplichtingen' hebben tegenover hun kinderen en kleinkinderen.
- 60 % van de vijftigerplussers heeft nog eigen kinderen in het huishouden. Ze zitten als het ware “gesandwiched” tussen de jongere en de oudere generaties.
- Overbelasting is een nieuw probleem van sommige oudere gezinnen die zowel voor kinderopvang als voor bejaardenzorg moeten instaan.
De families zijn, net zoals de gezinnen, onderhevig aan belangrijke evoluties: het dalend aantal kinderen en de grotere geografische mobiliteit. Sociale organisaties moeten daarom werken aan solidariteit, de sociale cohesie in de buurt en in de familie, het evenwicht tussen formele en informele zorg.
Men mag van solidariteit binnen de familie, tussen gezinnen, niet alles verwachten. Het is realistischer gezinnen als één van de peilers van een zorgzame samenleving te beschouwen. De uitbouw van een aantal voorzieningen behoort tot de maatregelen die kunnen voorkomen dat gezinnen die zorgen voor kinderen en ouderen niet overbelast raken.
4. VERSCHUIVINGEN IN DE WAARDENBELEVING
4.1 Ander gedrag en andere waarden
In wat voorafgaat hebben we reeds vermeld hoe mensen veranderingen in gezinnen beleven en wat ze in relaties belangrijk vinden. Het mag duidelijk zijn dat het hier gaat om een echte waardenverschuiving.
Het Europees Waardenonderzoek van 1991 heeft aangetoond dat Belgen voor wat de partnerrelatie betreft, meer belang hechten aan individuele autonomie, hogere eisen stelt aan de kwaliteit van de relatie en evalueert welk nut de relatie heeft. Ook blijkt dat 56% van de koppels het hebben van kinderen belangrijk vindt voor een geslaagd huwelijk. Slechts 17% van de ondervraagden vindt het hebben van kinderen niet belangrijk. Het onderzoek van 1999 bevestigt deze gegevens.
Uit onderzoek naar de toekomstverwachtingen van jongeren in Vlaanderen blijkt dat jongeren vandaag evenzeer als vroeger belang hechten aan een stabiele partnerrelatie. Het is een opgave waaraan ze willen werken. Op elke leeftijd worden ze geconfronteerd met vragen en uitdagingen, die zich voor hun ouders en grootouders niet stelden.
4.2 Vanzelfsprekendheden verloren
De aanwezigheid van variante leefvormen heeft ook een invloed op wie leeft in een doorsneegezin. De meerderheid van de Vlamingen blijft wel de klassieke gezinscyclus volgen, maar ervaart ook, vooral op overgangsmomenten, dat er keuzes mogelijk zijn:
- voor gehuwden die een moeilijke tijd doormaken in hun relatie (samen blijven of uit mekaar gaan)
- voor ouders wiens kinderen wel zouden willen gaan samenwonen, maar nog niet willen trouwen (zich verzetten of ondersteunen)
- voor verweduwden met een nieuwe partner (trouwen of ongehuwd samenleven – al dan niet met samenwonen)
Het is goed dat over deze vragen gepraat en nagedacht wordt. Sommigen zullen misschien vooral de nadruk leggen op de persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid. Sommigen hechten zich misschien aan een absolute instantie wiens wil voor hen wet is. De meeste mensen nemen een houding aan die ruimte laat voor ontplooiing maar ook grenzen stelt.
De ontwikkelingen in en rond de gezinnen staan niet los de ontwikkeling van de samenleving in het algemeen. Begrippen zoals ‘vrijheid’ en ‘zelfontplooiing’ zijn in de westerse wereld uiterst belangrijk geworden.
De historische wortels reiken zeer ver.
- De Franse revolutie bracht de individuele rechten van de vrije burger.
- De sociale strijd van de arbeidende klasse vanaf het einde van de 19de eeuw leidde tot de individuele verwerving van sociale rechten en sociale zekerheid.
De evolutie naar meer individuele rechten is daarmee niet beëindigd. Lijfelijke zelfbeschikking wordt een officieel erkend recht. Elkeen mag voor zichzelf beslissen wat goed is zolang hij maar niemand anders schaadt.
De laatkapitalistische maatschappij verschaft het individu economische middelen die hem materieel onafhankelijk maken van zijn omgeving en creëert op die manier steeds meer individuele vrijheid. Tegelijkertijd houdt individuele vrijheid en de competitiedrang die daarmee gepaard gaat het kapitalisme in stand. Deze evolutie ontwricht gezinsverbanden. Wie het gezin kansen wil bieden zal op zijn minst deze sociaal-economische context kritisch moeten bekijken.
Niet iedereen wenst in de draaikolk van steeds meer vrijheid op basis van steeds meer materiële goederen mee te draaien. De diepste verlangens van de mens worden er niet door voldaan.
Vele jonge gezinnen ervaren onzekerheid en onrust omdat ze aanvoelen dat het streven naar materieel bezit niet hun echte bestemming kan zijn. Buitenshuis werken is natuurlijk ook zorgen voor het gezin, maar de affectieve ervaring dat zorg zin geeft aan hun leven krijgen ze toch vooral als ze tijd maken voor hun gezin uit liefde voor hun partner en hun kinderen.
Ook uit onderzoek (Dedry, 2001) is gebleken dat de belangrijkste reden waarom mensen mantelzorg opnemen niet is: ‘omdat het moet’, of ‘omdat ik verplicht ben.’ Mensen doen het omdat ze de relatie met de zorgbehoevende persoon belangrijk vinden, omdat deze zorg hen zelf voldoening geeft, omdat ze de eigen waarde van het zorgend omgaan met elkaar al doende leren kennen.
We zien ook dat de drang naar vrijheid en individuele zelfbeschikking niet zo groot is als sommige ideologieën ons willen doen geloven. Er is, voor wie het wil zien, bij veel jonge mensen heel veel belangloze inzet voor een veelheid van maatschappelijke opdrachten. Jongeren beroepen zich op hun rechten en vrijheden tegenover hun ouders maar tegelijk bieden zij steun en solidariteit aan andere volwassen, hun grootouders, oom en tantes, vrienden en kennissen, in de jeugdbeweging. Vrijheid zal altijd een gesitueerde vrijheid zijn.
4.3 Wegwijzers in een onontgonnen landschap?
De verscheidenheid van gezinnen en relaties geeft een zeer gevarieerd landschap. Allerlei gezinsvormen en relatiepatronen leven naast elkaar en door elkaar. Zijn er in dit landschap herkenbare oriëntatiepunten? Kunnen we wegwijzers plaatsen? Kan de overheid dit landschap ordenen?
Enkele aanzetten tot reflectie.
4.3.1. Solidariteit
Aan de basis van de huidige ontwikkeling ligt de overtuiging dat ieder individu de relatievorm kiest die het best bij hem of haar past. De overheid trekt zich meer en meer terug en wil zich niet meer in deze keuze mengen, maar riskeert de verzorgingsstaat daarmee niet één van haar belangrijkste peilers te verliezen?
Kijken we even naar de onderliggende visie op de plaats en het belang van het individu… De socialisten beklemtonen vooral dat elk individu gelijke kansen moet krijgen. De liberalen beklemtonen de keuzevrijheid van het individu. De politieke vertaling van de ideologie van de individuele vrijheid en gelijke kansen is een verzorgingsstaat die aan het individu slechts minimale eisen mag stellen. Wordt daarmee de basis zelf van de verzorgingsstaat niet ondergraven? Waar vindt men nog de burger die een inspanning wil leveren om deze rechten en vrijheden te realiseren voor zoveel mogelijk mensen? De inzet van de Franse revolutie was niet alleen vrijheid en gelijkheid, maar ook solidariteit. De ontwikkeling van solidariteit is absoluut noodzakelijk om in onze verzorgingsstaat in stand te houden. Zonder solidariteit tussen de generaties zal onze samenleving in de volgende decennia grote moeilijkheden kennen.
Het huwelijk is noodzakelijk om de zorg voor kinderen en hulpbehoevende ouderen te garanderen. Het brengt generaties dichter bij elkaar dan het ongehuwd samenwonen. We zijn er ons van bewust dat deze overtuiging niet uitsluitend rationeel is, dat ze ook steunt op een keuze omtrent de uiteindelijke zin van het leven. Onze keuze is christelijk geïnspireerd.
Mensen worden geboren uit ouders en geven op hun beurt het leven door aan hun kinderen. Ze zijn een schakel in de ontwikkeling van generaties, een geheel dat groter is dan hen zelf. Zonder een gezin en een familie, zonder familiale bescherming zou een mens niet kunnen opgroeien of overleven. Daarom is het recht op een gezin als één van de belangrijkste rechten in de universele verklaring van de rechten van het kind opgenomen. De maatschappij moet daarom de wederzijdse rechten en plichten tussen ouders en kinderen juridisch omschrijven en beschermen. Dit is onmisbaar voor elke maatschappij die voor zichzelf een toekomst wil.
4.3.2. Seksueel verschil
De instelling van het huwelijk omschrijft en beschermt ook de wederzijdse rechten en plichten tussen man en vrouw.
Ook al staat in de dominante ideologie het individueel recht op zelfbeschikking centraal, het seksuele verschil tussen man en vrouw mag niet ontkend of gemanipuleerd worden. Seksuele relaties kunnen op vele manieren vorm krijgen. Uit antropologische studies blijkt dat de meeste culturen eisen dat partners binnentreden in een symbolische orde die de betekenis van het verschil accentueert en een bepaalde vorm geeft. Ten gevolge van de individualisering en de liberalisering wordt het seksueel verschil in onze cultuur minder beklemtoond en de vormgeving overgelaten aan het individu.
Kan de zin van menselijk leven, van seksueel gekleurd menselijk leven, volledig worden ingevuld door het individu? Of geeft ons man- of vrouw-zijn een aanzet tot zingeving die door ons opgenomen en gecultiveerd kan worden?
In een christelijke visie is de mens niet de autonome schepper van zin, maar is de mens geroepen om zijn leven uit te bouwen in dialoog met de fundamentele gegevens van het mens-zijn en met wat de menselijke geschiedenis daarover geleerd heeft. In de loop van onze geschiedenis is het huwelijk altijd als een symbolisch en institutioneel kader aangeboden dat mensen op weg zet om een eigen geschiedenis te maken. In het huwelijk verbindt een koppel zich met wat reeds aan zin aanwezig is in de menselijke conditie en geschiedenis.
4.4 Een christelijke inspiratie voor gezinnen
Kunnen christenen in de samenleving van vandaag, voor gezinnen van vandaag een eigen bijdrage leveren?
Een eerste bijdrage kan zijn dat zij reflecteren over de betekenis van hun huwelijk en hun gezin voor hen zelf en voor de maatschappij. Een groter bewustzijn van de eigen realiteit biedt perspectieven om deel te nemen in maatschappelijke debatten.
Het huwelijk geeft aan een partnerrelatie een gemeenschapsdimensie. Bij de huwelijkssluiting spreken man en vrouw hun trouwbelofte niet alleen tegenover elkaar uit, maar ook voor hun omgeving en de gehele gemeenschap. In de bevestiging van het huwelijk geeft de maatschappij erkenning aan hun relatie. Het is een belangrijke veruitwendiging van maatschappelijke waarden en normen.(b.v. gelijke kansen voor mannen en vrouwen, onderlinge solidariteit, wederzijdse liefde en respect?)
Het christelijk huwelijk geeft aan de partnerrelatie een religieuze dimensie. Het is een sacrament waarbij gelovigen hun huwelijksbelofte niet alleen uitspreken tegenover elkaar en voor de gemeenschap, maar hun belofte in een religieus perspectief plaatsen.
Essentieel in de huwelijksspiritualiteit (?) is dat man en vrouw wezenlijk van elkaar verschillen en precies daardoor tot elkaar worden aangetrokken. De begeerte is in eerste instantie fysiek. De aantrekkelijkheid van de ander ligt in zijn of haar lichamelijkheid en anderszijn. Maar het gaat in de relatie om de persoon van de ander en niet om het volgen van de eigen impulsen. De seksuele begeerte die lichamelijk gericht is, groeit in de relatie uit tot een verlangen dat persoonlijk gericht is. Het verlangen kan uitgroeien tot tederheid die gericht is op een lichamelijke ontmoeting en lichamelijke ontmoeting kan leiden tot seksuele eenwording.
De rijke lichaamstaal van liefkozen en omhelzen, van kussen en seksueel eenworden kan de uitdrukking zijn van liefde. Als ze losgemaakt wordt uit de relatie en enkel op momentaan genieten gericht is verliest ze die betekenis. Het is de duurzaamheid van de relatie die liefde mogelijk maakt. Wederzijdse overgave zoals die in de seksuele activiteit gesymboliseerd wordt, vraagt om trouw in de relatie. Dit vraagt tevens exclusiviteit. Naarmate de liefde persoonlijker is wordt ze exclusiever. De persoon die men liefheeft, is volstrekt uniek, niet inwisselbaar voor een ander, onherleidbaar gescheiden en onderscheiden. Duurzaamheid en exclusiviteit vragen om verankering in de gemeenschap.
1. KVLV en Landelijke Gilden die vanuit een christelijke inspiratie willen werken, hebben de opdracht om:
- Mensen die hun huwelijk en gezin liefdevol beleven hun verhaal te laten vertellen;
- Respect te hebben voor hen die in dit verhaal zouden willen treden, maar om een of andere reden dit niet waar (kunnen) maken;
- met evenveel respect voor leden en niet-leden die vanuit een andere inspiratie hun droom van geluk proberen waar te maken.