| Start |
|
Het huisje van Varenka
Verteller:
Lang geleden woonde er ver weg in de bossen van Rusland een arme vrouw. Varenka
was haar naam... Haar kleine huisje lag diep verscholen tussen de bossen en
er kwam bijna nooit niemand langs. Het liep tegen kerstmis aan en dit jaar wilde
Varenka eens grondig kerstfeest vieren. Ze had de kerstboom reeds prachtig versierd
met bollen en slingers. Naast de icoon plaatste ze een mooie kaars. Ook dekte
ze haar tafeltje, ze plaatste één bord, één bestek en één glas. Toen ging ze
zitten en slaakte een diep zucht omdat ze wist dat ze ook dit jaar het kerstfeest
alweer alleen moest vieren. Toch was ze niet droevig want ze besefte dat er
veel mensen waren die het nog veel slechter hadden dan zij.
Groep kinderen komen aangelopen en roepen
Varenka! Varenka! Varenka!
Kind 1: Varenka we moeten snel vluchten, er woedt een
verschrikkelijk oorlog De soldaten komen iedere dag dichterbij, pak alles bij
elkaar en vlucht met ons mee.
Varenka: Oorlog, soldaten dat kan toch niet dat is toch onmogelijk!
Kind 2: Varenka het is waar, komaan vlucht met ons mee!
Varenka: Ik kan niet meegaan met jullie, ik kan niet vluchten!
Kind 3: Wat bedoel je Varenka je kan niet vluchten?
Varenka: Wie zal er zorgen voor de vermoeide zwervers? Wie
zal de kinderen die in het bos verdwaald zijn onderdak geven? En wie zal er
voor de dieren en de vogels zorgen als het winter wordt?
Kind 4: Varenka daar moetje niet aan denken Denk aan
jezelf en vlucht!
Varenka: Neen ik moet hier blijven, maar jullie moeten je
haasten en verder gaan. God zal jullie beschermen.
Varenka neemt afscheid van de kinderen
Varenka: (bang en onwetend) Ja nu hoor
ik ook het gerommel van de kanonnen. Ze zijn nu nog ver weg, maar morgen kunnen
ze hier al zijn. Wat zal er dan met mij gebeuren?
(Varenka knielt voor de icoon en bidt tot God)
Varenka: God bouw a.u.b. een muur om mijn huisje, dan kunnen
de soldaten mij niet zien.
Verteller: Maar God kwam niet en niemand bouwde een muur
om Varenka's huisje.
De volgende morgen hoorde Varenka in de verte weer het gerommel van de kanonnen.
Ze sprokkelde die dag veel hout, zodat ze voor een tijdje verder kon.
(Opkomst van Peter)
Peter: Dag Varenka, de deur was los en ik maar binnengekomen.
Varenka: Peter wat doe jij hier? Moet jij thuis niet werken
op de boerderij?
Peter: Ons huis is afgebrand Varenka, de soldaten hebben alle afgenomen
Mag ik a.u.b. bij u blijven wonen? Ik weet niet meer waarheen, het zal gauw
donker zijn en er zijn zo veel wolven in het bos.
Varenka: Hier ben je altijd welkom, hier is het nog voorlopig
veilig.
Peter: Ik ben zo bang Varenka.
Varenka: Ik ben ook bang Peter, oorlog is iets vreselijks.
De mensen zijn zichzelf niet meer. En nu juist met kerstmis, het zou een vredige
tijd moeten zijn.
Peter: Varenka ik heb vreselijke dingen gezien, kinderen werden zomaar
doodgeschoten.
Varenka: Misschien kunnen wij samen bidden Peter, God zal
ons helpen.
Varenka en Peter knielen samen voor de icoon
Varenka: God a.u.b. kom snel en bouw vlug een muur rond mijn
huisje dan gaan de soldaten voorbij.
Verteller: Maar God kwam niet en niemand bouwde een muur
om Varenka's huisje.
Verteller: De volgende morgen bakte Varenka brood en koeken.
Plots hoorde ze iemand zachtjes huilen. Ze keek door het raam en zag een klein
meisje dat erg verdrietig was. Ze hield een witte duif in haar hand.
Varenka: (troostend) Lief meisje toch waar
kom jij opeens vandaan?? Wat doe jij hier alleen in het bos?
Bodula: (snikkend) Ik ben helemaal alleen,
mijn duifje is alles wat ik nog heb. Mijn vader en moeder ben ik kwijtgeraakt.
Ik ben het bos ingevlucht om mij te verstoppen voor de soldaten.
Varenka: Maar kom binnen meisje. Draag zorg voor je duifje,
misschien kan zij op deze kerstnacht voor vrede zorgen! Wij zijn hier nu samen
een kleine familie. Jij mag hier bij ons blijven tot we je ouders teruggevonden
hebben.
Verteller: Zo kwam Bodula in het huisje van Varenka terecht.
Varenka gaf haar brood, thee en koekjes. De duif pikte gretig de kruimeltjes
op die Bodula voor haar neerstrooide. Na het eten baden zij tot God en in haar
hart zei Varenka:
Varenka: Alstublieft lieve God kom snel en bouw een muur
om mijn huisje dan kunnen de soldaten ons niet vinden.
Verteller: Maar God kwam niet en niemand bouwde een muur
om Varenka's huisje. De hele dag hoorden ze de kanonnen tekeergaan, heel dichtbij.
Wat waren ze bang! Tenslotte gingen ze alle drie vlak bij het haardvuur zitten
om troost te vinden bij elkaar. Samen zongen zij een rustgevend kerstliedje.
Bodula: Waarom maken de mensen toch oorlog?
Peter: Er zij niet veel mensen die oorlog willen Bodula, het zijn diegenen
die nooit tevreden zijn die oorlog maken en daar zijn duizenden anderen het
slachtoffer van.
Bodula: Peter wie is die God Waar Varenka zo dikwijls
tegen spreekt?
Peter: God is het goede dat in de mensen zit Bodula. Een kracht die
sterk genoeg is om vrede te brengen bij alle mensen.
Varenka: Waarom slapen jullie niet? Heb toch vertrouwen!
(Richt zich tot de icoon) Alstublieft lieve God, komt U deze nacht
en bouw een muur die zo hoog is dat geen soldaat mijn huisje kan zien, dan zijn
wij gered. Want morgen zijn de soldaten hier en dan zijn wij allen verloren.
Verteller: Maar God kwam niet en niemand bouwde een muur
om Varenka's huisje. Uitgeput van wanhoop en angst ging iedereen slapen. De
rest van de nacht was het heel stil. Maar als je goed luisterde, was er toch
een zacht ruisen rond Varenka's huisje. Het sneeuwde... Het sneeuwde en het
bleef maar sneeuwen... Toen het dag begon te worden, was het huisje van Varenka
helemaal ondergesneeuwd.
De drie personages zitten allemaal dicht bijeen
Verteller: s' Anderdaags op Kerstmis kwamen de soldaten!
Men hoorde het geratel van machinegeweren en de donderende kanonschoten kwamen
steeds dichterbij. Met veel lawaai trokken zij door het bos op zoek naar de
vijand. De drie mensen in het huisje zaten stil en bang bij elkaar toen de soldaten
heel dicht bij het huisje genaderd waren. Hun zware lederen laarzen kraakten
in de versgevallen sneeuw. De voorbijrijdende tanks deden het huisje van Varenka
daveren maar plots verminderde het lawaai! De soldaten gingen voorbij en hadden
het kleine huisje van Varenka niet eens opgemerkt. Het lag diep verscholen onder
een dik pak sneeuw. De oorlog ging aan hen voorbij! Varenka, Peter en Bodula
dankten God dat Hij hen gered had. En zij zongen een prachtig vredeslied.