Start

Beste familie, vrienden, …

In deze zwoele zomerse nachten maakten we twee nachten geleden mee wat al eens meer gebeurt in deze tijd.  Het begint met verre bliksemschichten, er is iets gaande, de lucht is zwanger en zwoel, je kan de slaap niet vatten…  en net wanneer je wegdommelt:  een bliksemschicht heel dichtbij, een enorme slag, je schiet wakker, er is toch niets gebeurd?

Een positief en negatief geladen massa komen met elkaar in aanraking en geven een kortsluiting.  Het bliksemt, het dondert, het stormt.  Dat gebeurt wel eens meer, we moeten er eigenlijk niet mee inzitten.  Maar die ene keer slaat de bliksem in.  Er staan nochtans veel bliksemafleiders overal in het rond, die zijn toch bedoeld om die zware elektrische lading te kunnen afleiden, daarvoor zijn ze er toch; maar ondanks alles, gebeurt het dat de bliksem inslaat…

Waarom is onze eerste vraag?  Waarom moest die bliksem daar inslaan, op dat huis, bij die familie, bij dat goed volk…  het is een vraag zo oud als het nadenkend leven zelf.  De vraag is zo oud omdat er eigenlijk geen echt antwoord op is.  We hadden misschien een afleider meer moeten installeren, dan nog kan de bliksem inslaan of we hadden ze anders moeten plaatsen, dan nog kan de bliksem inslaan of wat we hadden van verre de storm  moeten zien aankomen, dan nog kan de bliksem inslaan.

En we kijken naar de hemel en we zeggen ‘God, hoe is ’t mogelijk’.  Want waarheen zouden we anders kijken.  Maar eigenlijk weten we dat God geen hamers werpt die bliksem geven, en dat hij zeker geen bliksems rondstrooit die naast de afleiders terechtkomen. Hoe zou God dat willen en kunnen doen.  Bliksems die vallen gewoon. 

M. , je was een tengere jongen, een beetje broos naar lichaam en naar hart.  Je was een ingoeie gast, er schuilde geen greintje kwaad in je, je was levenslustig, opgewekt, de lach van de familie, de band van je vrienden.  Je hield van mensen en je was ook niet bang dat te tonen;  je pakte ze vast, je moeder, je vader, je zussen; je pakte ze vast je vrienden, broeders…   maar je was ook onrustig, zoekend, onzeker, wie zou je diepste hunker blijven vervullen?

We zullen nooit begrijpen waarop die bliksem zo hard viel en waarom wij afleiders er net niet waren.  Maar we zijn er zeker van dat jij erop vertrouwde dat er aan de overkant van de storm die in je woedde Iemand staat die op je wacht, die je omarmt en verzekert:  M. , mensenkind van Mij, de storm is geluwd, kom tot rust…  Hij tot wie je ‘s avond bad en aan Wie je vroeg: maak dat mijn diepste hunker wordt vervuld…   Omdat je vertrouwde dat je aan de overkant verlossing en vrede zou vinden in God, daarom ook schreef je ‘ik zal er altijd zijn’.

Het zal moeilijk zijn, M. , om samen te komen op zondag en je aanwezig te weten en je te moeten missen.  Maar met de woorden van Sint-Augustinus zullen we elkaar troosten en zeggen:  ‘wat we voor mekaar waren, zijn we nog altijd, de draad is niet doorgeknipt.  We zullen je naam blijven uitspreken en met en tot je blijven praten, M. , niet plechtig en niet droef.  We zullen blijven lachen met waar we vroeger moesten om lachen, en we zullen ook wel eens huilen en elkaars hand vastpakken en zeggen:  we missen je zo…

Je zussen en schoonbroers willen je nog wat zeggen, M. , in naam van iedereen van de familie, in naam van allen hier aanwezig, in naam van allen die van je houden…