| Start |
|
Herders te kort?
"Ik
ben de deur. Wie door mij binnenkomt zal gered worden: die kan vrij in en uit
gaan
en zal weidegrond vinden." (Johannes, 10:9)
Als wij het woord ‘pastoor’ horen of uitspreken, of
‘pastor’ of het hebben over pastorale werkers of werksters, denken we
niet direct aan een herder of herderin. In het Frans is dat nog duidelijker.
Katholieke parochies hebben in het Frans een curé, en bij dat woord denkt
niemand nog aan een herder. Protestantse gemeenschappen hebben een pasteur,
en in het Nederlands is dat geen herder maar een dominee of predikant. Het beeld
en het begrip van de herder is ons vreemd geworden, misschien ook omdat we ons
een parochie of een gemeenschap van gelovigen niet direct voorstellen als een
kudde schapen. Je beledigt een mens als je zou zeggen: u bent een schaap. Schaapachtigheid
is allesbehalve een deugd. Toch is het dat wat de woorden ‘pastor’, pastoraal
werk enzovoort letterlijk inhouden. Dat komt uit de bijbelse traditie, en dat
is de traditie van een herderscultuur.
Bij oude oosterse volkeren was het gebruikelijk dat
ze hun leiders herders noemden. Ook en eerst en vooral hun politieke leiders.
Een koning was de herder van zijn volk. Wij zouden zeggen: de ervaren gids.
Wij spreken van ‘vadertje staat’, of van onze verzorgingsstaat. Nu staat het
oude testament vol van kritiek op de slechte herders van het volk. De profeten
gaan regelmatig te keer tegen de koningen en de geestelijke leiders omdat ze
ontrouw zijn aan hun roeping. Ze dragen geen zorg voor het volk, maar ze buiten
het uit. Ze trekken zich niets aan van verdwaalde schapen. Het zijn geen zorgzame
herders maar vraatzuchtige wolven. Ze scheren hun schapen kaal en gebruiken
de wol voor eigen profijt. En dan verkondigen de profeten de belofte: Jahwe,
onze God, Hij laat ons niet in de steek.
Het valt op dat God zelf niet zo dikwijls als goddelijke herder wordt voorgesteld.
De eigenlijke boodschap is: Hij zal zorgen voor goede menselijke herders, herders
naar zijn hart, die de kudde met wijsheid en toegewijde zorg zullen weiden.
Die belofte heeft God waar gemaakt door Jezus. Hij
is de volkomen goede herder, die zelfs zo ver gaat dat hij zijn leven over heeft
voor de redding en het welzijn van zijn schapen.
Hier moet ik toch, even tussen haakjes, wijzen op iets
dat moeilijk ligt in de evangelische en ook de kerkelijke beeldentaal. Het lijkt
me niet zo eenvoudig op het ene moment te bidden: ‘Lam Gods dat de zonden van
de wereld wegneemt’, en in hetzelfde verband in gedachten te houden dat Christus
de goede herder is. Lam en herder tegelijk, dat gaat niet goed. Ik denk dat
we de beelden uit elkaar moeten houden. Ze roepen elk een eigen wereld op, een
eigen perspectief op de rijkdom van het geloof, maar we moeton er zorgzaam mee
omgaan, anders bestaat het gevaar dat we zelf niet verstaan wat we bidden.
Hier is het perspectief dus dat van de goede herder,
van de pastores die we nodig hebben opdat de kerk ter plaatse zou blijven voortbestaan.
Het perspectief van 'roepingenzondag'.
We mogen de moeilijkheid niet uit de weg gaan, bijvoorbeeld door uit te wijken
naar de gedachte dat iedere christen gelovige zijn of haar eigen roeping heeft
en die roeping moet volgen: de roep die besloten ligt in het beroep dat men
uitoefent, het werk dat men te doen heeft en de zorg voor de mensen met wie
men het leven deelt. Natuurlijk is dat waar en zeer belangrijk, maar voor het
thema van roepingenzondag is het een doekje voor het bloeden.
Want niemand kan ernaast kijken: de kerk is
aan
het bloeden. Ze bloedt uit de wonden van het zogenaamde priestertekort. Ze lijdt
onder de meningsverschillen en conflicten over het priestercelibaat en de toegang
van vrouwen tot het priesterambt. Het past niet dat je in het kader van een
eucharistieviering stelling neemt in dit debat en gaat discussiëren met anderen
die het daarmee niet eens zijn. Niemand is er mee geholpen, en zeker de zaak
niet, als we elkaar over en weer verketteren. Veel vruchtbaarder is dat we stem
en ruimte geven aan wat ons allen gemeenschappelijk bekommert en dat we daar
proberen werk van te maken.
Sinds geruime tijd al wordt in het kerkelijke spreken
een aparte nadruk wordt gelegd op het algemene priesterschap van de gelovigen.
Alle gelovigen hebben een priesterlijke opdracht ten opzichte van hun medemensen
en vooral van hun broeders en zusters in het geloof. Als ik tegen mijn broer
en mijn schoonzus zeg: jullie zijn de eerste priesters van je vier kinderen,
en ook van je kleinkinderen, dan kijken ze vreemd op. Zeer vreemd. En toch is
dat een diepe waarheid. Als overtuigde christen gelovigen dragen zij de eerste
verantwoordelijkheid voor de mensen die het leven hun heeft geschonken en toevertrouwd.
Verantwoordelijkheid voor het geloof van de hun toevertrouwde mensen. Ze hebben
zich daarvoor ook ingespannen, en ze blijven dat doen, ook al zijn de vruchten
van hun inspanning volgens menselijke en officiële kerkelijke maatstaven niet
wat ze hadden verwacht en gehoopt. Daarop zeg ik dan: jullie hebben gezaaid,
je blijft zaaien, en je kunt alleen maar bidden: 'God zegene de greep.' Je probeert
ook zorgzaam te snoeien, maar uiteindelijk zijn het de zon en de regen van Gods
genade die de groeikracht geven.
Maar de echte moeilijkheid heeft te maken met het bijzonder
priesterschap van sommige gelovigen. De beste formule is misschien deze:
het gaat om mensen die van hun geloof hun beroep willen maken. Dat kunnen ze
op verschillende manieren, maar het belangrijkste beroep is dat van herder:
het beroep dat bestaat in het verzorgen van de taken die nodig zijn om een gemeenschap
van gelovigen goed te doen leven. We moeten het zo zien: iedere gelovige, of
die nu man of vrouw is, die van zijn geloof zijn beroep wil maken, moet daartoe
de kans en de nodige middelen krijgen, want zulke mensen kunnen we minder dan
ooit missen. Misschien kunnen we zeggen dat het aantal kerkelijke gelovigen
sterk is afgenomen en dat er dus minder kerkelijke priesters nodig zijn. Maar
als dat waar is, betekent het nog helemaal niet dat er minder behoefte
bestaat aan herders, aan geloofsverzorgers. Wel integendeel.
Voor de verzorging van het geloof hebben we mensen nodig met een breed gamma
van gaven en capaciteiten: mensen met de gave van het woord, mensen met leiderscapaciteiten,
mensen die verstand hebben van besturen, mensen die medemensen kunnen bezielen,
mensen met bijzondere gaven om te wijden en te zegenen, mensen die begaafd zijn
om voor te bidden en bekwaam om anderen te leren bidden, enzovoort.
Als we in die richting denken, moeten we de smalle
opvatting van het priesterschap loslaten en de weg volgen naar een meervoudig
priesterschap: een veelheid van verscheiden priesterlijke en zorgende taken
die door verschillende mensen, naargelang van hun bijzondere gaven en talenten,
worden waargenomen.
Merkwaardig in het evangelie van dit weekeinde is dat
Jezus zich de 'deur voor de schapen' noemt. Dit beeld van de deur staat in het
evangelie centraal. Jezus is de enige deur die toegang geeft tot het echte leven.
Leven is er niet alleen voor wie binnengaat in de besloten ruimte van de veilige
schaapshof, maar ook in de vrije ruimte van de 'weidegrond' daarbuiten. Het
is een beeld dat te denken geeft. Sluiten we ons te vreesachtig op in de vertrouwde,
weliswaar ingekrompen en misschien
bekrompen
hof van de nog altijd kerkgetrouwen katholieken? Denken we niet te gemakzuchtig
in termen van alleen maar het in kerkelijke definities vastgeschroefde herdersambt.
Sommigen die dat niet doen, dreigen er de moed bij
te verliezen. Wij kunnen hier wel in deze richting denken, zeggen ze,
maar wat helpt dat, wat kunnen we doen als de bisschoppen en als ze in Rome
anders blijven denken? Dat klopt, maar toch niet voor honderd procent. Want,
ten eerste, ook de verantwoordelijke kerkleiders zoeken wel degelijk naar oplossingen,
en ten tweede, als wij en nog vele anderen blijven zeggen wat we eerlijk denken,
moeten we erop durven rekenen dat het wel degelijk wordt gehoord.
Roepingenzondag is een dag bij uitstek om ons over
de toekomst van het priesterschap gedachten te vormen, en om die gedachten al
biddend uit te spreken voor God, die onze verlangens kent en, als we met oprechte
volharding blijven bidden, ze hoe dan ook verhoort.
B.J.
De Clercq o.p.