Start

20. Leven voor elkaar (22 februari 2004)

We zijn deze bijdragen over de inhoud van ons geloof begonnen met de vraag: waarin liggen de bestemming en het geluk van de mens? Ons eerste antwoord was: de mens vindt geluk wanneer hij zich opent voor God die Liefde is. In de loop van onze bezinningen heeft de bijbel ons er verschillende keren aan herinnerd dat die Liefde van God geen vaag begrip is. Wanneer mensen werkelijk vanuit zijn Liefde gaan leven, vertaalt zich dat in hun manier van denken, spreken en handelen. Jezus is daarin ons grote voorbeeld, zegt de eerste Johannesbrief: “Wat liefde is, hebben wij geleerd van Jezus: hij heeft zijn leven voor ons gegeven. Dus zijn ook wij verplicht ons leven te geven voor onze broeders” (1 Joh. 3, 16). Anders gezegd: hoe kan je zien dat mensen leven vanuit Gods Liefde die in Jezus zichtbaar werd? Als ze gaan leven voor elkaar.

Dit “leven voor elkaar” is volgens de evangelist Johannes dé opdracht die Jezus aan zijn leerlingen heeft meegegeven. Dat wordt duidelijk in zijn lange beschrijving van het laatste avondmaal (Joh. 13-17). Het is als een drieluik, waarin Johannes in drie panelen de kern van Jezus’ leven en boodschap schildert. Telkens staat de agapè centraal, de onderlinge liefde, die de concrete uitdrukking is van het “leven voor elkaar”.

 

Bij het begin van de maaltijd wast Jezus de voeten van zijn leerlingen. Hij vat er met een gebaar zijn eigen leven samen. Hij geeft zijn leerlingen een voorbeeld van wat het betekent te leven voor elkaar: “Als ik, jullie Heer en Meester, jullie voeten heb gewassen, dan behoren jullie ook elkaar de voeten te wassen. Ik heb jullie het voorbeeld gegeven: je moet doen zoals ik jullie heb gedaan” (Joh. 13, 14-15). Johannes beklemtoont dat de onderlinge liefde niet alleen iets is wat elke leerling aan de ander moet bewijzen. Ze is ook een dienst die de ene leerling van de andere moet willen aanvaarden. Het “leven voor elkaar” veronderstelt werkelijk een wederzijdse beweging van ontvangen en geven. Daarom moet Simon zich eerst door Jezus de voeten laten wassen. “Anders hoor je niet bij mij”, zegt Jezus.

Die wederkerigheid in de liefde komt ook aan het licht in het tweede paneel van het drieluik. Na het vertrek van Judas zit Jezus met zijn leerlingen aan tafel en Hij onderricht hen uitvoerig over de onderlinge liefde: “Ik geef jullie een nieuw gebod: dat je elkaar liefhebt. Met de liefde die ik jullie heb toegedragen, moeten jullie ook elkaar liefhebben. Daaraan zal iedereen kunnen zien dat je leerlingen van mij bent: als jullie onder elkaar de liefde bewaren” (Joh. 13, 34-35). We krijgen hier de indruk dat de onderlinge liefde tussen de leerlingen in de plaats komt van Jezus’ fysieke aanwezigheid. Ze wordt als het ware het “sacrament” van zijn aanwezigheid. Maar Jezus waarschuwt zijn leerlingen ook. Ze zullen maar echt voor elkaar kunnen leven, als ze als ranken verbonden blijven met Hem, de ware wijnstok: “Alleen wie met mij verbonden blijft – zoals ik met hem – draagt rijkelijk vrucht, want los van mij kunnen jullie niets”  (Joh. 15, 5).

In het derde paneel mondt het onderricht van Jezus uit in een gebed. Jezus bidt tot zijn Vader, dat zijn leerlingen onderling één mogen zijn en dat zij thuis mogen zijn in de liefde van de Vader en van zijn Zoon Jezus: “Heilige Vader, bewaar hen in uw Naam, die U mij hebt toevertrouwd, opdat ze één mogen zijn zoals Wij” (Joh. 17, 11). Hier wordt duidelijk dat, wanneer de leerlingen leven voor elkaar, hun onderlinge liefde ook de weerspiegeling wordt op aarde van de wederzijdse liefde tussen Vader, Zoon en Geest.

In drie panelen schetst Johannes het testament van Jezus aan ons: onderlinge dienstbaarheid en liefde, blijvende verbondenheid met Hem en zijn Vader. In elke eucharistie brengen we dit testament van Jezus opnieuw in herinnering. Dat de viering ervan ons telkens weer mag helpen om het ook te beleven en zelf ons leven te geven voor elkaar. Amen.