| Start |
|
André Vermeiren
Welkom
G.: Welkom aan allen,
en in het bijzonder aan André,
die nu op een heel andere wijze
onder ons aanwezig is.
Over de grenzen van tijd en ruimte,
over de grenzen van de dood heen
mogen wij ons verenigd weten in Gods geest.
Bij de aanvang van deze wake willen wij ons
onder het teken van het kruis stellen.
A.: In de naam van de Vader, van de Zoon en van de heilige Geest. Amen
Begroeting
G.: Zoekend naar woorden,
zoals we vaak rond André gestaan hebben,
vinden we elkaar vandaag terug.
Wees welkom namens hem.
Wanneer we omkijken is er dichtbij
die pijnlijke herinnering aan iemand die
voortijdig ieder houvast heeft moeten loslaten.
Daarachter echter staat een mens,
rechtop en waardig,
die groots geweest is vele jaren.
We kijken ernaar op,
met droefheid om het langdurige afscheid.
Maar tegelijk ontzettend dankbaar
voor de onvergetelijke mens die hij was.
En voor elk teken van aanwezigheid
dat hij ons gaf, ook het geringste.
Psalmgebed (naar
psalm 73)
L.: God, Gij houdt mij vast,
mijn hand in uw hand,
alles zult Gij ten goede leiden.
A.: God, mijn hand in uw hand.
L.: Gij neemt mij mee, geprezen zij uw wil.
Wat is de hemel voor mij zonder U?
Wat moet ik op aarde als Gij er niet zijt?
A.: Wat moet ik op aarde als Gij er niet zijt?
L.: Al wordt mijn lichaam afgebroken
en komt mijn hart tot stilstand,
Gij zijt mijn toeverlaat, o God,
de toekomst die mij wacht.
A.: Gij, toekomst die mij wacht.
L.: Ver weg van U bestaat geen leven;
U ontrouw zijn is niemand zijn.
Bij U, mijn hoogste goed, mijn God,
bij U ben ik geborgen.
A.: God, bij U ben ik geborgen.
L.: God, Gij houdt mij vast,
mijn hand in uw hand;
alles zult Gij ten goede leiden.
A.: God, alles zult Gij ten goede leiden.
Gebed
G.: God,
moe van het leven
en van het ontredderd zoeken
naar een vaste hand,
heeft André zijn verhaal
en zijn verleden losgelaten,
om rust te vinden voor altijd.
En wij, verweesd en kwetsbaar,
worstelen nog
met het ongerijmde van dit bestaan.
Wij bidden U,
kom op de weg die mensen gaan,
zoals een vriend die vergezelt
of als een vader die zijn kind verwacht.
En raak met zachte vingers aan
alles wat moet geheeld worden.
Gij, licht waarin wij zullen staan.
Gij, onbekende nog,
maar naderende einder.
Amen.
Lezing
L.: Alles krijgen we en alles moeten we laten gaan.
Er is al zo weinig dat van ons is:
onze woorden en gebaren niet, onze ideeën niet,
de dingen en de wezens van de schepping niet,
onze adem en ons leven niet.
Misschien is ook ons lichaam niet van ons,
maar van dat wonderlijk gekleurde,
glanzend grote lichaam dat ons liefheeft en beschermt, als een kind dat uit
haar schoot komt.
De soepelheid van pijn hebben en pijn kwijtraken.
De aanvaarding die ligt in moeilijk gaan,
maar toch gaan,
omdat het gaan zoveel groter is dan het niet gaan,
hoewel niet gaan alles zal samenvatten.
De grote ruimtelijkheid van rust,
als het lichaam rust is, opnieuw rust krijgt.
Het huilen en het troosten.
Allemaal samen delen we dit geheim
van meegenomen te worden op de golven van het leven, kopje onder te gaan en
weer boven te komen,
aangeraakt te worden en eenzaam in te slapen.
We delen het met ons lichaam, we delen het met elkaar.
Laten we ons lichaam,
laten we elkaar krijgen en loslaten
met de onooglijke nederigheid,
met de kortstondigheid,
de onzichtbaarheid van golf in zee,
even sierlijk, even krachtig en luidruchtig,
even doorzichtig als de zee zelf.
Evangelielezing
(Marcus 5, 24-34)
G.: De Heer zal bij u zijn.
A.: De Heer zal u bewaren.
G.: Lezing uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus.
A.: Lof zij U Christus.
G.: Op zijn weg naar het huis van een doodziek kind, verdrong de massa zich rond Jezus, om iets van Hem op te vangen. Tussen hen was er een vrouw die sinds jaren onder ziekte gebukt liep. Ze leefde angstvallig en teruggetrokken. Alle middelen had ze beproefd, zonder hulp of baat. Met een klein hartje, maar met oeverloos vertrouwen, had ze zich dwars door de menigte tot bij Jezus gewrongen. En heel even raakte zij zijn mantel aan. Zij wist over de kracht van zijn handen en zijn woorden, over het licht dat Hij aan dode ogen gaf, over mensen die Hij had doen opstaan uit hun angst en uit hun onvermogen. Zoals een mens zich aan een grashalm vastklampt, dacht ze: God, als ik Hem maar even kan aanraken… Het was een sterke, helende ervaring, één ogenblik zo dicht bij Hem te zijn. Jezus werd haar hunkerende aanwezigheid gewaar. Hij keerde zich om en vroeg nadrukkelijk:“Wie heeft Mij aangeraakt?” Voor de leerlingen die zichzelf in het gedrang verloren voelden, leek dit een lachwekkende vraag. Maar de kracht die van Hem uitging, liet de vrouw niet los. Klein en ontdaan schoof ze naar Hem toe. En diep gebogen aan zijn voeten, deed ze Hem haar pijnlijke verhaal. Jezus keek haar troostend aan en zei: “Jij die gelooft, bent ook genezen. Ga met mijn vrede. Voel je bevrijd en leef.”
Voorbeden
G.: Ootmoedig willen wij ook vandaag onze smeekbeden richten
tot de Heer van alle leven.
Wij doen dat in de wetenschap dat God ons ziet, niet zoals wij elkaar zien,
maar voorbij onze woorden,
diep in ons hart.
L.: André,
Jij, vader, die uw kinderen hebt liefgehad,
jij, aan wiens hand ze veilig waren,
jij, hun thuis, hun onderdak,
jij, die hen leerde liefhebben, zegenen, bewaren,
dat God je lachend tegemoetkomt,
dat zij jouw beeld in ere houden, hun leven lang.
Laat ons bidden.
A.: Wij bidden U verhoor ons, Heer.
L.: André, jij, opa, als het hart van de familie,
jij, met een zee van aandacht en geduld voor hen,
jij, naar wie ze opgekeken hebben met ontzag,
jij, die vertellend hun verleden werd,
dat jij bij God nu over hun toekomst waakt,
dat zij jouw woord en waarden niet vergeten.
Laat ons bidden.
A.: Wij bidden U verhoor ons, Heer.
L.: André, jij die je vrienden met genoegen tegenkwamen,
vriend, jij, die met hen de zon zag op- en ondergaan,
jij, met wie lief en leed als brood gedeeld kon worden,
jij, die altijd voor hen de deur liet openstaan,
dat God je als een vriend verwacht,
dat wij ten allen tijde, mild en gastvrij zijn
voor wie langs komt.
Laat ons bidden.
A.: Wij bidden U verhoor ons, Heer.
L.: André, jij die geworsteld hebt met dat weerbarstig
lichaam,
jij, hulpeloos en zoekend naar een nieuw houvast,
jij, eenzaam soms en kwetsbaar in onze handen,
jij, die om menselijke warmte telkens gelukkig was,
dat God je nu vol tederheid mag aanraken,
dat wij met zorg omringen al wie gekwetst, angstig of
droevig is.
Laat ons bidden.
A.: Wij bidden U verhoor ons, Heer.
Stiltemoment
Tientje
G.: Bidden we nu samen een tientje. Wij richten ons in het bijzonder
tot de moeder van onze Heer Jezus Christus, die weet wat het is iemand te verliezen
die u dierbaar is. Zij zal zeker voor ons ten beste spreken en ons helpen de
pijn van het afscheid te dragen.
G.: Onze Vader, die in de hemelen ……
A.: Geef ons heden .…..
G.: voor hen die lijden:
G.: Wees gegroet Maria ……
A.: Heilige Maria.....
G.: voor hen die bedroefd zijn
G.: Wees gegroet Maria ……
A.: Heilige Maria.....
G.: om kracht voor hen die overblijven
G.: Wees gegroet Maria ……
A.: Heilige Maria.....
G.: om blijvend geloof en vertrouwen
G.: Wees gegroet Maria ……
A.: Heilige Maria.....
G.: voor onze geloofsgemeenschap
G.: Wees gegroet Maria ……
A.: Heilige Maria.....
G.: om overgave aan de Heer
G.: Wees gegroet Maria ……
A.: Heilige Maria.....
G.: tot de Vader die ons leven geeft
G.: Wees gegroet Maria ……
A.: Heilige Maria.....
G.: tot de Zoon die leeft en sterft voor ons
G.: Wees gegroet Maria ……
A.: Heilige Maria.....
G.: tot de Geest van Christus, die Liefde is
G.: Wees gegroet Maria ……
A.: Heilige Maria.....
G.: tot Maria die onze zorgende Moeder blijft
G.: Wees gegroet Maria ……
A.: Heilige Maria.....
G.: Eer aan de Vader, de Zoon en de heilige Geest.
A.: Gelijk het was in het begin en nu en altijd in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Stilte
Geloofsbelijdenis
G.: Ook in deze moeilijke momenten,
vooral in deze moeilijke momenten
willen wij samen ons geloof belijden
in de verrezen Heer.
Hij was de eerste die door de dood heen is gegaan. Daardoor heeft Hij voor
ons
de hoop gerechtvaardigd
op een wederzien van allen
die ons in de dood zijn voorgegaan.
A.: Ik geloof in God, de almachtige vader,
schepper van hemel en aarde.
En in Jezus Christus, zijn enige zoon, onze Heer,
die ontvangen is van de heilige Geest
en geboren uit de maagd Maria,
die geleden heeft onder Pontius Pilatus,
gekruisigd is, gestorven en begraven,
die neergedaald is ter helle,
de derde dag verrezen uit de doden,
die opgevaren is ten hemel
en zit aan de rechterhand van God,
zijn almachtige vader.
vandaar zal hij komen oordelen
de levenden en de doden.
Ik geloof in de heilige geest;
de heilige katholieke kerk;
de gemeenschap van de heiligen,
de vergiffenis van de zonden,
de verrijzenis van het lichaam
en het eeuwig leven. Amen.
Gebed.
G.: God,
het graan dat geplet wordt
is een lange weg gegaan.
De druif in de wijnpers
is amper nog herkenbaar.
Zo gaat het ook met mensen.
Zij proeven de dauw van de morgen,
zij kennen het zweet van de middag
en brengen vruchten naar huis.
Maar als het avond wordt,
leggen zij de lasten af
om rust te zoeken
onder de sterren.
Neem alles van André
in uw handen, God,
het nietigste en het grootste.
En spreek uw eeuwige woorden:
dat het goed was.
Een leven,
rijp als de druif en het graan.
Voltooid en dankbaar
nu aan U teruggegeven.
Amen.
Litaniegebed
G.: Wanneer iemand sterft verstillen onze woorden,
ook tegenover elkaar.
Dan kunnen we alleen bewogen en gelovig
mee onder het kruis gaan staan.
Laten we daarbij ingetogen bidden
dat we dit gebeuren dat ons leven kruist,
en al wat in de toekomst ons hart nog zal bezwaren,
moedig kunnen opnemen en samen dragen.
Toch willen we ook samen uitspreken
wat we van God verhopen en verwachten:
G.: Van het onbegrip dat André heeft gekwetst,
A.: bevrijd hem God.
G.: Van de zwakheid die hij heeft gekend,
A.: bevrijd hem God.
G.: Van de twijfel die hem heeft bevangen,
A.: bevrijd hem God.
G.: Van het leed dat hem werd aangedaan,
A.: bevrijd hem God.
G.: Van de angst om wat nog komen zou,
A.: bevrijd hem God.
G.: Met de dromen die hij heeft gekoesterd,
A.: breng hem thuis, God.
G.: Met de vriendschap die hij heeft gegeven,
A.: breng hem thuis, God.
G.: Met de vreugden die hij heeft beleefd,
A.: breng hem thuis, God.
G.: Met de moed die hij heeft getoond,
A.: breng hem thuis, God.
G.: Met de hoop die hem tot hier heeft geleid,
A.: breng hem thuis, God.
G.: In de dagen van verdriet,
A.: hou ons vast, God.
G.: In de toekomst die wij tegemoet gaan,
A.: hou ons vast, God.
G.: In de jaren van vervulling,
A.: hou ons vast, God.
G.: In de liefde die ons recht houdt,
A.: hou ons vast, God.
G.: In het uur van onze dood,
A.: hou ons vast, God.
G.: Als mensen tot U roepen,
A.: God, wees hen nabij.
G.: Als mensen zich verlaten voelen,
A.: God, wees hen nabij.
G.: Als mensen in het duister tasten,
A.: God, wees hen nabij.
G.: Als mensen elkaar willen troosten,
A.: God, wees hen nabij.
G.: Als mensen moeten sterven,
A.: God, wees hen nabij.
Slotgebed
G.: God,
alles is voorbij.
De mist, de angst,
het radeloze zoeken en de pijn.
Maar laat het leven
meer dan dàt zijn.
Wis het niet uit zoals
de wind die afbreekt
en ontwortelt.
Gij die in het bestaan van André
door elk gebaar
van goedheid en genade
werd geraakt.
Doe hem ontwaken,
gaaf en ongeschonden,
in uw grenzeloze licht.
Herhaal wat Jezus deed
en zeg tot hem:
“Je bent genezen.
Voel je bevrijd. En leef.”
Amen.
Overweging
L.: Laat me dit nog zeggen:
Ik heb je gezocht
in het huis waarin je verdwaalde.
Maar de man en de vrouw
en het kind op de foto zijn zoek.
Je naam heb je ergens
verloren gelegd
tussen zorgen van gisteren
en vragen voor morgen.
En de gang van jouw gedachten
liep langzaam dood.
Laat mij maar vertellen
over de dingen
die jij niet meer durfde tellen.
Over hoe groot het leven geweest is.
Over liefde en dagelijks brood.
Het verhaal dat niet af was
leven wij verder,
met dezelfde warmte
en met je vertrouwde woord
dat zijn kracht had,
waarmee je een ster in het ijs
zou slaan, als het kon.
Ik laat je niet achter.
Ik zal niet vergeten.
Op het gekreukte papier
van je handen
schrijf ik een lied
en zing het je na.
Nu je hier ligt
en niet meer hoeft te weten,
omringd met de heilige aandacht
van onze stilte
en vrij van angst of verdriet,
zou je lachend
weer kunnen opstaan.
En met je vingers misschien
troostend nog eens
door mijn haar gaan.
Want nu is alles terecht.
Kris Gelaude
Zending
G.: Zusters en broeders,
aan het einde van dit samenzijn
dank ik u
voor uw mee-leven en mee-bidden.
Ik nodig u uit om de laatste eer te brengen
aan André
door het bijwonen van de uitvaartliturgie
morgen om 10.30 uur.
Laten wij bij die gelegenheid
voor mekaar uitspreken,
in een tastend geloof,
dat dit sterven het einde niet is.
Daartoe zegene ons
A.: De Vader, de Zoon en de heilige Geest. Amen.