Start

Kerstbezinningen

Hoe de os en de ezel in de stal kwamen

‘Geloof jij eigenlijk in voorspellingen?’, vroeg de ezel aan de os. Deze schoot wakker, schudde zijn kop zodat de sneeuw in vlokken er afspatte. ‘Laat me met rust met je flauwekul’, antwoordde hij bokkig.
‘Dat het koud is vannacht’, morde hij nog. ‘Da’s waar’, zei de ezel en hij schurkte zich wat dichter bij de os, zodat de ijzige wind niet langer in zijn nek blies. ‘Toch geloof ik dat voorspellingen iets van waarheid bevatten’, probeerde hij nog.
De os blies verveeld een paar wolkjes lucht uit zijn neusgaten en dacht: Praat! Praat! De ezel ging door met zijn gebabbel: ‘Wij twee hebben een voorspelling gekregen, weet je.’
‘Vertel toch geen flauwekul’, bromde de os. ‘Toch is het zo’, zei de ezel koppig.
‘Voorspellen dat het voorjaar mooi weer brengt of dat onze pels nat wordt bij regen, dat kan ik ook’, spotte de os.
‘Daarvoor heb je inderdaad geen profeten nodig,’ zei de ezel, ‘niet voor wat iedereen al weet.’
‘Wat is er dan? Zeg maar’, zei de os en dacht: Ook als het onzin is, duurt de nacht wat minder lang met zijn vertellingen. ‘Een echter profeet is het die over ons iets heeft voorspeld’, begon de ezel. ‘Over ons beide?’ ‘Ja, over jou en mij.’ ‘Dat moet dan een geweldige profeet geweest zijn.’
‘Dat was hij ook. ’t Was een hele grote.’ ‘Sta niet zo te liegen’, protesteerde de os. De ezel voelde zich beledigd en zweeg. ‘Wel wel, is je bobijntje al af?’, vroeg de os na een tijdje. De ezel antwoordde niet.

 ‘Was het Bileam?’, vroeg de os. De ezel was eerst van plan om nog te blijven zwijgen, maar uit nieuwsgierigheid reageerde hij met de vraag: ‘Waarom Bileam?’ ‘Omdat hij op een ezelin reed en zonder die ezelin de engel van de Heer niet zou hebben gezien en zeker zijn weg zou hebben vervolgd.’ ‘Neen, het was Bileam niet’, antwoordde de ezel kortaf en trok zich weer in stilzwijgen terug.

 ‘Dat moet het zeker Jeremia zijn geweest’, probeerde de os na een tijdje. ‘Hoe kom je nu bij Jeremia?’, vroeg de ezel verwonderd. Het was hem helemaal niet duidelijk hoe Jeremia nu te maken zou kunnen hebben met een os of een ezel of over hen gezegd zou hebben.
‘Wel, omdat hij zo vaak klaagliederen gemaakt heeft. En wat past er nu beter dan een klaaglied bij een os en een ezel die ’s nachts bij wind en regen onder een boom moet staan schuilen en bevriezen?’ ‘Dat is niet stom geredeneerd’ zei de ezel, ‘maar het is niet juist.’
De os schudde radeloos de kop en bromde: ‘Niet Bileam met zijn ezelin, en niet Jeremia met zijn triestige liedjes, wie dan wel? Ik ben geen schriftgeleerde, hé. Hoe kan ik nu weten wie het was? Het was toch Jesaja niet?’
‘Correct, die was het. Maar hoe kom je daarbij?’, riep de ezel. ‘Dat ik het niet weet. ‘Gewoon geraden’, gaf de os toe.

‘Wat had die Jesaja dan wel voorspeld’, vroeg hij. ‘ ”Een os kent zijn eigenaar, een ezel de krib van zijn meester.” Dat heeft hij gezegd.’ En de ezel balkte triomfantelijk voor zich uit, fier over zijn bijbelse en literaire kennis.
‘Is dat alles? Wat betekent dat nu?’, gromde de os erg ontgoochelde over die zogezegde voorspelling. Maar plotseling viel hem door associatie iets te binnen en hij vroeg de ezel: ‘Maar zeg eens, weet jij wel de kribbe, de stal van onze meester zijn?’ ‘Natuurlijk weet ik dat’, antwoordde de ezel.
‘Het is toch niet die stal daar aan de zuidelijke poort van de stad?’ ‘Ja, die is het.’ ‘Ja maar, zou je die stal weten vinden? Ken je de weg om er te komen?’ ‘Vanzelfsprekend, uiteraard, ’t zou daaraan mankeren.’
‘Ja maar, zou je ook in ’t donker de weg vinden?’ ‘Natuurlijk!’ ‘Als het zo is, dan pak ik je staart in mijn muil om te volgen. Jij leidt en ik laat je niet los.’
‘Er zal niet veel te vreten zijn in die stal vannacht’, waarschuwde de ezel de os tegen te grote verwachtingen, toen zij aanstalten maakten om te vertrekken. ‘Dat wel niet, maar we zullen tenminste beschermd zijn tegen de kou en de wind.’

En zo gingen de ezel en de os op weg. De ezel stapte zelfzeker voorop. De os volgde lichtelijk ongerust, de staart van de ezel in zijn bek. Moeilijk was de tocht niet. En ook niet echt ver. Verloren lopen kon al helemaal niet. De stal baadde immers in een warm licht.
Van ver konden ze die zachte gloed zien die vanuit de spleten naar buiten brak.
Zo naderden de os en de ezel de plek die ze zochten. Toen ze bij de stal kwamen, vonden ze er een jonge vrouw die bezig was een pasgeboren kind in doeken te wikkelen.
Een jonge man was bezig met stro in de kribbe te schikken, alsof hij er een matras wou van maken. De vrouw, die er erg moe uitzag, legde het kind op het stro en trok zich terug.
De os knipperde met zijn ogen bij het zien van dat tafereel.
De mond van de ezel viel open van verbazing. Hij staarde even naar het kind en fluisterde in het oor van de os: ‘Ik ken die kribbe, de kribbe van mijn heer.’
‘Het is de Heer. Ik ken hem’, zei de os en plooide zijn voorbenen, zodat hij op zijn knieën ging zitten.
‘Ze hebben hem erkend, Jozef. De os en de ezel hebben als eerste de Redder herkend’, fluisterde de vrouw tot haar man. ‘Ja Maria’, antwoordde Jozef een beetje verwonderd. Hij stond op, kwam naar de beide dieren en nodigde hen uit: ‘Kom maar binnen. Het is veel te koud buiten. En binnen is het ook al niet warm. Jullie zullen het hier wat warmer maken.
De os en de ezel kwamen voetje voor voetje in de stal, legden zich neer naast de kribbe en verwarmden het kind met hun adem. ‘Zie je?’, vroeg de ezel aan de os. ‘Jesaja heeft gelijk’, knikte de os. En het kind in de kribbe sloeg de ogen open en lachte naar hen.

Naar Willy Fährmann

Mogelijke werkvorm

‘Hoe de os en de ezel in de stal kwamen…’, had Jesaja voorspeld.
Natuurlijk is dit geen waar gebeurd verhaal, net zoals het kerstverhaal. We weten niet zeker of Jezus wel op 25 december geboren werd. Hoogstwaarschijnlijk niet. In onze streken vierden de mensen al heel lang ‘de terugkeer van het licht in donkere dagen’. Na 21 december (de korste dag van het jaar), lengen de dagen terug. Omdat Jezus het ‘licht’ bracht in de wereld door Zijn boodschap van liefde, was het Keltische feest  het feest bij uitstek om er de geboorte van Jezus aan te koppelen.

‘Ze hebben hem erkend’… zegt Maria tegen Jozef.
Vraag aan de deelnemers even stil te staan bij de vraag:
Herkennen wij Jezus vandaag? Waar? Waarom niet?

Geef ze even persoonlijke reflectietijd.
Nadien kan hierover in groepjes eventueel iets gezegd worden aan elkaar.

De protestballonnen

Jan was een toffe kerel. Hij was de leider van de Spetters. Dat was een groep van de jeugdbeweging met allemaal jongens en meisjes van 10 tot 13 jaar. Ze hadden Jan graag. Hij kon goed vertellen, hij zat boordevol plannen, hij luisterde ook graag, en hij organiseerde toffe activiteiten. De Spetters voelden dat Jan hen ook graag zag en daarom kwamen ze heel dikwijls naar de vergadering. Zelfs als Jan boos op hen was geweest - dat moest wel eens een keer - kwamen de kinderen altijd weer terug.

Op een dag speelden de Spetters samen op de schaatsbaan. Jobbe was wel even aan de deur blijven staan en had gezegd: 'ik wil niet', maar Jan had hem zachtjes onder zijn arm toch meegenomen. Nu stond Jobbe zomaar aan de kant wat te kijken.
"Wat scheelt er, Jobbe?" vroeg Jan.
“'t Zijn mijn schoenen", zei Jobbe, "Ik heb al zo dikwijls gezegd dat mijn schoenen stuk zijn en mijn ouders hebben geen tijd om ze te laten lappen of om nieuwe te kopen. En nu moest ik die kapotte schoenen inruilen voor een paar schaatsen; ik schaamde mij dood!"
"Dat begrijp ik. Dat is erg.", antwoordde Jan.
"Ja, en nu wordt het Kerstmis, en dan geeft men thuis pakjes: Gij zult het zien: géén schoenen, maar dingen die mijn pa en ma graag hebben. Boeken die ik moet lezen, en speelgoed waar alleen zij de spelregels van begrijpen, en een spel op de computer terwijl ik liever buiten speel. En wat het ergste is: mijn nichtje Saar, het dochtertje van papa's zus die arm is en thuis niet meer mag komen, die krijgt helemaal geen geschenk en daar komt in heel de periode van Kerstmis en nieuwjaar niemand op bezoek! En ik moet dan thuis blijven want het is feest en dan mag ik niet naar Saar toe om te spelen."

Amaai, dat was een hele boterham verdriet die Jobbe uit zijn hartje had gehaald, en daar rolden nu de tranen zomaar over zijn wangen. Enkele kinderen kwamen dichterbij en vroegen wat er scheelde. "Geef ons een beetje tijd", zei Jan, "straks kan ik je misschien wat vertellen..." En ze liepen aarzelend verder. Jan en Jobbe praatten nog een hele tijd met elkaar terwijl de andere Spetters een beetje stilletjes verder schaatsten op het ijs.…

Toen kwam Bert aangeschoven tot bij Jan en Jobbe. "Jan, mijn oma zit in het bejaardentehuis en toen ik gisteren vroeg of ik haar voor Kerstmis een geschenk mocht brengen zei men thuis dat dat niet ging omdat men veel te veel tijd nodig heeft om het feest van Kerstmis voor te bereiden. Ik vind dat heel erg. Eigenlijk zou ik ook graag even bij jullie komen zitten."
En Bert mocht er komen bijzitten en ook hij kreeg enkele tranen in zijn ogen.

Een beetje verder zat Anneke stil voor zich uit te kijken. Agaat knielde naast haar neer en hield haar hand vast. Haar vriend was in het ziekenhuis, dat wist iedereen...

Toen de Spetters na het schaatsen weer in hun lokaal gekomen waren stond vranke Peter plots recht: "Dat kan niet langer:," zei hij. "Die grote mensen die regelen maar vanalles, die praten zoveel over ons en over Kerstmis en over cadeautjes, maar is dat nu Kerstmis? Is dat alleen maar Kerstmis? Dat kan niet waar zijn!"

Het werd heel stil bij de Spetters. "Misschien kunnen wij een protestclub stichten." riep Agaat. "Dan gaan wij betogen. Daar zullen ze van staan kijken!" En iedereen keek met een vragende blik naar Jan. Wat zou die wel denken? "Laten wij na de vergadering nog eventjes samen blijven met iedereen die wil nadenken over wat wij kunnen doen", stelde hij voor.
Na de vergadering gingen sommige kinderen recht naar huis want ze moesten op tijd thuis zijn, maar Jobbe en Bert, Anneke en Agaat en vranke Peter en stille Jelle met zijn zus Marjan bleven nog even achter. Samen met Jan ontwikkelden zij in het grootste geheim een stout plan.

Enkele nachten voor Kerstmis slopen zij in het pikkedonker het huis uit en liepen naar hun clublokaal. Een uurtje later waren ze weer thuis. Alle Spetters deden mee. En het lukte, niemand had ook maar iets ervan gemerkt. Drie keer achter elkaar deden zij stiekem hetzelfde. 's Morgens lagen ze lekker te slapen in hun bedje thuis. En toen... gebeurde dit:

Het was de laatste morgen voor Kerstmis. In al de huizen van de Spetters stonden de ouders op om te winkelen, te kuisen, te werken en te koken. Want het zou druk worden. Straks was het kerstavond en iedereen wilde het lekkerste eten van de hele straat maken en de sjiekste cadeaus geven aan elkaar. En het feest zou duren tot na middernacht. De kinderen mochten wat langer slapen want die liepen toch maar alleen in de weg.

In het huis van Jobbe klonk opeens een luide schreeuw: "Aaaaaaaiiii! Schaaaaat, ge moet komen! Al onze cadeaus zijn weg! Er zijn inbrekers, dieven geweest! Hoe is dat nu mogelijk!?"

En in het huis van Bert: "Manlief ,waar hebt gij onze kerstgeschenken gelegd? Ik kan ze nergens vinden!" "Hoezo, gij kunt ze nergens vinden: ze liggen toch onder de boom!" "Er ligt juist niks onder de boom." "Wie heeft die dan weggenomen?"

En bij Anneke werd de politie geroepen om de diefstal aan te geven van een sjiek nieuw theeservies dat als geschenk verpakt stond. Bij Agaat was de nieuwe teevee verdwenen die de papa aan mama had gegeven. Bij vranke Peter waren de kousen vol snoep voor Kerstmis allemaal leeg en had de hond bijna stokslagen gekregen toen iemand nog snel zei: "dat kan de hond niet zijn geweest want dan was hij al lang ziek van al dat snoep!" En bij stille Jelle en zijn zus Marjan waren ook alle pakjes uit de boom verdwenen.

Iedereen stond voor een groot raadsel. Jelle en Marjan waren wakker geworden van het lawaai en zagen hun ouders ontzettend boos kijken. En toen die Jelle en Marjan zagen binnen komen riepen deze twee: "Hé, kijk, daar hangen leuke ballonnen tegen het plafond" En aan één ballon hing een briefje. Op dat ene briefje stond geschreven: "Ik mis je zo. Kom je vandaag bij mij op bezoek?" Bij de andere kinderen hingen er ook ballonnen. Bij iemand stond geschreven: "op Kerstavond zou ik graag een beetje feesten. Welkom!". Op weer een ander briefje stond gewoon een hartje, met de datum 24 december, 13 uur. Op weer een ander briefje stond: "Op 24 december heb ik graag een beetje bezoek." En bij Jobbe stond erop geschreven: "Ik had graag de kerstman met een geschenkje op bezoek."

Toen viel de drukte stil in alle huizen. Het was gedaan met haastig zijn en feesten voorbereiden en cadeautjes kopen, of zenuwachtig de nieuwe kleren bekijken in de spiegel... Alle gebabbel en geruzie van de laatste weken was voorbij. De ouders en kinderen gingen bij elkaar zitten en vroegen zich af: "Van wie zou dit briefje kunnen zijn?" En Jobbe zei: "Misschien is het wel van mijn nichtje Saar", en Bert dacht : "Misschien is het wel van mijn oma". En zo vond iedereen wel iemand die men heel dringend een bezoekje zou willen brengen.

Die dag vóór Kerstmis is een mooie dag geworden voor heel veel mensen. Saar kreeg bezoek en zij en haar mama kregen een kerstgeschenk. De oma van Bert was zo gelukkig dat er iemand bij haar op bezoek kwam, zo totaal onverwacht. Ook de kinderen waren overal mee gegaan. Alleen vranke Peter niet. Die had gezegd: "Ik ga morgen wel met de fiets naar nonkel Frans. Ik voel mij een beetje raar vandaag, en seffens is het nog vergadering van de Spetters. Daar moet ik heen.", en hij was thuis gebleven.

Om klokslag 14 uur diezelfde stonden aan het clublokaal alle Spetters bij elkaar. Zij hadden de rest van hun familie achtergelaten op hun bezoek want ze moesten vergaderen met leider Jan... "Kerstfeest" hadden ze gezegd. Oei, wat vonden zij het allemaal spannend wat er was gebeurd... En leider Jan zei nog vlug: "Vooruit heren en dames, wees voorzichtig, rijdt niet onder een auto en kom dadelijk terug." Het werd een blije samenkomst. Na de vergadering vonden alle Spetters thuis hun ouders rustig bij de kerststal zitten. Het was stil in huis en er speelde een fijn muziekje. Iedereen leek wel echt gelukkig. Niemand was gehaast. En onder de kerstboom lag het weer vol geschenkjes en er zat weer snoep in de kousen van vranke Peter. Het leek wel een wonder. En in de zetels bij vranke Peter zat ook nonkel Frans. Want die mocht meekomen naar het feest. "Omdat het maar één keer Kerstmis is in 't jaar," had de mama gezegd." Zoiets had vranke Peter nooit verwacht.

Die nacht zongen de engeltjes aan de hemel hun mooiste lied. Van Jezus die was geboren: men wist het niet. Vrede kwam er op aarde wonen, vrede voor iedereen. Uit liefde had iedereen een geschenk voor iedereen en niet eens in een winkel gekozen: een kus en een gulle lach!

Het geheim van de kerstballonnen werd zorgvuldig bewaard. De Spetters alleen weten hoe dat alles in zijn werk was gegaan… Behalve één ding. Dat snapte niemand van hen: bij Jelle zat in een mooie doos een paar splinternieuwe schoenen. Maar wie weet wist leider Jan daar wel wat van...

Chris Nollet

Mogelijke werkvorm

Maak kleine kaartjes (postkaartformaat) met de zin uit het verhaal erop getypt: “ Die grote mensen die regelen maar van alles, die praten zoveel over ons en over Kerstmis en over cadeautjes, maar is dat nu Kerstmis? Is dat alleen maar Kerstmis? Dat kan niet waar zijn!” Maak in elk kaartje een gaatje.
Lees het verhaal voor.
Geef de aanwezigen na het voorlezen van het verhaal, elk zo’n kaartje. Laat ze even voor zichzelf nadenken wat Kerstmis voor hen betekent.  
Nadien geef je kort de aanwezigen de kans hierover iets te zeggen aan elkaar.
Je kan nadien elke aanwezige een (witte) ballon geven, gevuld met heliumgas. Je kan ze gerust op voorhand opblazen en ze gebruiken om de zaal te versieren. Laat ieder aan de ballon het kaartje met de zin uit het verhaal hangen. Laat nadien samen buiten de ballonnen vliegen, misschien tussen sneeuwvlokjes door…

HOE JOZEF DE KERSTSTAL VOND een kerstverhaal voor klein en groot

Het was een koude, winterse avond. Alle konijntjes blijven dan liefst warm en diep in hun hol. Allemaal… behalve eentje. Het wist zelf niet goed waarom, maar het moest en zou naar buiten. Was het gewone konijnennieuwsgierigheid? Een beetje honger? Het had geen idee. Het stak z'n neusje uit het hol en voelde het meteen: dit was geen gewone avond. De sterren stonden kristalhelder in de lucht, de sneeuw blonk als nooit te voren en in de stilte hoorde je enkel het gekraak van de bomen in de vrieskou. Het konijntje huppelde tot aan de zandbaan, die stil en verlaten tussen de dennen kronkelde. Wat zocht een konijntje aan een baan? Hier groeide geen gras en er kwamen vaak mensen langs. Toen het om de bocht beweging zag dook het dan ook onmiddellijk ineen en versmolt met de bunt en de heide. In het witte maanlicht kwam traag en moeizaam een klein grijs ezeltje naar voor. Op zijn schoft droeg het een vrouw, gewikkeld in een kapmantel. Er naast stapte een oude man, het hoofd omlaag en de rug gekromd van vermoeidheid.

Juist op de plek waar het konijntje verscholen zat, bleven ze staan. De vrouw kreunde zacht en de man sloeg troostend zijn arm om haar heen. Het konijntje hield zich heel stil. Dit waren niet de gewone lieden die dagelijks de baan gebruikten, geen bedelaars, zandleurders of stropers. Zonder het zelf te merken kwamen z'n oortjes recht omhoog en snoof het de geur van de ezel. Die keek opzij en wiegde traag zijn hoofd. Nooit had het konijntje zo'n triest dier gezien en alle voorzichtigheid vergetend zette het zich rechtop, hupte vooruit en drukte z'n kleine bibberneusje tegen de grote ezelsnuit.  "Ik ben klein en ook een beetje bang," zei het, "maar… kan ik misschien helpen?" Het ezeltje hief zijn hoofd op en keek omlaag naar dat pluizen bolletje zo vlak voor hem. Hij was te moe om verbaasd te zijn en zuchtte: "We zijn al zo lang onderweg. We zijn langs alle herbergen geweest, maar nergens was plaats. Maria die ik draag, is moe en de tijd is gekomen dat zij een kind zal baren. Wij zoeken onderdak voor de nacht." Hij boog opnieuw het hoofd. Onderdak voor een ezel en mensen? Een konijntje graaft zijn eigen hol, warm en veilig, maar waar rust een ezel? Het wou zo graag helpen, dat kleine konijntje, het dacht en dacht, zocht naar wat hen dienstig kon zijn.  "Een beetje verder staat een oude stal. Het is er droog en er is altijd hooi, daar heb ik wel eens van gegeten in deze koude tijd. Binnen staat wel vaak een groot beest, een os geloof ik, maar die ziet er vriendelijk uit. Kan zoiets dienen?" vroeg het en tegelijkertijd schrok het van z'n eigen durf.  "Ik droom van een warme stal, met stro en hooi. Wijs me de weg en ik zal volgen," antwoordde de ezel blij. Het konijntje hupte al voor en de ezel haastte zich op weg met zijn kostbare last. Maar toen de weg splitste wou de man naar links, terwijl het konijntje rechtsaf ging. Het ezeltje trok koppig aan het touw en gaf niet toe. "Dan doen we jouw zin maar, ik ben te moe," zuchtte de man. "Misschien vindt jouw ezelsverstand wel een dak voor ons alle drie." Niet dat ezelsverstand maar het dappere konijntje bracht hen tot aan de stal. De man hielp blij de vrouw van het ezeltje, leidde hen binnen en sloot de deur. Het kleine konijntje wachtte buiten, zonder te weten waarop. De man liep bedrijvig in en uit, schepte water uit de put, maakte vuur en sleepte met een ketel. Toen klonk plots een kinderschrei en het konijntje haastte zich door een gat in de muur naar binnen, zodat het alles kon zien. De vrouw die Maria noemde, wikkelde haar kind in doeken en legde het neer in een kribbe, die Jozef gevuld had met het goudgele stro. Uit het niets klonk zacht hemelse muziek. Het konijntje zat in opperste bewondering rechtop, de voorpootjes gevouwen, zoals alleen een schepsel Gods z'n Schepper kan aanbidden. Toen bedacht het ineens dat het zo'n heilig moment niet voor zichzelf mocht houden en haastte zich om het grote nieuws over de heide te verspreiden. In geen tijd zaten alle bewoners van de konijnenberg in en rond de stal, tussen de balken, het stro en het hooi. Ze keken met blinkende oogjes en de oortjes rechtop naar dat wondere paar en het kind dat in de kribbe sliep. In hun bewondering schoven ze steeds dichter bij de kribbe. Eentje duwde z'n neusje tegen de voetjes van het kindje. Toen het voelde hoe koud ze waren, sprong het zonder nadenken in de kribbe en nestelde zich er bovenop. Het schrok van zijn eigen vrijpostigheid, maar Maria knikte dat het goed was. Er daalde een vredige rust over de stal. Alleen de konijntjes waakten en langzaam week de nacht voor de ochtend.

In de verte hoorden ze de herders al komen. Daar horen konijntjes niet bij en dus haastten ze zich terug naar hun veilige holen. Dat eentje dat, zoals het zelf zei, klein was en een beetje bang, maar zo graag wou helpen, aarzelde nog even en keek een laatste keer achterom. Het ezeltje kauwde op een handvol hooi, knikte naar zijn helpertje en zei met volle mond: "Bedankt kleintje!"

Marcel Van Giel

Mogelijke werkvorm: bezinning rond ‘de weg’ waarop ik me bevind

v     Lees het kerstverhaal.
Maria en Jozef waren op weg. De ezel is hun vervoermiddel en deze kiest voor een andere weg.
Kerstmis nadert… Op welke soort weg bevind ik mij in mijn leven?
Lees de onderstaande tekst met een beschrijving van verschillende soorten wegen.

Ongebaande weg

Je voelt je sportief, je gaat het volle leven nonchalant tegemoet. Je gaat op ontdekkingstocht langs vele wegen, je zoekt. Je neemt risico’s, je durft. Je wil je grenzen verleggen. Je weet van aanpakken, je blijft niet bij de pakken. Je neemt niet altijd de vlakke weg, je moet soms een omweg nemen.

Eénrichtingsweg

Je weet wat je wil in je leven. Je hebt een droom, een duidelijk doel. Je gaat er recht op af. Je zoekt mensen om je heen die dezelfde weg willen gaan.

Of je voelt dat je mensen en gebeurtenissen te eenzijdig bekijkt. Je dreigt vast te roesten in standpunten, je dreigt onder te duiken in principes.

Kruispunt

Je staat voor een belangrijke beslissing in het leven. Je weet nog niet zo goed welke weg je wil inslaan. Je kijkt goed uit voor je kiest. Je wil het anders in je leven aanpakken, een andere weg kiezen.

Snelweg

Alles moet snel, vlug. Je hebt geen tijd. Je voelt dat je niet echt leeft, maar geleefd wordt. Je voelt je niet rustig, maar eerder opgejaagd. Geen tijd om eens stil te vallen, om eens om je heen te kijken. Iedereen rijdt vlug langs mekaar. Het gaat zo vlug, zo ‘zere’ dat je misschien jezelf en anderen ‘zeer’ doet.

Secundaire weg

Je geniet graag van het landschap om je heen. Je laat je niet onnodig opjagen. Je maakt tijd om eens stil te vallen, om te luisteren. Je wil niet de eerste zijn. Je houdt van rust, verpozing.

Kiezelweg

Je bevindt je op een moeilijk stuk weg. Je hebt het wat moeilijk. Je begrijpt jezelf of anderen niet meer zo goed. Je gaat langzaam. Je kijkt uit naar wat geduld, begrip en liefde.

Doodlopende weg

Je zit vast. Je ligt in de knoop met anderen, met jezelf. Je bent ontgoocheld door het leven, door anderen, door jezelf. Je hebt iemand veel pijn gedaan, maar je weet niet hoe het nu verder moet…

Je had een droom, je had vele plannen, maar… ze zijn kapot geprikt. Je voelt je alleen op de wereld.

v     Geef mensen in stilte wat de tijd om voor zichzelf na te gaan op welk soort weg zij zich bevinden.

v     Toon eventueel foto’s van verschillende wegen samen met het stukje tekst erbij. Geef mensen ook even in stilte de tijd om voor zichzelf na te gaan op welk soort weg zij zich bevinden.

v     Laat ze hierover eventueel iets vertellen aan elkaar in kleine groepjes.