Start

19. Leven met een geweten (15 februari 2004)

Het is ons allemaal wel al eens overkomen dat we plots geconfronteerd worden met een mens in nood. We hebben dit niet voorzien. Onverwachts staat er iemand voor ons die hulp nodig heeft. We voelen dat er een vraag op ons afkomt. Natuurlijk kunnen we die naast ons neerleggen. Waarschijnlijk hebben we dat in gelijkaardige gevallen ook al gedaan. Maar in onszelf ontdekken we toch een “stem”, een dwingende oproep, die ons vraagt om niet weg te lopen en iets te doen.

Of we worden geconfronteerd met dingen die absoluut niet kunnen. We weten wel dat het er in onze wereld niet ideaal aan toe gaat. We zijn meestal zelfs bereid om veel te verdragen. Misschien omdat het anders niet leefbaar is of omdat wij er zelf inderdaad niet veel aan kunnen veranderen. Maar er zijn grenzen. Er zijn onrechtvaardigheden op grote en kleine schaal, wantoestanden en misbruiken, waar we niet anders dan boos en verontwaardigd op kunnen reageren. We voelen dat we moeten protesteren, dat we dit niet kunnen dulden. Er is een hogere macht – de macht van de waarheid, de menselijkheid, het recht – die het ons zegt. We voelen haar kracht.

Beide ervaringen zijn eigenlijk vindplaatsen van wat onze geloofstraditie “het geweten” noemt: we kunnen allemaal in onszelf een soort innerlijk kompas ontdekken, waarvan de stem op bepaalde momenten doorklinkt in de oren van ons hart. Ze roept ons op om het goede te beminnen en te reageren tegen het kwade. Diep in onszelf voelen we aan dat we die stem moeten gehoorzamen, als we in harmonie willen leven met onszelf en met de anderen. Het zijn niet alleen gelovige mensen die deze ervaring kunnen opdoen. Wel is ze voor de christelijke traditie een bevestiging van haar geloof dat Gods Geest in mensen aan het werk is. De Pastorale Constitutie van het Tweede Vaticaanse Concilie zegt: “Het geweten is de meest verborgen kern en het heiligdom van de mens, waarin hij alleen is met God, wiens stem in hem weerklinkt” (nr. 16).

De bijbel leert ons dat Gods stem discreet is en zich niet opdringt. Zo gaat het ook met het geweten: het is niet vanzelfsprekend dat een mens bewust naar zijn innerlijke stem gaat luisteren. Om die stille stem te kunnen opvangen, verstaan en volgen, moeten we eerst thuis leren komen bij onszelf en onze eigen innerlijkheid. Dit veronderstelt onder meer dat we tijd nemen om terug te blikken op onze ervaringen en de betekenis ervan leren te onderscheiden. Het gewetensonderzoek aan het einde van de dag – men noemt het vandaag soms liever “levensgebed” - is daarbij voor vele gelovigen een eenvoudige hulp. We staan stil bij enkele vragen: wat is er vandaag gebeurd? Waar heb ik iets goeds kunnen doen? Waar heb ik de liefde en de vrede gediend? Waar liet ik steken vallen? Waar heb ik me afgesloten voor anderen, uit angst of hoogmoed? We danken bovendien God voor het goede, we vragen vergeving voor onze zonden en kracht om verder te groeien in liefde. Wie zich geduldig oefent in dit levensgebed, groeit in zelfkennis en leert scherper de diepere motieven zien van het eigen doen en laten. Hij of zij wordt ook fijngevoeliger voor wat goed en kwaad is en voor de noden van anderen.

Ons geweten wordt niet alleen gevormd door aandacht voor het eigen hart. We vormen het ook door met ons verstand na te gaan wat er nodig is om het goede te dienen en het kwade af te wijzen. We hoeven dat trouwens niet helemaal zelf uit te zoeken: grote, edelmoedige mensen zijn ons daarin voorgegaan, hebben fundamenten gelegd en bakens uitgezet. Hun voorbeeld kan ons ook vandaag inspireren. Boven alles hebben we Gods Woord dat een licht is op onze weg. In de bergrede, de levenswijze van Jezus of in de brieven vinden we kostbare wegwijzers waar we ons eigen innerlijk kompas aan kunnen toetsen. Ze kunnen ons helpen om goede keuzes te maken en als gewetensvolle mensen te leven. Amen.