| Start |
|
Hier is meer
dan de aanwezigheid van Christus
De tekst van Paul De Clerck verscheen eerder in: P. D’Haese – J. Lamberts (red.), De eucharistie in het hart van Kerk en voor het leven van de wereld (Nikè-reeks 47), Leuven-Leusden: Acco, 2003, pp. 73-84.
De titel van dit artikel is geïnspireerd door de volgende woorden van Jezus: “Hier is meer dan Jona ¼ hier is meer dan Salomo” (Mt.12,41-42). Hij geeft er echter enigszins een andere betekenis aan. Want deze evangelische woorden bevestigen dat Jezus, die na Salomo en Jona komt, groter is dan zij. Dit artikel zou willen aantonen dat de eucharistie wel het mysterie van de aanwezigheid van Christus onder de vorm van brood en wijn impliceert, maar dat zij zich hier niet toe beperkt. Haar dimensies zijn talrijker en uitgebreider; het theologisch werk van deze eeuw, dat bekrachtigd werd door het Tweede Vaticaans Concilie, geeft er ons opnieuw de volle betekenis van en dat is een immense weldaad.
Voor vele katholieken kan dit sacrament worden samengevat tot ‘de aanwezigheid van Christus in de eucharistie’. Het woord aanwezigheid is ongetwijfeld het meest gangbaar in de gewone taal over de eucharistie, namelijk in de bekende formule: ‘de reële aanwezigheid’. Maar in feite behoort dit begrip noch tot de oude Kerk, noch tot de liturgische woordenschat; het werd in het bijzonder benadrukt in de 13de eeuw, de eeuw van de heilige Juliana en het heeft aanknopingspunten gevonden in de liturgische praktijk: sindsdien heft de priester, na de woorden van de consecratie, de hostie en daarna de beker op, en deze ‘grote opheffing’ heeft die andere opheffing onttroond die gepaard gaat met de slotdoxologie aan het einde van het eucharistisch gebed, en die dan de ‘kleine opheffing’ werd; het is tevens tijdens de consecratie dat de misdienaar het klokje luidt en dat men eventueel de klokken van de toren laat luiden. Dit gebeurde aldus gedurende eeuwen en dit - we moeten eraan herinneren – terwijl men niet of toch maar zelden te communie ging; dit feit bracht mee dat de aandacht nog meer enkel op de consecratie gevestigd werd.
De bredere visie van het Tweede Vaticaans Concilie
In een passage die verstrekkende gevolgen zou hebben, nodigt het laatste concilie ons uit onze opvatting over de aanwezigheid van Christus gevoelig uit te breiden; de Constitutie over de Liturgie schrijft inderdaad: “Om dit zo verheven werk te voltrekken, is Christus altijd bij zijn Kerk aanwezig, vooral in de liturgische handelingen. Persoonlijk is Hij aanwezig in het misoffer, zowel in de persoon van de bedienaar – ‘Dezelfde offert nu door de bediening van de priesters die eertijds zichzelf op het kruis heeft geofferd’ – als heel bijzonder onder de eucharistische gedaanten. Persoonlijk is Hij aanwezig door zijn kracht in de sacramenten, zodat, wanneer iemand doopt, Christus zelf doopt. Persoonlijk is Hij aanwezig in zijn woord, want Hijzelf spreekt, wanneer de heilige schriften in de Kerk gelezen worden. Persoonlijk is Hij tenslotte aanwezig, wanneer de Kerk bidt en zingt, Hij die zelf beloofd heeft: ‘Waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden’ (Mt. 18,20)”.
Het sterke punt van de tekst bestaat erin verschillende manieren voor te stellen waarop Christus onder ons aanwezig is. Tegelijkertijd vermeldt de tekst de verschillende gradaties daarin, omdat hij een onderscheid maakt tussen de eucharistie en de andere sacramenten, waar Christus aanwezig is “door zijn kracht”; voor de eucharistie preciseert de Kerk dat Christus “heel bijzonder” aanwezig is in de gedaanten. Dit bracht Paulus VI ertoe te schrijven dat deze aanwezigheid “reëel” genoemd wordt, niet op exclusieve basis, alsof de andere aanwezigheden niet reëel zouden zijn, maar op uitmuntende wijze”. Inderdaad, als het woord van God verkondigd wordt in de liturgische vergadering, is dat omdat de christenen geloven dat Christus, die verrezen is en leeft, vandaag het Woord tot hen richt; als ze rechtstaan om naar het evangelie te luisteren, is dat om door hun lichaamshouding hun geloof uit te drukken in hetgeen ze beschouwen als het woord van God bij uitstek, dat komt van de Zoon van God zelf.
Dit brengt ons ertoe meteen te reageren tegen een uitdrukking die vaak gehoord wordt: “de eucharistie brengt Christus tegenwoordig”. Ze weerspiegelt een opvatting over de sacramenten als zouden zij aan de oorsprong liggen van de aanwezigheid van Christus. De sacramenten riskeren dan te worden begrepen tegen de achtergrond van de niet-tegenwoordigheid van Christus; bijna als waren het middelen die voldoende krachtig zouden zijn om Christus voor ons tegenwoordig te brengen ¼ terwijl Hij dat daar zonder niet zou zijn. Hier wordt de sacramentele logica gevaarlijk omgekeerd; het zijn niet de sacramenten die de aanwezigheid van Christus veroorzaken, maar het is omdat Christus verrezen en aanwezig is in de wereld en in de Kerk dat de sacramenten de mogelijkheid scheppen ons zijn aanwezigheid en werkdadigheid op gevoelige wijze duidelijk te maken. De verrijzenis van Christus is in deze zin een voorwaarde om sacramenten mogelijk te maken. De praktijk van de liturgie kent hier een belangrijke illustratie van: het is inderdaad niet op donderdag dat de christenen op de eerste plaats worden uitgenodigd om de eucharistie te vieren, ter herinnering aan het Laatste Avondmaal; noch op vrijdag, om het kruis te gedenken; ook niet op zaterdag, om de dood van Jezus te bewenen. Maar het is op zondag, de dag van de verrijzenis! Het is pas na de verrijzenis van de Heer dat men niet zozeer de gebaren van Witte Donderdag herhaalt, maar vooral de Heer dank kan betuigen. Want God heeft zijn Zoon doen verrijzen die, op de vooravond van zijn lijden, de dood die Hem bedreigde onder ogen zag. Hij heeft zich aan zijn Vader en zijn vrienden gegeven, teken van de grootste liefde die iemand kan bezielen (Joh. 15,13). Zoals de acclamatie bij de anamnese dit op treffende wijze samenvat, verkondigt elke eucharistie de dood van de Heer, maar viert onlosmakelijk daarmee zijn verrijzenis. Ze is dankzegging voor de vruchtbaarheid van de dood van Christus, of beter: voor de liefde die Hij betuigde door niet te aarzelen zijn vroegere woorden en daden kracht bij te zetten, zelfs al had dit de dood tot gevolg.
Het opzet van dit artikel is dus het begrip van de aanwezigheid van Christus te situeren binnen een algemene benadering van de eucharistie, en ook de andere dimensies duidelijk in evidentie te plaatsen.
Enkele gegevens van het Nieuwe Testament
Het Nieuwe Testament gebruikt de woordenschat van de aanwezigheid van de Heer niet om te spreken over de eucharistie. De kerkvaders en de theologen van de vroege Middeleeuwen doen dat al evenmin. Uiteraard ontkennen ze niet dat Christus aanwezig is wanneer de Kerk eucharistie viert, maar ze pakken de kwestie anders aan. Een goed voorbeeld hiervan is het verhaal van Emmaüs (Lc. 24, 13-35), waar de Verrezene een stuk weg aflegt met twee wanhopige pelgrims en hun het Woord verkondigt zodat hun hart erdoor verwarmd wordt. Toen ze Hem uitnodigden bij hen te blijven, nam de Heer, eenmaal aan tafel, “het brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het hun. Nu gingen hun ogen open en ze herkenden Hem” (v.30-31). Ze herkenden Hem aan het breken van het brood, maar heel het verhaal is gebaseerd op de aanwezigheid van de Verrezene aan hun zijde, op de wegen van hun leven, waar ze zonder hoop rondlopen en waar Hij tot hen een levengevend woord spreekt en aan tafel dank zegt en het brood, dat zijn lichaam is, breekt. Zonder de aanwezigheid van de Verrezene zou het verhaal niet kunnen geschreven zijn; maar die aanwezigheid beperkt zich niet tot de eucharistische tafel en de geconsacreerde gaven. Het is trouwens typisch dat er niets gezegd wordt in het Nieuwe Testament over de voorganger van de eucharistie; de eerste christenen drukken zo uit dat het voor hen evident is dat het Christus is die hen verzamelt, tot hen spreekt en hen voedt met zijn lichaam en bloed. Het is de maaltijd van de Heer (1 Kor. 11, 20), te verstaan: de maaltijd waarop de Verrezene ons uitnodigt ons te laten opnemen in zijn dood en verrijzenis.
Transsubstantiatie en aanwezigheid van Christus in de eucharistie
De woordenschat van de aanwezigheid zal overheersend worden in de loop van het tweede millennium, vooral vanaf de twaalfde eeuw, wanneer problemen van filosofisch-theologische aard de kop opsteken en de vraag gesteld wordt hoe men het geloof kan funderen op de aanwezigheid van het lichaam en het bloed van Christus dank zij de eucharistische gedaanten. De vraag is nauwkeurig; het gaat niet langer om het geheel van de viering; ze heeft het bijvoorbeeld niet meer over de liturgie van het Woord, maar beperkt zich tot de juiste manier om de consecratie te begrijpen. Het antwoord van de theologen zal erin bestaan te preciseren wat men tot dan toe, met verschillende woorden, de transformatie van brood en wijn noemde, hun transfiguratie, hun verandering, hun heiliging. Zij drukken het geloof uit in de substantiële verandering van de eucharistische elementen; ze doen een beroep op filosofische categorieën die afkomstig zijn van Aristoteles, en die in werkelijkheid een onderscheid maken tussen de fundamentele substantie en hun verschijningsvorm (de gedaanten of de accidenten), en creëren de term transsubstantiatie. Dit wil zeggen dat het brood en de wijn van substantie veranderen; hun diepe realiteit, hun substantie wordt helemaal gewijzigd om lichaam en bloed van Christus te worden; enkel hun verschijning blijft die van brood en wijn. Sindsdien spreken de christenen over ‘eucharistische gedaanten’ of over de communie onder twee gedaanten, en maken daarbij zonder het te weten gebruik van een Aristotelische woordenschat. Het Concilie van Trente (1545-1563) drukt deze gegevens uit in de volgende teksten: “Als iemand ontkent dat het zeer Heilig Sacrament van de eucharistie werkelijk, waarachtig en substantieel het lichaam en het bloed bevat tezamen met de ziel en de godheid van onze Heer Jezus Christus en bijgevolg Christus in zijn geheel, maar beweert dat ze daar slechts zijn als teken of figuurlijk of door hun kracht, dan moet hij in de ban geslagen worden”. - “Als iemand zegt dat in het zeer heilig Sacrament van de Eucharistie de substantie van brood en wijn samen met het lichaam en bloed van onze Heer Jezus Christus aanwezig blijft, en als hij het bestaan ontkent van de bewonderenswaardige en unieke verandering van heel de substantie van het brood in zijn lichaam en van heel de substantie van de wijn in zijn bloed, terwijl de gedaanten van brood en wijn blijven, een verandering die de katholieke Kerk op gepaste wijze “transsubstantiatie” noemt, dan moet hij in de ban geslagen worden”.
Als de theologen dus vanaf de 12de–13de eeuw gaan spreken over de substantiële verandering of de transsubstantiatie, zal de meerderheid van de christenen deze technische uitdrukkingen vertalen in de woordenschat van de aanwezigheid van Christus onder de gedaanten van brood en wijn. Een aanwijzing daarvan is, bijvoorbeeld, het feit dat men vanaf dat moment, wat betreft de eucharistie, volgende interpretatie geeft aan het laatste vers van het evangelie van Matteüs: “Ik ben met u alle dagen tot het einde der tijden” (Mt. 28, 20). Dit is wat men een begrip noemt van de eucharistie, helemaal toegespitst op de notie van ‘tegenwoordigheid.
De kracht van de gebaren van Christus
We moeten nog noteren dat de filosofische context waarin deze uitdrukkingen ontstonden, geen oog hadden voor de belangrijke aspecten van de eucharistie, die er nochtans de dynamiek van uitmaken. Want Jezus heeft ons geen brood en wijn gegeven, maar gebroken brood en een gedeelde beker! Deze twee deelwoorden verwijzen naar de context waarin Jezus het Avondmaal vierde; de omstandigheden, verre van ironisch te zijn, waren die van verraad, van veroordeling en een naderende dood. Voor het drama dat zich gaat afspelen, gaat Jezus niet op de vlucht, maar Hij aanvaardt de situatie en keert de logica om: terwijl Judas en de anderen Hem willen overleveren, levert Jezus zichzelf over. “Mijn leven, niemand neemt het Mij af, Ik geef het uit eigen vrije wil” (Joh. 10,18). Dit loskomen van zichzelf, zal Jezus belichamen in de gebaren van de eucharistie. Hij neemt het brood, breekt het en zegt: dit gebroken brood is mijn lichaam, gegeven voor u. Om de draagwijdte van zijn woorden goed te begrijpen, moet men twee dingen voor ogen houden. Allereerst is er de term lichaam. In bijbelse taal duidt deze term, zoals ook de woorden ziel, geest of hart, op heel de persoon; men zou dus kunnen vertalen: hier ben Ik, Ik ben het. Hij geeft ons dus geen ding, Hij geeft zichzelf. Bovendien identificeert Jezus zich met een brood dat Hij breekt, zoals ook zijn leven de volgende dag gebroken wordt op het kruis; het gebaar van het breken is dus niet enkel een gebaar van delen, zodat iedereen een brok krijgt, maar een zeer symbolisch gebaar, waarin Jezus kristalliseert wat zijn leven tot nu toe was en welke liefde Hem bezielt. In het breken van het brood, kondigt Jezus profetisch aan wat Hem de volgende dag op het kruis zal overkomen. Dat is wat wij in elke eucharistie zingen: “Heer Jezus, wij verkondigen uw dood”.
Door ons het gebroken brood en de gedeelde beker aan te bieden, nodigt Jezus ons dus uit om niet enkel aan Hem te communiceren, zo zouden we kunnen zeggen, maar ook in zijn liefde te delen die Hem door de dood voert. Eerder dan een eenvoudige aanwezigheid, is de eucharistie een daad: die van Jezus zelf die, aan de vooravond van zijn lijden, in staat is God te danken, ondanks de dramatische omstandigheden waarin Hij zich bevond, en de gevoelens die Hem bezielen te tonen door het brood te breken en de beker te delen. Het is ook de daad van de Apostelen van toen, en ook vandaag de onze, aangezien wij uitgenodigd zijn Hem te volgen in zijn doorgang door de dood en God dank te betuigen. Het is derhalve merkwaardig en zelfs verbluffend vast te stellen dat men in de loop der eeuwen de dankzegging bijna vergeten was, hoewel het de overheersende toon uitmaakt van de eucharistie, dermate dat het haar eigen benaming is (het Griekse eucharistia betekent dankzegging). Maar dat geldt evenzeer voor het aspect van het breken, dat nog ongemerkt voorbijgaat in de meeste van onze vieringen, en ook de communie, die paus Pius X ons hielp terug te vinden aan het begin van deze eeuw. Zonder deze andere dimensies, kan de beklemtoning van de aanwezigheid van Christus doordrongen zijn van een zekere starheid, alsof de eucharistie zich zou beperken tot “het aanwezig brengen van Christus”. En dit terwijl de eucharistie fundamenteel een handelen is, een overgang, een moeilijk loskomen van zichzelf om de Heer Jezus te volgen, een communie aan zijn paasmysterie, en dit alles in een sfeer van dankzegging en jubel voor God, die zijn Zoon heeft doen verrijzen en Hem als eerstgeborene van de schepping aan ons heeft gegeven. Als men dit in percentages wil vertalen, waar onze tijdgenoten zo graag in geloven, zouden we kunnen zeggen dat gedurende de laatste eeuwen vele katholieken slechts 20% van de eucharistie beleefd hebben door niet meer naar het Woord te luisteren en zich niet meer uitgenodigd te weten tot de dankzegging, tenzij bij de prefatie, door geen aandacht meer te hebben voor het breken van het brood behoudens de beklemtoning van het offer, en door niet meer te communiceren, ondanks de uitnodiging van Jezus om te eten en te drinken.
De uitdaging bestaat er nu in om de eucharistie voor 100% te beleven! Om dat te doen, volstaat het, zou men kunnen zeggen, om uit te voeren wat zij ons vraagt, om ons te laten leiden door de manier waarop ze zelf is opgebouwd. Het verloop van de liturgie is de eerste aanwijzing om hiermee te beginnen.
Samenkomen
De eerste dimensie is het samenkomen, want de eucharistie kan enkel tot stand komen als de christenen samenkomen. Sinds 1 Kor. 11,17.20, is de vergadering het eerste woord van de liturgische woordenschat. Nu komt een vergadering niet spontaan tot stand; ze veronderstelt bestaande banden, en een hele, veelzijdige onderneming, opdat de christenen zouden ingaan op de oproep van de Heer en metterdaad zouden samenkomen. De eucharistie is dus niet zonder voorgeschiedenis: minimaal is dat de doop, en maximaal een levensgemeenschap, waarvan de leden als het ware naar de bron van hun gemeenschappelijk leven komen, aangezien de eucharistische communie het fundament is van de christelijke gemeenschap.
Luisteren naar het Woord
Eens samengekomen, luisteren de deelnemers naar het woord van God. Sinds het laatste Concilie heeft men gelukkig dit deugddoende voedsel teruggevonden. Men ervaart opnieuw dat in de eucharistie de tafel wordt gedekt waar de christenen zich voeden zowel met het woord van God als met het gegeven lichaam en het vergoten bloed van hun Verlosser. Zoals de inleiding van het Missaal het uitdrukt: “De mis bestaat in zekere zin uit twee delen, nl. de dienst van het woord en die van de eucharistie, die zo nauw met elkaar verbonden zijn, dat ze één daad van eredienst uitmaken. Want in de mis wordt de tafel bereid zowel van het woord Gods als van Christus’ lichaam, waaraan de gelovigen worden onderricht en gevoed. Enkele riten openen de viering en besluiten haar”.
Dank betuigen
Het luisteren naar het Woord is onontbeerlijk om te kunnen dank brengen. Want hoe kan men God loven, Hem zegenen en bezingen, als men Hem niet heeft ontmoet, als Hij ons zijn plan van liefde niet heeft geopenbaard, kortom, als men geen reden heeft om Hem te loven? Het eucharistisch gebed bewerkstelligt de tweede handeling van Jezus op het Avondmaal: “Hij sprak de zegen uit”. Ze beperkt zich niet tot de prefatie, maar is helemaal een dankzegging, waarvan de verschillende motieven juist in de prefatie worden uitgedrukt (het missaal telt er vandaag meer dan tachtig) en die haar hoogtepunt heeft in het eucharistisch motief: de gebaren van Jezus, die op de vooravond van zijn lijden zijn leven geeft uit liefde voor zijn vrienden.
Duidelijk is het dus dat de dankzegging zich voltrekt in een handeling: die van Jezus en in zijn spoor de onze. Dat is de betekenis van de term ‘gedachtenisviering’ die vaak gebruikt wordt om te spreken over de eucharistie, volgens het gebod van Jezus: “Doe dit om Mij te gedenken”. Het gedenken is hier niet beperkt tot een herinnering, alsof het erom ging zich het verleden te herinneren, of in de geest terug te gaan tot het Laatste Avondmaal. De term gedachtenisviering wil zeggen dat de eucharistie de handeling is hier en nu van de Verrezene; Hij is het die ons vandaag meeneemt om Hem te volgen, dank zij de gebaren die Hij stelde aan de vooravond van zijn lijden. Het benadrukken van deze tegenwoordige handeling, die voltrokken wordt in het eucharistisch gebed, maakt het verschil duidelijk tussen de eucharistie en elk ander gebed, zoals de zondagse samenkomsten zonder priester; wat daaraan ontbreekt is de vertegenwoordiging, de actualisering van de gebaren van Jezus voor de wereld van vandaag.
In de Geest
In de loop van de dankzegging vraagt men twee keer aan de Vader ons de heilige Geest te zenden. Dat is nog een dimensie van de eucharistie, die heel weinig aanwezig is in het bewustzijn van de katholieken die maar nauwelijks hebben horen spreken over de rol van de Geest in de eucharistie. Het is op de adem van de Geest dat de eucharistie gevierd wordt en van ons nieuwe schepselen maakt. De eerste van de beide aanroepingen, die men technisch de epiclese noemt, vraagt aan de Vader dat de Geest van heiligheid zou komen om de gaven te heiligen; de tweede vraagt dat de deelnemers, door te communiceren aan de heilige gaven, zelf ook geheiligd worden. In de Byzantijnse liturgie nodigt de diaken uit tot de communie door te zeggen: “Sancta sanctis” – het heilige is bestemd voor de heiligen. De verhouding tussen de twee epiclesen is heel belangrijk om de dynamiek van de eucharistie te onderstrepen; deze beperkt zich niet tot de heiliging van de gaven, die zelf betrokken is op de communie. Westerlingen zijn meer gewend te spreken over consecratie dan over heiliging; de laatste term heeft het voordeel dat hij verwijst naar het feit dat de transformatie van de gedaanten het werk is van de heilige Geest. In deze zin, zal men opmerken dat de Catechismus van de katholieke Kerk de aanwezigheid van Christus behandelt in de nummers 1373-1381 onder de titel “De aanwezigheid van Christus door de kracht van het Woord en de heilige Geest”.
Communiceren
Heel de eucharistie bereikt haar hoogtepunt in de communie van de deelnemers. Hier worden wij nogmaals uitgenodigd tot meer dynamisme dan men gewoonlijk beweert. Want wij ontvangen niet alleen de aanwezigheid van Christus, maar Christus in de gave van zichzelf tot de dood, en opgewekt door God in de kracht van de Geest. Door samen te communie te gaan, worden wij tot Kerk gemaakt. In zijn verklaring van de riten van de communie, schrijft de H. Augustinus: “Gij zijt het lichaam van Christus en ieder van u is een lid van dit lichaam” (1 Kor. 12, 27). Aangezien gij het lichaam van Christus zijt, en ieder daarvan een lid, is het uw eigen mysterie dat op de tafel van de Heer ligt ¼ Het is op wat gij zijt, dat gij Amen antwoordt ¼ Wees een lid van het lichaam van Christus opdat uw Amen echt zou zijn ¼ Wees wat gij ziet en ontvang wat gij zijt”.
Gezonden zijn
De eucharistie eindigt met een zending. Deze is wezenlijk. Zij toont inderdaad aan dat de christenen niet bestemd zijn om zich te laten opsluiten in de cultus, maar dat de eucharistie hen zendt naar het werkterrein om daar te realiseren wat ze geleerd hebben samen te doen in navolging van de Heer.
Besluit
Dit artikel heeft willen aantonen dat men de draagwijdte van de eucharistie sterk beperkt had en dat de ‘aanwezigheid van Christus’ ofschoon deze wezenlijk is, hier niet de hele betekenis weergeeft, of beter: dat ze moet gesitueerd worden in een globale en dynamische visie van de eucharistie. Deze bewustwording kan worden samengevat door te stellen dat de aanwezigheid van Christus in de eucharistie (de hostie) maar één aspect is van zijn aanwezigheid in de eucharistie (de viering). De 13de eeuw en de heilige Juliana hebben de consecratie en de cultus van de hostie naar voren geschoven; het ongeluk heeft gewild dat het beklemtonen van deze dimensies de andere in de vergeethoek heeft geduwd. Dank zij het werk van de theologen en de oriëntaties van het Tweede Vaticaans Concilie, hebben wij het geluk deze vergeten dimensies terug te vinden en te worden uitgenodigd ons een meer evenwichtig en rijker begrip van de eucharistie eigen te maken en de
hele draagwijdte ervan te herontdekken.