Start

Heer God,

ik heb weer eens mijn toevlucht moeten nemen
tot het BOEK.
U weet wel, het "Boek der boeken".
Het grote verhalenboek
waarin onze voorvaderen
zulke krasse dingen over u gezegd hebben.
Ze hebben naar U verlangd,
ze hebben geroepen om U.
Ze hebben geredetwist met U.
Ik doe juist hetzelfde - hoe kan het anders.
Ik ben één van hen, een mens,
van hun geslacht zal ik maar zeggen.

Meestal brengt U mij bij het gepaste verhaal
om op adem te komen.
Want U kent ze natuurlijk allemaal,
die verhalen... en... U kent ook mij...
Deze keer bracht U mij bij de profeet Jona,
U had hem geroepen, weet U nog wel,
om naar Nineve te gaan.
Om daar te gaan prediken.
Waarschuwen dat ze zich moesten bekeren,
omkeren, vasten ook,
dát soort dingen.

Maar Jona was moe.
Zelfs een beetje nijdig - moe.
Misschien had hij liever
zo wat zachtjes met u willen praten.
Of zelfs een liedje zingen voor U.
Maar U stuurde hem van U,
weg naar het heidense Nineve.
Om te gaan preken... altijd maar preken.
Ergens kan ik hem begrijpen, Jona...
Ik ben ook wat moe van al die ‘preken’.
Teveel is teveel, zeg ik
en er zijn er nog die het zeggen.

En wat zei Jona?

Jona zei: "Laat maar zitten die Ninevieters.
Ik ga naar Jafo!
Daar in de haven zijn er altijd boten
die afvaren naar Tarsis.
Dat is het eind van de aarde.
Niemand zal mij dààr vinden.
Ook Jahwe niet, en ik ben er vanaf."
Een cruise maken dus?
Ja, dat zou ik ook kunnen om er vanaf te zijn...

Maar, Jahwe, God,
U hebt Jona natuurlijk wel teruggevonden...
Hij lag in 't water
en U hebt nog één van die grote vissen moeten oproepen
om hem op het droge te krijgen.
Ach, ik zal dan ook maar geen cruise maken.
Anders kan ik U nog last bezorgen,
terwijl ik toch niets liever doe,
dan U een handje te helpen, als ik kan.

Met Jona is het dan nog goed afgelopen.
Hij is dan toch naar Nineve gegaan,
en ze hebben zich daar bekeerd.
`k Had het nog gedacht!
Jona was een eerlijk man.
We hoeven ons nergens te schamen
voor hem en voor zijn verhaal.

Ik heb het gelezen met luide stem,
buiten in de tuin.
De kraaien kwamen ook luisteren.
En voor het paard heb ik het liedje gezonden.
U weet wel...
Ze blijft dan altijd roerloos staan,
met de oren plat in de hals en ze luistert.
Ze weet, dit is mijn liedje.
Ik zing het dikwijls voor haar.
En natuurlijk ook voor U, God,
U bent er altijd bij... dat weet U wel.

Angèle