Start

4-de Paaszondag  A-jaar [21.04.02

Polemiek rond de goede herder (Jo. 10,1-10)

Het beeld van de goede herder die zorgt voor zijn schapen, is een evangelische klassieker. Het probleem met dat soort klassiekers is dat we er te vertrouwd mee zijn. Heb je de eerste zin gehoord, dan staat je onmiddellijk het hele verhaal voor ogen. En terwijl er wordt verder gelezen, treedt een soort verzadigingsgevoel op.

Het verhaal in je hoofd klopt echter niet altijd met het verhaal van de evangelist. Je denkt het te kennen, maar in feite heb je het vaak vereenvoudigd tot enkele hoofdaccenten. En doordat het verzadigingsgevoel aandachtig luisteren verhindert, realiseer je je niet, of niet voldoende, dat de auteur nog andere accenten gelegd heeft die het geheel nuanceren of bijkleuren. Wat je in het hoofd hebt, heeft dan iets van een karikatuur: wel herkenbaar maar geen reëel beeld.

Voor veel mensen heeft het verhaal van de goede herder iets idyllisch: de man met een verloren gelopen lammetje op de schouders, die rustig maar doelbewust zijn kudde leidt naar sappige weiden, onderweg de wolven verjaagt en een dier dat zich gekwetst heeft liefdevol verzorgt.

De ondertoon van de evangelielezing van dit weekeinde is echter helemaal niet zo idyllisch, maar een polemiek rond het leiderschap over de kudde.

Intensief bijbelonderzoek bracht aan het licht dat - niet alleen hier, maar in heel het Johannes-evangelie - niet één maar twee conflictniveau's door elkaar lopen.

Het eerste speelt zich af tijdens Jezus' leven: zijn gespannen relatie met de farizeeën. Jezus heeft nooit het jodendom als zodanig bekritiseerd. Hij en zijn leerlingen waren godsgetrouwe synagoge-joden. Wel kwam Jezus geregeld in aanvaring met de farizeïsche strekking binnen het jodendom, met de mannen van de letter van de wet.

Het tweede spanningsniveau is te situeren ten tijde van de kerkgemeenschap waarvoor Johannes, zo rond het jaar 100, zijn evan­gelie schreef. In de loop van de eerste decennia na de dood van Jezus, waren de tijden flink wat veranderd:

(a) De christenen hadden zich intussen van het synagoge-jodendom afgescheiden; en hadden zich, geïsoleerd van hun vroegere gemeenschap, georganiseerd als autonome kerk. Tussen beide religies waren de verhoudingen dikwijls gespannen.

(b) Daarnaast zat de Johannes-kerk zelf nog met een binnenkerkelijk conflict opgescheept, nl. de spanning tussen joodse christenen en de christenen van niet-joodse origine. Om die reden benadrukt Johannes in zijn evangelie zo vaak dat 'allen één zouden zijn'. Die eenheid is volgens de evangelist niet alleen een kwes­tie van broederlijke liefde - dat is het uiteraard ook - maar ook een zaak van een zuivere chris­telijke identeit, nl. geloven in Jezus als enige 'goede her­der'. Daarmee kiest hij positie tegen joodse christenen in zijn gemeenschap, die - zoals in Jezus' tijd - christen-zijn en trouw aan het joodse synagogege­loof wilden blijven combineren. Dié combinatie kan de zuiverheid van de christelijk geloof in gevaar brengen, aldus de evangelist, want de farizeeën die het in de synagoge voor het zeggen hebben, hebben het oorspronkelijk Mozesgeloof uitgehold tot plat legalisme; zij zijn er verantwoordelijk voor dat Jezus door het jodendom niet geac­cepteerd werd; zij zijn verantwoordelijk voor Jezus' kruisdood.

De uiteenzetting in het Johannesevangelie over Jezus als de 'goede herder', is dus een polemiek tegen de farizeeën, maar dan wel op twee niveau's: (a) tegen de farizeeën met wie Jezus het in zijn tijd geregeld aan de stok had - Hij bekritiseerde wel hun opvattingen maar niet hun positie als religieuze leiders van het joodse volk - en (b) tegen de farizeeën van 70 jaar later, die door joodse christenen uit de Johanneskerk nog steeds als religieuze leiders werden erkend. Tegen hun leiderschap polemiseert de evangelist met zijn beeld van de goede herder: zíj zijn de "dieven en de rovers die niet langs de Jezusdeur de schaapskooi binnengaan, die de schapen naar buiten willen lokken om ze te stelen en te slachten voor eigen gewin. Wie ècht tot de Jezuskudde behoort (wie zijn christelijke identiteit zuiver wil bewaren), luistert niet naar hun stem".

Het mag dan al waar zijn dat het verhaal over Jezus-de-goede-herder meer is dan alleen maar een verhaal over de goede herder. Maar het gaat uiteraard ook over wie en wat een goede herder is.

Het beeld van de herder is geen vondst van Johannes. We tref­fen het ook aan in de andere evangelies en op heel wat plaatsen in het Oude Testament. Daar heeft het bijna steeds betrekking om de bekommernis van Jezus of van God voor zijn volk als geheel. Het originele van het Johannesevangelie is dat het de nadruk legt op de persoonlijke relatie tussen God en elk individu. Jezus kent elk schaap bij zijn naam, noemt ieder van ons bij zijn/haar voornaam, zeg maar. Dat veronderstelt een zekere intimiteit, een vertrouwdheid van Hem naar elk van ons toe. Maar ook ònze verhouding tot Hem mag er een zijn van vertrouwdheid: elk schaap herkent de stem van de herder. De stem van een onbekende daarentegen wordt niet herkend als de stem van een vriend, die je naam kent, je geschiedenis, je pijn en je vreugden, die geïnteresseerd is in wat jou goed doet.

De stem van de herder is tevens het bindend element van de kudde: in Jezus leren wij dat de vertrouwde intimiteit tussen God en elk van ons, ons ook onderling verbindt tot gemeenschap.

Nog opmerkelijk in deze Johannes-parabel is dat Jezus zichzelf 'de deur' noemt, en dan nog een deur waar wij zo maar kunnen "in- en uitgaan en weide vinden". Het lijkt zoiets als in- en uitademen, op en neer gaan tussen binnen en buiten, een pendelbeweging tussen de wereld hier en Gods levenssfeer daar. Misschien suggereert Jezus hier dat we van tijd tot tijd onze aardse beslommeringen achter ons moeten laten om ons te goed te doen aan het malse gras van Gods grazige weiden. Dezelfde slingerbeweging die ook Jezus' leven kenmerkte: activiteit, af en toe onderbroken om zich in de stilte van Gods intimiteit weer op te laden. Hier en daar, twee werelden waar je langs de deur in- en uitwandelt, niet echt gescheiden van elkaar, twee polen van dezelfde werkelijkheid: Gods werkelijkheid: zijn rijk in het hier en nu, waar zijn wil moet geschieden zoals in de hemel.

 E. Schillebeeckx, Gerechtigheid en Liefde; Genade en bevrijding. Baarn, Nelissen, 19772, blz. 563-569.

Marc Christiaens o.p. (Schilde)